Categorie: gedicht

Catharina Questiers vondelt zonder het te zeggen

042BenHur

Door Ton Harmsen

Hoe belangrijk Horatius voor Vondel ook was, slechts tweemaal heeft hij een van diens odes metrisch vertaald. Maar in 1654 verscheen zijn prozavertaling van alle ‘Odes’, het ‘Carmen saeculare’ en de ‘Ars poetica’. Horatius compleet, behalve de satiren en de brieven. Vondels vertaling van de eerste ode heeft zijn buurvrouw Catharina Questiers geïnspireerd tot een bewerking in dichtvorm.

Uit de bewerking van Questiers, verschenen in de Lauwer-stryt tusschen Catharina Questiers, en Cornelia van der Veer (Amsterdam 1665) blijkt zonneklaar dat zij uitsluitend naar de vertaling van Vondel gewerkt heeft, zonder gebruik te maken van het Latijnse origineel. Zoals bekend is de kennis van Latijn bij vrouwen in de zeventiende eeuw zeer beperkt, maar zij had te rade kunnen gaan bij een latinist in haar omgeving om te vragen wat er precies in de tekst staat. Vergelijking van beide vertalingen maakt duidelijk dat zij dat niet gedaan heeft.

Lees verder >>

Gedicht: Rinus van den Bosch – melanch olie

Deze week aandacht voor visuele poëzie: beeldgedichten en verbeelde gedichten. Vandaag een gedicht van de Haagse kunstenaar Rinus van den Bosch, bij twee tekeningen van hem.

melanch olie

het behang hangt zwaar als lood
’t betingel houdt z’n last
met laatste nagels vast
’t klokje aan de muur is dood
er ligt een haarborstel op de kast

waarom deze voorwerpen zijn gebleven
met de stille kamer in dit lied
niet omdat je niet bleef leven
maar ’t regent en je weet het niet

Rinus van den Bosch (1938-1996)
uit: Buiten noch binnen gewoon (2002)

.
van den bosch a

 

 

Gedicht: Patrick Conrad – Hij was de uitvinder van een tiental ismen

Deze week aandacht voor visuele poëzie: beeldgedichten en verbeelde gedichten. Vandaag een gedicht van Patrick Conrad, met bijbehorende illustratie van Conrad zelf, uit zijn pas verschenen bundel De Cadillac van Mallarmé, een suite van 30 gedichten bij 30 collages.

Hij was de uitvinder van een tiental ismen,
iets waar de Russen voor hem
met het constructivisme, het communisme
en het stakhanovisme in uitblonken.

Zo kon hij uren met gekrulde lippen
zemelen over het sofisme
dat in zijn verliefde ogen
eerder te maken had met de voornaam
van de vrouw van de buurman.

Lees verder >>

Gedicht: J.C. Bloem – Rondeel

RONDEEL

De korte liefde en ’t lange lijden,
Het wordt een ding, dat men vergeet.
Herdenkt men ’t nog, dan zegt men: ‘k weet,
Het was destijds niet te vermijden.

Benijdt men soms de niet-bevrijden
Tot deze afwezigheid van leed?
Toch, korte liefde en langer lijden,
Het wordt een ding dat men vergeet.

’s Verleden levens koud en heet
Voelt men zich in den loop der tijden
Vanzelf gelijk het uur ontglijden.
O jeugd, was ’t dit waarom men kreet?
Men wordt een ding en men vergeet.

J.C. Bloem (1887 – 1966)
Lees verder >>

Gedicht: Jan Kuijper – Albumblad voor Delphine Lecompte

Uit Aanmatigingen, een nieuwe bundel sonnetten van Jan Kuijper.

