Categorie: gedicht

Gedicht: Mieke van Zonneveld – Nee

Uit Leger, het debuut van Mieke van Zonneveld. Ze won met dit gedicht de Turing-wedstrijd 2014.

Nee

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand
die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben
niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je
vies geworden, overal ligt zand. Ik werd lamlendig
wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar
in dromen worden ze bij menigtes gegeven.
Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en
zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel
de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug
verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te
temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig
bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het
kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het
te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me
uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede,
geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld
nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar
tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij
nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

Mieke van Zonneveld (1989)
uit: Leger (2017)

 

Gedicht: Clara Eggink – Schaatsenrijden

Schaatsenrijden

Glad en wijd ligt het ijs
in een veeg wit en grijs
en de lucht, tastbre kou,
is gestolpt onder blauw.
En mijn schaats met een kras
als een schot onder glas
trekt een veervormig spoor
van mijn voet uit te loor.
Ik scheer scheef op het vlak
langs een donkerblauw wak,
na een sprong voor een scheur
als een koord, schiet ik voort
op het staal en ik duik
in de wind en gebruik
elke spier, die geniet
als ik suis langs het riet.

Clara Eggink (1906-1991)
uit: Schaduw en water (1934)

 

Gedicht: Max Dendermonde – Boerenzondag

Boerenzondag

Hier ligt de zondag in de bijbel open:
de tafel met het boek, de vrouw die leest,
de boer – die onverhoedse regens vreest –
bij ’t raam, in blauwe kiel met witte knopen.

De vrouw bij God, de man steeds bij het werk,
elkander vreemd en toch elkaar genegen,
zoals door ’t raam de vrome, kleine wegen:
elk komt van ver en eindigt bij de kerk.

En later, vóór de lamp nog is ontstoken,
staan zij aandachtig samen voor het raam;
glimlacht de vrouw, vergeet de man het roken?

Wie jaagt hun zoon na met die sterke pas?
Ze zien elkander veelbeteeknend aan,
hij denkend aan wat komt, zij aan wat was.

Max Dendermonde (1919-2004)
Tijdelijk isolement (1941)

 

Gedicht: Jan Veth – Zelfgevoel

Zelfgevoel

Ik vier alleen mijn ziele-sabbathsrust,
Kalm in mijn kamer binnen blinde muren,
In ’t gemelijk genot van ledige uren,
Waarin mijn wrevel langzaam wordt gesust.

Zoo zit ‘k eerst lijdzaam en maar vaag bewust
Een ganschen middag voor mij uit te turen,
En proef mijn luiheid, ‘dat zij lang moog duren,
Bij korte teugen met verfijnden lust.

Maar als een trotsch man onder dwaze menschen,
Zoo ben ik dan in ’t eind met mijn gedachten,
Ik zie hen aan met koelen, hoogen blik.

En rondom daag ik mijn verdoolde wenschen
Voor mijn gezicht, waar zij het vonnis wachten
Van mijn omhooggestreden, richtend Ik.

Jan Veth (1864-1925)

 

Gedicht: Jacob Israël de Haan – De stille nacht

De Stille Nacht

De Nacht is stil. Zoo wijd als mijn oog ziet
Hangt aan de lucht nu geen bloedende schijn
Van een Stad. Oovral rust. De sterren zijn
Rondom de maan roerloos. Zij tinklen niet.

Dit is de vrede, dien ik zocht. Nooit vond
Ik vrede in u. En nu haat ik u, Stad,
Teedre stad, wreede stad. Ik haat de schat
Van al uw lust, die harten drijft en wondt.

Oceaan, Oceaan, vóór ons duinhuis
Vallen uw golven uit met licht gedruisch.
Zonder schuim, zonder wind, want het is zomer.

Ik, die de Stad ziek ontweek, hoor uw Zang
Eindlooze Zee, den stillen vóórnacht lang
En ‘k ben gelukkig. Mijn Lied herleeft schooner.

