Categorie: taalkunde

Driejoek

Door Marc van Oostendorp


Toen ik onlangs de door mijzelf geproduceerde, geregisseerde én gecaterde kaskraker Huh! The Movie online zette, dwaalden ook jullie gedachten onwillekeurig natuurlijk af naar het bijna gelijknamige artikel Ha! Een analyse van de Utrechtse fonologen Wim Zonneveld en Mieke Trommelen uit 1997 (helaas niet online, voor zover ik zien kan).

Die analyse behelst huiselijk gezegd dat de h-klank in het Nederlands geen echte medeklinker is maar een begin stukje van de klinker. Ze proberen daarmee allerlei eigenaardigheden van de h te verklaren, zoals dat hij altijd vóór een klinker staat (ha!) en nooit erna (ah spreek je niet uit met een h).

Het belangrijkste argument heeft te maken met de invoeging van [j] en [w]. Na een ie of een ee voegen we in het Nederlands vrij gemakkelijk een [j] in, en na een oe of oo een [w]

  • di[j]eet, The[j]o, dou[w]ane, bo[w]a constrictor.

Dag van de Nederlandse zinsbouw

Op 20 november wordt de negende editie van de Dag van de Nederlandse zinsbouw gehouden. Het overkoepelende thema van dit jaar betreft de relatie tussen de synchrone syntaxis van het Nederlands en andere gebieden van de taalkunde. Iedereen is welkom: deelname is gratis.
De belangrijkste informatie vindt u hieronder. Voor praktische informatie en eventuele updates verwijzen wij u naar de DNZ-website.

Tijdstip: 20 november 2015, 9.30 -18.00 uur
Locatie: Radboud Universiteit, Erasmusgebouw E9.14 (A+B)

Lees verder >>

Lidwoord


In hoofdstuk vier van de roman Weerwater lezen we over de verhuisactiviteiten van Rudi en Bianca Ruwiel uit IJmuiden. Het is zondagochtend en beestenweer. Een onverwachte augustusstorm heeft het land ontwricht. Even spelen ze met de gedachte de laatste rit uit te stellen en te wachten tot de elementen wat kalmeren, maar het bed is al in het geleende busje geladen. Het enthousiasme van Bianca, die op het punt van bevallen staat, geeft de doorslag. Ze zegt: ‘Thuis is waar je bed staat. Kom op, Ruud, we gaan naar Almere.’. Even later turen ze langs de heen-en-weer zwiepende ruitenwissers naar het verkeer in de storm, onderweg naar hun nieuwe woning in de Hitchcocklaan in de Filmwijk.

Daar stop ik met lezen. Mijn oog blijft haken aan het laatste lidwoord dat mij overbodig voorkomt. Wie in het dorp waar ik woon gaat shoppen of stappen, verklaart we gaan naar de stad. Dan komt er altijd nog een vervolgvraag om te weten te komen of dat Haarlem is of Amsterdam. Wie in Almere in het nieuwe centrum wezen moet, kondigt eenvoudig aan: ik ga naar stad. 
In Den Haag woont men in de Schilderswijk, Amsterdam spreekt van de Indische buurt en in Arnhem kent iedereen het Spijkerkwartier. Maar in Almere heeft niemand het over de Stedenwijk, de Parkwijk en ook niet over de Filmwijk. De paar maanden dat schrijfster Renate Dorrestein in Almere vertoefde, waren niet genoeg om haar ook op taalgebied Almeerder met de Almeerders te laten worden. 

Lees verder >>

Plaatsnamen lijken op de namen van balspelen

Door Marc van Oostendorp


Waarom, oh, waarom ligt de klemtoon in Dordrecht en Wageningen op de eerste lettergreep? Over de wonderlijke vorm van Nederlandse plaatsnamen is nu een artikel verschenen, dat geschreven is door de Duitse, nu in Amerika werkzame, taalkundige Björn Köhnlein. (Tot deze zomer werkte hij bij Duits in Leiden, waar hij ook promoveerde – bij mij – maar hij heeft ons helaas verlaten voor een beter beroepsperspectief.)

