Categorie: recensies

Man zonder ismen

Door Marc van Oostendorp

Behalve over het leven van Willem Brakman gaat Nico Keunings Een ongeneeslijk heimwee ook over literaire –ismen. Brakman verzette zich zelf de laatste decennia met hand en tand tegen het idee dat hij een postmodernist zou zijn. Het postmodernisme associeerde hij met gebrek aan ernst, met totale relativering van de inhoud ten gunste van de vorm – daar wilde hij niet bij horen en kennelijk was hij er zelfs door deskundige liefhebbers als de Vlaamse letterkundige Bart Vervaeck niet kon worden overtuigd dat er misschien meer te beleven was – een vorm van ernst waar de zijne ook in paste.

Lees verder >>

Taal wil tussen kaften

Door Marc van Oostendorp

Er gaan in de taalkunde af en toe stemmen op om taal niet als een object te beschouwen, en ook niet als een verzameling kennis die een spreker heeft, maar als iets wat een spreker doet, als een activiteit (of een praktijk).

Taal is in die opvatting veel minder vastomlijnd dan je zou denken als je de traditionele taalbeschouwing ziet met haar grammatica’s en haar woordenschatten. In het leven van alledag op menige plaats in de wereld, zo is de redenering, gebruiken mensen allerlei talen en taalvormen door elkaar, mengen ze naar hartelust, spreken ze straattalen; de westerse neiging om je aan één strenge taalnorm te houden en die te willen vastleggen is niet meer dan een culturele anomalie die een groot deel van de taalwetenschap in haar greep heeft.

Lees verder >>

Eruditie is niet ouderwets

Door Marc van Oostendorp

De klassieke retorica heeft een universele pretentie: volg haar regels en je zult je gehoor overtuigen, in welke eeuw en in welke stad dat gehoor ook leeft. Maar sinds we geluid en beeld kunnen opslaan, weten we dat waarschijnlijk niet werkt. De toespraken van Hitler en Mussolini zien er helemaal niet meer meeslepend uit, maar een beetje belachelijk. We weten niet hoe wij zouden hebben gereageerd als we temidden van hun gehoor hadden gestaan, maar we kunnen vermoeden dat we als we onze 21e-eeuwse persoonlijkheden hadden kunnen meenemen niet waren betoverd.

Lees verder >>

‘Een schaap, dat geen wol had, zag paarden’

Een aanstekelijk boekje over historische taalkunde

Door Nicoline van der Sijs

De zin uit de titel over het geschoren schaap komt uit de fabel ‘Het schaap en de paarden’, die August Schleicher in 1868 in het Indo-Europees schreef. Inmiddels bestaan er minstens vier alternatieve versies van de Indo-Europese tekst, die ieder het voortschrijdende inzicht tonen in onze kennis van deze gereconstrueerde moedertaal van de meeste Europese talen. Het voorbeeld komt uit het boekje De stam van het woord. Over taalevolutie en de eerste taal ter wereld van Yannick Fritschy, dat in 2019 is verschenen. Het boek is onderdeel van de Pocket Science-reeks die wordt gepubliceerd door New Scientist en die goedkope populair-wetenschappelijke introducties biedt in verschillende wetenschapsgebieden. Het boekje van Fritschy is het eerste dat aan taal is gewijd, en dan nog wel aan mijn lievelingsdiscipline: de historische taalkunde. Goed nieuws dus.

Lees verder >>

Hans Faverey: een Franse vertaling van zijn complete werk en een nieuw bundeltje

Door Marita Mathijsen

Bij De Bezige Bij is geen bundel van Hans Faverey meer te verkrijgen, laat staan de Verzamelde gedichten, waarvan inclusief de eerste uitgave in 1993 vier drukken verschenen zijn. Wie hem nu compleet zou willen hebben, is aangewezen op de tweedehandsmarkt. Het is wel bedroevend dat het werk van een van de oorspronkelijkste dichters van Nederland niet meer gewoon in de handel is. In het buitenland beseft men het belang van Faverey beter, en hoe! Sinds enkele weken is er een Franse vertaling van zijn complete oeuvre beschikbaar, bij de Brusselse uitgever Vie Parallèles. Welke andere Nederlandse dichter heeft dat ook? Ik zou geen voorbeeld weten. Bloemlezingen met vertalingen, die zijn er genoeg, maar een vertaling van volledige werken, verschenen onder de eenvoudige titel Poésies, is uniek. De vertaling is gemaakt door een drietal: Kim Andringa, Erik Lindner en Éric Suchère. Erik Lindner tekende voor een verhelderende inleiding. Het moet een hels karwei zijn geweest om gedichten die zo op taal gericht zijn en zo de aandacht leggen op de woorden zelf, de verplaatsingen ervan en de associaties die ze oproepen, in het Frans om te zetten. Ik was benieuwd naar de vertaling van de geestige dolfijngedichten, door Faverey zelf onnavolgbaar voorgedragen bij Poetry International:

