Categorie: taalkunde

Waarom Luther zijn naam veranderde

Door Michiel de Vaan

De bekende Duitse naamkundige Jürgen Udolph heeft een nieuw boekje het licht doen zien.[1] In het kader van de 500-jarige viering van de Reformatie in 2017 wordt het nu uitgebracht: Martinus Luder – Eleutherius – Martin Luther. Warum änderte Martin Luther seinen Namen? Het leest vlot weg en bevat toch veel nieuwe informatie. Luther werd in 1483 geboren als Martin Luder en ondertekende brieven en registers tot 1517 ook consequent als Martinus Luder. Vanaf de herfst van 1517 begon hij zich Martinus Luther te noemen, en daarnaast gebruikt hij van 1517 tot 1519 ook nog de naam Eleutherius.

Lees verder >>

Etymologie: vervelen

Door Michiel de Vaan

vervelen ww. ‘teveel zijn’

Middelnederlands vervelen ‘vermenigvuldigen; lastig, onaangenaam zijn’ (verveilde ‘stoorde, was onaangenaam’ ca. 1350, vervelen ‘vermenigvuldigen’ ca. 1465), Vroegnieuwnl. vervelen ‘meer worden; doen vermeerderen’ (tot ca. 1700), ‘genoeg krijgen van; vermoeien, teveel zijn; tot last zijn, hinderen; door eentonigheid oninteressant of saai worden, vervelen’ (vanaf 1500), met klinkerronding ook verveulen (1642); sonder vervelen ‘overvloedig’ (1583). Oorspronkelijk overgankelijk, daarnaast wederkerig zich vervelen vanaf ca. 1760. Versterkende bijwoorden bij het laatste zijn bijv. dodelijk (1833) en razend (1839). Afleidingen: vervelich ‘te zwaar, vervelend; verveeld’ (1509), verveelend ‘belastend’ (1703), verveeling (1764). De uitdrukking tot verveelens toe ‘uitentreuren’ vanaf 1767.

Verwante vormen: Middelnederduits vorvelen vermeerderen; vervelen’, Mhd. verviln ‘te veel worden’. Afleiding van veel.

De hypothese dat vervelen, waar het naast veul ‘veel’ voorkomt, op een Germaans ww. met suffix *-jan- teruggaat (zo Wobbe de Vries, TNTL 43, 1924, p. 131) is te verwerpen, aangezien de kleuring tot eu te recent en te onregelmatig van aard is om een dergelijke conclusie op te baseren. Bovendien  is verveulen al in de 17e eeuw geattesteerd.

Is ‘jij’ netter dan ‘je’?

man-407083_1920Door Maartje Lindhout

Wat is dat toch dat sommige mensen hardnekkig jij, jou en jouw schrijven in plaats van gewoon je? Vandaag weer. Een onbekende beantwoordde mijn e-mail en koos ervoor me te tutoyeren. Geen probleem wat mij betreft. We wisten beide van elkaar dat we twintigers waren. Ik had hem overigens – terecht of onterecht – gevousvoyeerd, want ja, we kenden elkaar dan weer niet persoonlijk.

Maar hij schreef dus jij. En jou en jouw. Gestaag vermeed hij de je die hij hoogstwaarschijnlijk wel zou zeggen. De jij’s en jou(w)’s zorgden voor een nadruk waar dat helemaal niet de bedoeling was. “Hartelijk dank voor JOUW mail.”

Lees verder >>

Etymologie: unster

Door Michiel de Vaan

unster zn. ‘weegtoestel, handweegschaal’unster

Vroegmiddelnederlands einser (Brugge, 1281/82) ‘unster’ (hier als synoniem voor ponder), enser makra ‘unstermaker’ (1281; vgl. ook pondelmakere); Nnl. uuser (1566), unster (1588), uyster (1581), onser (1639), enster (1573); uussel (1562), huysel (1582), onsel (1616), eussel (1573), enssel (1640), einsel (1640), aeyssel (1562). Vlaams enser vertoont ontronding van oudere *ü, waarbij in Vmnl. einser de e tot ei is geworden voor ns (vgl. peinzen). Vormen met -t- zijn ontstaan uit naamvallen waarin unsere werd tot unsre en er een t als overgansklank tussen s en r kwam.

