Categorie: schoolvak Nederlands

Het Schoolvak Nederlands 2019

Een verslagje

Door Henk Wolf

Elke herfst organiseert een universiteit of hogeschool het congres Het Schoolvak Nederlands, “de HSN” voor ingewijden. Afgelopen vrijdag en zaterdag was hogeschool Windesheim in Zwolle de organisator. Door de opzet kan elke deelnemer maar een fractie van alle lezingen en workshops meemaken, dus de ervaringen die mensen opdoen als ze ernaartoe gaan, kunnen sterk uiteenlopen. Ik was in elk geval erg enthousiast over wat ik heb gehoord en gezien. Hierbij een kort verslagje.

Lees verder >>

Hoe vind je de klemtoon in een woord?

Door Henk Wolf

Klemtonen zijn rare dingen. Een klemtoon maakt een lettergreep opvallender dan overige lettergrepen, maar dat kan op verschillende manieren: beklemtoonde lettergrepen kunnen bijvoorbeeld luider zijn dan hun onbeklemtoonde buren, maar ook op een hogere toon worden uitgesproken of langer worden aangehouden. Nederlandstaligen gebruiken vooral de laatste twee manieren.

Iedereen die als moedertaal Nederlands spreekt, legt klemtonen. Als anderen spreken, hoor ik waar die klemtonen liggen. Dat geldt alleen niet voor iedereen. Elk jaar weer kom ik studenten tegen die met wanhoop in hun stem vragen hoe ze in vredesnaam de klemtoon kunnen vinden. Soms hebben ze al hun toevlucht genomen tot internet en daar allerlei vuistregels gevonden, maar zelf horen doen ze het niet, niet eens in hun eigen spraak.

Uiteraard hebben we het als docenten onderling over zo’n probleem. Dan wisselen we ook de didactische aanpakken uit die we gebruiken om studenten te helpen bij de oplossing van dat probleem. Omdat ik bij het googelen niets vond wat de wanhopige student helpt, zet ik er maar een paar op een rijtje.

Lees verder >>

Onderwerp en persoonsvorm als ANWB-echtpaar: een pleit voor meer narratieven in het grammaticaonderwijs

Door Henk Wolf

Leerlingen die goed zijn in ontleden, zijn niet altijd goed in ontleden. Zeker, ze kunnen een hoog cijfer verdienen door zorgvuldig geselecteerde woorden en zinsdelen in speciaal geconstrueerde zinnetjes juist te benoemen. Maar vaak snappen ze niet wat er nou eigenlijk in een zin gebeurt.

Het probleem

Een kleine illustratie: ooit vroeg ik een groep eerstejaarsstudenten Nederlands tijdens hun eerste studiedag om me te vertellen wat een lijdend voorwerp was en een meewerkend voorwerp en een voorzetselvoorwerp. Op die vragen kwamen antwoorden die getuigden van een goed geheugen, maar niemand wist me een antwoord te geven op de vraag wat nou eigenlijk een voorwerp was – zonder iets van lijdend of meewerkend ervoor. Of een bepaling. Het is alsof ze een herdershond en een keeshond kunnen onderscheiden, maar geen idee hebben dat er een zoiets als een hond bestaat.

Lees verder >>

Welke taalvoorschriften willen we zo langzamerhand weleens kwijt?

Door Henk Wolf

In het onderwijzen van taalvoorschriften zit een rare paradox. Aan de ene kant is het nuttig om mensen taalvoorschriften te leren. Als ze die kennen, kunnen ze zich eraan houden en dat heeft een aantal voordelen. Ze worden dan serieuzer genomen en het komt minder vaak voor dat discussies over de vorm van hun taal de aandacht afleiden van de inhoud.

Aan de andere kant creëert het onderwijs de maatschappelijke afkeer van allerlei taalvormen juist zelf. Nederlandstaligen maken zich alleen maar druk over een zinnetje als ‘Janneke is slimmer als Durkje’ omdat ze ooit op school hebben geleerd dat ze zich daar druk over moeten maken. Onderwijzers proberen zo een maatschappelijk probleem te verkleinen dat een vorige generatie onderwijzers heeft gecreëerd. En ze creëren het probleem opnieuw voor de kinderen die hun leerlingen ooit gaan krijgen.