Lees verder >>

Een auteur die de taal redt door erin te snijden

Door Marc van Oostendorp

Een taal is een fictie die waarheid wordt door de mensen die in haar geloven. Als niemand zou accepteren dat het Nederlands bestond, had het Nederlands ook niet bestaan. De mensen zouden nog allemaal praten en ze zouden hun buren kunnen verstaan, en met enige moeite zouden Mechelaars ook nog wel kunnen communiceren met Meppelaars, maar er zou geen reden zijn om te zeggen dat dit kwam doordat ze ‘dezelfde’ taal spraken.

Lees verder >>

Wie pleit er voor exclusief Engelstalig hoger onderwijs in Nederland?

Door Carel Jansen

“Dit boek is geboren uit verzet”, aldus de eerste zin van de inleiding van de vorige week verschenen bundel Against English. Behalve de inleiding bevat het boek 26 sterk uiteenlopende, deels al eerder verschenen bijdragen van auteurs als Özcan Akyol, Ad Verbrugge, Annette de Groot en van drie van de samenstellers, Lotte Jensen, Niek Pas en Daniël Rovers. Lichtvoetige teksten van bijvoorbeeld Japke-D. Bouma en De speld worden afgewisseld met serieuzer bedoelde essays en artikelen van wetenschappers die zich uitspreken over het gebruik van het Engels in Nederland, en dan vooral in het hoger onderwijs. Anders dan de titel suggereert, blijkt in de tweede zin van de inleiding dat het verzet waarover ook op de achterflap over wordt gesproken niet gericht is tegen het gebruik van het Engels op zichzelf, maar tegen het overmatige gebruik van die taal. “Het doel van dit boek is een discussie op gang te brengen”, zo schrijven de inleiders iets verderop, en ze willen ook laten zien welke “reële gevaren er kleven aan onze massale toevlucht tot het Engels”. Gelet op de vele geluiden in de media – onder meer afkomstig van de samenstellers zelf – over het toegenomen gebruik van het Engels als onderwijstaal in Nederlandse universitaire en hbo-opleidingen, is de aanname dat er over dit onderwerp nog een discussie op gang zou moeten komen, nogal bijzonder. Ook bij minister Van Engelshoven zijn de signalen op dit punt intussen immers duidelijk aangekomen.

Lees verder >>

De rede: bron van geluk voor iedereen

Door Olga van Marion en Ton van der Wouden

Adriaan Koerbagh (1633-1669) is wel de best bestudeerde onbekende Nederlandse filosoof van de vroege Verlichting. Binnen de kring rond Spinoza was hij misschien niet de meest genuanceerde, maar wel de moedigste. Zo schreef Koerbagh bewust in het Nederlands en wilde hij zijn filosofie delen met een groot publiek. In zijn woordenboek Bloemhof uit 1668 gaf hij een vrijmoedige uitleg van allerlei vaktechnische termen en leenwoorden, waaronder bijbelse begrippen.

Lees verder >>

Verheugende berichten uit Bilderdijkistan

Bij het nieuwe nummer van Het Bilderdijk-Museum

Door Peter Altena

Onlangs viel het nieuwe nummer van Het Bilderdijk-Museum op de deurmat. Het museum mag dan vergeestelijkt zijn – als spook waart Bilderdijk nog rond in Buitenveldert: zie Arie Storms vermakelijke thriller Maans stilte; de liftmoord aan De Boelelaan kreeg kort erop een vervolg met de aanslag op de VU-neerlandistiek –, het blad is vitaler dan ooit. 36 bladzijden geleerd divertissement.

Lees verder >>

Against meningen over het English

Door Marten van der Meulen

Veel mensen maken zich druk over verengelsing van de Nederlandse taal en samenleving. Er is nauwelijks een zelfrespecterend taaladviesboek of het bevat geen stukje over te mijden anglicismen. Ook in kranten en andere media staan met enige regelmaat opinieartikelen, waarbij de focus vaak ligt op het hoger onderwijs. Dat domein is ook het primaire doelwit van het nieuwe boek Against English. Pleidooi voor het Nederlands (samenstelling Lotte Jensen, Niek Pas, Daniël Rovers, Koen van Gulik). Deze bundel bevat bijdragen van een aantal auteurs met verschillende achtergronden, die allemaal vanuit eigen perspectief proberen lezers te overtuigen van het kwaad dat Engels heet. Slaagt het boek in deze missie? Het lijkt me sterk. Jammer genoeg bevat het weinig nieuwe inzichten, staat bol van het alarmisme en ontbeert vooral vrijwel iedere taalkundige onderbouwing.

