Categorie: taalbeheersing

De Griekse klinkeroorlog

We leven in een tijd waarin wetenschappers het hebben gedaan – ook als ze alleen maar de waarheid zeggen. U herinnert zich misschien de discussie nog wel van een paar jaar geleden tussen Helen de Hoop en Ronald Plasterk. De Hoop had met haar onderzoeksgroep vastgesteld dat ‘hun’ niet alleen steeds vaker als onderwerp werd gebruikt, maar dat dit vooral gebeurt als het onderwerp van de zin mensen zijn: hun liggen op bed gaat eerder over de gasten op een uitgelopen feestje dan over hun jassen.

Plasterk zag zich genoodzaakt om deze ontwikkeling een halt toe te roepen. Hun als onderwerp! Niet onder zijn ministerschap! En suggereerde ondertussen dat die neerlandici maar de hele tijd de taal aan het veranderen zijn.

Lees verder >>

PVV’er Bosma (wars van links) citeert zomaar Elsschot

Martin Bosma wordt de partij-ideoloog van de PVV genoemd. Hij is schrijver van de speeches van Geert Wilders en van het PVV-verkiezingsprogramma. Bosma is wars van links en wars van kunst. Hij houdt ervan links nu en dan een plaagstootje te geven, bijvoorbeeld toen hij een column aannam in NRC Handelsblad – een PVV’er in het hol van de leeuw.

Maar diezelfde Bosma is groot liefhebber van poëzie. Als (vervangend) voorzitter in de Tweede Kamer heeft hij altijd een bundeltje Afrikaanse poëzie naast zich liggen.

Een nieuw pesterijtje van Bosma werd bedolven onder alle verkiezingsretoriek. 

Lees verder >>

Monniken en notarissen

Waarom schrijf je een enkele k in monniken, een enkele g in hevige en een enkele l in stencilen, maar een dubbele s in notarissen? Waarom een enkele m in Mokumer en een enkele l in wandelen, maar een dubbele s in bolussen? Daarover schreef de roemruchte Groningse hoogleraar A. Sassen (1921-1999) in 1977 een artikel in het Groningse tijdschrift Tabu, dat de DBNL deze week gedigitaliseerd heeft.

De kwestie is bij mijn weten in de afgelopen 35 jaar niet meer onderzocht. Toch lijkt me er wel het een en ander over te zeggen; de fonologie is voldoende voortgeschreden om de kwestie duidelijker te maken. De algemene regel is dus dat je geen dubbele medeklinker schrijft na een klinker die een sjwa weergeeft: dat is immers wat monn[ə]ken, hev[ə]ge, stenc[ə]len, Moku[ə]mer.

Lees verder >>

Vacature PhD-kandidaat Narrative Health Communication

Er is momenteel een vacature voor een PhD-kandidaat op het thema “Narrative Health Communication”. De PhD maakt deel uit van het NWO-Begrijpelijke Taal project Prevention and Health Regulation Behaviour by Understandable Personal Narratives.

Zie www.ru.nl/letteren/actueel/vacatures/specifiek/vacature?recid=519554

Het project zal in de context van het Nijmeegse Centre for Language Studies worden uitgevoerd in samenwerking met maatschappelijke partner 365 (voorheen o.a. ArboNed). Sluitingsdatum: 13 september 2012.

Hij loopd

Gisteren bleek Jan de Spellingman ineens met vakantie. Jan is de naam van een robot die automatisch een berichtje stuurt aan twitteraars die een spelfout maken en bijvoorbeeld hij probeerd schrijven in plaats van hij probeert. (Je kunt zien dat het een robot is doordat hij altijd dezelfde zinnetjes verstuurt en wel zo regelmatig en inmiddels al zo langdurig dat een mens het allang zou hebben opgegeven.) De Spellingman doet dat dan op een uitermate aggressieve en beledigende toon (‘zelfs mijn demente moeder weet dat…’); ik heb al eens gespeculeerd dat de programmeur eropuit is om leraren Nederlands, of zelfs een bepaalde leraar Nederlands, in een kwaad daglicht te stellen door niets vermoedende twitteraars zo te plagen.
Lees verder >>

