Categorie: recensies

Zijn natuurlijke talen groter dan verzamelingen?

Door K.P. Hart

Dit is de vierde in een korte serie blogposts naar aanleiding van een discussie op twitter over dit stuk op Neerlandistiek van Marc van Oostendorp dat zelf weer een reactie op dit artikel van Paul Postal was. In de eerste post kwalificeerde ik een opmerking uit het stuk van Postal als lariekoek. Daar gaat deze post over. Lees verder >>

Moderne romantiek: mannen zijn kleuters en lastpakken

Door Marc van Oostendorp

Hoe gaat het toe in het Nederlandse boek? Veel modern letterkunde-onderzoek is sociologisch georiënteerd: het wil iets zeggen over hoe de samenleving in elkaar zit door de verbeelding van die samenleving in romans te bestuderen. Ik schreef gisteren over dergelijk onderzoek.

Het is dan enigszins vreemd dat men zich meestal beperkt tot mainstream literair werk. Veel onderzoek van de laatste jaren nam over bijvoorbeeld alle boeken op de longlist van de LIbris-lijst, en daar ontbreekt natuurlijk altijd van alles. Niet alleen werk van de randen van de literatuur, maar vooral ook talloze boeken die nog altijd door velen verslonden worden maar niet de pretentie hebben literair te zijn.

Lees verder >>

Mercator sapiens, de wijze koopman en the wise merchant

Door Ton Harmsen

Onlangs verscheen bij AUP The wise merchant, een Engelse vertaling van de inaugurele rede die Caspar Barlaeus heeft uitgesproken op 9 januari 1632 toen hij hoogleraar werd aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. De vertaling is van Corinna Vermeulen en de inleiding van Anna-Luna Post.

Het boek brengt de gebeurtenissen in Amsterdam in de winter van 1631/1632 in herinnering: Vossius en Barlaeus hielden in januari hun inaugurele redes voor het Athenaeum Illustre, Hugo de Groot zat in dezelfde maand ondergedoken in Amsterdam. Hij werd in april voor de tweede keer, en nu definitief, uit de Nederlanden verbannen.

Vossius, Barlaeus en Grotius kenden elkaar al jaren. Hun correspondentie toont dat zij vriendschap voor elkaar voelden, en grote waardering. Hoe verschillend zij ook waren, alle drie spanden zij zich in voor vrede en verdraagzaamheid; alle drie hadden zij een afkeer van de theologische betweterij die de Nederlanden in haar greep had. Barlaeus had last van de contraremonstranten; hoewel hij niet tot de remonstrantse partij behoorde was het duidelijk dat daar zijn sympathie lag, en daarom werd hem het leven in Leiden behoorlijk zuur gemaakt. Intussen was hij wel een geliefd feestredenaar en een begaafd Neolatijns dichter; toen hij in 1631 van Leiden naar Amsterdam verhuisde voelde hij zich onmiddellijk thuis in de Amsterdamse dichterskring van Hooft en Tesselschade. Vossius had minder te lijden van de calvinisten: hij was beter in staat zich in de ivoren toren van zijn studeerkamer te verschuilen. Zijn diepgaande studie van de antieke en moderne wereldgodsdiensten bracht hem tot het inzicht dat god op verschillende manieren kan worden gediend, en dat niet één godsdienst het alleenrecht kon hebben. Bovendien werd hem duidelijk dat god vele gezichten heeft. Hij ruilde een gezaghebbend professoraat in Leiden voor een avontuur in Amsterdam, om in een riante woning in het centrum over een enorme bibliotheek te beschikken. Na zijn vertrek werden in Leiden de hoogleraarssalarissen verhoogd om verdere leegloop te vermijden. Hugo de Groot had groot aanzien als jurist, en ook als dichter van Neolatijnse poëzie en toneelstukken. Alle drie hebben zij een stempel gedrukt op het oeuvre van Joost van den Vondel, Grotius door zijn toneel, Vossius door zijn kennis van de retorica en de poëtica en Barlaeus door zijn lyriek.

