Categorie: taalkunde

Hé! Nieuwe Nederlandse voegwoorden!

Door Marc van Oostendorp


“Waarom”, vroeg mijn vrouw onlangs aan mij, “gebruiken jullie cho als voegwoord?” Ja, daar stond ik wel even van te kijken. Cho?

Jullie moeten weten dat mijn vrouw uit een of ander land komt waar heel veel niet-moedertaalsprekers wonen, en dat ze altijd op zoek is naar bewijzen dat het met de Nederlandse taal niet helemaal snor zit. Maar zo zout had ik het toch nog niet gegeten. Cho?

Ze was naar een bijeenkomst geweest, waar een vrouw dat de hele tijd had gezegd, om bijzinnen in te leiden. “Ik zei toen tegen haar cho je hebt dat toch al wel gedaan? En zij antwoordde cho ik heb daar niet aan gedacht.”

“Oh”, zei ik: “goh!

“Maar dat is helemaal geen voegwoord, dat is iets anders!” Toen ik erover nadacht, wist ik toch ook niet zo goed wat er dan anders was. En de afgelopen weken begon me ineens ook op te vallen hoe vaak mensen dat goh gebruiken om een zin in te leiden, en dan vooral een bijzin.
Lees verder >>

Ik ben naar het museum en niet naar het raam.

Door Marc van Oostendorp

 

Waarom kun je wel zeggen ‘Ada is naar het museum’? en niet ‘Ada is naar het raam’? Het is een van de bij mijn weten nooit eerder gestelde vragen die wordt opgeworpen in het nieuwe nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde.

De Nederlandse syntactici doen de laatste jaren iets wat heel nuttig is en tegelijkertijd voor zover ik kan zien uniek op de wereld, in ieder geval voor syntactici: ze praten met elkaar. Een keer per jaar discussiëren deskundigen op dat, in het buitenland vaak door enorme wetenschappelijke twisten verscheurde gebied over de grenzen van de eigen theoretische aannames heen tijdens de Dag van de Nederlandse Zinsbouw (de volgende is op 28 november in Utrecht). Dat levert altijd wel een nieuw pikant feitje op – of op zijn minst een vraag.

Vorig jaar was het voorzetselvoorwerp een van de onderwerpen van gesprek, en nu publiceert Nederlandse Taalkunde onder andere de bijdrage van Joost Zwarts over voorzetselvoorwerpen die een richting uitdrukken, zoals ‘naar het museum’.

Lees verder >>

De theorie van het weglaten

Door Marc van Oostendorp


Veel vragen hoef je niet met een volledige zin te beantwoorden. Wanneer iemand je bijvoorbeeld vraagt: ‘Schijnt de zon?’ en het is midden in de nacht, dan hoef je niet te zeggen: ‘Nee, de maan schijnt’. Het werkwoord kun je weglaten: ‘Nee, de maan’ is een prima antwoord.

Maar nu komt het. Stel dat iemand de observatie doet ‘De maan schijnt’. Dan zou je ter verklaring kunnen antwoorden: ‘Allicht, de zon schijnt’. Maar dan kun je het werkwoord schijnt niet weglaten. ‘Allicht, de zon’ is een rare zin om te zeggen.

Waarom kan het in het ene geval wel en het andere niet? Onder andere daarover gaat het proefschrift waarop Enrico Boone over ongeveer een maand in Leiden hoopt te promoveren en dat sinds deze week online staat. Hij draagt daarin nog weer eens overvloedig bij aan de theorie over het weglaten van woorden – een verschijnsel dat mij blijft verbazen.

Zo vergelijkt Boone die onvolledige antwoorden met weggelaten werkwoorden in zinnen als de volgende:
Lees verder >>

Kijk hier de uitzending

Door Marc van Oostendorp


De webredactie van NRC Handelsblad is om. Lange tijd kondigde ze tv-fragmenten aan met de frase Kijk hier het interview van Sven Kockelman met Marianne Thieme. Maar sinds kort doen ze dat niet meer, en gebruiken ze een voorvoegsel: Bekijk hier…

Er zullen wel mensen hebben geklaagd, en ik moet toegeven dat ik zelf bij die andere formulering ergens een klein tikje voelde. Want kijken is natuurlijk meestal onovergankelijk en kan geen lijdend voorwerp hebben: Ik ga kijken! Kijk je even mee? Moet je hem zien kijken. Het voorvoegsel be- wordt wel meer gebruikt om een onovergankelijk werkwoord overgankelijk te maken: ik slaap, ik beslaap de vloer, ik wandel, ik bewandel de weg.