Lees verder >>

De landelijke kennistoets Nederlands is een rommeltje

Door Henk Wolf

Tien jaar geleden was het theoretisch gezien mogelijk dat een studie Nederlands aan twee verschillende onderwijsinstellingen een heel verschillende inhoud had. Om de studies vergelijkbaarder te maken en om tegelijkertijd een landelijk minimumniveau vast te stellen zijn hbo-docenten uit heel Nederland toen voor een groot aantal hogeschoolstudies een zogenaamde kennisbasis gaan schrijven – een beschrijving van parate kennis waarover elke afstudeerder moest beschikken. Dat gebeurde onder de vleugels van de toenmalige HBO Raad, waaruit de werkgroep 10 voor de leraar is voortgekomen. Dat samenwerkingsverband van docenten ontwerpt nu elk jaar een aantal toetsen om na te gaan of studenten echt over de vereiste minimale kennis beschikken.

Natuurlijk is er op detailniveau altijd kritiek mogelijk, maar de kennisbases en de bijbehorende landelijke kennistoetsen zijn in mijn ogen een goed idee. Alleen moeten de toetsen uiteraard wel doen waar ze voor gemaakt zijn: achterhalen of de kennis uit de kennisbasis aanwezig is. Omdat de docenten die de toetsvragen ontwerpen die pas na uitgebreide peer feedback goedgekeurd krijgen, nam ik aan dat dat wel goed zat. En dat veel studenten klaagden over de toets, dat weet ik aan toetsstress of externe attributie. Dat was onterecht. Ik heb vandaag de oefentoets voor de bachelor Nederlands gemaakt en ik schrok van de kwaliteit van veel vragen. Die waren ongeschikt om na te gaan of studenten over de kennisbasisstof beschikten. Al met al is de oefentoets een rommeltje. Als de vragen daarin uit dezelfde databank komen als die van de echte toets, dan is dat ernstig.

De vragen bestrijken in principe het hele gebied van de neerlandistiek. Omdat ik taalkunde doceer, laat ik alle vragen die gaan over literatuur en taalbeheersing hier links liggen, al doe ik dat wel met de opmerking dat daar ook uitermate beroerde vragen tussen zitten. Vragen die in mijn ogen in orde zijn, bespreek ik ook niet. Ik bespreek hieronder uitsluitend taalkundevragen waaraan iets mankeert. Dat geeft al genoeg stof om een flink artikel te vullen. Ik doe dat in de hoop dat de makers van de landelijke kennisbasistoets Nederlands schrikken en heel snel iets doen aan de kwaliteit van hun toetsen. Lees verder >>

Grote opdracht 5: De competente taalgebruiker verwerkt (digitale) informatie kritisch

Door Marc van Oostendorp

Deze weken bespreek ik de ‘grote opdrachten‘, ongeveer: de grote lijnen, die de docententeams van Curriculum.nu aan het opstellen zijn voor het schoolvak Nederlands van de toekomst. Vandaag bespreek ik grote opdracht 5:

  • De competente taalgebruiker verwerkt (digitale) informatie kritisch.

Wie begrijpt niet dat dit inderdaad een grote opdracht is van het onderwijs, en eigenlijk een opdracht waar we nu allemaal voor staan? Hoe moeten we omgaan met die in eindeloze deining klotsende zee van informatie die ons aan alle kanten omheen omgeeft? Hoe onderscheiden we waardevolle feiten van onzin? Hoe vind je ooit wat je zoekt? Alleen: is dat een vraag waarvoor docenten Nederlands specifiek zijn toegerust?