Met de KLM naar de V.A.E. v.v.: 10.000 km

Hoe schrijf je afkortingen? Liefst met mate, mijns inziens, want e.a., a.d.h.v. en i.h.a. kunnen best, ja zelfs beter, voluit worden geschreven. Maar goed, je komt lang niet altijd om afkortingen heen. En dan moet je als speller twee keuzes maken: Schrijf je hoofdletters, kleine letters of een combinatie daarvan? En plaats je meerdere punten, alleen een punt aan het eind of helemaal geen?

Lees verder >>

Steeds meer hij wilt: nieuwe spelling?

Maandagochtend maak ik altijd een uitstapje, want dan ben ik op Radio Noord-Holland met een taalrubriek.

Op die uitzendingen krijg ik altijd veel reacties van luisteraars, en dat is misschien wel mijn intensiefste contact met mensen die wel ‘gewone taalgebruikers’ worden genoemd. Deze week bijvoorbeeld:

Ik heb een brandende vraag voor Marc van Oostendorp.
Ik hoor en lees tegenwoordig, ook in literatuur, steeds meer: Hij wilt i.p.v hij wil.
Is dit correct? Is er onlangs een nieuwe spelling geweest?

Lees verder >>

Waarom De Vries en niet De Fries?

We zaten gisterenavond aan de waterkant bij café De Omval en het gesprek kwam op de Friezen. Hoe komt het toch dat de familienaam De Vries is en er niemand De Fries heet? Die naam wijst toch op herkomst uit Friesland?

(Dat laatste is strikt genomen waar, maar er zit een kleine draai aan. Er zijn geen mensen meer die De Fries heten. Volgens de Nederlandse Familinamenbank was er in 2007 niemand met die naam, maar bij de volkstelling in 1947 werden er nog drie geregistreerd. Ter vergelijking: in 1947 waren er 49.658 mensen die De Vries heetten en in 2007 71.065. Ja, de De Vriezen rukken nog altijd op! Als we niet uitkijken, hebben ze dadelijk ongemerkt ons land overgenomen!)

Lees verder >>

Ukelele

Heeft iemand zich al eens verdiept in de geschiedenis van het woord ukelele? Waarom schrijven wij dat woord in het Nederlands bijvoorbeeld met drie e‘s, terwijl men het overal elders als ukulele schrijft, met twee u’s en twee e’s (in het Hawaiaans betekent uku ‘vlo’ en lele ‘springend’)? En waarom wij het uitspreken op zijn quasi-Engels, namelijk als [juːkəlɪli] in plaats van als [juːkəleiliː] zoals in het Engels, of [ʔukulɛlɛ] zoals in het Hawaiaans?

Het woord moet ergens in de vroege jaren twintig van de twintigste eeuw, of zelfs nog iets eerder, naar Nederland gekomen zijn. Lees verder >>

HET bestaat niet!

Er zijn mensen die jeuk krijgen van een woord met een apostrof erin (’t en ’n bijvoorbeeld); zie de commentaren bij mijn blog EYE: ’n doorn in ’t oog  Anderen voelen zo’n weerzin dat ze niet verder kunnen lezen. Arme apostrof. En hij heeft nog wel zo’n lange traditie en ’t is juist zo’n zinvol letterteken.

De oudste vermelding van ’t TEKEN apostrof dateert uit 1550, maar de apostrof werd al veel eerder gebruikt, bijvoorbeeld door Jan van Boendale (ca. 1300) : in ’t lant van Ludicke.  De apostrof diende om aan te geven dat er letters weggelaten waren. Die letters werden ook niet uitgesproken. ’t Citaat van Van Boendale, in ’t lant klonk waarschijnlijk als intlant. Die t is een reductie van ’t toenmalige lidwoord dat, als dat z’n klinker verloor doordat ’t ‘aanleunde’ tegen een volgend of voorafgaand woord:  tvolc (’t volk); int lant.

