Categorie: gedicht

Gedicht: Prosper van Langendonck – Aan eene onbekende

AAN EENE ONBEKENDE

‘k Liet door den schouwburg onbestemd mijn blikken waren
terwijl ginds de opera wegschemerde in de vert’.
Bewustloos scheen mijn geest en ’t bleef me koud om ’t hert.
Dan kwaamt ge – een lichtglans – voor mijn dolend oog gevaren.

En eensklaps trilde een wonder zingen op den snaren,
een lang vermiste toon, die me optilde uit de smert,
muziek, die als een blauwe zee bewogen werd,
wijl – ster der hoop – uw oog er pinkelde op de baren.

O! in een zoeten droom verzwond ik toen en dacht
aan schaarsgedeelde vreugde en nieuwe levenskracht
en ‘k zocht … was mijn Sirene in ’t toovermeir bedolven?

Heen waart ge! – en hortend, klotsend, huilend ging ’t akkoord
en stuwde weer mijn geest in sombre richting voort,
een naakt, ontredderd wrak, daar vlottend langs de golven…

(1887)

Prosper Van Langendonck (1862-1919)

Lees verder >>

Gedicht: G.A. Bredero — Het elfde sonnet van de schoonheid

HET ELFDE SONNET VAN DE SCHOONHEID

O rijpen boezem wit die voor mijn ogen stadig
Zo liefelijken zweeft, gelijk den wederschijn
Van d’allerwitste sneeuw aan d’oorsprong van den Rijn –
Maar uwe schimmering, o zwakke ogen schadig!

Met maagdelijke melk verschijnen daar beladig
Twee zilver dopkens rond, op elke staat een robijn,
’t Zijn appelkens gelijk, daarop twee kerskens zijn,
Wiens rode rijpigheid een lust baart ongestadig.

Och, die ’t eens weten mocht, wat Hemels zuigelink
Daar nog aanleggen zal, hoe met den gouden rink,
Zijns Moeders echtsieraad, het dertelijk zal spelen,

En zitten op haar schoot, verslaan zijn kinderpraat,
Dan waar’ het zeggen uit, Appeles schoonst sieraad
Is ’t lieflijkste kind van al des werelds delen!

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618)

(verslaan = babbelen)

Lees verder >>

Gedicht: Alain Teister – Correspondentie

CORRESPONDENTIE

Mijn zoon schreef: papa,
dat jullie gescheiden zijn vind ik niet erg,
of wel, maar ik ben er ook aan gewend,
ik ben bijna elf,
maar dat mama niet een keer gehuild heeft
nu jij in het ziekenhuis ligt, en dat ze steeds
‘eigen schuld’ zegt,
dat vind ik niet lekker, jij?

Ik telegrafeerde: jawel, eigen schuld
is goud waard stop drink een cola
op mijn gezondheid stop en stuur als je zin hebt
een leuke tekening stop.

Zo ken ik je weer, schreef hij terug. Dag papa.
In de envelop zat een kleurige
viltstift-tekening van een doodskop
stop.

Alain Teister (1932-1979)
uit: Zenuwen, dame? (1977)

Lees verder >>

Gedicht: Charles Baudelaire – Mens en zee

Verschijnt volgende week: Zwarte Venus, 50 door Paul Claes vertaalde gedichten (met originelen) uit Les fleurs du mal (1857) van Charles Baudelaire.

 

MENS EN ZEE

U, vrije mens, vereert de zee het allermeest.
Zij is uw spiegelbeeld: u kunt uw ziel ontwaren
In het oneindig deinen van haar zilte baren,
Al even bitter als de afgrond van uw geest.

U duikt diep in uw evenbeeld vol zelfbehagen;
Uw oog en arm omvademen het, en uw hart
Vergeet soms het gejammer van zijn eigen smart
In het geluid van haar ontembaar woeste klagen.

Steeds zult u beiden even duister en gesloten zijn:
Mens, niemand kan de diepten van uw geest doorgronden;
Zee, niemand heeft de schatten in uw schoot gevonden,
Zo angstvallig bewaart u beiden uw geheim.