Lees verder >>

Etymologie: tweern, twijn

Door Michiel de Vaan

tweern zn. ‘gedubbeld garen’
twijn zn. ‘gedubbeld garen’

Middelnederlands twern (1477), twaern (1491–1500), Nnl. twern (1566), tweern (1588). Werkwoord: Mnl. twaernen ‘garen dubbelen’ (1423), tweerenen (ca. 1400), Nnl. tweernen (1526), twernen.

Vroegmiddelnl. twijn m. (1286, Dordrecht: van roeden tuine ‘van rode twijn’, een half pont wijt tuijns ‘een half pond witte twijn’), Nnl. twijn (1500), tweyn (1599). Afleidingen: Vmnl. tvinre (1281), Nnl. twijnder ‘iemand die als beroep garen twijnt’; twijndraet (1301-1325), twinen bn. ‘getwijnde’ (1351); Mnl. twinen ww.(1401-1500), Nnl. twijnen (1546) ‘draad dubbelen, draden stevig ineendraaien tot een draad’.

In dialecten: Zeeuws twien ‘garen’, Vlaams twiene ‘garen ineendraaien’, Ravensteins twer ‘twijn’, Zuidutrechts tweerne ‘voortmodderen’, Gronings tweeren ‘zeuren’, tweiern ‘twijnen’. Het Brabants heeft voor het ww. alleen het type twijnen, het Duitse Rijnland voor het zn. alleen het type tweern. In combinatie met het oudere Nederlands kunnen we dus zeggen dat twijn vooral in Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant thuis is, en tweern in het oostelijk Nederlands en aangrenzende gebieden van Duitsland.

Lees verder >>

Het de slachtoffers’ huis

Door Marc van Oostendorp

Attachment-1 (4)Om de een of andere reden werd ik de afgelopen week ineens overstroomd met vragen over de bezitsrelatie. Had ik bijvoorbeeld weleens gehoord van de constructie hem broer (voor zijn broer)? En waarom klinkt ‘de slachtoffers woning wordt onderzocht’ gek, maar ‘het slachtoffers huis’ veel beter?

Enige navraag onder collega’s leerde dat er nog helemaal niet zoveel onderzoek is naar de manier waarop het Nederlands met die bezitsrelaties omgaat. De constructie hem broer is in ieder geval een logische. Hij maakt het systeem van de Nederlandse voornaamwoorden wat systematischer. Voor alle andere personen geldt immers ook dat het bezittelijk voornaamwoord gelijk is aan de niet-onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord:

Anja ziet me. Dat is me boek.
Anja ziet je. Dat is je boek.
Anja ziet u. Dat is u boek.
Anja ziet hem. Dat is zijn boek.
Anja ziet haar. Dat is haar boek.
Anja ziet ons. Dat is ons boek.
Anja ziet jullie. Dat is jullie boek.
Anja ziet hun. Dat is hun boek.

Lees verder >>

Etymologie: toorn

Door Michiel de Vaan

toorn zn. ‘woede’

Vroegmiddelnederlands torn (1200), toren (1240) ‘woede, heftige opwinding; verdriet, ellende’, Vroegnieuwnl. toren ‘hevige woede; verdriet’ (ca. 1516), na 1600 meestal in de spelling toorn. De betekenis ‘verdriet’ verdwijnt na de 17e eeuw maar komt nog in enkele dialecten voor: Zeeuws torn ‘tegenslag, klap’, Antwerps toorn, toren ‘verdriet, hartezeer’. Vergelijk voor de rekking van *u voor rn in de standaardtaal ook hoorn en doorn. Afleidingen: Vmnl. tornen zwak ww. ‘boos maken; boos zijn’ (1240), vertoernen (1276-1300) ‘boos maken’; toernich ‘verdrietig’ (1220-1240), tornech ‘boos, kwaad’ (1265-1270); torninge ‘het boos maken’ (1240).

