Categorie: pas verschenen

Gedicht: Esther Jansma • Wat dacht je toch?

Uit Rennen naar het einde van honger, de nieuwe bundel van Esther Jansma.

Wat dacht je toch?

Bewegen is haren, lege bekers, schilfers achterlaten,
een ongemerkte regen van resten, een staat van permanent
gewichtsverlies. Je maakt jezelf zwaarder met verhalen
en eten, houdt een agenda bij om maar op de grond te blijven.
Erger is het als je reist: dan heb je ook een koffer nodig
want je hoofd, ballon vol niets, trekt je omhoog – dit dacht je toch?

Toen moest je weg. Je hebt niets mee kunnen nemen.
De taal van je herinnering wordt nu gesproken door dingen
die hier niet zijn en je lippen kunnen hun vorm niet vinden.
Je gezicht en haren zijn het gezicht en de haren van niemand.
Je staat buiten en legt je hoofd in je nek, je mond wijd open
om zoals vroeger sneeuwvlokken uit de lucht te vangen.

Esther Jansma (1958)
uit: Rennen naar het einde van honger (2020)

Portret: Patrick Post


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gellu Naum • De stuiptrekkingen van een rijk

Bij Vleugels verscheen een vertaling door Jan Mysjkin van een keuze uit de gedichten van de Roemeense surrealistische dichter Gellu Naum, onder de titel De andere kant – Pohemen.

De stuiptrekkingen van een rijk
waarvan ik allang geen deel meer uitmaak

Laat op de dag wanneer ik me op hun hoogte bevind
dansen meisjes in de duisternis ze hebben veel armen ze houden op
ze vragen me ten dans alsjeblieft we hebben ook cassettebandjes
        met iemand die tot stervens toe zingt
ach hoe dragen we hem in ons oor mee en hij zingt net zo voor ons
ach zuchten we wat je zoal tot stand brengt wat betekent dat
en kom laten we elkaar omarmen laten we leven laten we onze
        schoenen vragen of we nog bestaan
en kom laten we wegzweven in een gewest waar eenieder
        buitengewone dingen toekent aan ieder ander
maar daar gaat hij al hij buitelt naar de oeverweide ach hoe zingt
        de nacht op de brug
daar vanwaar niemand terugkeert
we zouden het water en de nacht moeten maaien zodat er geen
        spoor van zijn doortocht overblijft

ik praat met de meisjes het is een nogal ingewikkeld spel
sommigen onder hen sterven verzilverd drijven ze op het water
anderen roken het gloeiende uiteinde van hun sigaretten vonkelt
        tegen de hemel en brengt ons op een dwaalspoor

Gellu Naum (1915-2001)
uit: De andere kant – Pohemen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: twee blauwe gedichten

Twee gedichten uit En blauw zal alles zijn, een door Elisabeth Lockhorn samengestelde bloemlezing met gedichten waarin de kleur blauw een rol speelt.

Gelukkig blauw

Er is op straat wat blauw verloren
onder de grote blauwen van de dag.
Het wordt als hoor ik kinderkoren
achter een blauwe vlag.
Ik zie me nu in de ruiten staan
vergulder dan ik naar huis ben gegaan.

Pierre Kemp (1886-1967)

••

Requiem

Moge daar een lichtblauw
grijze verte zijn
en de schaduw van olijvenhoven
en agaven –
en de stilte van het zachtbewogen
bladje op het water.

Mogen wij daar
lichtdoorschenen zijn.

En het immer lichtend
lichtblauw grijze laaiend gouden
zonnelicht
bevrijde haar, verblijde hem.

Huub Oosterhuis (1933)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Celan • Een leestak

Onlangs verschenen: het door Ton Naaijkens in het Nederlands vertaalde Verzameld werk, een tweetalige uitgave van ruim 900 bladzijden, van de in het Duits schrijvende Roemeen Paul Celan (100 jaar geleden geboren, 50 jaar geleden overleden).

EEN LEESTAK, iemand
die zijn voorhoofdshuid verzorgt,

een lichtbron, door jou
via de slaap geslikt,
passeert het hongerige
gastweefsel,

kijkhulp, gestreept,
via maanvaardige
verstrooiings-sondes. In het groot: in het klein.