En desondanks gaat sedert onheuglijke tijden
Uw tweekamp ongenadig en verbeten voort,
Zozeer bent u verknocht aan slachting en aan moord,
Die onverbiddelijk als broers elkaar bestrijden.

Charles Baudelaire
uit: Zwarte Venus (2016)
vertaling: Paul Claes

  Lees verder >>

Gedicht: Adriaan Morriën – Voor de zondvloed

VOOR DE ZONDVLOED

Woorden zo licht alsof zij niet
gesproken zijn sinds mensen in de taal
elkaar naar ’t leven staan.

De kwinkslag van een vis
in water dat nog onbezoedeld is.

De taal der vogels. De bewegende schriftuur
van vlinders in de warme lucht.

De stand der bloemen, het verschil
in kleuren die zich tot de teerse tinten
vermenigvuldigen. De wellust
ook van die vermenigvuldiging.

Adriaan Morriën (1912-2002)

Lees verder >>

Gedicht: Dick Raaijmakers – De beweger voelt de wereld

Nog steeds aandacht voor Dick Raaijmakers De methode uit 1985 (1, 2).

 

DE BEWEGER VOELT DE WERELD

Een beweger zet de wereld onder druk
om haar te bewerken.
Het doel van het bewerken is:
de wereld veranderen.

Een beweger verandert de wereld
mits hij het bewegen van zijn druk voortdurend herhaalt.
Maar hij verandert de wereld pas wérkelijk
indien hij na iedere beweging van haar verneemt
hoe het veranderen vordert.
Anders heeft het veranderen geen ‘richting’
en het herhalen geen zin.

De beweger moet eerst verandering voelen
en het vorderen ervan ervaren,
om de veranderingsoperatie te kunnen doorzetten en
– waar nodig – het veranderen te ‘veranderen’.

Door voortdurend te voelen
ervaart de beweger hoe zijn druk
zich stukje bij beetje in de wereld verplaatst
en per beweging een beetje opschuift.
Hij ervaart hoe de weerstand die de wereld biedt
vermindert – of juist toeneemt – en
hoe de weg van de bewegende en drukkende druk in de wereld
zich verdiept – of juist zich verbreedt.

Dick Raaijmakers (1930-2013)
uit: De methode (1985)

Lees verder >>

Gedicht: Pancer – Voetbal

Wie was Pancer?

 

Voetbal

Het is ten eerste terrein verkennen.
Het is ten tweede een razend rennen.
Het is ontmoeten en weer passeren.
Het is het botsend elkaar blesseren.

Het is opnieuw weer een lopen, lopen.
Het is betrappen en duur bekopen.
Het is kwaad doen en heus niet menen.
Het is een kans-spel met blote benen.
Het kan met ballen en het kan met stenen (blauwe schenen!)
Het is een winzucht, als ’t gaat om ’t ende!
Het gaat met regels en ’t is een bende.
Het is een plaatsen en combineren.
Het is een been-hakend balanceren.
Het is het wilde risquante springen!
Het is een oorlog om leren dingen ….!
Het is een prachtvulling voor de kranten.
Het wordt omdonderd van alle kanten,
Met veel tribunes en veel gejool.
Zo nu en dan eens hoor je “kool”.
Het gaat met lucht en geweldig snel.
’t Is heel belangrijk en toch een spel.

Jaren ’30 (?)
Pancer (?-?)

Lees verder >>

Gedicht: René de Clercq – Ik ben van den buiten

Vandaag in 1932 overleed René de Clercq.