Verwante vormen: Oudsaksisch torn o./m. ‘woede’, bn. torn ‘woedend’, Middelnederduits torn, tarn m. ‘woede’, bn. torn ‘woedend’, ww. tornen ‘toornen’, Oudhoogduits zorn, ww. zornōn en zurnēn, bn. zorn, Nhd. Zorn m., Oudengels torn ‘woede; verdriet’, bn. torn ‘verontrustend, bitter’.

Lees verder >>

Twee opmerkelijke klankverschijnselen in de eerste helft van de zestiende eeuw: een signalement.

Door Renaat Gaspar

Het relaas dat Jan Govertsz opgesteld heeft van zijn reis die hij in 1525 naar Palestina heeft gemaakt, en waarvan medio 2016 een eerste, geannoteerde uitgave in de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren is opgenomen, bevat naast veel cultuurhistorische bijzonderheden tevens een tweetal merkwaardigheden die ook de uitsluitend taalkundig geïnteresseerde lezer interessant zal vinden. Het betreft enerzijds nieuwe vindplaatsen van een palataal gerealiseerde sjwa zoals Caron die meer dan vijftig jaar geleden had opgemerkt en als historisch juist had gekarakteriseerd; anderzijds een hoogst merkwaardige gelijkstelling van v en w zoals B. van den Berg die ruim zestig jaar geleden had opgemerkt en als een domme vergissing van een weinig ontwikkelde schrijver had gekenschetst.

Lees verder >>

Etymologie: hader

Door Michiel de Vaan


hader
zn. ‘twist’

Vroegnieuwnl. hader ‘twist’ m. (1546), haer (1588). Het woord verdwijnt in de zeventiende eeuw weer snel uit de taal, mogelijk vanwege homonymie met de verschillende andere woorden haar. Afleidingen: haderich ‘twistziek’ (1573), haderen, haeren (1588), hadderen (ca. 1620) ‘twisten’, haderman, haerman (1573) ‘onruststoker’.

 Verwante vormen: Middelnederduits hader m., Middelhoogduits hader m., Vnhd. Hader ‘twist’, Mohd. hadern ‘twisten’.

De Westgermaanse uitgangsvorm is onzeker, het meest waarschijnlijk zijn *haϸra-, *haϸru- of *haϸura-. Het staat waarschijnlijk in verband met PGm. *haϸu- ‘gevecht’, dat in het Westgermaans vooral als eerste lid van persoonsnamen voorkomt: Oudsaksisch Hathu-, Ohd. Hadu-, OE heaðo-, Vroegmiddelnl. Hadebert, Haderic, enzovoort. Verwanten van *haϸu- buiten het Germaans zijn onder andere Oudiers cath, Middelwelsh cad ‘strijd’ (Proto-Keltisch *katu-), Oudkerkslavisch kotora ‘gevecht’, Grieks kótos ‘wrok, haat’, Sanskrit śátru- ‘vijand’, en Hett. kattu- n. ‘vijandschap, twist’. Mogelijk gaan deze terug op een nominale stam *kh2-et- ‘vijandschap’, afgeleid van de PIE wortel *ḱeh2‘begeren, om iets geven’, vgl. voor de betekenis ook PIE *ḱeh2-d- ‘haten, houden van’ (waarvan Ned. haat) in de analyse van Pronk (2013: 300–301). De reconstructie *kh2-et- zou verklaren waarom we zowel gepalataliseerde (in Skt.) en niet-gepalataliseerde (in OKS) reflexen van de PIE *ḱ vinden.