Lees verder >>

Lucebert: lezen in plaats van leven

Door Marc van Oostendorp

Ze zijn er nog, de bewonderaars van Lucebert. Je kon er bijna aan twijfelen nadat de controversiële brieven van de schrijver naar boven kwamen die hij in zijn jeugd schreef. Zou dit de fascinatie voor de dichter doen uitdoven?

Nee, dus. Deze maand verscheen misschien wel het mooist vormgegeven boek dat ik dit jaar onder ogen heb gekregen: Lucebert. De zin van het lezen.

Het boek is een uitkomst van een project dat Lisa Kuitert enkele jaren geleden begon: een inventarisatie van de bibliotheek van Lucebert. Eerder publiceerde ze daarover het boek De lezende Lucebert, waarin deskundigen allerlei deelverzamelingen uit die bibliotheek belichtten. Het nieuwe boek gaat nu over de aantekeningen die Bertus Swaanswijk in zijn boeken maakte.

Lees verder >>

Stijl en werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

De stilistiek is het hart van de neerlandistiek. Ze combineert de drie traditionele subdisciplines taalkunde, letterkunde en taalbeheersing, ze beziet hoe vorm betekenis kan geven, ze gaat over de vraag hoe de stijl een mens kan maken en de wereld kan vormgeven.

Het is daarom opmerkelijk dat de stilistiek zo lang veronachtzaamd is, dat er decennia zijn voorbijgegaan waarin het in de opleidingen niet of nauwelijks op het programma stond, dat de recente literatuur erover nog steeds zo gering in omvang is. Pas de laatste jaren is daar weer verandering in gekomen en nu is er een modern boek met een nieuwe visie op het fenomeen: Stijl, taal en tekst. Stilistiek op taalkundige basis van Ninke Stukker en Arie Verhagen.

In een lucide inleiding maken Stukker en Verhagen duidelijk dat er twee mogelijke visies zijn op de relatie tussen vorm en inhoud in het geval van taal en stijl. Je zegt dat ze volmaakt gescheiden zijn (dualisme) of je zegt dat ze één en hetzelfde zijn (monisme). Voor beide is iets te zeggen, maar beide zijn ook onhoudbaar.

Lees verder >>

De samenleving maakt de schrijver, de schrijver maakt de samenleving

Door Marc van Oostendorp

Waaruit bestaat de literatuurgeschiedenis? Uit meesterwerken? Uit elkaar almaar bestrijdende generaties met steeds weer nieuwe ideeën over wat een goed boek is? Uit genieën die af en toe opstaan en iedereen anders laten kijken? Uit een economie van uitgeverijen, geleerde genootschappen en krantenredacties?

Rick Honings en Lotte Jensen zien het anders. De bouwstenen van hun geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de 18e en 19e eeuw, Romantici en revolutionairen, zijn schrijverstypen: de dominee-dichter, natuurlijk, maar ook de criticus, de (vroege) romanschrijver, de Spectator, enzovoort.

Zo’n schrijverstype valt niet precies samen met een stroming, maar is breder. Sommige stromingen zijn bij Honings en Jensen ook terug te vinden als type – de romanticus, bijvoorbeeld, of de Tachtiger –, maar zelfs dat is al een andere interpretatie. Een stroming heeft een programma, een ideaalbeeld van hoe de literatuur eruit zou moeten zien; een schrijverstype is duidelijker een sociologisch fenomeen, je wordt een bepaald soort schrijver omdat er behoefte aan is in de samenleving, omdat jij die behoefte voelt. En omdat jij en je collega’s bepaalde teksten schrijven, duw je de samenleving een bepaalde kant op, al is het maar een klein beetje.

Lees verder >>

Lezen is denken

Door Marc van Oostendorp

Wat zou het handig voor ons vak zijn als je van lezen een beter mens werd! Stel je voor: je overhandigt je buurjongetje dat op school niet wil deugen een exemplaar van De nachtstemmer, en zie: ineens kan hij wél meekomen. Of plaagt hij in ieder geval zijn zusje niet meer. Neerlandici als wonderdokters – de salarissen zouden razendsnel stijgen en als gevolg daarvan daarna al even vliegensvlug de studentenaantallen.