Lees verder >>

Zijn natuurlijke talen groter dan verzamelingen?

Door K.P. Hart

Dit is de vierde in een korte serie blogposts naar aanleiding van een discussie op twitter over dit stuk op Neerlandistiek van Marc van Oostendorp dat zelf weer een reactie op dit artikel van Paul Postal was. In de eerste post kwalificeerde ik een opmerking uit het stuk van Postal als lariekoek. Daar gaat deze post over. Lees verder >>

Moderne romantiek: mannen zijn kleuters en lastpakken

Door Marc van Oostendorp

Hoe gaat het toe in het Nederlandse boek? Veel modern letterkunde-onderzoek is sociologisch georiënteerd: het wil iets zeggen over hoe de samenleving in elkaar zit door de verbeelding van die samenleving in romans te bestuderen. Ik schreef gisteren over dergelijk onderzoek.

Het is dan enigszins vreemd dat men zich meestal beperkt tot mainstream literair werk. Veel onderzoek van de laatste jaren nam over bijvoorbeeld alle boeken op de longlist van de LIbris-lijst, en daar ontbreekt natuurlijk altijd van alles. Niet alleen werk van de randen van de literatuur, maar vooral ook talloze boeken die nog altijd door velen verslonden worden maar niet de pretentie hebben literair te zijn.

Lees verder >>

Mercator sapiens, de wijze koopman en the wise merchant

Door Ton Harmsen

Onlangs verscheen bij AUP The wise merchant, een Engelse vertaling van de inaugurele rede die Caspar Barlaeus heeft uitgesproken op 9 januari 1632 toen hij hoogleraar werd aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. De vertaling is van Corinna Vermeulen en de inleiding van Anna-Luna Post.

Het boek brengt de gebeurtenissen in Amsterdam in de winter van 1631/1632 in herinnering: Vossius en Barlaeus hielden in januari hun inaugurele redes voor het Athenaeum Illustre, Hugo de Groot zat in dezelfde maand ondergedoken in Amsterdam. Hij werd in april voor de tweede keer, en nu definitief, uit de Nederlanden verbannen.

Vossius, Barlaeus en Grotius kenden elkaar al jaren. Hun correspondentie toont dat zij vriendschap voor elkaar voelden, en grote waardering. Hoe verschillend zij ook waren, alle drie spanden zij zich in voor vrede en verdraagzaamheid; alle drie hadden zij een afkeer van de theologische betweterij die de Nederlanden in haar greep had. Barlaeus had last van de contraremonstranten; hoewel hij niet tot de remonstrantse partij behoorde was het duidelijk dat daar zijn sympathie lag, en daarom werd hem het leven in Leiden behoorlijk zuur gemaakt. Intussen was hij wel een geliefd feestredenaar en een begaafd Neolatijns dichter; toen hij in 1631 van Leiden naar Amsterdam verhuisde voelde hij zich onmiddellijk thuis in de Amsterdamse dichterskring van Hooft en Tesselschade. Vossius had minder te lijden van de calvinisten: hij was beter in staat zich in de ivoren toren van zijn studeerkamer te verschuilen. Zijn diepgaande studie van de antieke en moderne wereldgodsdiensten bracht hem tot het inzicht dat god op verschillende manieren kan worden gediend, en dat niet één godsdienst het alleenrecht kon hebben. Bovendien werd hem duidelijk dat god vele gezichten heeft. Hij ruilde een gezaghebbend professoraat in Leiden voor een avontuur in Amsterdam, om in een riante woning in het centrum over een enorme bibliotheek te beschikken. Na zijn vertrek werden in Leiden de hoogleraarssalarissen verhoogd om verdere leegloop te vermijden. Hugo de Groot had groot aanzien als jurist, en ook als dichter van Neolatijnse poëzie en toneelstukken. Alle drie hebben zij een stempel gedrukt op het oeuvre van Joost van den Vondel, Grotius door zijn toneel, Vossius door zijn kennis van de retorica en de poëtica en Barlaeus door zijn lyriek.

Lees verder >>

Lucebert: lezen in plaats van leven

Door Marc van Oostendorp

Ze zijn er nog, de bewonderaars van Lucebert. Je kon er bijna aan twijfelen nadat de controversiële brieven van de schrijver naar boven kwamen die hij in zijn jeugd schreef. Zou dit de fascinatie voor de dichter doen uitdoven?