 

ALBUMBLAD VOOR DELPHINE LECOMPTE

Wekelijkse wortel van marsepein,
met aarzeling neem ik het mes ter hand
om het gevoel te leren: het verstand
is hier de baas, het doet maar even pijn,
en het zal lekker lekker lekker zijn
om te vertoeven in het wonderland
van luxe en kalmte. En aan de andere kant
houd ik de hinderlijke wellust klein,

zo klein dat hij haast niet meer zichtbaar is
en het net lijkt alsof niet hij mijn leven
van a tot z beheerst, alsof ik ooit
nog uit mijn levenslange hechtenis
ontsnappen kan. Toch was het heerlijk, even,
van jou te snoepen. Ach, ik leer het nooit.

Jan Kuijper (1947)
uit: Aanmatigingen (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Jacobus Bos – Zwijgend landschap

Uit de achtste bundel van Jacobus Bos.

 

ZWIJGEND LANDSCHAP

Daar staat hij dan ergens midden
in Frankrijk in de brandende zon
waar Van Gogh zijn verstand verloor.

De hemel een onmetelijk blauwe zee.
Koren dat daar roerloos onder golft.
Heerszuchtig boven dit alles de zon.
En de kraaien. De kraaien.
Stoer en luidruchtig als doden
die uit hun graven zijn opgestaan.

Daar staat hij in die verstikkende hitte.
Zwijgend landschap vol geheimen.
Oorlogen die hier werden gewonnen.
Vrouwen die naakt zonnen in het gras.
Een vesting op de top van een berg
die ooit met olifanten werd veroverd.

De trein in een flits verdwenen.
Het stationnetje ver achter hem.
Zijn reislust al bijna lachwekkend.

Jacobus Bos (1943)
uit: Alsof niemand hier onsterfelijk is (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Peggy Verzett – Klassiek gedicht

Dit gedicht mist de context van de rest van haar vliegstro, de nieuwe bundel van Peggy Verzett.

 

KLASSIEK GEDICHT

lichtdruk fluitwerpen regelt, ochtend is avondschemer
snavels open tegen licht afgestelde
snavels bewegen
ik beweeg de kamer in als een groet

een tijd geleden ben ik in haar kamer geweest
het leer van de bank komt tegemoet en neemt lamplicht mee
de avond zal in de morgen komen
als m’n moeder hier wordt gedregd waarin ze met haar vliegstro ligt

op de avond die haar ochtend
als ze achter zichzelf vandaan californië dreaming in
voor de laatste keer, haar lam klettert op het marmer van

de witte bungalow
al haar Lamsgekletter, het dichtste wit
aan de ton sur tons

Peggy Verzett (1958)
uit: haar vliegstro (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Jan van Beers — Maneschijn

MANESCHIJN

Stijf blies de winden koud: – iets als een klacht,
En onverspoosd geschrei rolde om mij heen;
Of al ’t gekerm der aerde in éen geween,
Een lang geween tot God klom. – Het was nacht;
De wolkgordijn schoof van het zuid naer ’t noord,
In woeste golving door ’t oneindig voort;
En, dwars door ’t jachtend dundoek, dat ’t orkaen
Met breeden vleugel zweepte, scheen de maen,
Beweegloos, wat ook onder haer bewoog.
Een killen glans, die, schoon hij blonk, geen licht
Verspreidde, en met het zwerk niet voorwaerts vloog,
Schoot ze op de wolken, als den blik van de oog
Eens onverschilligen op hem, dien ’t wicht
Des lijdens drukt. – Lees verder >>

Gedicht: Petronella Moens – De beproefde snoeplust

De beproefde snoeplust;
Of
Het goede Mietje.

Mietje zag een’ mand vol kersen,
O! zoo rijp, zoo lagchend rood.
Niemand ziet mij hier – sprak Mietje –
‘k Neem – schoon moeder ’t mij verbood –
Stil, toch zes of zeven kersjes;
Moeder merkt het zeker niet,
MIETJE telde ook zeven kersen,
Die zij, vol begeerte, ziet;
Doch vol angst klopt haar het hartje;
MIETJE voelt zich niet alleen;
GOD weet alles – denkt ze – Ach, Moeder!
‘k Mag …. Ik wil niet stout zijn! … Neen!