De gedachte dat lezen op de een of andere manier ‘nuttig’ is, is niet helemaal vreemd aan onze cultuur. In 2012 schreef een Belgische politierechter aan een verkeersovertreder voor dat hij Tonio moest lezen, A.F.Th. van der Heijdens boek over het dodelijke ongeluk van zijn zoon.

Lees verder >>

Mau! Het leven van Maartje Draak

Door Marc van Oostendorp

Sinds de verschijning van Het Bureau is er waarschijnlijk nooit iemand dood gegaan die model stond voor één van de personages in dat boek zonder dat in de in memoriams naar dat personage werd verwezen. Kennelijk was Voskuil zo scherp dat hij mensen zo wist te beschrijven dat anderen hen herkenden.

Ook in Willem Gerritsens boek over de neerlandica én keltologe Maartje Draak, Verhalen van de drakendochter, wordt daarom aandacht besteed aan Kaatje Kater. “Voskuil is er”, schrijft Gerritsen, “verbazend goed in geslaagd de indruk die haar persoonlijkheid – haar karakteristieke wijze van optreden en spreken – op veel mensen in haar omgeving heeft gemaakt, nauwkeurig in woorden vast te leggen.” Zelfs het feit dat ze gesprekken kon openen met het woord mau! blijkt waarheidsgetrouw. Ik heb altijd gedacht dat die kreet verband hield met de naam Kater en dat Draak iets soortgelijks zou hebben geroepen maar dan in drakentaal; nu blijkt dat Voskuil Draak naar haar karakteristieke uitroep heeft vernoemd.

Lees verder >>

Museumstukken van taal

Door Marc van Oostendorp

1914 was het jaar dat Husserl schreef Zurück zu den Sachen selbst (‘terug naar de dingen zelf!), dat het vol in Parijs riep Ils ont tué Jaurès! (‘ze hebben Jaurès gedood’), dat de Britse schrijver H.G. Wells het in de krant had over the war to end war (‘de oorlog die de oorlog zal beëindigen’), de Franse president Raymond Poincaré stelde La mobilisation n’est pas la guerre (‘mobilisatie is geen oorlog’) en de Britse minister Grey of Fallodon dacht The lamps are going out over all Europe; we shall not see them again in our lifetime (‘De lampen gaan overal in Europa uit; we zullen ze in ons leven niet meer zien ontsteken’).

Het zijn een paar voorbeelden uit het nieuwe boek van Paul Claes, Wie zei dat? 500 historische oneliners. Zoals veel van Claes’ werk gaat dit boek niet expliciet over taal, maar zet het wel aan het denken.

Op de hem eigen zorgvuldige en erudiete manier brengt Claes in chronologische volgorde een groot aantal uitspraken, zinnetjes, woordgroepen die een rol hebben gespeeld in de geschiedenis. Die wordt, volgens zijn voorwoord, “evenzeer geschreven door woorden als door daden. Slagzinnen hebben massa’s gemobiliseerd, met strijdkreten werden oorlogen gewonnen en bon mots hebben tegenstrevers gekraakt.”

Lees verder >>

Rijmverdoezeling

Door Marc van Oostendorp

Simon Vestdijk was niet alleen medicus, dichter, romanschrijver, essayist en wat niet al, maar in zijn vrije tijd waarschijnlijk ook de belangrijkste theoreticus van het Nederlandse vers die we ooit gehad hebben. Zijn boek De glanzende kiemcel (DBNL) werd niet voor niets decennia als studieboek gebruikt bij de opleiding Nederlands.

Hij ging daarbij te werk als een echte wetenschapper: hij verzamelde gegevens en probeerde die te interpreteren en te verklaren in een theorie. Veel van wat hij deed zou je misschien nog nét wat preciezer willen doen – net wat systematischer de data binnenhalen, de theorie net wat ondubbelzinniger formuleren – maar heel veel van wat hij zag en bedacht is onovertroffen.