IK BEN VAN DEN BUITEN

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part;
Van vader mijn schouders,
Van moeder mijn hart.
Ik vocht om mijn stuiten
Met zuster en broêr;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Bij d’eigensten pachter,
Eerst koeier, dan knecht;
Mijn klakke van achter,
Mijn hoofd immer recht;
Zoo dien ‘k om mijn duiten,
En teer op mijn toer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie,
Ik eg en ik ploeg;
Ik mest en ik maaie,
Ik zweet en ik zwoeg.
Ik klets op de kluiten
En glets in de moer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderezint;
De mallende meisens
De wagens gepint;
Dan zit ik te fluiten
Van boven op ’t voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

René de Clercq (1877-1932)

 

stuiten = sneden brood
gepint = versierd

Lees verder >>

Gedicht: Jan van der Noot – Sonnet

Ik zag mijn Nimphe in ’t zoetste van het jaar
In enen beemd, gelegen aan de zije
Van enen hof, alleen, eerlijk en blije:
Neffens een gracht, waaraf het water klaar

Geboord met lis, kruid en bloemen veur-waar
Lustiger scheen dan alle schilderije:
Nooit man en zag schoonder tapisserije,
Zo schoon was ’t veld gebloeid, zo hier, zo daar.

Als Flora jent zat zij daar op de bloemen;
Deur heur schoonheid mag men ze Venus noemen,
Om heur verstand Minerva, wijs van zinnen;

Diana ook om heur rein eerlijk wezen;
Boven Juno is zij weerd t’zijn geprezen.
Sinds die tijd aan kweelt mijn ziele om heur minne’

Jan van der Noot (1539-1595)
Lees verder >>

Gedicht: Marieke Rijneveld – Luizenmoeders

Marieke Rijneveld heeft gister de Buddingh’-prijs gekregen voor haar bundel Kalfsvlies.

 

LUIZENMOEDERS

Het feest gaat sneller als we af en toe de gasten als bierglazen
naar het randje duwen en niet meer in staat om de balans nog op

te maken of juist staande te houden om de versmelting van drank
en weemoed te onderzoeken, we laten de meubels sokken dragen
tegen krassen in het linoleum zodat niemand het feest terug kan vinden

totdat de schuimkragen uit zoveel lucht bestaan dat er wel iets zwaars
op gegooid moet worden: iemand zegt dat weemoed net als een luizenmoeder

is en hoezeer we daarnaar terugverlangen: het moment van het kriebelen
van vreemde vingers door je haar die zoveel bedachtzamer hun weg
zochten dan die van je eigen moeder, alsof ze zocht naar een reden om het

gemis eruit te kammen, je later terug te laten denken maar nu met een
puberbrein in plaats van een kinderlijke angst datje later een briefje
in je jaszak vond met de mededeling: luis gesignaleerd, morgen vier uur

achter het fietsenhok, dat het jeuken nog geen tekort was maar een teveel
aan koppen bij elkaar steken onder de deknaam Annemaria Koekoek in de
hoop dat dichterbij komen vanzelf over zou slaan. Moeder die deze
schooldag je goedbedoelde pogingen in de wasmachine stopte.

Er waren vrienden die onbekende meisjes door hun haren streelden
sommige dansten alsof het jeuken een uitweg zocht in hun ledematen en
iemand zei dat dit haar gelukkig maakte, dit feest op deze datum, het

verschuiven van de uren; luizenmoeders die als onderwerpen in een
dichtgeknoopte zak gestopt werden om nooit meer tevoorschijn te halen, een teveel
aan schoonheid je een hoofd vol zorgen kan geven en al die verlangens die door

je moeder gladgestreken op de traptreden lagen, de zomer net als toen weer op
openbarsten staat, morgen worden we wakker met het onweer in onze koppen.

Marieke Rijneveld (1991)
uit: Kalsfvlies (2015)
Lees verder >>

Nederlandse poëzie van Caspar Barlaeus

Door Ton Harmsen

KleinPoelgeest1730Funeraire gedichten, met lof en rouw, verliesverwerking en troost, kunnen heel erg persoonlijk zijn. Dat leert het proefschrift van Sonja Witstein ons. Vondel over zijn dochtertje, Huygens over zijn vrouw, Hooft over zijn jeugdvriendin: het onderwerp staat heel dicht bij de dichter, en daar kan emotionele en indrukwekkende poëzie uit voortkomen. Een dichter die beschrijft wat er door hem heengaat als hij bij het dode lichaam van een bekende staat is wel bijzonder persoonlijk. Zo’n gedicht schrijft Caspar Barlaeus op de dood van een vrouw op wie hij zeer gesteld was: hij staat bij het lijk van Catharina van Overbeeck en droefheid en bewondering wellen in hem op. De situatie maakt het gedicht dat hij voor haar schrijft zo indrukwekkend, niet de obligate woorden van troost en de beschrijving van haar kwaliteiten. We zien Barlaeus naar het lijk staren, hij laat ons voelen wat er door hem heen gaat.