Alhoewel.
Lees verder >>

De directeur van het Rijks museum weet het beter

Door Marc van Oostendorp


Wim Pijbes van het Rijksmuseum – ja de man die beroemd werd doordat hij een halve spatie introduceerde in de naam van zijn instelling–  liet dit weekeinde met veel aplomb in Trouw weten dat hij zodra hij aantrad de tekstbordjes liet veranderen. Want wat er op die oude bordjes stond, dat was echt zó vreselijk ouderwets:

“Ik heb extra teksten gemaakt naast een aantal bestaande bordjes. Om te laten zien dat het anders moest. Korte teksten van maximaal zestig tot tachtig woorden, hooguit tien woorden per zin. Geen vakjargon. Meteen met de deur in huis vallen. To the point, op de kijker geschreven. Actief taalgebruik, dus niet: Rembrandt heeft dit geschilderd. Nee, Rembrandt schilderde dit.”

Actief taalgebruik? Zou Willem Pijbes echt denken dat heeft dit geschilderd een passieve vorm is? Wat is daar gebeurd in zijn hoofd? Of beter (meer to the point) geformuleerd: wat gebeurde daar in zijn hoofd?
Lees verder >>

Ik help soms af en toe.

Door Marc van Oostendorp

Soms komen de mensen in grote nood naar je toe. Deze keer was het een nicht die ruzie had met haar dochter. In het woordenboek had de nicht gelezen dat af en toe en soms synoniemen van elkaar zijn. Maar haar dochter beweerde dat dit niet klopte, omdat er verschil was tussen de volgende zinnen:

  • De zon laat zich morgen af en toe zien.
  • De zon laat zich morgen soms zien.

De tweede zin klinkt raar. Ik heb hem de afgelopen dagen aan een aantal mensen voorgelegd, en iedereen was het erover eens: zo kun je dat niet zeggen, in zo’n geval kun je beter af en toe gebruiken.

Wat is hier aan de hand?
Lees verder >>

Het dialect als kweekkas, de standaardtaal als gletsjer

Door Marc van Oostendorp



Dialecten worden wel gezien als de ijskappen van de taal: het bederf verloopt er trager en fossielen die in de standaardtaal blijven daardoor bewaard.

In het West-Vlaams, bijvoorbeeld, zou het ontkennende woordje en zijn blijven staan dat in de middeleeuwen overal gebruikt werd in combinatie met niet of geen. In dat dialect kun je bijvoorbeeld het volgende zeggen:

‘k en zagen en nog niet. (Ik zag hem nog niet).

Dat lijkt op de manier waarop in de middeleeuwen bijna iedereen in ons hoekje van Europa het deed, en trouwens ook waarop je dat in het moderne (Standaard-)Frans nog doet:

Ic en sagh hem niet. (Ik zag hem niet.)
Je ne le vois pas. (Ik zie hem niet.)

Toch is er wel wat meer aan de hand, zo blijkt uit een nieuw artikel van de onderzoeksters Anne Breitbarth en Liliane Haegeman.
Lees verder >>

Wil ik een doosje voor je zoeken?

Door Marc van Oostendorp
Zoals de meeste mensen heb ik specifiekere herinneringen aan de taal van mijn vader dan die van mijn moeder. Zoals je moeder praten, dat is wat je leert als kind, en dus is alles wat je moeder zegt, allemaal volkomen normaal. Ik kan me in ieder geval niets voor de geest halen dat mijn moeder zei en dat ik als kind vreemd vond. Maar bij je vader begint de taalvariatie: die zegt soms dingen die je als kind kennelijk niet overneemt, maar tot nadenken stemmen.
Gisteren was ik aan het lezen in De tranen der acacia’s en ineens hoorde ik daar uit de mond van de zus van de hoofdpersoon (Carola) een zinnetje van mijn vader voorbijkomen:
Wil ik een doosje voor je zoeken?

Ik herinner me dat mijn vader zulke dingen zei en dat ik als twaalfjarige dacht: maar dat moet je mij toch niet vragen, of jij dat wil. Want ik dacht dat ik slim was en wist niet beter.