Neem zijn theorie over het rijm. Volgens Vestdijk hadden veel dichters de neiging om het feit dat regels rijmden te verdoezelen. Een van de middelen die ze daarvoor hadden was om de klemtoon te manipuleren. Door in de tweede van een paar rijmende regels de klemtoon net vóór het rijmwoord te leggen, werd het rijm minder prominent:

Lees verder >>

Een geruststellende groet van gene zijde

Door Marc van Oostendorp

‘Soms begint iemand hardop tegen iemand te praten.’ Zo begint het eerste van de twintig stukken in de nieuwe essaybundel van Guus Middag, De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig. Het is een opening die Middags werkwijze kenmerkt: ineens bevindt de schrijver zich ergens, in een nieuwe onbekende wereld.

De eerste zinnen van heel veel stukken gaan over zo’n confrontatie, die meestal als plotseling wordt beschreven. ‘Het is nacht en het is stil in het grote donkere bos. Er is alleen een eekhoorn.’ ‘Ik hoorde op de radio een live-optreden van Katinka Polderman (1981).’ ‘Hoe komen wij elkaar tegen in de liefde?’ Eén keer benoemt de essayist zijn favoriete opening zelfs als die van een toevallige ontmoeting in de eerste zin van een stuk: ‘Dit is een goede zin om een verhaal mee te beginnen: “Vannacht kwam ik mijn ouders tegen.”‘

Lees verder >>

Geen brein zo geschikt om het verschil tussen a en i te horen als het menselijk brein

Door Marc van Oostendorp

De fonologie! Het is mijn eigen specialisme van de taalkunde, de klankleer. Zo’n honderd jaar geleden bracht het dé vernieuwing in de taalkunde, omdat de fonologen lieten zien hoe je ook de taal van de eigen tijd op een wetenschappelijke manier kunt bestuderen.

In de negentiende eeuw was de historische taalkunde enorm succesvol. De grootste intellectuele ontdekking van de taalwetenschap stamt uit die tijd: dat je door nauwkeurige vergelijking van talen duizenden jaren terug kunt gaan in de geschiedenis. Dat je zo de taal kunt reconstrueren die de moeder is van vrijwel alle talen van Europa, maar ook van een groot deel van Azië, het Indo-Europees.

Kon je zoiets precies en wetenschappelijks ook doen voor de niet-historische kant van taal, de manier waarop een taal op een bepaald moment in elkaar zit. De fonologen waren de eersten die ontdekten hoe dat kon, misschien wel doordat de fonologie een relatieve ‘aardse’ subdiscipline is, met duidelijke verbanden met de fysiologie van de mens en de fysica van het spraakgeluid. Eind de jaren vijftig werd onder leiding van de beroemde Amerikaan Noam Chomsky de leiding overgenomen door de syntaxis, de leer van de zinsbouw. Als ik het goed zie is de grammaticadiscipline die momenteel het meest bloeit die van de betekenisleer. Van klanken, naar zinsbouw, naar betekenis: een weg naar de steeds abstractere dimensies van taal.

Lees verder >>

Berbers spreekwoordenboek

Door Riemer Reinsma

We kunnen er, wat mij betreft, nooit te veel van hebben: van die boeken over spreekwoorden uit verre landen. Een exotische wereld doemt voor je op, met uitheemse planten, dieren, spijzen en zo meer. En dan de merkwaardige paradox: ondanks die grote verschillen in vorm, door de afwijkende culturele achtergrond, is de betekenis van de spreekwoorden vaak universeel. Zo heeft het huiselijk klinkend Nederlandse gezegde ‘De beste breister laat wel eens een steek vallen’ in Japan de tegenhanger ‘Zelfs Boeddha leest wel eens de Heilige Schrift fout’. Strekking: iedereen maakt wel eens een fout. 