Hader zou als afleiding *haϸu-ra- van *haϸu- ‘gevecht’ ontstaan kunnen zijn, of als mannelijk substrantief met suffix –ra- of –ru– (zoals in het Sanskrit) bij de stam *haϸ- ‘vijandig gezind zijn’. Lees verder >>

Etymologie: stern

Door Michiel de Vaan

stern zn. ‘zeezwaluw, sternida

Nnl. starmeeutje (1714), starre (1860), sterre-meeuw (1622 [non inveni]). Dial. starreling, stikstar (Noord-Holland), steern (Groningen). De term stern wordt pas sinds 1900 in de schrijftaal als Nederlandse benaming gebruikt. Hij is ontleend aan wetenschappelijk Latijn sterna, dat door Linnaeus in 1758 (Systema Naturae, 10e ed., p. 137) werd overgenomen uit Turner’s Avium praecipuarum historia (1544), die met sterna de Engelse dialectbenamingen stern, starn latiniseerde.

Hetzelfde woord werd ook gebruikt voor ‘spreeuw’: Vroegnnl. sterre, starre ‘spreeuw’ (1599, “verouderd”), Nnl. staar (1770; ontleend aan Duits?). De verwante vormen vallen dan ook in twee betekenissen uiteen:

  1. ‘spreeuw’: Oudsaksisch stara f., Oudhoogduits star(o) m., Mhd. star, Mohd. Star, Oudnoors stari m., MoIJslands star(r)i, Oudengels stær m., stærn, stærlinc, MoE starling, dial. starn (Shetland), starnel (Northants.)
  2. ‘stern’: b1. met *st-: MoWFri. stirns, sterns, ook stjirring, stjerring, stjarring; stark; Noordfries, o.a. Sylt hudenstiar, Föhr-Amrum sternk; Oudengels stearn ‘stern’, stern ‘meeuw’, MoE dial. starn (Norfolk) ‘stern’. MoE tern ‘stern’ is ontleend aan het Oudnoors.

b2. zonder *s-: Oudnoors ϸerna v., Zweeds tärna ‘stern’.

Lees verder >>

Etymologie: zier

Door Michiel de Vaan

zier zn. ‘kleinigheid’

Mnl. sieren ‘mijten’ mv. (1287, West-Vlaanderen), zieren (1401–1450); ziere ‘kleinigheid’, bijv. in Daer ne sal niet ane gebreken alse groot alse ene ziere ‘daar zal niets aan ontbreken, zelfs niet zo klein als een mijt’ (van Velthem, Spiegel Historiaal). Nnl. ziere (1528), siere (1538) ‘mijt, luis’, bijv. om de luysen ende sierkens te dooden (1608); zierken ‘heel klein deeltje’ (1569). De uitdrukkingen ‘geen zier’ en ‘niet een zier’ zijn vanaf de zestiende eeuw geattesteerd: hy seede ten heeft mich nyet een zier geholpen ‘hij zei: “het heeft me geen zier geholpen”’ (1535, dagboek van  kapelaan Munters uit Kuringen bij Hasselt (Lb.)), haar rechterhand … dooch niet een sier ‘haar rechterhand deugt voor geen zier’ (Souterliedekens, 1540).

Verwante vormen: Oudhoogduits siura f., siuro m., Middelhoogduits siure v. ‘mijt’, Vroegnieuwhd. Seure ‘puistje veroorzaakt door mijten of vlooien’, Zwitserduits ̄re ‘schurftmijt’, Ripuarisch en Moezelfrankisch zier, zieër ‘mijt; puistje; kleinigheid’; Oudsaksisch siura (nom.sg.), surin (nom.pl.) ‘schurftmijt’, Middelnederduits sure, suer ‘hittepuistje, puist’. De meeste Duitse vormen veronderstellen Westgermaans *seurjōn– f., maar sier(e) in het Brabants, Limburgs en het Rijnlands moet op *seuran- of *seurōn- teruggaan, zonder -j-, anders zou het woord een geronde klinker van het type uu hebben gehad, met i-umlaut van *eu. Oudfrans ciron, sueron, Oudpikardisch suiron ’meelworm, mijt’ is uit Westfrankisch *seur(j)ōn– ontleend.