Lees verder >>

‘Ik vind bovendien dat hij grappig is’. Of: ‘Ik vind dat hij bovendien grappig is’

Door Marc van Oostendorp


Het nieuwe nummer van Nederlandse Taalkunde is uit! Er staat onder andere een kort artikel in van Kees de Schepper en enkele anderen (hier is een digitale versie) over zinnen zoals de volgende:

  • Hij is erg charmant; ik vind bovendien dat hij ontzettend grappig is.
  • Niet belangrijk? Ik meen juist dat dit het essentiële punt is.
  • Ik denk misschien dat ik er ook een voor mijn moeder ga kopen. 

Lees verder >>

21 mei 2014: Lezing over Westgermaanse dialectsyntaxis

Lezing van Prof. Dr. Jürg Fleischer (Deutscher Sprachatlas, universiteit Marburg) op 21 mei 15.30-17.00. Meertens Instituut, Amsterdam (Keizerzaal):

Continental West Germanic dialect syntax: evidence from the (German and Dutch) Wenker surveys

It is quite obvious that linguistic and political boarders need not coincide. Nevertheless, in dialectology, if only for practical reasons we usually collect data with respect to politically defined areas. For that reason data from different projects are often not directly comparable. In my talk I would like to take a closer look at various syntactic phenomena (pro-drop, pronoun serialization, infinitival complementation) by using one data type that is available for the whole Continental West Germanic area, the so-called Wenker surveys (which, for the Netherlands, date from 1934). Although we are dealing with translation tasks, the sheer quantity of the Wenker surveys (more than 50 000 data points, covering the Continental West Germanic area in total) and their exact comparability partially make up for the shortcomings of the methodology.

Oproep: onderzoek vraagzinnen

Wat is er aan de hand met vraagzinnen? Heidi Klockmann en Franca Wesseling (Universiteit Utrecht) doen onderzoek naar vraagzinnen in het Nederlands. Om vraagzinnen in het Middelnederlands te onderzoeken wordt (o.a.) het Corpus Gysseling ingezet, voor de variatie in het huidige Nederlands hebben ze uw hulp nodig. Ze zouden zeer gebaat zijn als u onderstaande link aanklikt en de vragenlijst invult. Bedankt!

https://www.surveymonkey.com/s/vraagzinnen

Nu ga ik een ijsje voor je kopen

Zullen en gaan in het werk van Lieke Marsman

Door Marc van Oostendorp


Een jaar geleden dacht ik na over het werkwoord gaan; dat je best kunt zeggen ‘het gaat regenen’ terwijl de druppels al vallen, zolang dat maar de eerste druppels zijn. En ‘ik ga dit boek lezen!’ als je de eerste bladzijden tot je genomen hebt – zolang die eerste bladzijden alleen maar op proef waren. Dat is anders dan ‘ik zal dat boek lezen’: dan heb je echt nog geen letter gelezen.

Inmiddels is er ook een dichtbundel van, en die laat zien dat er nog meer aan de hand is. De jonge dichteres Lieke Marsman gebruikt de constructie in een paar van haar gedichten uit haar onlangs verschenen bundel De eerste letter. Bijvoorbeeld in het gedicht Ruimte:

nu ga ik een ijsje voor je kopen
en moet je met me meelopen naar mijn huis
nu gaan we samen een volkstuintje beginnen
nu gaan we zeshonderd kilometer reizen
(…)

en dan gaan we nu luisteren naar de koperblazers
(intrat koperblazers)
en dan ga je nu mijn hand vasthouden omdat je doorhebt
dat ik banger ben dan ik beweer

Lees verder >>

Ieder dag een taalverandering

Door Marc van Oostendorp


Sommige op het eerste gezicht nutteloze details blijven heel lang hangen in een taal. Neem de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord. Het systeem is op het eerste gezicht hopeloos ingewikkeld, zoals iedere buitenlander weet die onze taal wil leren. Je gebruikt altijd –e, tenzij het lidwoord onbepaald is en het zelfstandig naamwoord onzijdig:

 de mooie man, een mooie man
– het mooie kind, een mooi kind

Waarom zou je die hele verbuiging eigenlijk moeten hebben? Ze drukt geen betekenis uit en het Engels doet ook niet zoiets mals. En desalniettemin behouden we het.

