Categorie: gedicht

Gedicht: Nicolaas Matsier – Druppel

Gedicht afkomstig uit Druppel, het poëziedebuut van Nicolaas Matsier. De bundel is uitgegeven door meesterdrukker Ser J.L. Prop, bij wie hij ook (via de mail) te bestellen is.

DRUPPEL

Er hing een druppel aan een tak,
blank, vol gedachten.
Niet veel was het dat hem ontbrak
tijdens het korte wachten.

Hij spiegelde het hoge en het lage,
wat voor en achter was,
een klein ovaal, zeer licht te dragen,
onzichtbaar zwellend glas.

Vallend tot een geheel vergaderd
bevat hij zelfs zijn eigen tak
en biedt ondeelbaar onderdak

aan alles wat hij vliegend nadert
en verlaat. O, zonder blinde vlek
te zijn, alom aanwezig op één plek.

Nicolaas Matsier (1945)
uit: Druppel (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Dop Bles – Het regent, het regent

Het regent, het regent

Regen spet, regen spat
’t zijn geen tranen, ’t is geen weenen,
water, water dat vloeit henen
– opgepast of je wordt nat –
regen sputtert, spettert, spat;
‘ik heb nimmer lief gehad.’

Veege zwermen, regenschermen
spreiden doods hun zwarte vlerken
over vreemde vormen uit,
niet van menschen, maar van zerken;
alle zerken togen uit,
zerken zonder kruis of bede
rust in vrede, rust besluit.
Zerken schuiven door de steden
zonder rede of geluid,
zerken die geen ziel beschermen,
zonder termen, zonder buit,
zoekend, zoekend slechts een doode
want een doode is van noode,
slechts een doode, niets dan dat!
regen, regen, regen spat….
‘nimmer heb ik lief gehad.’
Lees verder >>

Gedicht: Willem de Mérode – Olympisch

OLYMPISCH

Komt hij nabij uit ’t heidensch verleden,
Volkslieveling en keizerskampioen,
Getooid en geteekend met het blazoen
Der jonge lachende doodsgereeden?

Deze fiere Fries met het goudgeel haar,
Felle sperwerkop met smalle wangen,
Armen als buigzame stalen stangen
Heeft dood tot speer en sterven tot gebaar.

Het zijn weer tijden van spelen en nood.
Men bidt niet maar dreigt God om ’t dagelijksch brood.
De aarde beeft en de hemelen dreunen.

Om een gaaf lichaam brult het stadion.
Christus weent en de engelen kreunen,
Omdat het vleesch den geest hier overwon.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Kaleidooscoop (1938)
Lees verder >>

Gedicht: Michel van der Plas – En soms wil zij opnieuw het meisje wezen

En soms wil zij opnieuw het meisje wezen
waarvan zij in haar oude dagboek leest:
dat bloemen water gaf en plots bedeesd
begreep waarom die voor het najaar vrezen
dat zondagmiddags voor het raam ging lezen
en dat naar vruchten reikte, appels ’t meest,
en dat, voor prinsen lang gereed geweest,
van duizend wensen nooit was te genezen.

Het boek glijdt dichtgevallen in haar schoot.
Zij is zover gezworven in die dingen
mag weer drie wensen doen voor ’t avondrood
en, blozend, zachtjes bij de vleugel zingen.
Zij wordt niet wakker voor het avondbrood
hoewel de gangklok luide aan blijft dringen.

Michel van der Plas (1927-2013)
uit: Going my way (1949)
Lees verder >>

Gedicht: Hein Boeken – Wat is dat toch een leventje van u

Wat is dat toch een leventje van u,
Alles te doen met uwe kleine handjes,
Zoo klein en fijn wegloopende in de randjes
Der mouwtjes, die weghouden in schaduw

Uw armpjes, die zoo warmpjes en zoo luw
Ligge’ aan uw lichaam; en uw kleine tandjes,
Zij knabblen al wat komt over de randjes
Van uwe lipjes, nog van kussen schuw.

En toch, meen ik, zoudt gij wel willen deelen
Uw leventje met eenen, zoo als ik,
Of kan het u nog niet zoo heel veel schelen?
En hebt gij in uw ééntje nog zoo’n schik?

Heerelijk meisje, dat langs me is gekomen,
En nu mijn uren vult met zúlke droomen.