Jacob Israël de Haan (1881-1924)

Gedicht: Myrte Leffring – Gedachteloze dagen volgden

Uit De tere bloemen van het verstand, de tweede bundel van Myrte Leffring.

 

Gedachteloze dagen volgden
een vrouw op een brug
alles hield op te bestaan
en de wind waaide
het water stroomde
regenwormen ploegden zich door
de bewegende aarde
vogels maakten nesten
mensen sloten vriendschappen
of begonnen een oorlog om niets
om macht, om eer, om bodemstoffen

de aarde draaide, de zon scheen of
de maan, kinderen werden ziek en
herstelden, brood werd gebakken
monden gevoed
het vuur laaide en doofde
kortom alles hield op
en ging door waar het mee bezig was
zoals het hoorde

een vrouw bleef achter
op een brug, telde de nerven
in haar hersenen
telde er elke dag wat minder
wat niet gaf, want ze vergat
het aantal van de dag ervoor
en ook dat was niet zo erg

Myrte Leffring (1973)
uit: De tere bloemen van het verstand (2016)

 

Gedicht: Dirk Vekemans – Proloog

Dit door Dirk Vekemans uitgezocht gedicht is “een proloog bij ‘verval’, een cyclus van 10 gedichten met schilderijen ‘van CB’ die in 2017 zal verschijnen”.

.

Proloog

‘Ante mare et terras et quod tegit omnia caelum’
Ovidius, Metamorphosen I, 5

Chaos was het Al, geen Woord sprak iets tot leven,
Dag was nacht, nacht dag, zee land, land zee,
Mat, dof & grijs was alles één, & alles om het even
Verheven Niets, geen ding ging met de namen mee.

Aarde kleefde in het duister, geen zon was daar
Geen kring van maan, geen stipje ster was er te zien.
Elk begin was einde, alle wegen liepen door elkaar
Onbegaan de paden, niemand had ooit licht gezien.

Het duister lag in ’t duister, alles liep op niets te loop.
Toch was er Belofte, liefde vormde langzaam hoop:
De lijn ging uit van punt naar punt, nog zo fragiel.

De tijd werd cyclus, tel die van zichzelf beviel.
Het licht werd lichaam voor gebeurtenis, geluid
Brak uit, & sprak de namen zachtjes voor ons uit.

Dirk Vekemans (1962)

 

Gedicht: J.A. Dèr Mouw — In de hoogte (X)

In de hoogte (X)

Zo, jongen, ben je daar? ’K heb lang gewacht.
Neen, excuzeer je niet: ik had de tijd;
Als achter me, ligt vóór me de eeuwigheid,
En ‘k wist, je kwam. ’K had ’t zelf zo uitgedacht.

Neen, mij is niets te klein: ik houd de wacht,
Als ’t wazig glansje langs een herfstdraad glijdt,
En als de duiz’ling op kometen rijdt
Door ’t steilhellende stadion van de nacht.

Van Brahman’s wereldrijkdom houd ik boek:
Geen Algol, geen elektron is ooit zoek;
’K zie steeds – Laplace – ze elk cirk’len langs hun baan,

En als ’k een Brahmanperiode sluit,
En Zijn nieuwjaar begin, komt alles uit
Tot op een Melkweg en een kindertraan.

J.A. Dèr Mouw (1863-1919)

 

Gedicht: Ivo de Wijs – 31 december

31 december

Het feest van oudejaar, met drank en eten
Met tranen, kussen – vuurwerk bovendien
Het meest uitbundig vierde dat misschien
Mijn ome Niels – ik zal hem nooit vergeten

De laatste keer nog, na een glas of tien
Was hij weer zo rumoerig en bezeten
Alsof hij van tevoren scheen te weten
Dat hij het nieuwe jaar maar kort zou zien

’t Werd twaalf uur, het vuurwerk spatte rond
Oom joeg de brand in een van zijn sigaren
En stak daarmee zijn rotjes aan, maar toen…
Hij wierp iets weg, hij stak iets in z’n mond
Om met een klap, een doodklap te ervaren
Dat hij dat andersom had moeten doen

Ivo de Wijs (1945)

 

Gedicht: Simon Vestdijk – Epiloog

Epiloog

Vergeet het jaar dat u weemoedig maakt,
Vergeet het jaartal dat u heeft doen beven,
Vergeet de helden die voor ’t voetlicht sneven,
Vergeet het ziekbed waar gij hebt gewaakt.