Voor zover bekend heeft iedere taal eigennamen – voor personen, voor plaatsen, voor sommige dingen. Die namen lijken in veel opzichten op gewone woorden: ieder van de klinkers en medeklinkers in Dordrecht en Wageningen zou zó in een doorsnee Nederlands werkwoord of bijvoeglijk naamwoord kunnen fungeren. Maar tegelijkertijd zijn namen niet helemaal hetzelfde als gewone woorden. Dat blijkt bijvoorbeeld uit die klemtoon.

Lees verder >>

NWASV2 – New Ways of Analyzing Syntactic Variation 2

19-20 May 2016, Ghent, Belgium
URL: http://www.eqtis.ugent.be/nwasv2/
The GLIMS and EQTIS research units at Ghent University will host a two-day international symposium on new advances in research on syntactic variation on 19-20 May 2016. The event is a follow-up to the first ‘New Ways of Analyzing Syntactic Variation’ symposium that took place at the Radboud University Nijmegen in November 2012. Its overall purpose is to stimulate discussion and interaction between researchers bringing new theoretical and/or methodological expertise to the linguistic study of syntactic variation, broadly construed.

Syntactic variation is a multidimensional concept: it can refer to the existence (in a single language variety) of several syntactic patterns or constructions ”competing” for the same functional space (i.e, to grammatical alternations), or to any kind of sociolinguistic or ”lectal” variation in the formal and/or functional properties of syntactic patterns, along regional, social, diachronic, stylistic, ethnic, gender, etc. dimensions (i.e., to syntactic patterns or constructions as sociolinguistic variables), or to a combination of both.

Lees verder >>

Puzzels rond ‘men’

Door Marc van Oostendorp


De bekende Amerikaanse syntacticus Haj Ross plaatste onlangs op internet een paar pagina’s vol observaties over men – of eigenlijk over het Engelse one, het Franse on en het Duitse man, maar voor men geldt voor zover ik kan zien in ieder geval hetzelfde als voor het Duits. En, zoals vaker bij Ross, daar zitten dingen bij waar geloof ik nog nooit iemand bij heeft stil gestaan.

Wat al wel bekend was: dat men alleen het onderwerp van een zin kan zijn. Je kunt wel zin 1 zeggen, maar niet zin 2 of 3.

1. Men ziet mij graag op deze boederij.
2. Ik zie men graag op deze boerderij. [uitgesloten]

Het Engels is op dit punt wat liberaler.
Lees verder >>

Met zijn vijfjes

Door Marc van Oostendorp


Zoals je mensen hebt die op een doorregende grijze dag tegen het grijze beton van de grijze gebouwen gegarandeerd een zeldzaam grijs vogeltje zien, zo zijn er mensen die aan de Nederlandse taal steeds weer nieuwe dingen weten te ontlokken.

Mijn college Gertjan Postma is zo iemand – hij weet je gegarandeerd te wijzen op dingen die je als moedertaalspreker al je hele leven wist, maar waar je altijd overheen gekeken hebt. Gisteren gaf hij een lezing op het congres van de Societas Linguistica Europaea, waarin hij liet zien dat de taal soms anders omgaat met kleine getallen dan met grote.

Een klein voorbeeld – zo’n voorbeeld dat hij dan even tussen neus en lippen noemt – is dat je wel kunt zeggen met z’n tweetjes, met z’n drietjes en met z’n viertjes, maar dat het daarna snel is afgelopen. Met Google vind je nog wel een handjevol met z’n vijfjes, zesjes en zeventjes, maar die vormen klinken raar, en staan ook niet in verhouding tot de hoeveelheden met z’n vijven, zessen en zevenen die je vindt.

Lees verder >>

Pools is helemaal niet zo’n vreemde taal

Door Lucas Seuren
Recent ben ik begonnen aan het proefschrift van Matylde Weidner, waarin ze arts-patiëntgesprekken in Polen bespreekt. Nou wist ik al langer dat Pools niet een taal is die je gemakkelijk oppakt, en na enkele tientallen pagina’s aan analyses ben ik wel gesterkt in die bevinding. De woordvolgorde, opbouw van woorden, uitspraak, fonologische processen: het verschilt allemaal enorm van het Nederlands.
Tegelijkertijd valt me op dat Pools en Nederlands ook wel wat gemeen hebben. Niet zozeer in de manier waarin de taal wordt opgebouwd, maar vooral de manieren waarop we de structurele mogelijkheden van de taal gebruiken om ons uit te drukken in het dagelijks leven. Je zou bijna gaan geloven dat pragmatiek tot op zekere hoogte universeel is.
Lees verder >>

Wanneer zeg je ‘dan’ dan?