De opstellers van deze grote opdracht geven er een (vrij algemeen) recept voor, dat uit vijf stappen bestaat, grofweg: (1) een vraag formuleren, (2) een zoekstrategie bepalen, (3) informatie selecteren, (4) die informatie bestuderen en verwerken, en (5) de verwerkte informatie presenteren. Lees verder >>

De Witteweg naar een veelbelovende toekomst voor het literatuuronderwijs

Erwin Mantingh

Er is vóór en na Witte 2008 in het literatuuronderwijs. Zelden heeft een proefschrift in een zo korte tijd een zo grote invloed gehad op de praktijk in het schoolvak Nederlands als dat van Theo Witte. Lezen voor de lijst is in korte tijd een begrip geworden: de twee gelijknamige sites bedienen de leerlingen in het voortgezet onderwijs, en hun docenten. De praktijk op bijna 80% van de middelbare scholen in Nederland wordt inmiddels mede bepaald door Lezen voor de lijst.

Idealiter hebben al die leerlingen inmiddels meer vat gekregen op hun ontwikkeling als literaire lezer en is het boekenleed dat leeslijst heet verleden tijd. Maar we zijn er helaas nog lange niet, want tussen droom en daad… In te veel gevallen wordt de site gebruikt op een manier die niet in overeenstemming is met de doelstellingen ervan en dan blijven beoogde effecten uit. En in het decennium sinds de publicatie van Het oog van de meester zijn er nieuwe beren op de weg verschenen, waarvan ontlezing de allergrootse bedreiging lijkt te vormen voor het literatuuronderwijs.

Toch was de toonzetting op het afscheid van Theo Witte, 16 maart jongstleden in Groningen, niet somber. De scheidende vakdidacticus, lerarenopleider, onderzoeker, projectleider en vakmeester sprak zelf bevlogen over ‘De kunst van het onderwijzen: De veelbelovende toekomst van het literatuuronderwijs in zeven axioma’s.’ Aan welke eisen goed literatuuronderwijs volgens hem moet voldoen, valt binnenkort te lezen in de bundeling van de symposiumteksten. Ik wil ter ere van het afscheid van deze leermeester van velen, kort stilstaan bij zijn grootste succes. Lees verder >>

Petitie over het schoolvak Nederlands

Door Redactie Neerlandistiek

Op dit moment vindt er een grootscheepse onderwijsoperatie plaats onder de titel Curriculum.nu. Een ontwikkelteam van docenten en schoolleiders denkt na over nieuwe inhouden in verschillende leergebieden, waaronder het schoolvak Nederlands. Iedereen mag daarbij adviezen indienen, dus verschillende actie- en belangengroepen roeren zich. Neerlandistiek geeft graag een podium aan de volgende petitie:

“Het schoolvak Nederlands heeft de afgelopen jaren voor veel discussie gezorgd. Het vak zou saai en inhoudsloos zijn, weinig uitdagend, en voor het centraal eindexamen kun je geen tienen halen. Er zijn klachten over de taalvaardigheid van schoolverlaters, met name op de universiteiten, waar studenten er maar niet in slagen om foutloos gespelde werkstukken in te leveren. Daarnaast wordt steeds meer universitair onderwijs in het Engels aangeboden, en de meeste wetenschappelijke literatuur is in het Engels geschreven. Lees verder >>

Nederlands in de klas

Waarin verschilt het taalgebruik op social media van het taalgebruik in de journalistiek? Hoe kun je taal inzetten om mensen te overtuigen? Hoe wordt taal in ons brein verwerkt? En hoe kunnen kinderen eigenlijk in zo’n korte tijd Nederlands leren? Er is zoveel te ontdekken en te leren over je moedertaal! En dus zijn er zoveel goede redenen om voor een studie Nederlandse Taal en Cultuur te kiezen. Studenten Nederlands van de universiteiten in Amsterdam, Groningen, Leiden, Nijmegen en Utrecht komen daar graag over vertellen, bij u in de les. Heeft u interesse in zo’n korte voorlichting door enthousiaste ambassadeurs voor de Nederlandse taal? Meld u dan aan via www.nederlandsindeklas.nl.

Juweeltjes uit de boekenkast

Door Robert Chamalaun

Een groot voordeel van verhuizen is dat het de ideale gelegenheid is eens kritisch door je eigen boekenkast te gaan. Aangezien ik onlangs verhuisd ben, werd ook ik gedwongen eens goed te kijken naar hetgeen ik in mijn boekenkasten had staan. Tijdens het inpakken stuitte ik op enkele juweeltjes, met helaas wel als gevolg dat ik aan het einde van de dag slechts enkele dozen ingepakt had.