Nee, dus. Deze maand verscheen misschien wel het mooist vormgegeven boek dat ik dit jaar onder ogen heb gekregen: Lucebert. De zin van het lezen.

Het boek is een uitkomst van een project dat Lisa Kuitert enkele jaren geleden begon: een inventarisatie van de bibliotheek van Lucebert. Eerder publiceerde ze daarover het boek De lezende Lucebert, waarin deskundigen allerlei deelverzamelingen uit die bibliotheek belichtten. Het nieuwe boek gaat nu over de aantekeningen die Bertus Swaanswijk in zijn boeken maakte.

Lees verder >>

Stijl en werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

De stilistiek is het hart van de neerlandistiek. Ze combineert de drie traditionele subdisciplines taalkunde, letterkunde en taalbeheersing, ze beziet hoe vorm betekenis kan geven, ze gaat over de vraag hoe de stijl een mens kan maken en de wereld kan vormgeven.

Het is daarom opmerkelijk dat de stilistiek zo lang veronachtzaamd is, dat er decennia zijn voorbijgegaan waarin het in de opleidingen niet of nauwelijks op het programma stond, dat de recente literatuur erover nog steeds zo gering in omvang is. Pas de laatste jaren is daar weer verandering in gekomen en nu is er een modern boek met een nieuwe visie op het fenomeen: Stijl, taal en tekst. Stilistiek op taalkundige basis van Ninke Stukker en Arie Verhagen.

In een lucide inleiding maken Stukker en Verhagen duidelijk dat er twee mogelijke visies zijn op de relatie tussen vorm en inhoud in het geval van taal en stijl. Je zegt dat ze volmaakt gescheiden zijn (dualisme) of je zegt dat ze één en hetzelfde zijn (monisme). Voor beide is iets te zeggen, maar beide zijn ook onhoudbaar.

Lees verder >>

De samenleving maakt de schrijver, de schrijver maakt de samenleving

Door Marc van Oostendorp

Waaruit bestaat de literatuurgeschiedenis? Uit meesterwerken? Uit elkaar almaar bestrijdende generaties met steeds weer nieuwe ideeën over wat een goed boek is? Uit genieën die af en toe opstaan en iedereen anders laten kijken? Uit een economie van uitgeverijen, geleerde genootschappen en krantenredacties?

Rick Honings en Lotte Jensen zien het anders. De bouwstenen van hun geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de 18e en 19e eeuw, Romantici en revolutionairen, zijn schrijverstypen: de dominee-dichter, natuurlijk, maar ook de criticus, de (vroege) romanschrijver, de Spectator, enzovoort.

Zo’n schrijverstype valt niet precies samen met een stroming, maar is breder. Sommige stromingen zijn bij Honings en Jensen ook terug te vinden als type – de romanticus, bijvoorbeeld, of de Tachtiger –, maar zelfs dat is al een andere interpretatie. Een stroming heeft een programma, een ideaalbeeld van hoe de literatuur eruit zou moeten zien; een schrijverstype is duidelijker een sociologisch fenomeen, je wordt een bepaald soort schrijver omdat er behoefte aan is in de samenleving, omdat jij die behoefte voelt. En omdat jij en je collega’s bepaalde teksten schrijven, duw je de samenleving een bepaalde kant op, al is het maar een klein beetje.

Lees verder >>

Lezen is denken

Door Marc van Oostendorp

Wat zou het handig voor ons vak zijn als je van lezen een beter mens werd! Stel je voor: je overhandigt je buurjongetje dat op school niet wil deugen een exemplaar van De nachtstemmer, en zie: ineens kan hij wél meekomen. Of plaagt hij in ieder geval zijn zusje niet meer. Neerlandici als wonderdokters – de salarissen zouden razendsnel stijgen en als gevolg daarvan daarna al even vliegensvlug de studentenaantallen.

De gedachte dat lezen op de een of andere manier ‘nuttig’ is, is niet helemaal vreemd aan onze cultuur. In 2012 schreef een Belgische politierechter aan een verkeersovertreder voor dat hij Tonio moest lezen, A.F.Th. van der Heijdens boek over het dodelijke ongeluk van zijn zoon.

Lees verder >>

Mau! Het leven van Maartje Draak

Door Marc van Oostendorp

Sinds de verschijning van Het Bureau is er waarschijnlijk nooit iemand dood gegaan die model stond voor één van de personages in dat boek zonder dat in de in memoriams naar dat personage werd verwezen. Kennelijk was Voskuil zo scherp dat hij mensen zo wist te beschrijven dat anderen hen herkenden.