Waar ga je heen dan?

Wat Hollanders (onder wie ikzelf) vaak schijnen te doen, is dan achter een vraag plakken. Misschien ken je het wel. Waar ga je heen, dan? Moet je niet naar school, dan? Hoe oud is hij, dan? Ik doe het al zo lang en zo hardnekkig, dat ik er niet eens erg in had, totdat een kennis dit blijkbaar typisch Hollandse kenmerk aanstipte. Het woordje dan verwijst hier niet naar een bepaald moment of een bepaalde situatie. Maar wat doet dan dán?

Lees verder >>

Vladimir speelt nieuwe piano

Wat we nog niet weten over het werkwoord (9 en slot)

Door Marc van Oostendorp

De Nederlandse taal wordt al honderden jaren onderzocht, en toch is er van alles wat we nog niet weten. Onze taal behoort zelfs tot de best bestudeerde ter wereld, vooral sinds aan het gigantische naslagwerk Syntax of Dutch wordt gewerkt. In dat boek worden de inzichten uit de taalkundige literatuur zo goed mogelijk samengevat.
De afgelopen maanden heb ik hier op Neder-L een korte serie gepubliceerd naar aanleiding van het verschijnen van twee delen van dit naslagwerk die allebei over het werkwoord gaan: op honderden pagina’s worden allerlei dingen samengevat die iedere spreker van het Nederlands weet, al heeft hij er nooit over nagedacht.
Ik heb dat gedaan door een aantal onderwerpen te bespreken waarvan de auteurs van de Syntax zeggen dat ze onderwerp zijn van ‘future research’: onderwerpen waarover de wetenschappelijke literatuur dus nog te weinig geschreven heeft. 
Het wordt tijd om afscheid te nemen van dit reeksje, met een laatste puzzel. Wat is er raar aan de zin ‘Vladimir speelt nieuwe piano’?

Lees verder >>

Het houdt te maken met weervoorspellingentaal

Door Marc van Oostendorp


“De kustprovincies houden dan ook tot en met vanavond te maken met zware windstoten tot ca. 80 km/uur”, meldde het KNMI onlangs, en ergens in Nederland gingen een paar wenkbrauwen omhoog – wenkbrauwen die uiteindelijk bij mij terecht kwamen. Wat was hier aan de hand?

Het klinkt raar, die zin, en in het bijzonder de constructie “te maken houden met”. Tegelijkertijd: je kunt wel zeggen “de kunstprovincies krijgen” of: “hebben te maken met windstoten”. En in andere constructies kun je in zulke gevallen ook houden invullen voor krijgen  of hebben (‘we hebben/krijgen/houden contact”).

Lees verder >>

Het verband tussen hè en hé.

Door Marc van Oostendorp


Waarom zeg je ‘hé Susanne!’ als Susanne binnenkomt? Volgens een nieuw artikel van Gertjan Postma en Tobias Scheer is dat om de wereld te repareren.

Het artikel gaat in eerste instantie niet over , maar over . Postma en Scheer zeggen dat dit woord drie licht van elkaar verschillende betekenissen kan hebben:

  1. Richard: Dat klopt, want 284567+4567= 289134.
    Susanne: Hè?
  2. Richard: Tussenwerpsels maken deel uit van het taalsysteem.
    Susanne: Hè?
  3. Hè, waar ligt die schaar nu weer?

In het eerste voorbeeld betekent  zoveel als: kun je dat nog eens zeggen? Susanne uit haar verbazing over het gezegde, met impliciet het verzoek om dat nog eens te herhalen. Je zou dit gebruik van  kunnen noemen ‘reparatie van het zojuist gezegde’.