Werelden, altijd nog, werelden.
Basalt, over-
trokken met eelt,
door raketten gekust:
kosmische
omloop-show, en toch:
binnenlandse horizons.

Terrestrisch, terrestrisch.

Een leestak, iemand
die zijn voorhoofdshuid verzorgt – alsof je
gedichten schreef -,
hij stuit op de kaart met de groet,
toen, voor
de bloedklonterplaats, op de long-
drempel, jaar in, uit Pilsen,
jaar uit,
tijdwild van zoveel
dat stil geprangd werd:

bon vent, bonne mer,

een wapperende
hersenkwab, een
zeestuk,
hijst waar jij leeft
zijn eigen hoofdstad, de
onbezetbare.

•••

EIN LESEAST, einer,
die Stirnhaut versorgend,

eine Lichtquelle, von dir
schläfrig geschluckt,
passiert das hungrige
Wirtsgewebe,

Sehhilfe, streifig,
über mondbefahrene
Rückstreu-Sonden. Im großen: im kleinen.

Erden, immer noch, Erden.
Hornhautüber-
zogner Basalt,
raketengeküßt:
kosmisches
Umlauf-Geschau, und doch:
Binnenland-Horizonte.

Terrestrisch, terrestrisch.

Ein Leseast, einer,
die Stirnhaut versorgend – als schriebst du
Gedichte – ,
er trifft auf den Kartengruß auf,
damals, vorm
Blutklumpenort, auf der Lungen-
schwell, jahrhin, aus Pilsen,
jahrüber,
zeitwild von soviel
Leisegepreßtem:

Bon vent, bonne mer,

ei flackernder
Hirnlappen, ein
Meerstück,
hißt, wo du lebst,
seine Hauptstadt, die
unbesetzbare.

Paul Celan
uit: Verzameld werk (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Tsead Bruinja • x het engels en de preacher man

In de zomer van 2020 mocht Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja met tbs’ers en hun behandelaars spreken. Dat werden openhartige conversaties over hun jeugd, hun leven in de kliniek en de problemen waar ze tegen aanlopen. Op basis van deze gesprekken schreef hij teksten die hij beschouwt als documentairepoëzie – gedichten waarin hij zijn gesprekspartners zo veel mogelijk zelf aan het woord laat, in hun eigen taal. Ze zijn gepubliceerd in de bundel springtij. De gedichten zijn hier te beluisteren.

x het engels en de preacher man

x moet eerst nog wat spijkers in plastic kabelhouders drukken
daarna kan hij komen praten

buiten aan de picknicktafel rolt hij een sjekkie
en strekt herhaaldelijk zijn armen en schouders
de medicijnen maken zijn lichaam onrustig

tegen zijn geestelijk verzorger zegt hij
preacher man it is always good talking to you
you know a lot every sunday when I see you
is het mooi weer

dan begint hij over plannen

plannen is net als rataplan ratten ze komen zo snel op de geur van kaas af
dan val je in de val voor muisjes is het hetzelfde tegenwoordig speelt iedereen
met muisjes achter de computer de nieuwe vogelkooi is mooi kanarie
canarische eilanden blackbird allemaal zingen ze zo mooi hier

ooit wilde ik naar buiten om te roken
ik zag een engel met lange witte haren
zij kwam van die kant stagelopen
ik bleef met mijn ogen open staan kijken
ik vroeg ben je nieuw

toen schrok ik een beetje van een behandelaar
die liep met een patiënt in een rolstoel

ik zei deze dame heeft mij gehypnotiseerd
dat kunnen vrouwen heel goed als ze kinderen van je willen
alle vrouwen kunnen kinderen krijgen

ik ben rastafari ik ga nooit dood
god gaat nooit dood

de dood is voor negatieve mensen

de moeder van x kookte veel kip geit en koe
ze had hartkloppingen

x zei mama je moet alleen kip eten
dan heb je geen hartkloppingen

hij was tweeëntwintig en is nu negenenvijftig
zijn moeder is vijfennegentig

aruba is mooier dan curaçao omdat ze meer engels praten daar
die taal is favoriet die heeft hem genezen in godsnaam

Tsead Bruinja (1974)
uit: Springtij (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: 5.13 en 5.14

Twee sonnetten uit de door Bas Jongenelen samengestelde sonnettenkransenkrans (14 x 14 sonnetten (van 14 regels)), inclusief per krans een meestersonnet, plus een grootmeestersonnet. Titel: Problemen, dingen, zooi en tribulaties.