Niets is er dat niet in ’t vergeetboek raakt,
Waar zichtbaar slechts het jaar staat opgeschreven
Waarin wij fel en onnadenkend leven,
Zodat men opgelucht het blaad’ren staakt.

Maar and’ren willen, dat men ’t jaar omarmt
Als een geliefde van wie men gescheiden
Ter lange loutering door ’t noodlot is.

En wie zich zó over het jaar erbarmt
Vergeet zijn angst en zijn bekommernis
En vindt een goudmijn in de nacht der tijden.

Simon Vestdijk (1898-1971)
uit: Gestelsche liederen (1949)

 

Gedicht: Kees Torn + Theo Danes – 2 lichtgedichten

Tilburg, 29 januari: LichteGedichtenDag.

 

Thuiskomst van een zeeman

Stralend in marineblauw
Zag hij eindelijk zijn vrouw
En hij trok haar bloesje open
Met een snelheid van zes knopen

Theo Danes (1983)

*

Hij wist niet wat hij zonder sigaretten
Of wat hij zonder schaken moest beginnen
Hij schaakte om de zinnen te verzetten
En rookte om de zetten te verzinnen

Kees Torn (1967)

 

Gedicht: Tom van Deel – 2 gedichten

Uit Herfsttijloos, de nieuwe bundel van Tom van Deel.

 

Ik zag een appel vallen in het gras
en dacht dat ik dat was, dat ik die
appel en dat gras tezamen was,
begin en eind rondom een boom
die daar staat, vertakt en ruist —
mijn appel zag ik vallen in het gras.

*

De wijsheid van de bermen
waar in het voorjaar alles
uit omhoog groeit en bedekt
wat is geweest, verwaaide
brieven, een gebroken fles,
troostende tissues, een plastic
tas, het slipje dat hier
in haast is uitgedaan —
die wijsheid heb ik niet.

Tom van Deel (1945)
uit: Herfsttijloos (2016)

 

Gedicht: H.H. ter Balkt – Nieuwjaarskaarten in de vijftiger jaren

Nieuwjaarskaarten in de vijftiger jaren

Voor het laatst vertoonde zich de goudkleur
van ikonen en middeleeuwse schilderijen op
wenskaarten uit de vijftiger jaren: laatste
opleving van de beslotenheid en het geluk.

Nog eenmaal spanden mensen als een rendier
natuur voor hun ar: breng ons verder! Breng
ons door de poort van het stervende jaar! Ja
hoefijzers en klavertjesvier, zilverglitter,

reikten postbodes aan in de sneeuw. Eeuwig
stormden klokken aan in de lucht, schijnsel
viel uit kerkjes. Zoete landschappen ademden

geur van vanille uit. In de zandwegen hoog-
stens karresporen; blijde vinkjes laag op hun
tak. Ongeloof stortte neer op ’t ganzenbord.

H.H. ter Balkt (1938-2015)

 

Gedicht: Jan van Nijlen – Kerstmisviering

Kerstmisviering

In ’t klein café zitten nu tien personen,
‘k Heb ze een voor een zorgvuldig nageteld:
twee kruideniers, één visboer en zes zonen
van brave burgerlui met zeer veel geld.

Ze spelen kaart of dobbelen en praten,
ze zijn luidruchtig, stevig en gezond.
Moeder Fortuin zal nooit hun dak verlaten,
ze hebben huizen, aandelen en grond.

Ze zijn zo blij dat Christus is geboren,
en blijder nog, dat zij geboren zijn.
`Minuit Chrétiens’ de stralende englenkoren
zingen den lof van ’t leven en den wijn.

Ze zijn ten slotte niet onsympathiek
die dwaze stumpers door hun tijd verblind.
– Wordt een van hen vandaag of morgen ziek,
dan schreit hij om zijn moeder als een kind.