Lees verder >>

Mijn vader en moeder

Door Marc van Oostendorp


Neem nu mijn broer en beste vriend. Je hebt dan niet twee personen in gedachte – mijn broer én mijn beste vriend –, maar één: mijn broer die tevens mijn beste vriend is. Die eerste interpretatie is zelfs heel onwaarschijnlijk; de zin in (1) lijkt mij in ieder geval niet zo goed, het moet echt die in (2) zijn, of anders die in (3):

  • Mijn broer en beste vriend komen naar het feest. [niet zo goed]
  • Mijn broer en beste vriend komt naar het feest. [goed]
  • Mijn broer en mijn beste vriend komen naar het feest. [goed]
Je moet mijn dus herhalen als het om twee verschillende personen gaat. Maar dat gaat niet altijd op. De volgende zin is dan weer wel best goed:
  • Mijn vader en moeder komen naar het feest. [goed]
  • Mijn broer en zus zijn er dan ook bij. [ook goed]
  • Mijn oom en tante kunnen er helaas niet bij zijn. [eveneens prima]

Beste team

Door Marc van Oostendorp


“Beste team”, stond er boven een e-mail en ineens besefte ik dat ík zo laf ben dat ik geneigd ben zulke constructies te vermijden. Ik zou er dan beste team-leden boven zetten of zelfs beste allemaal.


Dat beste team niet goed klinkt, komt deels doordat team een collectief beschrijft – beste groep klinkt ook een beetje raar. Aan de andere kant kunt je geloof ik best beste redactie of beste regering boven een brief schrijven. Ik heb geen idee hoe dat zit, en kan sowieso eigenlijk niets vinden over deze aanhefconstructie: waarom werkt het de ene keer beter dan de andere? De ANS en de Syntax of Dutch zwijgen.
Een andere factor is dat team onzijdig is – en dus in ieder geval in sommige gevallen geen uitgang kan hebben.
Lees verder >>

Het eten van veel taartjes

Wat we nog niet weten over het werkwoord (10)
Door Marc van Oostendorp

Zoals water kan overslaan in ijs, zo kan een werkwoord ineens overslaan in een zelfstandig naamwoord. Stel, je vindt het fijn om taartjes te eten. Dan kun je dat natuurlijk op verschillende manieren zeggen:

  1. Ik word gelukkig als we veel taartjes eten.
  2. Ik vind het fijn om veel taartjes te eten.
  3. Ik houd van veel taartjes eten.
  4. Veel taartjes eten is fijn.
  5. Het eten van veel taartjes is fijn.
Gaande van zin (1) naar zin (5) wordt eten steeds zelfstandignaamwoordachtiger. In zin (1) is het in alle opzichten een werkwoord: een persoonsvorm met een onderwerp (we) en een lijdend voorwerp (veel taartjes) en een uitgang die meeverandert met het onderwerp (als ik veel taartjes eet). In zin (2) is eten nog steeds duidelijk een werkwoord, al is het nu een onbepaalde wijs. Ook in (3) zullen veel mensen er nog wel een werkwoord in zien, al is het apart dat het gebruikt wordt na een voorzetsel, en al kan er inmiddels al geen onderwerp meer worden gebruikt – je kunt niet zeggen ik houd van wij veel taartjes eten.
Lees verder >>

Ertijdens

Door Marc van Oostendorp



Een tijdje geleden twitterde iemand een vraag die sindsdien in mijn hoofd is blijven zitten:

Ja, hoe zit dat? De literatuur heeft er niet veel over te zeggen. Ja, voorzetsels die een tijdsspanne or tijdstip uitdrukken kunnen volgens de Syntax of Dutch meestal niet op deze manier bevraagd worden: je kunt ook niet zeggen waargedurende of waarsinds, al hoe wel waarvoor en waarna niet heel vreemd zijn (‘waarvoor moest je ook weer bellen?’ ‘voor de vergadering’ – toch wel een beetje vreemd).

Eigenlijk zijn de voorzetsels die wel goed met waar gaan, bijna allemaal voorzetsels die een locatie in de ruimte aanduiden: op, onder en in zijn daar goede voorbeelden van. 
Lees verder >>

Zij laten hun vernuft bewonderen aan ons

Wat we nog niet weten over het werkwoord (8)
Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen zingen, zien en lezen? Dat blijkt een van de vele dingen te zijn die we nog niet blijken te weten over het werkwoord wanneer we het onlangs verschenen deel Verbs and verb phrases van The syntax of Dutch lezen.

De auteurs van dit deel, Hans Broekhuis, Riet Vos en Norbert Corver, geven de volgende drie zinnen als voorbeeld:

  • Jan laat Marie een liedje zingen.
  • Jan laat Marie de brief zien.
  • Jan laat Marie de brief lezen.