5.13

Hij bezigt taal van dwazen en van lijpen,
begrijpt de halve tijd niet wat hij zegt,
lult recht wat krom is en wat krom is recht:
de vaagtaal ligt altijd voor het (be)grijpen.

De grap is dat dat zweverig gedoe
alleen maar werkt bij je gelijkgestemden:
dus managers in je gestreepte hemden,
I’ll say zis only once: ze joke’s on you.

Dus steek je woorden waar de zon niet schijnt,
je prietpraat is mijn ander oor al uit,
jouw moeilijkdoenerij en flauwekul

slaat als een tang op ’s varkens achtereind,
maar weet, als jij je kont keert, klinkt het luid:
‘Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul!’

Marino van Liempt

5.14

Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul,
die suffe pencil pusher, zielepoot,
van saaie zak naar grijze middenmoot,
de dooievisjesvreter, slappe lul.

Hij likt naar boven, trapt dan hard omlaag,
zo’n cijferneuker, zeurpiet, waterhoofd,
door focus, meetings van’t verstand beroofd,
De zaagselkop met zijn constant geklaag.

Er komt een dag, dan valt hij door de mand,
weg targets, bottom line en bottle neck,
dan hangt hij aan een boom dat stuk verdriet.

Een nieuwe, vol jargon, betreedt het pand,
de fabels, sprookjes stromen uit zijn bek,
de blauwbilgorgels vallen in het niet.

Marco van den Berg
uit: Problemen, dingen, zooi en tribulaties (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Wout Waanders • Sasha naar het vliegveld brengen

Uit Parkplan, de debuutbundel van Wout Waanders.

Sasha naar het vliegveld brengen

We hebben Sasha naar het vliegveld gebracht,
afgelopen dinsdag, met een knisperende zon op onze achterruit
radioliedje van REM op de bijrijdersstoel.

Sasha zat met haar koffer op haar schoot
naar buiten te kijken. Ik heb haar niet meer om dat boek gevraagd.

Sommigen vinden het zeer terecht
dat ze weg is straks, anderen hebben er andere meningen over.

Onze oom Thomas had daarboven de regen bevroren.
We waren halverwege toen de hagelstenen op de voorruit vielen.

De ruitenwissers tikten de stenen weg:
alle stenen die van Sasha houden naar de ene kant,
alle stenen die niet van Sasha houden naar de andere.

Daar reden we dan: door een steenregen
naar een vliegveld, en ik zag Sasha
naar buiten kijken, ik zag haar adem
tegen het raam aan geplakt, zonder haar naam
erin geschreven, haar warme lucht
tegen het koude raam. We hebben
Sasha naar het vliegveld gebracht.

Wout Waanders (1989)
uit: Parkplan (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Delmore Schwartz • Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn

Twee gedichten uit Een orang-oetan en geen Hongaar!, de pas verschenen vertaling van gedichten van de Amerikaanse cultschrijver Delmore Schwartz. Onder de gedichten een toelichting van vertalers Joep Stapel en Jur Koksma.

Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn

‘Quatsch, quatsch!’ zei de koning mijn oom,
‘de geest is rook en stijgt op, zwak als rook.
Zit niet tussen de doden, zit in de zon.
Eet sinaasappels! Kul! De wagen komt.

Alle geesten keerden terug. Het bevalt ze daar niet meer.
Geen zijdezacht water en geen grote bruine beer,

geen bier daarboven, geen siësta’s en ook al geen –’
‘Oom,’ zei ik, ‘wat is liefde? Ik ben zo alleen.’