Jan van Nijlen (1884-1965)

 

Gedicht: Herman Gorter – Mijn omvattende liefde

Mijn omvattende liefde heeft genoeg
terwijl ik van het uur in ’t andre glijd,
hoewel ‘k ze hang, steek ik de armen wijd
alsof ik er in knelde en met me droeg.

Het is zoo licht op mijne armen, ik zwoeg
niet, maar mijn lippen zijn beide bereid
te kussen met een blijvende zachtheid
met kalmen honger zooals ’s morgens vroeg.

Zooals de lijnen van den horizon
nu liggen met hun trage slingeringen,
een open vak donker en zonder zon,
waaruit als planten weemoed-slingers dringen,
ligt voor me of ik het wel voelen kon,
het onderling bestaan, mijn en de dingen.

Herman Gorter (1864-1927)
uit: De school der poëzie (1897)

Gedicht: Hester Knibbe – Een vader

Onlangs verschenen: Oogsteen, een royale keuze uit de gedichten van Hester Knibbe.

 

Een vader

Beland op zoiets als een eiland alleen
zoekt ze zich iemand. Neemt dan

bijvoorbeeld de man die van zee komt,
ontvangt en bedient hem en als hij dan

gaat, richt ze een hier voor hem in voor
als hij terugkeert, als ze weer wil. Wachten

maakt deel van haar lijf uit voortaan en
denken hoe was hij, wier aan zijn voeten
in zijn handen een net – Hij is het! Zo

worden goden gevonden door vrouwen, zij
bouwen een altaar, brengen hun zonen,
dochters erheen en zeggen: je vader.

Hester Knibbe (1946)
uit: Bedrieglijke dagen (2008)

 

Gedicht: Daan Zonderland – Zenuwsoep

Zenuwsoep

Ik werkte naarstig bij ’t fornuis
En kookte consommé
Daar had ik knikkers in gedaan
En zeven lepels thee.
Daar dreven stukjes lever in
En een bouquet garni,
Een veter en een vijgeblad
En schijfjes zoute knie.
Ik deed er zinkzalf in en was
En zeewier en azijn,
Twee lepels lijm, drie staafjes lak,
Vier maatjes terpentijn,
Een handvol hooi, een half ons klei
En drie pond zoute vis,
Twee rollen bloemetjesbehang,
Een halve fles vernis. Lees verder >>

Gedicht: Inge Boulonois – Advent

Advent

Natuur maakt zich weer op, verft bruin
wat naar omlaag moet tussen bomen
die hun jas van hout weer dichtknopen
en traag naar binnen keren. Vallend blad

dat aan de tongen van de wind kleeft,
rochelt over het terras, rolt perken in,
het draaihek van de weken door
waarna het tot zichzelf verzacht.

Maar dennen, sparren houden hun groen
hoog alsof het vastgenageld is,
de bessen van de hulst zijn onderweg
naar koningsrood terwijl de Schoonvrucht
paarse trosjes aan zijn takken gordt.

De wind keert naar het oosten.
De stilte wacht en wacht
op wie verdween om weer te komen

Inge Boulonois (1945)

 

Gedicht: Jean-Pierre Rawie – Advent

Advent

In deze laatste week van de advent
zou het moeten gaan sneeuwen: ieder jaar
zijn het dezelfde dingen waar je naar
verlangt. Dus sneeuwt het niet; maar alles went.

Je steekt de kaarsen aan op het dressoir,
en denkt aan alle doden die je kent.
Terwijl je wacht op een gemist moment
schuiven de dagen naadloos in elkaar.

Je poogt je tegen beter weten in
iets te herinneren wat er niet was,
omdat wat weg is diepte heeft en zin.

Je draait muziek, drinkt thee, je leest een boek
dat je ook lang geleden al eens las.
Maar alles is onachterhaalbaar zoek.

Jean-Pierre Rawie (1951)

 

Gedicht: Max Greyson – Schrijverskoppel

Uit Waanzin went niet, de debuutbundel van Max Greyson.