Die zinnen lijken volkomen parallel. Maar wanneer we de bijzinnen in de lijdende vorm zetten gebeurt er iets wonderlijks:
Lees verder >>

Kilometers onder de grond hamelen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (7)
Door Marc van Oostendorp
In het Nederlands zetten we vraagwoorden bij voorkeur aan het begin van de zin. In plaats van je eet wat? (met het lijdend voorwerp achteraan, waar het ook staat in je eet boterhammen), zeg je Wat eet je? Het onderwerp je verandert daar ook van plaats, maar dat laten we nu even buiten beschouwing.
Die vraagwoorden slepen soms wat woorden met zich mee naar voren: je zegt niet welke eet je boterhammen? met alleen het eigenlijke vraagwoord welke vooraan, maar welke boterhammen eet je? Zulk meeslepen heet in de Engelstalige literatuur to pied pipe, wat je het best kunt vertalen met hamelen: zoals de rattenvanger in het sprookje kinderen meelokt, zo hamelt het vraagwoord de andere woorden naar voren.

Lees verder >>

Naar het schijnt

Wat we nog niet weten over het werkwoord (6)

Door Marc van Oostendorp


Als twaalfjarige kwam ik als kind ooit verrukt terug van school. We hadden net de laatste les ontleden gehad. Ik zou, dacht ik, nu in staat moeten zijn om iedere willekeurige zin uit elkaar te trekken en weer op de juiste manier in elkaar te monteren. Ik nam een krant en begon bij het eerste artikel. Hoeveel zinnen ik precies op deze manier te lijf gegaan ben, weet ik niet meer.

Misschien is de eerste me nog toevallig gelukt, maar binnen enkele minuten lag de krant verfrommeld in de hoek. Een normale zin bleek, anders dan de geconstrueerde uit de schoolboeken, niet te ontleden.

Sindsdien ben ik al 35 jaar taalkunde aan het bestuderen, en daardoor wel wat verder gekomen. Maar nog steeds zijn er allerlei doodgewone zinnen die raadselachtig zijn; en niet alleen voor mij, maar ook voor de knapste taalkundige. Zo merken Hans Broekhuis en Norbert Corver in het binnenkort te verschijnen deel over werkwoorden van The Syntax of Dutch op dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar zinnen zoals de volgende:

Lees verder >>

Verschenen: Syntax of Dutch. Verbs and Verb Phrases, Volume 1 &2


In februari 2015 verschijnen twee nieuwe delen van Syntax of Dutch, het zevendelige naslagwerk dat zich richt op één enkel kernaspect van de Nederlandse grammatica: de syntaxis (de leer van de zinsbouw en woordgroepen).
Tot dusver verschenen vier delen. De eerste twee behandelen de zelfstandig naamwoorden en zelfstandignaamwoordgroepen, het derde deel behandelt de bijvoeglijk naamwoorden en bijvoeglijk naamwoordgroepen, en het vierde deel gaat over voorzetsels en voorzetselgroepen. Nu verschijnen de eerste delen twee delen over werkwoorden en werkwoordgroepen, geschreven door Hans Broekhuis, Norbert Corver en Riet Vos. In april 2016 volgt nog een derde deel over dit onderwerp.
Hieronder volgt de (Engelstalige) aankondiging:
Hans Broekhuis, Norbert Corver & Riet Vos. Syntax of Dutch. Verbs and Verb Phrases, Volume 1 & 2. Amsterdam University Press
The Syntax of Dutch presents a synthesis of the currently available syntactic knowledge of Dutch. It is primarily concerned with language description and not with linguistic theory, and provides support to all researchers interested in matters relating to the syntax of Dutch, including advanced students of language and linguistics.
So far four volumes have appeared On Nouns, adjectives and adposition. On February, 17, 2015, the series is supplemented by two volumes: a third volume will follow in April 2016, which will conclude the series (at least for the moment). The new volumes on verbs are organized in a similar way as the previously released volumes. Volume 1 opens with a general introduction to verbs, including a review of various verb classifications and discussions on inflection, tense, mood, modality and aspect. This is followed by a comprehensive discussion of complementation (argument structure and verb frame alternations). Volume 2 continues the discussion of complementation, but is more specifically focused on clausal complements: the reader will find detailed discussions of finite and infinitival argument clauses, complex verb constructions and verb clustering. Volume 3 concludes the discussion with a description of adverbial modification and the overall structure of clauses in relation to word order (e.g., verb placement, wh-movement. extraposition phenomena, scrambling, etc.).