Althans, er is wel degelijk iets aan het veranderen, zoals Freek Van de Velde en Fred Weerman laten zien in een onlangs verschenen artikel. Wanneer je goed zoekt in grote dataverzamelingen, vind je dingen als:
Lees verder >>

Do you love me?

Door Leonie Cornips
Sommige zinnetjes wekken wrevel of hilariteit op. Een beroemd voorbeeld is het gebruik van doen als hulpwerkwoord. ‘Ik ben gewoon timmerman en ik doe timmeren’ zegt een Heerlenaar tegen me. Dit doen bij een zelfstandig werkwoord als timmeren, lijkt een rechtstreekse vertaling uit het dialect. Vandaar dat ik vaak hoor beweren dat doen-zinnen uniek voor Limburg zijn. Een echt Limburgisme dus. Een Heerlenaar vertelt me dat doen: ‘typisch is aan de zuidelijke kant van Heerlen. Beetje Kerkraadse invloed is dat. Die doen dat doen erbij. De Duitsers doen het ook in hun dialect.’ Een Vaalsenaar informeert me daarentegen dat: ‘De kinderen in school die gebruiken dat veel. In Vaals zeggen de kinderen ik doe tekenen. Mijn moeder doet koken. Mijn moeder doet wassen en dat kan best in ons plat maar is verkeerd.’

Lees verder >>

De oorzaak van mijn hoofdpijn was de moeilijke sommen

Door Marc van Oostendorp

Welke werkwoordsvorm moet je plaatsen in:

– De oorzaak van mijn hoofdpijn {was / waren} de moeilijke sommen. [1]

Het is moeilijk te bepalen. De zinnen klinken allebei een beetje gek, hoewel ik de meervoudsvorm uiteindelijk geloof ik beter vind. De meeste Nederlandstaligen denken daar wel ongeveer hetzelfde over, zij het niet allemaal. Dat bleek uit een lezing die ik vrijdag in Brussel hoorde.

De voorkeur is, zo bleek in diezelfde lezing, iets groter in bijzinsvolgorde:

Ik denk dat de oorzaak van mijn hoofdpijn de moeilijke sommen {was / waren}. [2]


Lees verder >>

Men artikel is gedoan wè né

Door Marc van Oostendorp


Iedere zin is een pakketje. In het binnenste zit een gedachte; laten we zeggen ‘mijn artikel is af’. Die gedachte vormt zich ergens in het binnenste van je hoofd, en wil eruit – zich nestelen in andermans hoofd.

Maar dat gaat zomaar niet! Zodra zo’n zin van mij naar jou moet, moet er pakpapier omheen: het pakpapier van de sociale conventie. Er moeten ineens allerlei plichtplegingen worden voldaan. Ik moet laten weten wat ik van jou vind, en van onze onderlinge relatie, en van mijn gedachte, en wat jij precies van mijn gedachte wil vinden, en ga zo maar door.

In het Nederlands bestaat dat pakpapier vaak uit kleine woordjes, zoals nou, hé, hè en zo voort. Het is moeilijk te beschrijven wat ze precies betekenen, maar ze drukken iets uit over de relatie tussen jou en mij, en mij en de zin. Proef het verschil tussen zinnen als:

Nou, mijn artikel is af.
– Hé, mijn artikel is af.
– Mijn artikel is af, hè?
– Nou, mijn artikel is af, hè?


Lees verder >>

Op de allereende plaats?

Door Marc van Oostendorp


Er gebeurt zoveel tegelijkertijd dat je soms pas jaren later hoort over dingen die naast de deur gebeurd zijn. Zo kwam ik er gisteren toevallig pas achter wat een interessant artikel mijn collega Sjef Barbiers – hij zit hier op het Meertens Instituut twee deuren verder te typen – in 2007 geschreven heeft: een artikel over één en veel. (U moet er helaas voor betalen.)

Ik kwam er achter doordat een van Sjefs promovendi gisteren een praatje gaf waarin ze op een aantal aspecten inging. Een ervan is dat het rangtelwoord dat bij één hoort eerste is. Waarom niet eende? Ook in allerlei andere talen is de vorm voor 1e bijzonder (niet unième maar premier, niet oneth maar first, niet einte maar erste). Vaak heeft het zoals je kunt zien daarbij ook de vorm van een overtreffende trap (eer – eerder – eerst).