 

Schrijverskoppel

Een woord als bitterzoet mag hier niet staan, zegt ze
terwijl ze thee zet met bouillonblokjes
en jongleert met haar oogbollen

Ze zegt darling, kill your darlings, darling
terwijl ze schaterlachend foto’s van de muren trekt
rondjes door de kamer rent, huilen juicht en andersom
en ik zeg ja mijn lief, maar enkel als

Ik zie hoe ze een gniffel in haar oksel houdt
de trap op holt, een boodschap in spiegelschrift
op de spiegel schrijft, de trap af treuzelt
en in het deurgat wacht tot ik met haar mee naar boven zal gaan

Woorden als vlechten of libel horen hier niet, zegt ze
terwijl ze wijst naar de kat die water uit de vissenkom likt
binnen een week liggen de guppy’s voor het rapen

Max Greyson (1988)
uit: Waanzin went niet (2016)

 

Tilburgs sonnet

tilburg-jeruzalem

Door Bas Jongenelen

Sinds een week is het Nederlands een sonnettype rijker: het Tiburgse sonnet. Een sonnet is nooit zo maar een sonnet, er zijn Italiaanse sonnetten, Engelse sonnetten, Nijmeegse sonnetten, Utrechtse sonnetten – en ga zo maar door. Meestal heeft zo’n geografische aanduiding slechts te maken met de plaats waar hij bedacht is. Bij het Tilburgse sonnet is dat niet het geval, het Tilburgse sonnet heeft iets echts Tilburgs.

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik de Vries – De kleine zigeunerprinses

De kleine zigeunerprinses

Ik ben de kleine zigeunerprinses.
Mijn vader heeft een gevaarlijk mes.
Mijn moeder had oorbellen, prachtig rood.
Nu draag ik ze zelf. Moeder is dood.

Haar kralen heb ik ook om de hals.
Ze schold mijn vader voor vuil en vals.
Mijn mooiste speelgoed heeft zij gebroken
En toen heeft vader haar doodgestoken.

Vader is wijs, en moeder was dom.
Ze komt soms weer, en ik weet waarom.
’t Is om haar kralen en om haar bellen.
Maar als ik iets vraag wil ze niets vertellen.

Haar oorbellen en haar kralensnoer
Berg ik goed op: onder de vloer.
Een kleed er over; een zwarte kast –
Voor vader is dat een lichte last.

Hij weet wel dat ze terug kan komen.
Anderen zeggen: het zijn maar dromen,
Het zijn maar schaduwen tegen ’t behang. –
De mensen zijn dom. De mensen zijn bang.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: Slingerpaden (1945)

 

Gedicht: Nicolaas Beets antwoordt Jacob Cats

Niet en kander beter passen,
als dat t’samen is gewassen.

Als van twee gepaarde schelpen
D’ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen
– Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest —
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’ oudste zijn de beste panden,
Niets en gaat voor d’ eerste trouw;
D’eerste trouw, die leert het minnen,
D’eerste trouw is enkel vreugd,
D’eerste trouw, die bindt de zinnen,
Zy is ’t bloem’tje van de jeugd.
Naar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie-maal, kan niet als berouwen,
Want hoe kander liefde zijn?
Houdt uw eerste lief in waarde,
Eert ze met een volle zin;
’t Is een Hemel op de aarde,
Zo je paart uit rechte min.

Jacob Cats (1577-1660) Lees verder >>

Gedicht: Joke van Leeuwen – Nest

Uit Het moet nog ergens liggen, de nieuwe bundel van Joke van Leeuwen.

Nest

Een klein geluk was uit zijn nest gevallen
het piepte nog, het paste in één hand
ik gaf het brood en water, mondjesmaat

en allen wisten beter wat ik moest
alleen iets geven als het erom vroeg
en elke morgen even ermee praten

het scharrelde wat op een oude krant
water genoeg, en brood – voor zoiets kleins
leek het van dichtbij veel te groot.

Joke van Leeuwen (1952)
uit: Het moet nog ergens liggen (2016)