Gek werd hij daarvan. Nu knoopt hij tijd
en zelfbewustzijn draad na draad aaneen.

•••

Zulke antwoorden zijn een schrale troost voor de doden

‘Wat een holle retoriek,’ zei de stilte,
‘jij leert de jongens en meisjes dat brood en wijn,
waarop hun wellust spuugt als op de macht,
binnen handbereik zijn.
Het zijn waanbeelden van je schuldgevoel
dat je tot schande strekt als een leugen die uitkomt.
De andere jongens ploften als zoutzakken op wanhopige kusten.’

‘Maar je weet toch wat voor leven ik heb geleid,
dat werkelijk alles wat ik ben geweest me afsnijdt
van normale burgermansgenoegens.
Hoe vaak ben ik niet ’s nachts langs een feest gekomen
waar goedkope minachting getoeterd werd
en klokslag twaalf de gulle lach losbarstte,
het feest waar ze het nieuwe jaar ontkurkten
als champagne of als liefde, met een knal en schuim,
terwijl ik langdurig studeerde op de kunst
waarmee je in Amerika een muur van stilte verdient.
– Ik ben een onderzoeker van de typen licht,
ik ben een dichter van de waakzame nacht,
in het nieuwe en nog ongekende Amerika.
Ik ben een onderzoeker van de gedurige nederlaag van de liefde.
Ik schonk de jongens en meisjes mijn geest en mijn kunst,
ik leerde hun over het vroege morgenlicht:
kan ik dat niet aanvoeren als enigszins goed?’

Delmore Schwartz (1913-1966)
uit: Een orang-oetan en geen Hongaar! (2020)

Slapeloosheid, paranoia en waanbeelden beheersten Delmore Schwartz, krankzinnige hoeveelheden pillen en drank hielden hem op de been – tot ze hem velden. Op zijn tweeënvijftigste overleed hij aan een hartaanval, op de overloop van een smerig hotel in de buurt van Times Square, terwijl hij in het holst van de nacht het vuilnis buitenzette. Zijn ondergang bewerkstelligde uiteindelijk wat Delmore als hemelbestormer ooit beoogd had: hij werd een mythische figuur.

De biografie van James Atlas schetst een onthutsend beeld van Delmore (“iedereen noemde hem Delmore, ook zij die hem niet kenden”, aldus Atlas). Saul Bellow vereeuwigde hun vriendschap in de sleutelroman Humboldt’s gift. Ex-leerling Lou Reed zong over hem. Eén kort verhaal – ‘In dreams begin responsibilities’ – werd een klassieker. Maar zijn poëzie verdween naar de achtergrond en werd nooit eerder in het Nederlands vertaald.

En dat is jammer, want Delmore bezat een unieke stem, doordrenkt van de klassieken, Shakespeare, Baudelaire en Rimbaud, soms orakelend als de James Joyce van Finnegans Wake (waarvan hij altijd een exemplaar in zijn jaszak had), dan weer lyrisch als Walt Whitman, discipel van zowel Eliot als Yeats. De ‘Amerikaanse Auden’ werd hij genoemd. Maar hij is toch vooral die unieke stem. Zijn vriend John Berryman vond hem ‘de meest ondergewaardeerde dichter van de twintigste eeuw’.

• Joep Stapel & Jur Koksma


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Te verschijnen: Ewoud Sanders, Helder mij even op. De beste WoordHoeken uit NRC

(Persbericht Walburg Pers)

Eind december verschijnt bij uitgeverij WalburgPers: Helder mij even op. De beste WoordHoeken uit NRC (248 blz. €19,95) door Ewoud Sanders.

Helder mij even op bevat de beste, leukste en interessantste stukken uit de taalrubriek WoordHoek in NRC. Ze geven antwoord op vragen als: sinds wanneer ouwehoeren wij? Wat zijn de nadelen van bekakt praten? Waarom bestaan er wel foute mannen, maar geen foute vrouwen? Kunnen bloemen spreken? Heeft ladderzat echt iets met een ladder te maken? (Ja!). En zo nog ruim honderd onderwerpen, over onder meer afkortingen (wat is een GN’er?), gebarentaal, seks- en liefdestaal, vrouwentaal, woorddebuten en verhaspelingen.