Hein Boeken (1861-1933)
Lees verder >>

Gedicht: Hein Boeken – Interview

INTERVIEW

Een interview? Waartoe? ‘k Beeld nu al jaren,
— En ’t laatst wel ’t meest en nooit zo ongestoord —
In rijm, onrijm, met ’t uitgezochtste woord
De stemmingen, die door mij henen varen;

En al de beelden grijp ik bij de haren,
Die ‘k kan verpraaien van mijn kapersboord,
En ook begint — onlangs heb ik ’t gehoord —
Mijn duistre Stijl, goddank! wat op te klaren.

Nu wilt gij van mij horen. ‘Die of die,
Mijn meester is ‘t’. ”k Heb alles uit mij zelven’.
Of: ‘Dichters moeten leren myth’logie,
Historie, Grieks’. Of: ‘Laten zij maar delven
in ’t eigen hart’. Neen, vriend, ik zie u garen
Eens bij geval, ’t examen wil mij sparen.

Hein Boeken (1861-1933)
uit: Verzen (1920)
Lees verder >>

Gedicht: Hein Boeken – Tot de gesluierde zomer

TOT DE GESLUIERDE ZOMER

Wat wilt ge, o Zomer, ’t aanzicht niet ontbloten,
Maar schuilt en houdt de sluier voor die ogen,
Die ons te aanschouwen nimmer nog verdroten,
Hoe vaak ook hun beloften ons bedrogen.

En schoon ook soms die plooien het gedogen
Dat onze blikken langs uw leden schoten,
Wat troostten ze ogen, die niet drinken mogen
Stromen, die u uit de open ogen vloten?

Vertoon u Zomer, laat de macht’ge plooien
Der slui’ren, die voor ’t geestesoog verdonkren
Der godheid beeld u niet tot voorbeeld strekken.

Onthoud ons de gena niet van uw trekken
Zo niet bij dag, bij nacht uw ogen flonkeren
Grauw zijn de schoonheên, die uw leden tooien.

Hein Boeken (1861-1933)
Lees verder >>

Gedicht: Jan Prins – Drie tunnel-gedichten

Over de Maastunnel in Rotterdam.

DRIE TUNNEL-GEDICHTEN

I

Toen zich in haar bedrijf de stad belemmerd vond
Heeft zij een weg gebouwd en onder slijk bedolven.
Nu vindt zij even goed zichzelve door den grond
Als heel de wereld door de golven.

II

Ik leid, in moeite en leed gesticht,
Door aarde en nacht van licht naar licht.

III

Een lichtbaan, die den nacht doorschrijdt,
Een pad door stilte en eenzaamheid,
Lever ik leven’s schatten uit:
Van Zuid aan Noord, van Noord aan Zuid.

Jan Prins (1876-1948)
uit: De stad waar men is kind geweest. Rotterdamsche gedichten (1946)
Lees verder >>

Helden in de hemel van Nassau

Door Ton Harmsen

045ZegewagenBruneDe meest lucratieve verovering in de opstand tegen Spanje was die van de Zilvervloot. ‘Zijn naam is klein, zijn daden bennen groot’ klinkt het nog eeuwenlang in de klaslokalen. Ook militair heeft Piet Heyn de republiek veel goed gedaan: ineens was er geld voor het onbetaalbare initiatief van Frederik Hendrik om ’s-Hertogenbosch te veroveren. Hij had daarvoor een strategisch plan klaarliggen: de toegangswegen tussen Brussel en ’s-Hertogenbosch zouden worden afgesneden, en de waterpartijen die de stad rondom een natuurlijke bescherming boden drooggelegd. Op 14 september 1629 kwam dit plan tot een succesvol einde en dat  bracht in het hele land de dichterspennen in beweging. Een omvangrijk epos van Caspar Barlaeus, een geschiedkundig overzicht door Daniel Heinsius, een zegelied van ruim 600 verzen door Vondel, een eindeloze reeks heldinnenbrieven die uitdrukking gaven aan de angsten en de opluchting van prinses Amalia van Solms, een gedicht van Johan de Brune de Oude bij een gravure van Johannes Looff, en een honderdtal juichende oorlogsverzen was het resultaat. Zelfs zonder veel regie uit Den Haag draaide de propagandamachine op volle toeren. De Amsterdamse boekhandelaar Jacob Pietersz Wachter verzamelde niet minder dan 43 bijdragen in zijn bundel Lof-dichten, ter eeren den doorluchtighsten vorst Frederic Henric over de twee voortreffelijcke victoryen der stercke steden Wesel, ende het on-winbaer geachte ’sHertogen-bosch. Teksten van uiteenlopende soort en kwaliteit, liederen, vermaningen, toneelvertoningen, redevoeringen, gebeden, en zelfs een persiflage op een katholiek gebed.