Een van die boekjes is een taalboek met de welluidende titel ‘Door voortdurende herhaling tot kennis – Taalboek, bijzonder voor hen, die vreemde talen willen leeren’. In dit boek richt de auteur, C. Willems, een ‘Hoofd eener R.K. Jongensschool’, zich op ontleding en naamvallen.

Het exemplaar in mijn boekenkast is uitgegeven door A. Malcorps, uitgever te ’s-Hertogenbosch, helaas zonder vermelding van een jaartal. Lees verder >>

Gesprekken met inhoud

Eindexamen gesprek (aflevering 6)

Door Marc van Oostendorp

Waarom worden gesprekken vrijwel alleen gevoerd op het vmbo en het mbo? Misschien heeft het ermee te maken dat we gesprekken als een eenvoudigere en wie weet zelfs lagere vorm van taalgebruik zien: niet iets waar je je vreselijk voor hoeft in te spannen. Praten is iets voor werklui, wij intellectuelen van de havo en het vwo lezen en houden af en toe een voordracht. Dat is dan een onterechte omkering van wat Socrates als waardevol zag.

Misschien heeft het ook te maken met het feit dat de leerlingen in het beroepsonderwijs een eigen onderwerp hebben om over te praten: de eigen werkomstandigheden. Leerlingen in het meer theoretische onderwijs op de havo en de vwo worden dan geacht zich met algemenere kwesties bezig te houden: zaken van ‘maatschappelijk belang’ zoals het referentiekader het noemt.

Lees verder >>

Examineren van spreken: het is te doen!

Door Robert Chamalaun

Als opmaat voor het komende eindexamen laat Marc van Oostendorp vrijwel dagelijks zijn licht schijnen op het examen en vooral op de vraag of we niet beter aandacht zouden kunnen besteden aan het gesprek als ultieme vorm van taalvaardigheid. Ik onderschrijf zijn conclusie dat het gesprek een zeer belangrijke, zo niet de belangrijkste, vaardigheid is. Dat er allerlei haken en ogen zitten aan toetsing is geen argument om gespreksvaardigheid in de moedertaal als ondergeschoven kind te behandelen. Enkele jaren geleden heb ik een opdracht bedacht die tegemoetkomt aan de bezwaren die nu eenmaal kleven aan het toetsen van gespreksvaardigheid. In dit artikel bespreek ik die opdracht. Hopelijk inspireer ik zo collega’s om meer aandacht aan spreekvaardigheid in de moedertaal te besteden.

In de eindtermen is het glashelder verwoord: leerlingen moeten op niveau 3F (havo 5) in staat zijn op effectieve wijze deel te nemen aan gesprekken over onderwerpen uit de (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard. Niveau 4F (vwo 6) gaat uiteraard nog verder: leerlingen moeten in alle soorten gesprekken de taal nauwkeurig en doeltreffend kunnen gebruiken voor een breed scala van onderwerpen uit (beroeps)opleiding en van maatschappelijke aard. Deze hoofddoelen zijn uiteraard abstract geformuleerd en het zijn vooral de subdoelen die verwerkt moeten worden in een of meerdere opdrachten. Lees verder >>

Gesprekken examineren – het rollenspel

Eindexamen gesprek (aflevering 5)

Door Marc van Oostendorp

Er zijn schoolvormen in Nederland waar het gesprek inderdaad wordt geëxamineerd: het vmbo en het mbo. Het zogenoemde ‘referentiekader’ dat in opdracht van het ministerie van onderwijs is samengesteld geeft vrij uitvoerige informatie over aan wat voor criteria een goede gespreksbijdrage zou moeten voldoen.