De jongste aanwinst is Tien op een ezel. Berbers spreekwoordenboek van Mohammed Benzakour. Het boek laat zien dat de culturele achtergrond van sommige spreekwoorden volstrekt onbegrijpelijk kan zijn als ze niet nader toegelicht worden. Neem het spreekwoord dat ook de titel is van het hier besproken boek. De volledige versie, zo begrijp ik uit het Woord Vooraf, luidt ‘Hij ziet er tien op een ezel”. Tien wat? Vogels? Kruiken? Meloenen? Dat wist schrijver Benzakour zelf aanvankelijk óók niet, maar zijn vader wist hem te vertellen dat het gaat om tien berijders. Tien man op één ezel kan natuurlijk niet, de uitdrukking beschrijft een hallucinatie. Ze is het Berberse equivalent van het Nederlandse “hij ziet ze vliegen”.

Lees verder >>

Het wonder dat mensen zinnen bouwen

Door Marc van Oostendorp

Taal is de magie van alledag. Wij mensen doen iets dat voor zover bekend geen ander wezen in ons universum kan: we praten met elkaar, we zeggen voortdurend dingen die niemand ooit eerder heeft gezegd en die we toch doodnormaal vinden. Schrijf, zegt David Adger aan het begin van zijn nieuwe boek Language Unlimited, een zin die iets langer is dan een paar woorden, en google die zin. Vrijwel nooit zul je die zin ergens op het internet terugvinden.

Vrijwel iedere zin die we zeggen is uniek, en toch voelen de meeste zinnen die we tegen elkaar zeggen of op een weblog lezen helemaal niet zo nieuw of vreemd aan.

In zijn Language Unlimited zet Adger uiteen hoe syntactici ‘ons creatiefste vermogen’ proberen te ontrafelen. Het is een boek geworden voor een ‘breder publiek’, zoals dat heet, en wat mij betreft de beste poging die er ooit is gedaan om de taalkundige stroming waarbinnen Adger werkt – die van Noam Chomsky – uiteen te zetten. Het boek is heel leesbaar zonder ooit kinderachtig te worden, licht van toon zonder irritant grappig te zijn, en duidelijk over het standpunt van de auteur zonder in polemiek te vervallen.

Lees verder >>

Leestekens: een kwestie van smaak

Door Marc van Oostendorp

Leestekens vormen een interessant onderwerp van potentieel onderzoek. Ze maken enerzijds onderdeel uit van de geschreven taal en geschreven taal schreeuwt altijd om standaardisering. Maar hoewel we in het Nederlands absurd gedetailleerde regels hebben over dat andere aspect dat uniek is voor de geschreven taal – de spelling – is het gebruik van leestekens niet officieel geregeld en ook anderszins nauwelijks gecodificeerd. Bij de meeste dictees let men niet op de leestekens.

Dat geldt overigens net zozeer voor andere talen. Interpunctie heeft iets te maken met hoe een tekst geacht wordt te klinken: wat voor pauzes je legt, hoe en waar je afbreekt, welke klém-tó-nén je legt. Interpunctie hoort in die zin eerder bij de stijl, en ook de strengste schoolmeesters deinzen vaak terug voor al te harde stijlregels.

Veel aspecten van de interpunctie kan iedereen voor zichzelf bepalen. Toch zijn er in de loop van de tijd allerlei conventies ontstaan. Het is bijvoorbeeld in het Nederlands niet ‘fout’ om voor ieder leesteken een spatie te plaatsen , zoals in sommige andere talen wel gebeurt , maar het is simpelweg niet de manier waarop ‘we’ het doen . Het ziet er raar uit .

Lees verder >>

Het Nedersaksisch is een illusie

Door Marc van Oostendorp

Soms kan politiek pragmatisme leiden tot een nieuw geleerd handboek. Ik geloof dat dit aan de hand is met Nedersaksisch in een notendop dat vandaag verschijnt. Het Nedersaksisch is eigenlijk niet een goed afgebakend begrip en wetenschappelijk maar heel beperkt bruikbaar. Dat geleerden er nu boeken over schrijven, hebben we geloof ik vooral te danken aan Johan Remkes en Henk Kamp.

Die twee politici zetten zich in de jaren negentig in voor de politieke erkenning van dat ‘Nedersaksisch’, als de ‘taal’ die gesproken zou worden in de noord-oostelijke provincies van Nederland, ruwweg in de driehoek Groningen-De Veluwe-De Achterhoek. Die erkenning kwam er, al betekende dat tot frustratie van de activisten nog steeds niet dat de Nederlandse overheid ook geld wilde uitgeven aan deze ‘taal’.