Lees verder >>

Nog geen spoor van het verdwijnen van de slot-n

In Onze Taal (2012:138) schrijft Marc van Oostendorp: “De uitspraak zonder slot-n is duidelijk de standaard geworden in de grootste delen van Nederland.” (Zie ook dit stukje waarop het artikel in Onze Taal gebaseerd is.) Dat strookt niet met wat we in recent onderzoek vonden voor de slot-n van meervouden zoals druiven. Om de invloed van de spelling uit te sluiten, gebruikten we plaatjes van woorden die in een zinnetje moesten worden uitgesproken. De meerderheid van de door ons ondervraagde proefpersonen, jonge mensen, leerlingen van regionale middelbare landbouwscholen, blijkt nog steeds in meer dan de helft van de gevallen een slot-n uit te spreken. Er zijn wel grote individuele en regionale verschillen. In Heerenveen en Doetinchem vinden we in driekwart van de zinnen een slot-n, in Roermond in ruim de helft van de zinnen, in Barneveld ruim 40% en in Rijnsburg ruim 30%. Dus zelfs in het westen, dat bekend staat om zijn n-loze uitspraak, wordt nog vaak een slot-n uitgesproken.
Ons onderzoek ging overigens ook over de tussen-n in het midden van samenstellingen. We vergeleken op basis van plaatjes van druiven en plukken de uitspraak van zinnen zoals Hij wil nu de druiven plukkenmet de uitspraak van zinnen zoals Dit is echt een druivenplukker. Het blijkt sprekers die vaak een slot-n uitspreken ook vaak een tussen-n gebruiken. De tussen-n wordt wel minder vaak uitgesproken dan de slot-n, wat verklaarbaar is op grond van het verschil in context. De twee woorden van een samenstelling worden immers sneller uitgesproken dan de woorden van een woordgroep en dat bevordert weglating van de n. Doel van ons onderzoek was om na te gaan of de tussenklank die we met en schrijven als meervoud beschouwd kan worden. Op grond van de uitspraakovereenkomsten kun je die vraag met ‘ja’ beantwoorden.


Esther Hanssen, Arina Banga, Anneke Neijt en Robert Schreuder
Bron: Esther Hanssen, Arina Banga, Anneke Neijt en Robert Schreuder (te verschijnen). The Similarity of Plural Endings and Linking Elements in Regional Speech Variants of Dutch. Language and Speech. Dit artikel is ook gepubliceerd als hoofdstuk in het proefschrift van Esther Hanssen, http://dare.ubn.kun.nl/dspace/bitstream/2066/91445/1/91445.pdf. Zie de resultaten op p. 42 en in de bijlage, p. 64-5. 

Oh, een spelfout

Een veel gebruikt Nederlands woord is ‘a’ . Je weet de weg niet en je ziet een voetganger: A, die kan ik even vragen. Je bent benieuwd na ar het weerbericht en dan kondigt de radio het net aan: ‘A, stil even jongens!’ Vreemd genoeg léés je nooit ‘A’ en het staat ook niet in Van Dale. In de gegeven voorbeelden zal men eerder ‘Ha’ schrijven, dat wel in het woordenboek staat, maar je hóórt heel vaak alleen maar ‘A’ . Er lijkt een zekere angst te bestaan om zo’ n enkele a te schrijven; vandaar ook liever twee of drie a’ s achter elkaar: Drentse Aa, Zeg ‘ns aaa. En er zijn mensen die er ‘ah’ van maken, maar dat klinkt eigenlijk anders en wordt door Van Dale een uitroep van teleurstelling genoemd.

Iets soortgelijks is aan de hand met ‘O’ . Lees verder >>

Hielden de hippies wél van korrekt spellen?