Ook in Willem Gerritsens boek over de neerlandica én keltologe Maartje Draak, Verhalen van de drakendochter, wordt daarom aandacht besteed aan Kaatje Kater. “Voskuil is er”, schrijft Gerritsen, “verbazend goed in geslaagd de indruk die haar persoonlijkheid – haar karakteristieke wijze van optreden en spreken – op veel mensen in haar omgeving heeft gemaakt, nauwkeurig in woorden vast te leggen.” Zelfs het feit dat ze gesprekken kon openen met het woord mau! blijkt waarheidsgetrouw. Ik heb altijd gedacht dat die kreet verband hield met de naam Kater en dat Draak iets soortgelijks zou hebben geroepen maar dan in drakentaal; nu blijkt dat Voskuil Draak naar haar karakteristieke uitroep heeft vernoemd.

Lees verder >>

Museumstukken van taal

Door Marc van Oostendorp

1914 was het jaar dat Husserl schreef Zurück zu den Sachen selbst (‘terug naar de dingen zelf!), dat het vol in Parijs riep Ils ont tué Jaurès! (‘ze hebben Jaurès gedood’), dat de Britse schrijver H.G. Wells het in de krant had over the war to end war (‘de oorlog die de oorlog zal beëindigen’), de Franse president Raymond Poincaré stelde La mobilisation n’est pas la guerre (‘mobilisatie is geen oorlog’) en de Britse minister Grey of Fallodon dacht The lamps are going out over all Europe; we shall not see them again in our lifetime (‘De lampen gaan overal in Europa uit; we zullen ze in ons leven niet meer zien ontsteken’).

Het zijn een paar voorbeelden uit het nieuwe boek van Paul Claes, Wie zei dat? 500 historische oneliners. Zoals veel van Claes’ werk gaat dit boek niet expliciet over taal, maar zet het wel aan het denken.

Op de hem eigen zorgvuldige en erudiete manier brengt Claes in chronologische volgorde een groot aantal uitspraken, zinnetjes, woordgroepen die een rol hebben gespeeld in de geschiedenis. Die wordt, volgens zijn voorwoord, “evenzeer geschreven door woorden als door daden. Slagzinnen hebben massa’s gemobiliseerd, met strijdkreten werden oorlogen gewonnen en bon mots hebben tegenstrevers gekraakt.”

Lees verder >>

Rijmverdoezeling

Door Marc van Oostendorp

Simon Vestdijk was niet alleen medicus, dichter, romanschrijver, essayist en wat niet al, maar in zijn vrije tijd waarschijnlijk ook de belangrijkste theoreticus van het Nederlandse vers die we ooit gehad hebben. Zijn boek De glanzende kiemcel (DBNL) werd niet voor niets decennia als studieboek gebruikt bij de opleiding Nederlands.

Hij ging daarbij te werk als een echte wetenschapper: hij verzamelde gegevens en probeerde die te interpreteren en te verklaren in een theorie. Veel van wat hij deed zou je misschien nog nét wat preciezer willen doen – net wat systematischer de data binnenhalen, de theorie net wat ondubbelzinniger formuleren – maar heel veel van wat hij zag en bedacht is onovertroffen.

Neem zijn theorie over het rijm. Volgens Vestdijk hadden veel dichters de neiging om het feit dat regels rijmden te verdoezelen. Een van de middelen die ze daarvoor hadden was om de klemtoon te manipuleren. Door in de tweede van een paar rijmende regels de klemtoon net vóór het rijmwoord te leggen, werd het rijm minder prominent:

Lees verder >>

Een geruststellende groet van gene zijde

Door Marc van Oostendorp

‘Soms begint iemand hardop tegen iemand te praten.’ Zo begint het eerste van de twintig stukken in de nieuwe essaybundel van Guus Middag, De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig. Het is een opening die Middags werkwijze kenmerkt: ineens bevindt de schrijver zich ergens, in een nieuwe onbekende wereld.

De eerste zinnen van heel veel stukken gaan over zo’n confrontatie, die meestal als plotseling wordt beschreven. ‘Het is nacht en het is stil in het grote donkere bos. Er is alleen een eekhoorn.’ ‘Ik hoorde op de radio een live-optreden van Katinka Polderman (1981).’ ‘Hoe komen wij elkaar tegen in de liefde?’ Eén keer benoemt de essayist zijn favoriete opening zelfs als die van een toevallige ontmoeting in de eerste zin van een stuk: ‘Dit is een goede zin om een verhaal mee te beginnen: “Vannacht kwam ik mijn ouders tegen.”‘

Lees verder >>