Lees verder >>

Gedicht: Hedwig Selles – Theoretisch ongenoegen

Uit Wie hier binnentreedt, de nieuwste bundel van Hedwig Selles.

THEORETISCH ONGENOEGEN

Kan ik het terugbrengen en ruilen
voor iets waarmee ik gelukkiger zal zijn
veterdrop, een vlinderdas, een zitzak misschien

je ploft erop neer en hij neemt een vorm aan waarin we
overgaan (en herverdelen) maar opeens
ben ik bang om wakker te worden met een verschoven wervel

en een gezwel in mijn hoofd en een lever
die mijn richtingloze lichaam wil verlaten
omdat in mij geen ruimte was

Kan ik het terugbrengen en ruilen
voor een sofa? In theorie misschien?

Hedwig Selles (1968)
uit: Wie hier binnentreedt (2015)
Lees verder >>

Gedicht: J.C. Bloem – Mimosa

J.C. Bloem overleed vandaag 50 jaar geleden. Dat wordt herdacht, komende zondag in Paasloo.

MIMOSA

In de kamer, waar de luiken dicht zijn,
— Zonlicht waast door wein’ge kieren heen
Als een gouden uitgeblazen adem —
In een hoek vol dageschaduwen
Hangt een loome geur, als van de zakdoek,
Die een vrouw na ’t bal vergeten heeft.
Daar staat in een oude Sèvres-vaas
Een verwelkende mimosa-tak,
Gele bolletjes op zwarte stelen,
En die geuren drijven in de kamer
Stervend, als ’t geluid van fluiten ’s nachts.

J.C. Bloem (1887-1966)
Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Kouwenaar – De dag

Vandaag zou Gerrit Kouwenaar 93 zijn geworden.

DE DAG

Op de dag dat ik er was stonden de klokken zeven
de buren praatten op de balkons over vrede
mijn vader schreef een stuk over een brand
mijn moeder was gelukkig dat zij een zoon had

de ooms sneden koek ik lag geheel gesloten
de wereld gaf prompt antwoord met sportmanifestaties
de avond was vol auto’s met supporters
de tantes liepen geruisloos met gloeiend water

de krantenman op zijn racefiets groette de dokter
de ogen der stad stonden wijd open in de avondzon
omdat ik er was in een kom van asfalt
omdat ik er was speelde het orgel gedempt in de verte

in de nacht kwam mijn vader met een jas vol brandgeur
hij liep op gummi bottines de trap op en af
hij heeft op het balkon een cigarillo gerookt
hij dronk een glas wijn en dacht ik kan zweven.

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
Lees verder >>

Gedicht: Zara Maria van Zon – Nodeloze onrust

NODELOZE ONRUST

De mens die buiten zich steeds woelt en zwoegt en rent,
Wordt zelf het werktuig van zijne onrust en ellend.
Wat baat hem dat hij ’t goud, in ’s aardrijks ingewanden
Verborgen, rooft, en streeft naar vergelegen stranden?
’t Geluk, zo zeer gezocht, daar elk zich om vermoeit,
Is hier ter plaats zowel als daar de Kokos groeit:
Men delft dien rijke schat uit geen Potozi’s* aderen.
Die zijn genoegen vindt in ’t erfdeel zijner Vaderen
Is rijk. Maar ach! de mens te dwaas zich zelf bedroeft,
En smeekt den hemel meest om ’t geen hij minst behoeft.

Zara Maria van Zon (1692-1755)
uit: Stichtelijke gedichten (1756)

Potosí: Boliviaanse stad in de Andes, bekend om zijn zilvermijnen.

Lees verder >>

Gedicht: Zara Maria van Zon – Zelfsverzuim

ZELFSVERZUIM

Waartoe gebruikt gij dat doordringend fijn verstand,
Daar zich, o mens! uw hoogmoed meê kan vleien?
Gij kent de krachten van metalen, kruiderijen,
De zeden, ’t staatsbestuur van elk bijzonder land;
Zelfs de oorzaak van de wind, de rijm* en ’t bliksembraken,
Der hemellichten loop, hun uitgestrekt gebied:
En doorgeleerd in al die zaken,
Zo kent gij nog u zelve niet.

Zara Maria van Zon (1692-1755)
uit: Stichtelijke gedichten (1756)

Lees verder >>

Gedicht: Zara Maria van Zon – Bestendigheid van ’t onbestendige

BESTENDIGHEID VAN ‘T ONBESTENDIGE

Wat eertyds is gebeurd dat zienwe ook thans geschieden,
Eén zaak, op één toneel, alleen door andre lieden.
Al ’t geen de zon beschynt, al ’t geen ons oog beschout,
Leert ons de wyste Vorst, is geenszins nieuw, maar oud:
Ofschoon de onweetendheid, als vreemd iets uit mag schreeuwen,
Dat zelfde is reeds geweest voor ons, in vroegere eeuwen.