Een van die criteria is, willekeurig gekozen, ‘beurten nemen en bijdragen aan samenhang’. Op het laagste door het referentiekader gedefinieerde niveau betekent dat ‘Kan een kort gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen’. Op het hoogste niveau is het ‘Kan een passende frase kiezen om eigen opmerkingen op de juiste wijze aan te kondigen en de beurt te krijgen, of om tijd te winnen en de beurt te houden tijdens het nadenken’. Of dat succesvol vechten om ‘de beurt’ nu per se een hard criterium kan zijn – ‘Kan standaardzinnen gebruiken (bijvoorbeeld: ‘Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag’) om tijd te winnen en de beurt te behouden’  heet het bij een van de tussenniveaus –, daarover kun je twisten. Je zou ook kunnen zeggen dat je soms zo min mogelijk aan de beurt moet zijn om een gesprek tot een succes te maken. Maar zo is er altijd wat. Lees verder >>

Vóór gespreksvaardigheid

Eindexamen gesprek (aflevering 3)

Door Marc van Oostendorp

De oudste en belangrijkste taalvaardigheid, schreef ik gisteren, is het gesprek. Socrates wist het al.

De Griekse oudheid was natuurlijk niet de laatste keer dat het gesprek gewaardeerd werd. In de negentiende en de vroege twintigste eeuw gold de ‘beschaafde conversatie’ ook als zo’n beetje de belangrijkste vaardigheid die iemand moest beheersen. Schrijvers als Denis Diderot en Oscar Wilde waren in hun eigen tijd minstens even bekend voor hun conversatie als voor hun geschreven werk. Alleen is natuurlijk alleen het laatste overgebleven. Een goed gesprek laat weinig sporen na behalve dat het de gesprekspartners voor altijd heeft veranderd.

Er valt nog steeds veel voor te zeggen. Lees verder >>

De belangrijkste vaardigheid: het gesprek

Eindexamen gesprek (aflevering 2)

Door Marc van Oostendorp

Daar komt nog bij dat de vier taalvaardigheden allang niet meer zo duidelijk van elkaar onderscheiden zijn als ze ooit waren. Ook hierin speelt het internet een belangrijke rol.

We weten dat schrijf- en spreektaal inmiddels veel minder duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Dat komt niet alleen doordat in de schrijftaal steeds meer woorden en constructies acceptabel zijn geworden die vroeger alleen in de spreektaal gebruikt werden. Dat proces, de ‘informalisering’ is al veel langer aan de gang en kun je ook deels gemakkelijk opvangen.

Maar het betekent ook allerlei andere dingen. Bijvoorbeeld dat de status van het geschreven woord enorm veranderd is. Je slingert nu bijna net zo gemakkelijk je uitgeschreven mening de wereld in als je een mening verwoordt aan de cafétoog. Er wordt sinds de introductie van sms en van de chatfuncties op het internet (van msn tot WhatsApp) steeds meer geschreven – en wie meer schrijft, schrijft moeitelozer, is minder geneigd om over ieder woord na te denken en houdt zich (dus) minder strak aan allerlei opgelegde regels. En zo is het ook altijd geweest bij spreektaal: omdat er meteen antwoord wordt verlangd, sta je voortdurend onder druk om zo snel mogelijk te formuleren. En dat geeft een ander resultaat dan wanneer je in stilte achter je bureautje zit. Lees verder >>

Moeten scholieren de Volkskrant kunnen lezen?

Eindexamen gesprek (aflevering 1)

Door Marc van Oostendorp

Ik ben de laatste tijd aan het nadenken over de ‘taalvaardigheden’. Wat zouden leerlingen moeten leren bij Nederlands? Ik zal daarover de komende dagen bloggen, want het onderwerp is interessant genoeg, en de eindexamens komen er weer aan.

De meeste deskundigen lijken het erover eens dat het schoolvak Nederlands vooral moet gaan om  ‘taalvaardigheid’. Dat maakt het vak anders dan sommige andere vakken: bij aardrijkskunde zullen weinig mensen beweren dat het primair erom moet gaan dat mensen zich over de aarde moeten kunnen bewegen en bij geschiedenis is al helemaal onduidelijk welke ‘vaardigheid’ daar centraal zou moeten staan. Bij sommige andere vakken – denk aan wiskunde – zijn kennis en vaardigheid juist bijna synoniem met elkaar.