Andere woorden voor ‘mijt’ zijn afgeleid van ‘snijden’ (Ned. mijt) of ‘malen’ (Dui. Milbe), maar voor de etymologie van *seur- in *seurjōn– bestaat geen enkel evident aanknopingspunt.

 

Spelling als remmer van klankverandering?

Bedankjes voor de kinderen die deelnamen aan het onderzoek
Bedankjes voor de kinderen die deelnamen aan het onderzoek

Door Maartje Lindhout

In veel gebieden van het Nederlands gaat de z steeds meer als de s klinken en de v als de f. “Ik heb de son sien sakken in de see”, is een stereotype uiting van een Amsterdammer. Het verschil tussen de s en z en tussen de f en de v is wel eens groter geweest. In het zuiden van het land is dat verschil nog het meest aanwezig. Daar vind je ook nog een onderscheid tussen de (geschreven) ch en g. In Zuid-Holland, waar ik woon, is er zo goed als geen verschil meer tussen die klanken. Maar je schrijft ze dus nog wel anders! Over deze klankverandering wilde ik meer te weten komen. Sterker nog: hier wilde ik het scriptieonderzoek voor mijn master Taalwetenschappen over gaan doen.

Ik ging op onderzoek uit om te weten te komen hoe Zuid-Hollandse kinderen deze wrijfklanken precies aanleren. Hierbij wilde ik antwoord op de volgende vragen. Maken de kinderen überhaupt wel een onderscheid tussen de korte variant (v, z, g) en de lange variant (f, s, ch)? Zo ja, op welke leeftijden doen ze dat? En speelt de klankomgeving eigenlijk nog een rol? Lees verder >>

Pas verschenen: Hoe noem ik mijn tent?, over bedrijfsnamen

HoeNoemIkMijnTent-cover-loresZojuist verscheen Hoe noem ik mijn tent?, geschreven door tekstschrijver Wouter van der Land. Het is de eerste complete gids voor het vinden van een bedrijfsnaam in de Nederlandse taal. Het boekje is bedoeld voor startende horecaondernemers, maar is zeker ook interessant voor neerlandici en naamkundigen. Nergens worden de regels voor woordvorming namelijk zo opgerekt als bij merk- en bedrijfsnaamvorming. Hoe noem ik mijn tent? is uitgegeven in eigen beheer en is onder andere te koop bij Bol.com.

Thema’s en stijlmiddelen

Hoe Noem Ik Mijn Tent? behandelt naamgeving stap voor stap. Aan bod komen achtereenvolgens de verschillende functies van een bedrijfsnaam, de juridische aspecten ervan en het formuleren van duidelijke doelstellingen en randvoorwaarden. Daarna volgen creatieve tips en een hoofdstuk over tweeduizend jaar tradities in horecanaamgeving. Voor taalkundigen het meest interessant zijn de bijlagen: een uitgebreid overzicht van de mogelijke thema’s en stijlmiddelen bij bedrijfsnaamgeving. Lees verder >>

Etymologie: hauw

Door Michiel de Vaan

hauw zn. ‘type vrucht’

Vroegmiddelnederlands awe ‘zaadhuisje’ (van de nardus) (1287), Nnl. hawkens (1543), haeuwe (1559), hauwe (1573), ook gespeld als houwe (1599), haeuwe (1608), hauw (1668), haauw (1686) ‘zaadhuisje, peul, huls’. Dialectisch nog houw, verkleinwoord mv. hâwkes, in Antwerpen, Noord-Brabant en Belgisch Limburg.

Verwante vorm: Oud-IJslands ‘huid, vacht’. Uit PGm. *hawō- f. (Kroonen 2013: 218). De dichtst verwante vorm is PGm. *hūdi- ‘huid’, waaruit Ned. huid. Die wordt afgeleid van een PIE wortel *kuH-, van verder onbekende herkomst, waarvan een variant *kouH-eh2– het woord PGm. *hawō- zou opleveren. Maar aangezien woorden voor ‘huid’ vaak van woorden voor ‘afsnijden’, ‘in stukken snijden’ worden afgeleid, bestaat er nog een andere mogelijkheid. Zoals PGm. *hau-ja- hooi’ als ‘wat afgemaaid is’ of ‘wat afgemaaid moet worden’ hoort bij PGm. *hawwan- houwen, hakken’, zou ook *hawō- ‘huid’ van datzelfde werkwoord kunnen zijn afgeleid.