Hoe dwaalt hy, die op aarde een vast geluk verbeidt,
Daar niets bestendig is dan de onbestendigheid!

Zara Maria van Zon (1692-1755)

Lees verder >>

Gedicht: Theo van Baaren – Droomstraat

DROOMSTRAAT

Onder het plaveisel schijnt de zon
en door de gaten wordt de hemel zichtbaar:
gladgestreken blauw met vlokken wolk
die langzaam krullen en ontkrullen, veren
vormen als een weids systeem van waaiers.
Maar als het avond wordt dringt door de kieren
tussen de keien het bloed door van de dag.
Dan wordt het nacht. De oude straat klinkt hol
boven de zwarte echoput: de leegte.

Theo van Baaren (1912-1989)

 

Lees verder >>

Gedicht: Louis Couperus – Dionyzos-studie

Dionyzos-studieën VIII

Op ’t bas-relief, marmerjuweelig, teêrtjes,
Festoent een wijnoogst, feest, dat mij verrukt.
De druivegoodjes klimmen op de leêrtjes
En hebben dra den vollen tros geplukt.

Zij hellen, lachend overlangs gebukt,
En bieden andren goodjes keer op keertjes
’t Zoo zwaar gezwollen ooft, dat over, weêrtjes,
Het godje tuimelt, als omver gerukt.

Een loopt er, torsend ’t korfjen overvol
Met beide knuistjes ’t knellend op zijn bol:
Wanklend de dikke beentjes wijd, wil ’t brengen

Zijn buit den wijnbak toe, waar rythmiesch twee
De trossen dansend treden : Evoé!
Tot most, dien ze u, mijn Dionyzos, plengen!

Louis Couperus (1863-1923)
uit: Dionyzos (1904) (pdf)
Evoé : jubelkreet der bacchanten

Lees verder >>

Gedicht: Shari Van Goethem – drie meisjes hurken bij de gedachte

Uit Een man begraaft een boom, de debuutbundel van Shari Van Goethem.

drie meisjes hurken bij de gedachte
dat alles onderweg is geweest
naar het punt waarop de man met het kind
de straat aangaat en de halve vrouw
aan een raam staat, terwijl een transistorradio

ze hurken alle drie, de meisjes, opdat het onderweg zijn
ophoudt — dat alles hiernaartoe onderweg is geweest
wil niet zeggen dat de aankomst reeds
veel blijft buiten beeld — maar ze hurken

drie meisjes hurken, omdat ze vrezen dat het punt
—  waarop de man, de vrouw, het kind — op een rechtelijn ligt. dat het onderweg, een verder weg
is. dat een gat, een put zal worden, waarin een man
zelfs geen boom wil begraven

Shari Van Goethem (1988)
uit: Een man begraaft een boom (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Toon Tellegen – Wonderbaarlijk denkt aan mij

Uit  Wonderbaarlijk buigt zich over water, de nieuwe bundel van Toon Tellegen.

Wonderbaarlijk denkt aan mij,
ze wil aan iets anders denken,
maar ze denkt aan mij

ze kan niet meer,
er valt niets zinnigs meer aan en van en over mij te denken
en toch denkt ze aan mij

ik ben een aandoening, een complicatie, een recidief,
zij lijdt aan mij

ik ben een overspannen weerwolf, een struikelblok,
een onderkoning van Egypte, een hersenspinsel,
zij vlucht voor mij

ik ben een schaduwrijk, een zenuwpijn,
zij houdt van mij.

Toon Tellegen (1941)
uit: Wonderbaarlijk buigt zich over water (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Jan van Nijlen — Gescheiden

GESCHEIDEN

Den zomernacht die hen zo diep ontroert
zal hij wellicht, zij nimmermeer vergeten;
hij was als zij: verwonderd en vervoerd,
zij niet als hij: gepijnigd en verbeten.

Een strelende arm die om een hals zich snoert
is wel een band, maar niet voor het geweten:
zij kunnen zalig zijn, van de aarde ontvoerd,
en verder nooit iets van elkander weten.

Maar eenmaal komt een zomernacht als deze
dat ze in een ster of in een vogelkreet
het uur herkennen dat geheel hun wezen

deed rillen van een bovenaards genot,
om te verkeren in ’t onzegbaar leed
der eenzaamheid. Dan zijn zij rijp voor God.