Een groot deel van de Nederlandse literatuur is in het Latijn geschreven. Sommige auteurs zijn twee- of meertalig, Constantijn Huygens is daar het sprekende voorbeeld van. Onder de Nederlandse neolatinisten zijn er een paar wereldberoemd geworden, Neolatijn wordt nu eenmaal door meer mensen gelezen dan zeventiende-eeuws Nederlands. Bekende auteurs zijn Janus Secundus, Desiderius Erasmus, Janus Dousa, Justus Lipsius, Hugo Grotius, Daniel Heinsius, Anna Maria van Schuurman, Gerardus Johannes Vossius en Petrus Burmannus. En dan heb ik Caspar Barlaeus nog niet eens genoemd.

Lees verder >>

Gedicht: Paul Rodenko – Jij-mei

Gedicht afkomstig uit Ik wou uw voeten wel soenen – De mooiste liefdesverklaringen van de middeleeuwen tot nu, samengesteld door Annemieke Houben.

JIJ-MEI

Ik mors je over al mijn paden liefste
Jij-rood de rozen en jij-blinkende het blauw
Jij-kano’s in de blik van elke vrouw
Jij-beelden in parijzen van het water
Jij-lentebroden in de manden van de straten
Jij-kinderen die met een hoofdvol mussen
Achter de zonnebal aandraven
Jij-mei jij-wij
Jij-herteknieën van de zuidenwind

Ik juich je sterrelings

Paul Rodenko (1920-1976)

Lees verder >>

Gedicht: L. Kettmann – Een billet-doux

Gedicht afkomstig uit Ik wou uw voeten wel soenen – De mooiste liefdesverklaringen van de middeleeuwen tot nu, samengesteld door Annemieke Houben.

 

Een billet-doux

Ik wil een paard zijn, mijn lieve schatje!
Dan draag ’k u voort langs struik en heg,
Maar was ’k een ekster, mijn lieve schatje!
Dan roofde ik gauw uw hartje weg.
Ik wil een kraai zijn, mijn lieve schatje!
Dan pik ik hen, die naar u zien,
Maar was ’k dit briefje, mijn lieve schatje!
Dan rustte ik aan uw hart misschien.

Antwoord

’k Wensch dat ge een paard waart, mijn aardig platje*!
Gij trokt dan Frits en mij naar ’t bosch,
Maar waart ge een ekster*, mijn aardig platje!
Dan was de tong u veel te los.
’k Wensch dat ge een kraai* waart, mijn aardig platje!
Dan lachte ik dat mijn koontje kleurt,
Maar waart ge ’t briefje, mijn aardig platje!
Dan werdt ge door mijn Frits verscheurd.

L. Kettmann (1830-1889?)

Lees verder >>

Gedicht: Sergio Raimondi – Weil Brothers

De Argentijn Sergio Raimondi is een van de festivaldichters op Poetry, deze week. Kaarten met korting hier.

Weil Brothers

Een van de ‘grote vier’ exportbedrijven die zich eind
negentiende eeuw in Argentinië hebben gevestigd
hoogtijdagen van de internationale productieverdeling

Dat wil zeggen: lokaal snel oprukkende landbouwgrenzen
breedwerpig gezaaide maïs en meerdere soorten Barletta-graan
in de lucht een hand van de miljoenen neergestreken arbeiders

van het Italiaanse of Iberische schiereiland met hun oerkennis
van de vruchtbare ritmes van Ceres en de Lupercalia-feesten
volstrekt nutteloos op deze rotsloze en haast onbegrensde Lees verder >>

Gedicht: Hubert Korneliszoon Poot – Zomerse avond

•• Nieuw in de dbnl: o.m. P.C. Hooft, G. Gezelle, C. van Bruggen, G.A. Bredero, H.P. de Boer en H.K. Poot.