Mission accomplished (of: hoe een spatie een vreemde taal binnenlaat)?

Door Marc Kregting

Sinds mijn verhuizing naar België snap ik beter dat taal identiteiten kan maken en breken. Die werkelijkheid strekt verder dan periodiek gebakkelei over Nederlands versus Frans, of over Standaardnederlands versus Verkavelingsvlaams. Misschien word ik uitsluitend omgeven door prinsessen-op-de-erwt, maar ik heb bedaarde mensen geëmotioneerd zien raken over één luttel woordje, binnen hechte families ontvlamden ruzies wanneer zich tussen aperitief en voorgerecht naar aanleiding van een anekdote een taaldetail aandiende.

In mijn geboorteland Nederland heerst ter zake een pragmatische instelling, dacht ik altijd. Bijvoorbeeld voor het Frans volstonden wat handgebaren en koppige herhaling, en wist voor de finetuning Gruppo Sportivo in de jaren zeventig al raad: ‘I’ll buy a dictionary / and look up what you said to me’. Maar inmiddels is een woord als finetuning niet onomstreden tegenover ‘fijnregeling’ en begint het, alsof Engels de enige invloed is, onderhevig te raken aan sociale verschillen en modes.

Of die twisten Hoekse en Kabeljauwse waarden zullen bereiken is me onduidelijk, maar ik beschouw het als een begin van rechtvaardigheid dat ook in Nederland de gemoederen hoog oplopen over taal. Moet Engels al aangeleerd worden op de lagere school? Is Cambridge-Engels echt nodig op de middelbare school? Dienen universiteiten het algemeen belang wanneer zelfs bij Nederlandse letterkunde teksten in de huidige lingua franca omgezet worden?

Ik zwijg nog over stemmen die opgaan om, decennia na de even schrijnende als gestage ineenstorting van het Esperanto, het Engels als voertaal in de hele wereld aan te nemen. Wel vraag ik me af wat laaglandse kinderen ervan weten, voor mijn part geïnternaliseerd hebben, nadat ze de banken van de kleuterschool hebben verlaten ten gunste van het echte stampwerk.

Lees verder >>

Dag van de Friese Taalkunde 2016

Het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy organiseert dit jaar de achtste Dag van de Friese taalkunde. De dag is bedoeld voor iedereen die zich direct of indirect bezig houdt met de taalkunde van het Fries: grammatica, fonetiek/fonologie, naamkunde, lexicologie, sociolinguïstiek, historische taalkunde, kindertaalverwerving, enz. In de lezing kan over wetenschappelijk onderzoek gerapporteerd worden, maar presentaties van onderzoeksplannen, van speculaties of van taaldatabanken zijn ook welkom. Lezingen kunnen gehouden worden in alle talen die tot de West-Germaanse taalfamilie behoren.

Wanneer: vrijdag 21 oktober 2016
Waar: Fryske Akademy, Doelestrjitte 8, Leeuwarden

De lezingen duren 30 minuten (20 minuten lezing plus 10 minuten discussie).

Wij roepen iedereen op, zich aan te melden voor een lezing. Stuur – graag zo spoedig mogelijk, maar voor 15 september – een abstract van een halve A4 met naam en adres naar Eric Hoekstra (secretaris van het Wurkferbân): ehoekstra@fryske-akademy.nl

Wat dat te gaat

door Jan Stroop

In de NRC van donderdag 11 augustus signaleert Ewoud Sanders ‘een opmerkelijk taalverschijnsel’, namelijk de uiting ‘wat dat te gaat’ voor wat officieel luidt ‘wat dat aangaat’, in de betekenis ‘wat dat betreft’. Zelf heb ik op zijn aanwijzing al geconstateerd dat ‘wat dat te gaat’ inderdaad al heel wat keren op internet te vinden is. Sanders concludeert dan: “Kennelijk is de uitdrukking wat dat aangaat ( wat dat betreft ) niet meer bij iedereen bekend. Bovenstaande voorbeelden komen van jongeren.”