Volgens Hans van Driel, cultuurwetenschapper in Tilburg, veranderen de tijden. Vroeger vond Van Driel het nog belangrijk dat er correct gespeld werd, schrijft hij in Taalschrift, het tijdschrift van de Taalunie, maar nu ziet hij ‘de urgentie ervan steeds minder in’.

Dat Van Driel zijn rode pen heeft opgeborgen komt niet doordat hij zelf is gaan inzien dat het allemaal onzin was, die schoolmeesterij. Nee, hij schrijft het toe aan een totale omwenteling in de westerse cultuur:
Lees verder >>

Taaltoets Krakkemikkig Nederlands

Het faculteitsbestuur van Rechten van de Universiteit Leiden sprak onlangs harde woorden over de ‘taaltoets Juridisch Nederlands’ die eerstejaarsstudenten enkele maanden geleden aflegden. Een meerderheid van de studenten was gezakt voor die toets en dat was onacceptabel, zei Pauline Schuyt, portefeuillehouder onderwijs, in Mare(24april 2012): ‘Eigenlijk moet je Nederlands foutloos zijn als je hier studeert.’

Dat klinkt krachtdadig: weg met de lankmoedigheid! Leve de hoge norm! Wij doen geen concessies aan de kwaliteit! Maar wat betekent het in de praktijk? Wat meet de toets precies? Welke maatregelen gaat het faculteitsbestuur nemen? En wat heeft het ervoor over?Ik was benieuwd of ik, als taalkundige, wel aan de eisen zou voldoen, en vroeg de taaltoets op, om precies te zijn, de herkansing van afgelopen januari. Wat bleek: Lees verder >>

Taal als kleurplaat

Dat onze taal een mengeling is van woorden uit alle tijden, dat kun je laten zien met kleuren. Neem bijvoorbeeld de eerste zin uit de Max Havelaar:

Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, 37. Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen, omdat ik een man van zaken ben.

Ik heb hier de leenwoorden uit het Frans lichtoranje gemaakt, die uit het Latijn donkeroranje en die (dat) uit het Turks groen. Dat het Nederlands veel minder woorden geleend heeft dan het Engels blijkt dan in één oogopslag uit de vergelijking met de eerste zin Tom Sawyer (gekopieerd van deze pagina, waaraan ik ook het idee om leenwoorden te kleuren ontleend heb):
Lees verder >>

Dubbele dubbelepunt

De roman Vallende ouders van A.F.Th. van der Heijden is verschenen in 1983 en is inmiddels aan zijn 26e druk toe. De uitgever heeft hem onlangs ook als digitaal boek uitgebracht. Terwijl ik die onlangs herlas viel me de volgende zin op:

Maar het was al niet meer nodig: rond de zevende slag van de klok werd er gescheld: een hoog belletje tussen twee sombere gongslagen.

Lees verder >>

Waneer? Heb jij je school wel afgemaakt?

Op Twitter is een zekere Jan Berens actief (@jan_spellingman) die onvermoeibaar de hele dag het netwerk lijkt te monitoren op spelfouten. Zodra hij er een vindt, stuurt hij de Twitteraars — zo te zien volslagen onbekenden — berichtjes zoals:

– het is mij een doorn in het oog als mensen “locale” en niet “lokale” twitteren
– Hier spreekt een neerlandicus. Doe er je voordeel mee. “pauze” en niet “pause”!
– zelfs mijn demente moeder weet dat je “elektron” schrijft en niet “electron”
– Mijn eerste les is gratis. Het is “akkoord” en niet “akoord”.
– Ik krijg er altijd zo’n pijn in mijn buik van als mensen “Russich” in plaats van “Russisch” schrijven.
– Heb jij je school wel afgemaakt? Het is “wanneer” en niet “waneer”.