 

Zomerse avond

De moede zonnewagen
staat vrachtloos. D’ avondzon
zinkt in de westerpekelbron*.
Aldus ontglippen ons de wentelende dagen.
De ster der mingodin*
ziet d’ eerste op ’t aardrijk neder.
Mineias’ dochters* vliegen weder:
Ook spant de stille nacht zijn zwarte paarden in.
Wij zien de schemeringen
verdikken, waar we staan.
Alrede heft de gulden maan
haar horens op en rukt ter baan in harer kringen.
Hoe rust het hangend loof
der luisterende bomen! Lees verder >>

Gedicht: Charivarius – Naampie

Naampie

De tijd van Klara, Bettekoo, van Annemie en Aagje
Is lang voorbij. We volgen nu het voorbeeld van het Haagje.
Zoo’n naampje op een y-tje klinkt zoo fijntjes, zoo coquetjes,
Marie, Christien, Jacoba, Anna, Mina is niet netjes.
We zeggen liever Mary, Tini, Cobi, Anni, Mini,
En Kitty, Nelly, Wimmy, Elly, Florry, Lotty, Stini.
En Jet is veel te burgerlijk, fatsoenlijker is Jetty,
En Jenny, Molly, Henny, Dolly, Enny, Polly, Hetty,
En Maggy, Tilly, Fanny, Lili, Lizzy, Carry, Corry,
En Bini, Betty, Dini, Nettie, Suzie, Emmy, Dorry.
Een jongen heet geen Hein, maar Harry. Jan is plat; zeg Johnny,
En Willem – dat moet Willy zijn, en Toon natuurlijk Tonny,
Dan noem’ we Wijnand Wijnie’ hoor; een ie-tje hebben zál-ie!
Wat moet’ we dan met Albert doen? Wel, noem den lummel Allie!
Ook Eduard is veel te flink, en Frits en Ferdinand,
Die worden dus tot Eddy, Freddy, Ferry-dear ontmand.
En Gijs wordt Bertie, Bonnie staat voor… drommels ja hoe heet díé?
Gelukkig nog dat Piet voorlopig Piet is en geen Pietie!
Al wat uit Eng’land komt is chic. Ja juist, maar je vergeet,
Dat daar de waschvrouw Mary, en het vischwijf Kitty heet!

Charivarius (1870-1946)
uit: Ruize-rijmen (1926)

Lees verder >>

Gedicht: Anneke Brassinga – Aan zee

Anneke Brassinga is een van de Nederlandse dichters op Poetry, volgende week. Kaarten met korting hier.

Aan zee

De wind weegt de woorden
bevindt ze te licht
de wind huilt, veegt de woorden
van tafel, uit het zicht

het stormvogeltje dat ze opslikt
zal stijgen tot de hoogten van de reuzenalbatros
of alleen nog willen krijsen
zoals ik, bestoven aap op stok.

Anneke Brassinga (1948)
uit: Wachtwoorden (2005)

Lees verder >>

Gedicht: Kees Winkler – Voor B.

Voor B.

Men moet de mooie dingen mooi laten
zij heeft een vriend, ik ben getrouwd
men moet de mooie dingen mooi laten
voor een avontuur ben ik te oud

Dat neemt niet weg dat ik haar erg leuk vind
’s morgens aan de koffie is zij mijn zonnetje
ze heeft een rok met buidelzak
daar zou ik graag in willen zitten

Zij scoort nauwgezet rattenagressies
ik zit in de bibliotheek en schrijf
de enkele keer dat ik haar spreek
springt er mijnerzijds een vonkje over

Men moet de mooie dingen mooi laten
en blij wezen dat men gelukkig is
men MOET de mooie dingen mooi laten
en toch oog hebben voor het gemis

Kees Winkler (1927-2004)

Lees verder >>

Gedicht: Jacobus Bellamy – Kusje

Kusje

‘Gij zijt toch immer lastig!
Gij wilt gestadig kussen! –
Wat doet toch al dat kussen?
Wat wil dat toch beteeknen?’
Zo sprak mijn schone Fillis,
En keek met donkere ogen,
En wendde ’t hoofd ter zijde.