Angstig werpt zij nu de kersen
Uit haar lieve poez’le hand;
‘k Mag niet snoepen! – roept zij schreijend’; –
Waarom stond hier ook die mand?
Neen, ‘k wil hier niet langer blijven,
‘k Had bijna een’ kers geproefd;
Maar ik deed het niet … Neen, Moeder!
MIETJE heeft u niet bedroefd. Lees verder >>

Gedicht: Drs. P – Ank

Uit Troika hier, troika daar, een bloemlezing uit liedteksten, gedichten en proza van Drs. P.

ANK

Eens kende ik een meisje, en haar voornaam luidde Ank
Ze woonde heel geriefelijk, ze werkte op een bank
Haar uiterlijk was goed verzorgd, haar silhouet was rank
Haar tierenheid was goeder en haar moedigheid was lank
Toen kwam ze in contact met de gewoontedrinker Hank
Nu is ze uitgezakt en ze verspreidt een scherpe stank
Geen doel meer in het leven en geen brood meer op de plank
En mensen, dat komt alles ongetwijfeld van de drank
Lees verder >>

Gedicht: Guido Gezelle – Ik misse u

IK MISSE U
Aan eenen afwezenden vriend

Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
den morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
ik misse u neffens mij!

Zoo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen veugelken in ’t net;
zoo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn’ moeder noch zij het!
Lees verder >>

Gedicht: Karel van de Woestijne – ‘k Verzoek de zee

‘k Verzoek de zee, ‘k verzoek geen aarde en hare vruchten
dan als het donker zwerk vol donderend geruchten.
‘k Verzoek geen ongeziene ruimte, noch den tijd
dan, verre en vroom, gelijk een vrage in eeuwigheid.

Maar ‘k weet: ik schater aan de zee; ik ben de zegen
der plassende akkers aan den daver van den regen.
‘k Ben naauwelijks de blik die wemelt en die gaat;
maar ziet: ik draag den droom van allen op ’t gelaat.

Karel van de Woestijne (1878-1929)

Gedicht: Cornelis de Bie – Hekel-dicht

Nieuwe titels in de DBNL – van o.a. Cornelis de Bie.

Hekel-dicht
Op de Kinderen die hunnen Vader moeten onderhouden

ONnutte wisselingh, eylaes het comt soo spade
Het goedt te mangelen op sijn kinders ghenade,
Met hop’ van onder-houdt, en wel te sijn ghedient,
Als t’op is, vyanden in plaets van kinders vindt,
Het leven duert te lanck, men sou de uren tellen
Tot aen den lesten dagh, dat Godt soo wilde stellen.
Den ouderdom die valt hun al te ghemelijck
Dat hy begraven waer, de kinders waeren ryck.
O schendich schelmen stuck, boos en fenynich vleyen
Soo langh den Vader daer noch niet is uyt-ghescheyen
Soo streeltmen, maer wanneer hy niet en-sier meer heeft
Dan wenscht-men hem het graf, als hy niet meer en gheeft. Lees verder >>

Gedicht: John McCrae / Tom Lanoye – In Vlaamse velden

• Willy Vandeweghe over McCrae’s gedicht en over Lanoye’s vertaling (+ origineel).

IN VLAAMSE VELDEN

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond.

Wij zijn de Doden. Zo–even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.

Toe: trekt gij u ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houdt hem hoog. Weest gíj de helden. Laten de Doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.

John McCrae (1872-1918)
vertaling Tom Lanoye (1958)
uit: Niemandsland. Gedichten uit de Groote Oorlog (2002)

Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Achterberg – Zwerver

Marsman schrijft Achterberg.

ZWERVER

Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk
naar boven. In de huiskamer was licht
zag ik door de gesloten deur. Een schicht
van vreugde maakte terstond persoonlijk,
al wat zich uit mij had ontsticht
in stad en menigte. Ik stond koninklijk
in het vernieuwde donker van den nacht,
binnen mijzelve opgericht.

‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk,
en kuste mij de dood van het gezicht.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Lees verder >>