Goed, taalvaardigheid dus. Lees verder >>

Nieuw: Neerlandistiek voor de klas – voor leraren die van het Nederlands houden

Door Peter-Arno Coppen, Marc van Oostendorp en Nicoline van der Sijs
Redactie Neerlandistiek voor de klas

Het schoolvak Nederlands is misschien wel het interessantste en het aantrekkelijkste, maar in ieder geval het belangrijkste dat de middelbare school te bieden heeft. Om dat te laten zien én om leraren Nederlands de kans te geven over de inhoud van het vak van gedachten te wisselen met elkaar en met neerlandici aan de universiteiten, beginnen we vandaag met een nieuwe, gratis nieuwsbrief: Neerlandistiek voor de klas.

Neerlandistiek voor de klas verschijnt tienmaal per jaar en biedt interessante inhoudelijke links voor leraren, nieuwtjes uit het onderzoek, aandacht voor interessant lesmateriaal, interviews met docenten, leerlingen of studenten, voor het onderwijs relevante artikelen uit verschillende taalkundige tijdschriften en een gedicht van de maand.

De nieuwsbrief wordt gevuld door een team van docenten uit het middelbaar onderwijs en medewerkers van alle afdelingen Neerlandistiek aan Nederlandse universiteiten. Lees verder >>

De leraar Nederlands en z’n spagaat

Door Jan Stroop

Schriftelijke weergave van mijn spreekbeurt op de conferentie Het schoolvak Nederlands te  Gent, 19 november 2016.

spagaatDe leraar in de moedertaal heeft ’t moeilijker dan iemand die anderstaligen Nederlands moet onderwijzen. Hij heeft te maken met een tegenstelling tussen twee krachten, die ik nu maar noem natuur en cultuur.

Onder natuur versta ik de gave die de mens heeft om zich vanaf zijn geboorte in een razend tempo te ontwikkelen tot een perfecte spreker van de taal die hij anderen hoort spreken. Dat proces is al min of meer voltooid voor ie naar school gaat.

Lees verder >>

De lat van Boendale

Door Bas Jongenelen

Donderdag 3 november jl. vond in De Brakke Grond te Amsterdam de Dag van de Literatuurkritiek, georganiseerd door De Buren en De Reactor. Ik mocht er de openingslezing verzorgen. De tekst daarvan was:

Hoe hoog leggen we de lat van Boendale? – Middeleeuwse literatuurkritiek in de klas

 

Af en toe, in gezelschap van neerlandici, doe ik een onderzoekje naar waarom zij ooit Nederlands gingen studeren. Deze onderzoekjes zijn niet representatief, niet reproduceerbaar en de uitkomsten ervan zijn niet betrouwbaar – ik zal er dus nooit over publiceren. Toch wil ik er hier en nu wel het een en ander over kwijt. Uit mijn onderzoekjes blijkt steeds weer dat de meeste neerlandici Nederlands zijn gaan studeren, omdat ze zo’n enthousiaste docent Nederlands op de middelbare school hadden. Herkent u dat? Bent u neerlandicus? Kunt u zich nog goed uw docent Ne voor de geest halen? Ik wel. Mijn leraar Nederlands van mijn eindexamenjaar (1988) was meneer De Ridder. Soms oreerde hij over onze hoofden heen, soms zette hij een hoorspel op, soms discussieerde hij over de uitzending van Sonja Barend van de avond ervoor (‘Wat ik gisteren toch bij Sonja gezien heb…’). Zijn lessen over Willem Kloos waren meesterlijk, het facsimile-exemplaar van Mariken van Nieumeghen bezorgde mij een historische sensatie en zijn vraag of je in principe geen principes kunt hebben zette alles wat je dacht te weten op losse schroeven. De Lof der Zotheid van Erasmus stond toen op mijn literatuurlijst en De Lof der Zotheid van Erasmus speelt nu (bijna dertig jaar later) een belangrijke rol in het proefschrift dat ik schrijf over humor in 1561. De lessen Nederlands hebben mijn leven beïnvloed.

Lees verder >>