’t Oudste voorbeeld bij Google is uit 2002: “Episode III is wat dat te gaat een verhaal apart; onwijs cool, sterk geacteerd.” Daarna komt de uitdrukking gemiddeld één keer per jaar voor. Pas vanaf 2009 wordt ie frequenter.

Ik vraag me af hoe deze variant heeft kunnen ontstaan. Lees verder >>

Etymologie: kwansuis

Door Michiel de Vaan

kwansuis bw. ‘als het ware’

Mnl. quansijs (ca. 1300) ‘als het ware, als om te zeggen’, quijs quans (van Boendale, Der leken spieghel, ca. 1325), quanchuys (Jan de Weert, 1350), quansuus (ca. 1400, Gruuthuuse hs.), quantsijs (ca. 1410), quans (1350); Vnnl. quansuys (1524), quansuus (1561), quantsuys (1566), quansijs (einde 16e e.), quamsuys (1627), quanswijs (1629), kwansuys (1670), kwansuis (1682), kwanswys (1700) ‘als het ware, voor de schijn, terloops’. Dial. kwansys (Limburg, 1840), konsuus, ke(r)suus (Zeeland), kesjuus (Oostende), konsjuus (Antwerpen).

Verwante vormen: Mnd. quantwise, quantswise ‘voor de schijn’, Nhd. quantsweise (in de 17e e. volksetymologisch hermaakt tot gewandsweise), MoWFri. quansquijz (1681, Japicx), kwânskwiis.

Er bestaan twee concurrerende etymologieën, die m.i. geen van beide geheel bevredigend zijn. Lees verder >>

Sjef Barbiers benoemd tot hoogleraar Nederlandse Taalkunde Universiteit Leiden

Dr. Sjef Barbiers (Meertens Instituut en Universiteit Utrecht) is benoemd tot hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit Leiden. Hij zal werkzaam zijn bij het Leiden University Centre for Linguistics (LUCL). Barbiers is een internationaal erkend expert op het gebied van de Nederlandse Taalkunde. Zijn onderzoeksgebied is variatie in de Nederlandse syntaxis. Barbiers’ onderzoek profiteert van het beschikbaar komen van een digitale onderzoeks-infrastructuur voor de Nederlandse taalkunde. Daarin heeft hijzelf een belangrijke rol gespeld door zijn sterke betrokkenheid bij grote onderzoeks-infrastructuur-projecten zoals SAND, Edisyn, CLARIN, Nederlab en CLARIAH. Barbiers hoopt dat deze digitale infrastructuur ook een vernieuwende bijdrage kan leveren aan het onderzoek aan LUCL en het digital humanities initiatief van de Faculteit Geesteswetenschappen in Leiden een impuls kan geven.

Lees verder >>

Een Duits-Nederlands feestbundelfeestje

Door Miet Ooms

SONY DSC
SONY DSC

Op 29 juni 2016 kreeg Luk Draye tijdens een mini-symposium de feestbundel overhandigd die was samengesteld naar aanleiding van zijn emeritaat vorig jaar. De bundel kreeg de titel Sprache in Raum und Geschichte, System und Kultur. Festschrift für Luk Draye. Ze vormt tevens de nummers 99 en 100 van het tijdschrift Leuvense Bijdragen, waarvan de gevierde al sinds 1995  redactiesecretaris is.