De taal bestaat vooral uit een verzameling dialecten. De activisten beweren dat deze anders zijn dan het Nederlands en bovendien veel met elkaar gemeen hebben. Ze zouden allemaal afkomstig zijn van het Oudsaksisch. Maar wetenschappelijk is dan de vraag: waarom zou je deze dialecten samennemen en de in Duitsland, of zelfs in Engeland (Angelsaksen, weet u wel) gesproken dialecten eruit laten. Het antwoord op deze vraag is: omdat dit gaat om ‘Saksische’ dialecten die in Nederland gesproken worden.

Lees verder >>

Fantasie en maatschappijkritiek

Door Theo Meder

Soms krijg je als onderzoeker een, op het eerste gezicht, eigenaardig boek ter recensie aangeboden. Het overkwam mij met de wetenschappelijke bundel Phantastik und Gesellschaftskritik im deutschen, niederländischen und nordischen Kulturraum, met als tweede titel Fantastique et approches critiques de la société; Espaces germanique, néerlandophone et nordique. De editeurs zijn Marie-Thérèse Mourey en Evelyne Jacquelin en de bundel van 272 pagina’s verscheen in 2018 bij de universiteitsuitgeverij van Heidelberg voor de somma van 56 euro.

Het eerste eigenaardige aan deze wetenschappelijke uitgave is dat de bijdragen in het Duits en het Frans zijn. Niet dat dat verboden is, maar Engels was voor veel lezers een betere keuze geweest. Je hoopt vervolgens dan dat tenminste de Abstracts (pp. 245-255) achterin in het Engels zijn, maar nee, die zijn weer tweetalig Duits en Frans. Editeur Mourey rechtvaardigt in haar voorwoord de bundel als internationaal en interdisciplinair (p. IX). Met het Namenregister (pp. 267-272) is het misgegaan trouwens: in het boek ontbreken de verwijzingen naar de bladzijden, en dus moest er een los katern worden ingelegd met namen en de corresponderende pagina’s. De tekst op de achterflap belooft bijdragen over narratieve fantasiewerelden in hun relatie tot de realiteit.

Lees verder >>

Leenwoorden uitspreken: je eigen keuze

Door Marc van Oostendorp

Sommige taalonderwerpen lijkt iedereen interessant te vinden, behalve de taalkundige. Leenwoorden zijn daar een voorbeeld van: begin in een volle bus een gesprek over taal, en binnen de kortste keren worden leenwoorden daarin genoemd; maar heel veel taalwetenschappelijk onderzoek is er niet naar dat verschijnsel.

Het boek Borrowing van de Canadese taalkundige Shana Poplack is daarom een welkome aanwinst in de literatuur. In het boek beschrijft Poplack uitgebreid haar onderzoek naar hoe woorden uit de ene taal in een andere taal worden overgenomen en hoe zo’n ‘vreemd’ woord gaandeweg integreert – in de taal zelf en in de taalgemeenschap.

Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld dat over de uitspraak van leenwoorden. Als een woord lang genoeg gebruikt wordt, gaat de uitspraak zich vanzelf aanpassen aan de nieuwe taal. In het Nederlands spreekt niemand computer nog op zijn Engels uit, met een Engelse p of een Engelse t. Als je dat wel doet, klink je enorm aanstellerig en eigenlijk alsof je niet weet hoe het hoort. Voor nieuwere leenwoorden is dat niet altijd even duidelijk: ik geloof dat Whatsapp nog door veel mensen in mijn omgeving met een Engelse w wordt uitgesproken. Waar ligt de grens?