Lees verder >>

De tussen-n in het Concertgebouw

Door Marc van Oostendorp

Taalkundigen zijn lieden die groot belang hechten aan een correcte, uniforme en duidelijke spelling. Taalkundigen zijn lieden die de volgende vraag stellen: ‘Hoe moet een leerkracht straks in de klas de leerlingen motiveren voor goed spellen als het er allemaal niet meer toe doet?’ Taalkundigen zijn lieden die vinden dat het er ‘allemaal’ wel zeker toe doet, reken maar.

Dat is in ieder geval het beeld dat zes hoogleraren in de taalwetenschap gezamelijk schetsen in een artikeltje in het oktobernummer van Onze Taal – een artikel waarvan ik alleen kan hopen dat niemand die het leest, weet dat ik ook taalkundige ben. Jarenlang heb ik mijn vrienden en kennissen proberen uit te leggen dat taalkundigen géén schoolmeesters zijn, die zich ergeren aan iedere spelfout en die vinden dat correctheid ‘ertoe doet’. Ik heb ze geprobeerd wijs te maken dat wij een wetenschap bedrijven, dat we ons zo enthousiast storten op de talloze wonderen van de menselijke taal te bieden dat we geen tijd hebben voor muizenissen. En dat de spelling zo ongeveer het oninteressantste is dat er bestaat. Lees verder >>

De nederlandse spellingchaos

Nederlanders en Vlamingen zijn volgzame volkjes en Harry Mulisch zegt soms wel eens iets verstandigs. Dat zijn de twee conclusies die zich elke keer weer opdringen als NRC Handelsblad taal tot een voorpaginaonderwerp maakt. Dat doet die krant namelijk alleen als er iemand iets over de spelling heeft gezegd.

Als er dan geen wereldkampioenschap voetballen is, ontpopt zich de dagen erna altijd dezelfde discussie. Daarin zijn dan twee kampen te onderscheiden, die naar mijn smaak allebei onzin verkopen. De ene groep vindt dat we de spellingregels moeten laten zoals ze nu zijn. De andere groep vindt dat we de spellingregels moeten veranderen – ofwel terugbrengen naar een oude vorm, ofwel een geheel nieuwe vorm moeten geven. Volgens mij moeten spellingregels worden afgeschaft: we kunnen best zonder overheidsinterventie op dit punt.

De jongste spellingdiscussie ontstond deze maand doordat de Vlaamse minister van cultuur Van Grembergen had gezegd dat hij vond dat de regels over de tussen-n moesten worden teruggedraaid. Vervolgens barstte er een hele discussie los, althans, er kwam een stroom monologen op gang, allemaal over de vraag hoe de regels er precies moesten uitzien en wiens schuld het was dat die regels nog niet hun goddelijke ideale staat hadden bereikt. Journalisten begonnen aan allerlei mensen die in hun kaartenbakje zaten onder het lemma ‘spelling’ maar weer eens te vragen wat ze eigenlijk vonden van de spelling.

Een aantal regionale kranten publiceerde dit keer een stuk waarin allerlei schrijvers hun zegje mochten doen over deze kwestie. Daar kon je van alles uit leren. Ako-prijswinnaar Allard Schröder meldde bijvoorbeeld: “Ik gebruik nog altijd het Groene Boekje uit 1954. Mijn redacteur heeft het maar te pikken dat ik op de oude manier spel.”

Zo’n uitspraak, daar kan ik met mijn verstand niet bij: waarom zou iemand in het Groene Boekje van 1954 opzoeken hoe je indertijd een woord ‘moest’ spellen? Waarom niet gewoon elk woord gespeld op de manier die jezelf het beste lijkt en dan van je redacteur verlangen dat hij dát pikt? Het maakt een beetje de indruk van de man die meent dat de horoscoop in de krant van vandaag onzin is, en dat hij daarom blijft vasthouden aan de wijze raad uit de Telegraaf van gisteren.