Lees verder >>

Gedicht: Arnoud van Adrichem • twee strandscènes

Twee ‘Strandscènes’ uit Het failliet, de nieuwe bundel van Arnoud van Adrichem.

Zee geeft, zee neemt.
De zakpijpenkolonie kan het verlaten booreiland
maar niet vergeten. Roest ontroert ons, zoals ook
je vervelde huid ons raakt. Terugkruipend in bed.
De zon, een volgspot: vandaag mag je schitteren.
Achter het borstbeen klotst de zee. Je hart bedekt
met zoutkristallen, wulken smokkelen edelstenen.
Deze zinnen liegen niet. Tieners in schelpenbikini
om zeemeerminnen te imiteren. Zonnebrandgeur
vermengt zich met frituurlucht uit het belendende
paviljoen. In alle schrijfrichtingen van de zeearm.
Nog geen neuslengte verwijderd.

Lees verder >>

Affectieve crisis, literair herstel: De romans van de millennialgeneratie

In de jaren 2010 brak een nieuwe generatie auteurs door in het Nederlandse proza. Op korte tijd groeiden romanschrijvers als Hanna Bervoets, Daan Heerma van Voss, Nina Polak, Joost de Vries, Niña Weijers en Maartje Wortel uit tot toonaangevende stemmen in de Nederlandse literatuur.

Over deze millennialgeneratie biedt Affectieve crisis, literair herstel een eerste overkoepelende studie, die de hedendaagse roman situeert in de maatschappelijke context, in de literatuurgeschiedenis en in de internationale literatuur, met beschouwingen over auteurs als Édouard Louis, Valeria Luiselli en Sally Rooney, en Vlaamse auteurs als Alicja Gescinska en Koen Sels.

Lees verder >>

Gedicht: Willem van Toorn • Neerijnen

Uit De dagen, de nieuwe bundel van Willem van Toorn.

Neerijnen

Ontelbare malen hier gezeten, de bocht
met zicht op Nijhoffs brug, daarachter
de kleine stad, nu weggemoffeld in
een doolhof van geldzucht – maar toch

nog steeds de trage schepen die stroomopwaarts
hun weg zoeken naar ouderwetser geld
dat nog naar zweet ruikt, naar havens. Namen
in je geheugen, Lobith-Tolkamer, Lorelei, Trier, Bazel.

Sneller stroomafwaarts. Je wilt dat het water
zich je herinnert, hoe je hier met je voeten
in kleine kolken stond, hoe je als kind al wist
dat deze rivier bergen had aangeraakt, beboste oevers,
kaden, andere talen, en nu jou meevoerde,
een onbenoembaar iets van jou, tot diep in oceanen.

Willem van Toorn (1935)
uit: De dagen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Verschenen: De moeder van de Kommel

Ziektes eisten een hoofdrol op in het leven van Elisabeth Strouven, geboren in Maastricht in 1600. De stad werd tijdens haar leven acht jaren getroffen door de pest. Gedreven door goddelijke inspraken nam zij lijders aan de ‘haastige ziekte’ in haar schamele huisje op. Andere vrouwen sloten zich bij haar aan en zo ontstond een religieuze vrouwengemeenschap. Zij werd regelmatig gekweld door twijfels en door angst voor de duivel, maar deze eenvoudige schoenmakersdochter slaagde er desondanks in een eigen klooster te stichten. Zelfs mannen vielen op de knieën voor deze charismatische vrouw. Haar levensverhaal schreef ze op in een uitvoerige autobiografie, die nu voor het eerst in boekvorm verschijnt. Ad van Iterson bewerkte de tekst, die geïllustreerd is door Christiane Steffens.

Lees verder >>

Gedicht: Els de Groen • Zij die gaan sterven

Een dierengedicht van Els de Groen, uit haar pas verschenen (door Len Munnik geïllustreerde) dierengedichtenbundel Hebben mollen weet van zonsondergangen?