Lees verder >>

Zo voorkwam ik alles te begrijpen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (5)

Door Marc van Oostendorp


Als ik beweer dat ik morgen zal komen, beweer ik morgen te komen. Zoveel is zeker: het lijdend voorwerp van de ene zin (‘ik beweer’) kan zelf weer een zin zijn met een persoonsvorm (zal in ‘ik zal morgen komen’) of zonder (‘morgen te komen’). 
Het eigenaardige, zegt Hans Broekhuis in het 1200 pagina’s dikke deel Verbs and verb phrases van zijn Syntax of Dutch is dat het niet bij ieder werkwoord zo werkt. Neem het volgende paar:
  • Diederik ontdekte dat hij loog. [1]
  • Diederik ontdekte te liegen. [2, vreemd]
De tweede zin is een stuk vreemder en ongebruikelijker dan de eerste. Waarom? Het ligt niet alleen aan het werkwoord ontdekken, want soms gaat het juist wel heel goed:
Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (4)

Door Marc van Oostendorp


Sommige werkwoorden zijn promiscu in hun onderwerpskeuze. Neem de volgende voorbeelden:

  • Ik rijd met mijn auto op de weg.
  • Deze auto rijdt snel / lekker.
  • Deze weg rijdt snel / lekker.

Het onderwerp van rijden kan degene zijn die rijdt (eerste zin), maar ook waarmee gereden wordt (tweede zin) en de plaats waarop gereden wordt (derde zin). Die laatste twee voorbeelden werken wel alleen goed als er nog een bepaling bijstaat zoals snel of lekker: ‘Deze auto rijdt’ en ‘Deze weg rijdt’ zijn zo, zonder meer, niet goed – een wonderlijk verschijnsel.

Je kunt de zinnen met de auto en de weg als onderwerp ook ombouwen: in plaats van ‘deze auto rijdt snel’ kun je ook zeggen ‘deze auto is lekker om mee te rijden’, bijvoorbeeld.

In het reusachtige, binnenkort te verschijnen deel over werkwoorden van hun Syntax of Dutch merken Hans Broekhuis en Norbert Corver op dat er wel nog onbegrepen verschillen zijn tussen (bijvoorbeeld) snel en lekker.
Lees verder >>

Het meisje kreeg de sleutels overhandigd

Wat we nog niet weten over het werkwoord (3)
Door Marc van Oostendorp


De lijdende vorm, wie is er niet groot mee geworden? Alleen ging het op school voor zover ik me herinner nooit over de krijgen-passief.

De gebruikelijkste lijdende vorm is die met worden: van Joost slaat Henkie maak je Henkie wordt door Joost geslagen. In het omvangrijke, binnenkort te verschijnen deel over het werkwoord van zijn Syntax of Dutch vestigt Hans Broekhuis de aandacht op een ander soort passief, dat met krijgen:

  • De makelaar overhandigde het meisje de sleutels.
  • De sleutels werden het meisje overhandigd door de makkelaar. [gewoon passief]
  • Het meisje kreeg de sleutels overhandigd door de makelaar. [krijgen-passief]

Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (2)

Krijgen als lijdende vorm

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands is een van de best onderzochte talen ter wereld, en toch is er van alles en nog wat dat we niet begrijpen. Neem het werkwoord krijgen, bijvoorbeeld in de volgende zin:

– Marc krijgt een pdf’je (van Hans)[1]

Marc is in die zin het onderwerp, toch? Ja, volgens de schoolgrammatica wel. Maar volgens het binnenkort te verschijnen 1500 pagina’s deel Verbs and verb phrases van Hans Broekhuis’ Syntax of Dutch zijn er wat vreemde dingen mee aan de hand. (Ik ben een serietje aan het maken over enkele van de open plekken in onze kennis die Broekhuis aanwijst; welkom en goedemorgen.)

Zo kun je van onderwerpen vaak een zelfstandig naamwoord maken door er –er achter te plakken: Ilja schrijft, dus is hij een schrijver; Menno bakt, dus is hij een bakker. Beiden dragen baarden en zijn dus baarddragers. Maar door pdf’jes te krijgen ben ik nog geen krijger.

Lees verder >>