Schröder levert er in datzelfde stuk overigens meteen ook nog een heuse complottheorie bij: “Die wijzigingen in de spelling zijn alleen maar een hobby van een Leidse professor die in 1995 zijn zin heeft kunnen doorzetten.” Hoe zat dat dan volgens Schröder in 1954? Werd daar wel een van God gegeven norm gebruikt, zonder dat er professoren aan te pas kwamen die hun zin wilden doorzetten?

Dat spellingregels in enige vorm nodig zijn, daarover lijkt bijna iedereen het hartgrondig eens. Mensen die op straat door elk rood voetgangerslicht lopen dat hun pad maar kruist, lijken niet op de gedachte te komen dat je spellingregels die je niet bevallen, ook gewoon kunt negeren. Dat je alle energie die je verspilt door je op te winden over het woord zielenrust ook kunt besteden aan het schrijven van een fraai essay waarin je net zo vaak zielerustschrijft als je maar wilt. Dat het hele instituut van de officiële spelling geen enkel zinnig doel dient. Het is een hard en eenzaam lot, dat van de taalanarchist.

De Nijmeegse hoogleraar Anneke Neijt pleit in het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde bijvoorbeeld voor aanpassing van de regels. De reden waarom die regels nodig zijn, is volgens haar dat er anders ‘anarchie’ zou kunnen ontstaan in de Nederlandse spelling – en dat woord ‘anarchie’ heeft voor haar duidelijk geen positieve associaties. Maar ik zie niet waar het probleem ligt. Zouden mensen ineens allemaal op de meest uiteenlopende manieren beginnen te schrijven als de overheid niet intervenieerde? Hooguit zou er volgens mij wat marginale variatie ontstaan: de ene persoon schrijft produkt en de andere product. Je vrienden kun je herkennen aan het feit dat ze hier de juiste keuze maken – de jouwe. Dat is precies de manier waarop taal werkt, van syntaxis tot en met fonologie. Je hoort nooit iemand pleiten voor een overheidsstandaard op deze niveaus omdat er anders een totale chaos dreigt. Volgens Neijt zouden ‘kostbare voorzieningen als woordenboeken en leerboeken’ nog duurder worden zonder eenheidsspelling. Maar de elektronische Van Dale biedt nu ook al de mogelijkheid om uitspraakvarianten van een woord op te zoeken; dat zou voor spellingvarianten ook makkelijk kunnen.

Verder vind ik natuurlijk ook wel dat Leidse professoren of medewerkers van het Meertens Instituut beslist niet hun zin moeten doorzetten als het om spelling gaat. In hetzelfde stuk in de regionale kranten wordt ook Harry Mulisch geïnterviewd, die zegt wat hij altijd zegt en wat volgens mij juist is: “Schrijvers zijn degenen die met de taal omgaan. Het is volgens mij dan ook beter dat schrijvers zich over de taal buigen dan een stel taalkundigen. Je laat politicologen toch ook geen politiek bedrijven?”

Kijk, daar ben ik het nu (waarschijnlijk als enige abonnee op Neder-L) volkomen mee eens. Als de mensen zich tijdens het schrijven per se ergens op willen richten, kunnen ze beter proberen goede en succesvolle schrijvers na te doen, dan zich te conformeren aan de willekeurige regeltjes van taalkundigen. Taaladviseurs zouden minder tijd moeten besteden aan het oeuvre van Jan Renkema, en meer aan dat van W.F. Hermans. Ze zouden op een rijtje moeten zetten hoe de belangrijkste schrijvers en journalisten schrijven – dat zou overigens bij die beste brave Allard Schröder een curieus effect opleveren.

Een groot voordeel daarvan zou volgens mij zijn dat je automatisch meer ‘toegestane’ variatie krijgt. Harry Mulisch schrijft bijvoorbeeld ‘nederlandse spelling’ met een kleine letter, maar W.F. Hermans schreef ‘Nederlandse spelling’ met een hoofdletter. Dat is vanaf nu dus allebei goed, al kan je vanaf nu je medeliefhebbers van het werk van Mulisch wel herkennen aan dit kleine eigenaardigheidje.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/