Lees verder >>

Toegankelijk postmoderne polemiek

Door Marc van Oostendorp

De literaire polemiek is een vreemd genre: ze veronderstelt dat een schrijver zich grondig verdiept in boeken waarvan hij een afkeer zegt te hebben. Nu zijn er zoals bekend heel veel slechte boeken, en de vraag doet zich dan voor: waarom zoveel drukte over iets zo onbelangrijks? Een belangrijke taak van de polemicus is dus om duidelijk maken dat er wel degelijk iets op het spel staat: zijn onbeduidende tegenstander, de schrijver van die slechte boeken, heeft bijvoorbeeld volkomen ten onrechte een belangrijke positie in de literatuur. En dat is heel erg, want literatuur, dat is het hoogste én het diepste dat de schrijver zich kan voorstellen en er mogen dus eigenlijk geen slechte boeken verschijnen.

Arie Storm maakt het zichzelf wat dit betreft op minstens twee verschillende manieren niet gemakkelijk in zijn nieuwe boek Het horrortheater van de Nederlandse literatuur . In de eerste plaats door zich een voorstander te betonen van wat hij ‘toegankelijk postmodernisme’ noemt, en in de tweede plaats door te benadrukken dat hij maar een eenvoudige jongen is uit de Schilderswijk die toevallig gegrepen is door lezen in plaats van door een andere hobby.

Lees verder >>

Waarom zou je op de universiteit werken?

Door Marc van Oostendorp

Voor de Franse filosoof Albert Camus was de belangrijkste vraag die de mens zich moest stellen waarom hij eigenlijk geen zelfmoord pleegt. Als het leven toch absurd is, waarom er dan geen einde aan gemaakt?

Zo is de belangrijkste vraag in de carrière van de hedendaagse medewerker van een universiteit: waarom neem ik geen ontslag? Die vraag is wat overzichtelijker, bijvoorbeeld omdat mensen die dat inderdaad hebben gedaan, kunnen meediscussiëren.

Eelco Runia, bijvoorbeeld, de historicus die vorig jaar met nogal wat rumoer afscheid nam van zijn baan als UD in Groningen. Hij schreef er toen een geruchtmakend stuk over in NRC Handelsblad.

Dat stuk heeft hij, nu hij toch geen onderzoeksvisitaties meer heeft voor te bereiden en geen studiehandleidingen moet samenstellen voor cursussen die hij mogelijk over twee jaar gaat geven, uitgebreid tot een boek: Genadezesjes. Dat boek bestaat uit brieven aan onder andere ‘buitenstaanders, Kamerleden, bestuurders, collega’s, de bedrijfsarts, studenten, promovendi en de belastingbetaler’ waarin Runia gaandeweg een analyse maakt van wat er mis is met het universitaire bestel op dit moment.

Lees verder >>

Vegatariër, stadsdokter, patriot

Door Marc van Oostendorp

De titel van het nieuwe boek van de Bossche patriottenkenner Jacques Baartmans is sober: Pieter van Schelle (1749-1792). Veelzijdig en verlicht. Hij dekt wel precies de inhoud, en wat voor inhoud!

Er zijn mensen wiens leven je ook 250 jaar na dato nog inspireren. Pieter van Schelle was zo iemand: een man die zo’n beetje alle dingen die zijn tijd interessant maakte heeft meegemaakt, iemand die tenminste niet stil zat. Een man daarbij meestal de juiste keuze maakte en daarmee soms nog voorop liep ook: een heel vroege voorvechter van het vegetarisme, stadsdokter van Leiden, dichter, overtuigd patriot en uiteindelijk expat en drijvende figuur achter een Nederlandstalige uitgeverij in Duinkerken.

Baartmans heeft allerlei interessante details over Van Schelle naar boven gebracht. Zo geeft hij een uitvoerige bespreking van diens proefschrift dat een betoog was waarom de mens van nature geen vleeseter was. Een interessant argument daarbij was dat mensapen ook geen vlees eten (althans, dat dacht Van Schelle). Er is daarom wel gedacht dat Van Schelle een soort predarwinist zou zijn geweest, maar Baartmans laat overtuigend zien dat dit niet het geval was: Van Schelle wees naar de in zijn tijd bekende overeenkomsten in anatomie tussen mensapen en mensen zonder iets over de evolutie te zeggen. Aan de andere kant laat Baartmans zien dat Van Schelle ten onrechte vergeten is in een recente geschiedsschijving van het vegetarisme in Nederland, omdat hij wel degelijk een pionier was.