Volgens Sjef is dat geen toeval.
Lees verder >>

Waar bevindt zich precies ‘de grot tegenover de kerk’?

Door Marc van Oostendorp

Toen ik maandag terugkwam op mijn werkkamer, lag de nieuwe  er al! We zijn inmiddels beland bij deel IV van zijn monumentale Syntax of Dutch: 375 pagina’s over voor- en achterzetsels in het Nederlands. (U kunt het hier gratis downloaden; maar als ware liefhebber koopt u die delen natuurlijk en zet ze te pronken in uw kast.)

De wonderlijkste verschijnselen komen aan de orde: dat je wel kunt zeggen De taalprof ging de hoek om, maar niet De taalprof liep de tafel om. Dat je kantoor in De taalprof werkt momenteel op het kantoor wél van de bepaling nieuwe kunt voorzien, maar niet in De taalprof werkt momenteel op kantoor. Dat De taalprof liep drie kilometer het kanaal langs gek klinkt, terwijl die zin volkomen begrijpelijk is, en bovendien parallel aan De taalprof liep drie kilometer het bos in. 
Hoewel het boek natuurlijk gaat over de syntaxis van die voorzetsels, is er veel ruimte voor de betekenis van voorzetsels.
Lees verder >>

Verschenen: Syntax of Dutch. Adpositions and Adpositional Phrases

De afgelopen vijftig jaar zijn er talloze wetenschappelijke en vaak specialistische werken over grammatica verschenen. In diezelfde periode is echter niet alleen de discussie over grammatica veranderd, maar ook de presentatie van formele structuren en de interpretatie van informatie. Gedegen antwoorden over de structuur van een bepaalde taal zijn daarom niet eenvoudig te vinden. Syntax of Dutch slaagt hier echter uitstekend in.

Het werk richt zich op één enkel kernaspect van de Nederlandse grammatica: de syntaxis (de leer van de zinsbouw en woordgroepen). Ondanks het specialistische onderwerp bestaat het uit maar liefst zeven delen, waaraan in totaal meer dan vijftien jaar is gewerkt. Het resultaat is een uniek naslagwerk voor taalkundigen én geïnteresseerde leken met enige taalkundige achtergrond die meer willen weten over de syntactische eigenschappen van de Nederlandse taal.
Lees verder >>

Want boos/verdrietig/bekaf

Door Marc van Oostendorp

De American Dialect Society was bij mijn weten een van de eersten ter wereld die een ‘woord van het jaar’ aanwees. Ze doet dat nog altijd op een bijzonder serieuze manier, zoals alleen al blijkt uit het feit dat ze dat woord altijd aanwijst als het jaar is afgelopen, en niet al in november of zo, wanneer de media er weliswaar op zitten te wachten, maar het jaar toch heus nog niet voorbij is.

Ook dit jaar loopt de society weer voorop door het woord because aan te wijzen. Pardon? Ja, het woord because, dat namelijk tegenwoordig in hip Amerikaans gebruikt kan worden als voorzetsel en dingen zeggen en twitteren als:

Het interessante is: dat kunnen wij ook! Kijk maar:
Lees verder >>

Pas verschenen: Nederlandse Taalkunde (Jrg. 18 – Nr. 3)


Onlangs verschenen: Nederlandse Taalkunde 18 (2013), nr. 3. In dit nummer onder meer twee Dag van de Nederlandse Zinsbouw-discussies.
Inhoudsopgave
Discussie Imperatieven
Daniël van Olmen
            De imperatief in de verleden tijd
Gertjan Postma
            Forumlezingen in imperatieven: lexicale constructies of productieve syntaxis?
Gertjan Postma, Daniël van Olmen & Evie Coussé
Discussie
Discussie Temporaliteit en Modaliteit

Lees verder >>

De mooiste, langste, diepste en laatste zinnen

 (voorpublicatie!)