Jan van Nijlen (1884-1965)

Lees verder >>

Gedicht: Jan van Nijlen – De tortel

DE TORTEL

Zijn lied klinkt dof van uit de hoge linden.
Het lijkt wel of hij iets met nadruk vraagt
of iemand roept; hij kan de rust niet vinden.
Dichters beweren dat de tortel klaagt.

De dieren die de tere tortel horen
maken zich om dit schor gezang niet druk
en zoeken niet in het eenzelvig koeren
een zin van heimwee naar vergaan geluk.

Alleen de mens wil weten en begrijpen,
zoekt steeds naar reden, oorzaak of begin.
De zomer bloeit en de eerste vruchten rijpen,
het is zo stil; misschien heeft niets een zin.

Jan van Nijlen (1884-1965)

Lees verder >>

Gedicht: sadà\exposadà – visioenen van de absolute kut, solide

Uit de zaal van baards! – de in koortsdreun geschreven tweede bundel van sadà\exposadà.

visioenen van de absolute kut, solide
maar droog. ik poeder mijn gezicht
groen. glij van de botten,
braak over borsten,
daar voel je je vrij. welke aderen
omklemmen je schaduw? diagelijke
schedefronsende, zijn je lippen
het signaal? met natte haren
hoest je de hond, de klauwen van de bloem.
kalm &… verliefd op een schim
—waterzooi en duivelse kink—
zegel en kopie —papa papaver deflekteert mijn erektie,
heliotrope polytroop —hyacinthus.

(E. Coli, reine Thor “mijn ziel is perfekt
gestemd”, een zee? wijl de broeder
—hypokriet— kandelaars
uitbroedt. E. Coli, reine Thor &… “bindt
mij op de markt vast aan het vuur”, éenmaal
in de wiegschede dooft het. éenmaal.

wanneer? vlam!)

op negen puls je, ontkiemd? is speigel
leesbaar? spreek uit! reagens! met de slang van een
nachtegaal! parafernalia
woekeren in formaline! onacht &… paraaf van de weldaad.

(E. Coli, reine Thor “tiresias’ stok
wijkt mijn borsten”, markeer het
nat, de schalplaat, tikt tikt de nachtegaal
het venster spint —haar geheime naam—
onherbergzaam. E. Coli, reine Thor &… “balsem
mij de stok tiresias rijgerige tiresias”, éenmaal
in de schede. zwijg op de oever van de rivier
als een rat, als rat, rat, rat, rat rat.)

tiresias, wil
de os gloren in je —sterren rollen hem tiresias,
gloort in je E.Coli, reine Thor. de spil schicht
in dit tweemaal gevouwen licht. solide gloed vervalt als gloed —
denkbaar als wij zijn. giet de engel op zweetverlicht de spiegel vervalt als
spiegel. glanzende
—tik tik tik—
inwerking. de labia gloren vogels in je, mijn spildilatator en
verlept de markt tooi je.

sadà\exposadà
uit: de zaal van baards! (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Remco Campert – Antwerps meisje

Vandaag is Remco Campert jarig.

ANTWERPS MEISJE

Het was laat in de avond
regen in lamplicht gevangen
sloeg neer op het macadam
van de Mechelsesteenweg
je had een offwhite jurkje aan
ik schatte je op vijftien
je liep langs de straat
waar ook ik overging
auto’s passeerden remden af
reden weer verder
je vroeg de weg naar de Muze
café waar Ferre optrad
Ferre Grignard de zanger van jouw lied
zijn stem die op de radio geklonken had
en waarheen je nu op weg was
‘volg de tramrails maar
dan vind je hem vanzelf’
en ik onnozelaar liet je gaan

Antwerps meisje
dat ik in mijn hart draag
wat heb ik toch gedaan
met mijn leven

Remco Campert (1929)
uit: Nieuwe herinneringen (2007)

Lees verder >>

Gedicht: Roland Jooris – Op het meer

Uit Bladgrond, de nieuwe bundel van Roland Jooris.

OP HET MEER

Roeien we naar verder
dan waar het te laat
is, vindt wat we niet
weten ergens oeverloos
plaats

klinkt elk voorvoelen
als een slag in het water

ligt een plons achter ons
daar voor altijd
hardhorend

is het een ogenblik lang
voorbijgaand toch
eeuwig

zwemt iemand zich weg
tot oneindigheid opduikt

laat men een stip
in de verwijdering
zien

Roland Jooris (1936)
uit: Bladgrond (2016)

Lees verder >>