Lees verder >>

Eersame lieve soen: een gemiste kans

Door Marc van Oostendorp

Michiel Heusch was een Hamburgse jongeman uit een Antwerps geslacht. In 1664 en 1665 reisde hij net als iedereen uit zijn kringen naar Italië. Met zijn familie onderhield hij contact per brief; zijn eigen brieven zijn niet bewaard gebleven, maar enkele van de brieven die zijn familie aan de ‘eersame, lieve soen’ schreef, wel.

Deze brief zijn nu door Verloren uitgegeven in een heel fraai geïllustreerd koffietafelboek, voorzien van annotaties door de taalkundige Marijke van der Wal die ook een inleiding schreef.

Het boek is werkelijk een lust voor het oog – eigenaardig genoeg wordt in het colofon wel een omslagontwerper en een typograaf genoemd, maar geen ontwerper voor het binnenwerk. Die persoon had best in het zonnetje worden gezet, want Michiel Heusch is een lust voor het oog.

Lees verder >>

Ruimte in het hoofd

Door Marc Kregting

Toen onlangs het literaire tijdschrift G. een nummer plande over Patricia de Martelaere die tien jaar geleden overleed, bleek van deze begenadigde en bewierookte essayiste-romanschrijfster, wier oeuvre decennia omspant, geen enkel boek voorradig. Jongere auteurs waren geïnteresseerd om aan het nummer mee te doen, en moesten zich behelpen met fotokopieën en niet-afgeschreven bibliotheekexemplaren. Prachtig dus dat Nina Polak en Joost de Vries eind 2018 met de bloemlezing De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21e eeuw in 60 essays materiaal hebben verzameld dat, hoe recent ook, amper beschikbaar blijkt. Bovendien heeft deze gebonden editie een leeslint, hintend dat het genre trage consumptie eist – die de voorbarige datering in de ondertitel kan verklaren.

De twee samenstellers nemen in hun voorwoord uitdagend afstand van het essay als beschouwende tekst (hun cursivering), die een afstandelijk betoog zou afsteken. Polak en De Vries hebben voorkeur voor onderzoek dat meandert en een persoonlijke toets toelaat. Meteen is dan de vraag of het een het ander uitsluit. Hoe zouden ze bijvoorbeeld Montaigne percipiëren, verklaard grondlegger van het essay? De samenstellers omzeilen die kwestie pragmatisch, doordat de eisen van de tijd volgens hen zijn veranderd. Voor hen is het tekenend dat er recent een heruitgave verscheen van Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik. Dit debuut was in 1999 ‘ongenadig hard afgefakkeld’ omdat de auteur zich voor haar onderwerp drong. Nu wordt zo’n prominent ik, constateren Polak en De Vries, ‘unaniem geprezen’. Lees verder >>

Poëzie tegen de breekbare vaasjes

Door Marc van Oostendorp

“Waarom ik lees en schrijf”, lees ik en schrijft Piet Gerbrandy aan het begin van zijn essaybundel Grondwater, “zal voor mijzelf altijd tot op zekere hoogte een raadsel blijven.” Om iets later in die eerste alinea een deel van de verklaring toch te geven: “Het zijn de handelingen zelf die me in een stemming en ritme brengen waarbij ik me blijkbaar thuisvoel.”

Veel van de essays in deze bundel gaan over dat ritme. De stukken zijn elders verschenen, maar samen vormen ze een antwoord op de vraag: waarom lezen en schrijven? Vanwege een ritme waarbij de mens zich thuisvoelt.

Grondwater is te lezen als een pleidooi voor grootse gedichten die proberen te bewegen en de lezer in beweging te brengen, die niet als breekbare vaasjes op de bladspiegel hangen, maar de mist in durven te gaan. Niet voor niets staan er ook stukken in over zwemmen, lopen en fietsen, allemaal bewegingen die Gerbrandy gaat maakt, en die hij steeds verbindt met de poëzie.  Lees verder >>