Door Marc van Oostendorp

Het onderstaande is het begin van mijn boek Heb je nou je zin! Een zoektocht naar de mooiste, langste, diepste en laatste zinnen. De uitgever (Prometheus) meldde gisteren dat het van de drukker terug is, maar ik heb het nog niet gezien. Het ligt waarschijnlijk volgende week in de winkel. Lezer van dit blog! U die hier dag in dag uit uw gratis stukjes komt halen! Doe uzelf nu eens een plezier en bestel dit boek! En bestel er, omdat het bijna december is, meteen een voor de vader van uw kinderen, die collega die zo van taal houdt, uw nichtje voor wie u nooit een cadeautje kunt verzinnen én voor uw levenspartner die u nu weleens wil uitleggen hoe interessant de taalwetenschap is. Bestellen kan bijvoorbeeld bij Athenaeum.

Ieder mens spreekt elke dag honderden zinnen uit. Er is nooit geteld hoeveel precies, maar volgens sommige schattingen zegt een mens op een dag ongeveer 20.000 woorden; dat zijn minstens 1500 zinnen. We horen nog eens een veel‐ voud daarvan en hoeveel we er alleen maar denken, is al helemaal nooit onderzocht. Zinnen zijn overal om ons heen én overal in ons.
We krijgen natuurlijk allerlei informatie over de wereld binnen via onze zintuigen, maar ergens in onze geest moe‐ ten we die informatie ordenen en samenbrengen. Ook dat doen we vaak in zinnen, of in ieder geval in geordende gedachten die veel op zinnen lijken. De mens is een dier dat zinnen maakt.

Lees verder >>

Een hardnekkige taalfout die nooit de norm zal worden

(Ik meen het.)

Door Marc van Oostendorp


Sommige taalfouten blijven altijd bestaan. Ze zullen ook nooit goed gerekend worden, zelfs niet door de zachtmoedigste taalkundige; al is het maar omdat ze altijd randverschijnselen zullen blijven tot het einde der taal, dingen die alleen maar incidenteel en per ongeluk gezegd worden en nooit door grote massa’s worden overgenomen.

Een voorbeeld daarvan kwam dit weekeinde voorbij op het Meldpunt Taal:

De laatste tijd lees ik regelmatig zinnen waarin de persoonsvorm in enkelvoud staat in plaats van in meervoud, of omgekeerd. Twee recente voorbeelden: 1. “Medewerkers van een Brits beveiligingsbedrijf mishandelt gedetineerden in Zuid-Afrika.” 2. “Hij meent dat beloningen verdere vergroting aanmoedigt.” Het lijkt erop dat de persoonsvorm zich aanpast aan hetgeen er het dichtstbij staat in de zin, in plaats van aan het onderwerp van de zin.

De genoemde voorbeelden komen uit NRC Handelsblad, en hoewel ik betwijfel dat dit iets is van ‘de laatste tijd’, heeft die anonieme melder het goed gezien.
Lees verder >>

Je en jij

Door Marc van Oostendorp

Waarom betekent je soms wat anders dan jij? Dat is een van de intrigerende vragen die Bettina Gruber probeert te beantwoorden in het proefschrift waarop ze volgende week hoopt te promoveren (hier).


Dat de twee woorden inderdaad soms verschillende betekenissen hebben, was al langer bekend. Gruber geeft er een aantal mooie voorbeelden van:

– Als je/jij allergisch bent voor honden, ben je/jij niet ook automatisch allergisch voor katten.

De zin met je gaat niet per se over de aangesproken persoon. Hij kan een algemene betekenis hebben (wie allergisch is voor honden is niet ook automatisch ook allergisch voor katten), die de zin met jij niet kan hebben. Die laatste zin gaat echt alleen maar over jou (ja, jij daar).

Er zijn wel een paar probleemgevallen, zoals:

– Als jij een vrouw bent, moet je harder werken.

Die zin drukt een algemene waarheid uit, en bevat toch het woordje jij.
Lees verder >>

Vizier neergeslagen

Door Marc van Oostendorp

Hoera! Nederlandse Taalkunde is weer binnen! In het nieuwe nummer vestigt Joost Zwarts de aandacht op de volgende zin van Tonke Dragt:
(Tiuri bleef staan en keek naar de vier ridders.) Zij waren in volle wapenrusting, vizier neergeslagen, schild aan de arm, hand op het gevest van het zwaard.
Het gaat om de drie zinsstukken na de komma: vizier neergeslagen, en zo verder. De vraag die Zwarts terecht stelt: hoezo kan hier het lidwoord worden weggelaten? Je kunt toch ook niet zeggen De vier ridders sloegen vizier neer? Of Zij hadden schild aan de arm?

Lees verder >>