Hoewel Draye zelf, naast zijn uitgebreide administratieve functies als departementsvoorzitter en decaan, vooral actief was als professor Duitse taalkunde, is zijn invloed op de neerlandistiek niet te onderschatten. Lees verder >>

Etymologie: weelde

Door Michiel de Vaan

weelde zn. ‘overvloed’

Vroegmiddelnederlands welde, weelde v. ‘overvloed; genot, blijdschap’ (1240), Laatmiddelnederlands weelde, Nnl. weelde (1518), welde (1582), wilde (1583) ‘voorspoed, geluk, genot, rijkdom’. Moderne dialecten: Zeeuws wilde, Zuidbrabants wélle, Antwerps welde, Kempisch weld, weeld, wilde, Limburgs wèèld, wèèlj.

Afleidingen: Vmnl. weldech ‘heerlijk, overdadig’ (1240), weeldech (1285), bn. weldeleke ‘overvloedig’ (1240), ww. weelden ‘genieten’ (1240).

Vanaf de dertiende eeuw vinden we zowel welde als weelde, laatstgenoemde vorm met rekking van de eerste e in ouder *welede. Mogelijk trad de rekking vooral op in de op -e eindigende vormen (nominatief en accusatief enkelvoud *welede), terwijl *weleden (meervoud, genitief en datief ev.) eerder welden werd en zodoende de eerste klinker niet gerekt werd. Ook kunnen sprekers zich in de Mnl. period nog bewust zijn geweest van het verband met wel ‘goed’. Niettemin zal een deel van de vormen met korte klinker, zeker die in de moderne dialecten, door verkorting van ee voor ld zijn ontstaan, bijvoorbeeld wild uit wèèld. Lees verder >>

Vacature Ph.D-onderzoeker (doctoraatsbursaal) Nederlandse Taalkunde, Universiteit Gent

Aan de Universiteit Gent is er een vacature voor een voltijds (100%) Ph.D.-onderzoeker (doctoraatsbursaal) op een BOF-onderzoeksproject over de rol van stilistische variatie in grammaticale alternanties in het hedendaagse Nederlands (promotoren: Timothy Colleman en Gert De Sutter).

Het betreft een aanstelling voor twee jaar, die na een gunstige tussentijdse evaluatie verlengbaar is met een nieuwe termijn van twee jaar. De ingangsdatum is 1/10/2016. Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘hark’

 

houten hark3Terwijl we bij de hooivork en de etensvork in een vorige column zagen dat we hun namen voor een belangrijk deel (hooivork) of zelfs allemaal (etensvork) te danken hebben aan de Romania, ’t Latijns-Franse taalgebied, is dat bij de hark niet ’t geval. Alle benamingen zijn Germaanse ‘erfwoorden’. Ik heb er in 1966 bijgaande proefkaart van getekend. Die toont de verspreiding van de namen van de houten hooihark, maar die is vrijwel gelijk aan die van de namen voor de ijzeren tuinhark.  Ik onderscheid de volgende types:  reek, rijf, hark, griessel en toge.

Lees verder >>

Etymologie: wieler

Door Michiel de Vaan

wieler zn. ‘fiets’

Nnl. wieler ‘vélocipède’ (1867), tweewieler (1870), driewieler (1870), snelwieler (1884). Kort voor 1870 bewust gevormd bij het ww. Mnl. Nnl. wielen ‘wentelen, ronddraaien’, naar voorbeeld van draaier bij draaien.

wieleren ww. ‘fietsen’

Nnl. wieleren ‘met den wieler rijden’ (1867).

wieler- ‘fiets-’

Nnl. wielermanie (1869), wieler-clubs (1887), wielertocht (1892).

wielrijder zn. ‘fietser’

wielrijders (1877), wielrijdersgezelschap (1882); wielrijden ‘fietsen’ (1888). Het zn. is eerder opgekomen dan het ww. Waarschijnlijk gevormd naar analogie van paard-rijden.

wielrennen ww. ‘om het hardst met de fiets rijden’

wielrenner (1889), wielrennen (1894). Waarschijnlijk naar analogie van paardenrennen (19e eeuw), paerderennen (Vondel).