Zij die gaan sterven

Beseft het laatste dier nog wat voor dier hij was?
Zal hij te rechter tijd nog in het water kijken
en, enig in zijn soort, met niets te vergelijken
de laatste partner vinden onderin een plas?

Als hij haar dorstig aanraakt, spat het spiegelglas
zodat de ander plots een zelfportret zal blijken.
Hoe tragisch het zou zijn, het zou hem ook verrijken
je eigen kop te kennen komt immers van pas.

Voortaan zal hij bevroeden wat voor lief te zoeken:
vier poten, zachte wangen en een slanke nek.
Ja, vader zal hij worden, zij een prachtig moeke.

Helaas het zoeken eindigt in een hok met hek
in observatieruimten en notitieboeken.
Want hij is echt de laatste, er is geen comeback.

Els de Groen (1949)
uit: Hebben mollen weet van zonsondergangen? (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Maureen Ghazal • Wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Uit Lockdown – gedichten voor een ongewone tijd, die Poetry International en Stichting Droom en Daad cadeau geven aan klanten en bezoekers van Rotterdamse boekhandels en bibliotheekfilialen.

Wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Aangezien mijn stadskamer niet geschikt is voor isolatie
– zelfs in isolatie zoeken we naar ruimte om gedachten aan te hangen –
vertrek ik naar de polder

rond de polder hangt een stilte
die ik niet gewend ben in mijn oren
echoot een fossiele stadsruis

de weken waaien geruisloos in elkaar over
Rotterdam vervaagt tot schim ik ben bang een gezicht
te verliezen de details ervan

rond mijn oren daalt de stilte in
ik vraag een huisgenoot straten te vangen in geluid
en ontvang per mail een zwijgende opname

de stad beweegt lineair aan de polder
de polder aan het land het continent
de aarde pauzeert

boven mij hoor ik het universum zuchten
ik maak van de gelegenheid gebruik te vragen
onder welke coördinaten ik mij in de toekomst bevind
het universum zucht harder met moeite
pauzeer ik mijn vooruitdenkend lichaam

in mijn polderbed beeld ik me mijn levenloze stadskamer in
stof dat zich dik rond meubels legt

vanuit een afgezonderd lichaam reis ik verder
naar mistige plekken ik tast ogen af, een mond, oren
tot ik de stad in handen heb

wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Maureen Ghazal (1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Herman de Coninck • Het liefste wat ik heb

Uit de bloemlezing Ik vouw een boot van wit papier, met zo’n veertig makkelijke leesbare gedichten, uitgegeven door o.m. Wablieft, centrum voor duidelijke taal.

Het liefste wat ik heb

Het liefste wat ik heb is elf geworden.
Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb
naar huis met het liefste wat ik had.
Het kleine meisje met het grote.
Ik met mezelf. Zo vrolijk.

Want het is goed om ooit
iets te hebben gehad.
Het is beter dan nooit
iets te hebben gehad.

Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Enkelvoud (1991)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Pas verschenen: Jaorboek Nedersaksisch 1 (2020)

Driemaandelijkse Bladen voor taal en volksleven van het oosten van Nederland was een bekend tijdschrift. Heel wat taal- en letterkundige artikelen over het Nedersaksisch werden erin gepubliceerd, maar in 2002 ging het ter ziele. Ondanks vraag ernaar was er te weinig animo om met vereende krachten tot een doorstart te komen.

Als alternatief hebben enkele auteurs van Nedersaksisch in een notendop, Inleiding in de Nedersaksische taal en literatuur tot een Jaorboek Nedersaksisch besloten.[1] Het eerste Jaorboek is onlangs gepubliceerd, en aan het volgende wordt inmiddels gewerkt. Het zal voor het grootste deel gewijd zijn aan de Nedersaksische literatuur anno 2021.

Lees verder >>

Het excellente Kookboek van Doctor Carolus Battus uit 1593

Door Willem Kuiper

Afgelopen maandag 30 november 2020 stond er in de rubriek ‘Volkskeuken’ in de Volkskrant, deze keer van de hand van Onno Kleyn, een recept voor een 16de-eeuwse spinazie-omeletrol als hoofdgerecht voor 2 personen. Aan dat recept ging een laudatio vooraf op de heruitgave van een historisch kookboek, die de aandacht trok van mijn echtgenote. Sinds mijn neus reukblind geworden is en mijn tong smaakdoof, is mijn belangstelling voor eten en drinken niet meer wat het geweest is. Maar omdat zij bleef aandringen dat dit absoluut een boek voor mij was – volgens Onno Kleyn was het “huiveringwekkend goed” – besloot ik het haar voor Sinterklaas te geven.  De lokale Bruna werkte mee en zo kon zij vanavond dit excellente kookboek uitpakken.

Lees verder >>

Gedicht: Michiel van Kempen •

uit Het eiland en andere gedichten, de tweede bundel (met een aantal in memoriam-gedichten voor Surinaamse dichters) van Michiel van Kempen.

Tenzij
voor Bhai (James Ramlall) (1935-2018)

Als er een god is die ons heeft geschapen
dan zal er een god zijn die ons weer terugneemt
daartussen beweegt zich het broze lichaam van de mens
dat wij bevragen, niets te vragen hebben
het verdraagt pijn en vreugde, maar de wens
is er vreemd aan; deze collectie cellen
is al waarmee wij het moeten doen
Als dan bruusk en tegen alle begrijpen in
een deel wordt geamputeerd, misbaar-onmisbaar
rest ons niet veel meer dan troost
dat het beste dat wij tussen dood en dood
kunnen geven, liefde is en dat die groot
en groter, buiten alle cellen om, bestaat en waar is
tenzij – wat god verhoede – ook dit gelogen is.

Michiel van Kempen (1957)
uit: Het eiland en andere gedichten (2020)

Foto: Wikipedia


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Bernke Klein Zandvoort • korrel

Twee gedichten uit Veldwerk, de tweede bundel van Bernke Klein Zandvoort.

korrel

op een ochtend stond ik drie roltrappen diep
te wachten tot de eerste metro op zou komen

de vezelige geur van onder de grond
werd af en toe aangelengd met een windvlaag
die, eerder in het stelsel gegenereerd, nu pas over
ons perron waaide

een korrel draaide zich om

zoals een foto in een handomdraai
van z’n blanke achterkant naar boven wordt gekeerd
stond er een beeld op in de ruimte van mijn hoofd

had het lang gereisd, vroeg ik me af
welke routes om mij hier te vinden

Lees verder >>

Gedicht: Dean Bowen • ik heb een zwaar hart uit mijzelf gesneden

Dean Bowen is stadsdichter van Rotterdam. Hij verbleef een week lang in het Brabantse Achtmaal, op het landgoed de Oude Buisse Heide, op zoek naar de geest van Henriette Roland Holst, die daar lange tijd woonde met haar man Richard (Rik). Ik vond geen spoken in Achtmaal is het resultaat van dat verblijf, die week.

ik heb een zwaar hart uit mijzelf gesneden
om het aan je voeten te leggen
vond drie alternatieve vormen van antwoorden
die ik uit je wrong
een buitenlandse middernacht, zinderend

mannen doen alsof ze antwoorden hebben
geloof ze niet
geloof mij
niet

Lees verder >>

Gedicht: Ted Hughes • De theologie van Kraai

Uit de tweetalige uitgave Kraai van de beroemde dichter Ted Hughes, de echtgenoot van Sylvia Plath, wier zelfdoding hem zijn leven lang werd nagedragen. Ook Hughes’ volgende partner doodde zichzelf, enige jaren later. Zijn rouw en verdriet verwoordde hij in Crow – het wordt een grimmig en zwart werk genoemd. De bundel (voorproefje hier) is vertaald door Daan Doesborgh.

De theologie van Kraai

Kraai besefte dat God hem liefhad —
Anders was hij wel dood neergevallen.
Dus dat was bewezen.
Kraai leunde, in verwondering, op zijn hartslag.

En hij besefte dat God Kraai sprak —
Slechts bestaan was Zijn openbaring.

Lees verder >>