Ik greep haar lieve handjes,
En zei: mijn dierbaar meisje!
Mag ik u dan niet kussen!…
Zij schudde ’t hoofd en boog zich,
En drukte met haar lipjes
Mij zachtjes op de wangen.

Zij sloot mij in heur armen,
En zei: ‘wat is een kusje? –
Wat wil het toch beteeknen?’

Mijn allerliefste meisje,
Het is de taal der liefde.
Zo dikwerf onze lippen
Zich kussende verenen,
Dan denk ik: Liefste Fillis,
Gelijk ik met mijn lippen
Thans aan uw mondje kleve,
Zo, Liefste, is ook mijn leven
Verbonden aan het uwe.

Zo vaak ik u dan kusse,
Gevoel ik, meer dan immer,
De banden onzer liefde.
Dit alles, schone Fillis,
Dit alles zegt een kusje!

Jacobus Bellamy (1757-1786)
Gezangen mijner jeugd (1782)

Lees verder >>

Gedicht: J.P. Heije – Verdrinken

•• Vorig jaar verscheen de bloemlezing Gedichten die mannen aan het huilen maken, met daarin de favoriete gedichten van bekende Nederlandse mannen. ‘Verdrinken’ is de keuze van Henk Schiffmacher, die ooit zag hoe de eerste helft ervan werd getatoeëerd op de borst van een zeeman.

Verdrinken

ô Diepe zee, ô wijde plas!
Wat ligt er in uw golven
Al menig-een bedolven!…
Maar toch! – hoe groot het aantal was
Van hen, die in Uw’ afgrond zonken,
Toch zijn er vrij wat méer verdronken
In ’t klein jeneverglas.

ô Diepe zee, ô wijde plas!
Wie in Uw’ vloed moest sneven,
Weet, dat zijn dood en leven
Toch in de hand des Heeren was! –
Maar wie zegt, in Wiens hand zij zonken,
Die in het helsche vocht verdronken
Van ’t klein jeneverglas!

J.P. Heije (1809-1876)
uit: Al de volksdichten, deel 2 (1865)

Lees verder >>

Gedicht: Ellen Warmond – Changement de décor

Changement de décor

Zodra de dag als een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken

huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen

terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig
elkaar hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan

Ellen Warmond (1930-2011

 

Lees verder >>

Gedicht: Bernard Verhoeven – Andante cantabile

Andante cantabile

Schepen hebben zich verkozen
om met zachtgeblazen zeilen
in een droomerig verpoozen
op het water te verwijlen.

En de luwgezinde winden
als zachtmoedige gespelen
komen om de welbeminde
witte lammeren te streelen,

lammeren die spelegrazen
in de zilte blanke zoomen
sidderende schuimen wazen
aan de rand der waterstroomen.

Aan zijn grijzen droom onttogen
is het eeuwige verlangen
zorgeloos met blauwe oogen
in dit aardsche spel gevangen.

Bernard Verhoeven (1897-1965)
uit: Maskers (1937)

Lees verder >>

Gedicht: J.H. Leopold – In tere schaduw zilverblauw

In tere schaduw zilverblauw
sloegen witte wieken en een gerucht
voer om; er werd een grote zucht
gewekt, een wensen, dat ver weg wou.

Gij en ik, o wij gaan wel trouw
samen, wij vliegen uit in éne vlucht
en laat het zijn naar het ver gehucht
van mijne ziel en gaan wij gauw.

Dat ligt in de bergen, men vindt het nauw,
wijkende in de lentelucht,
schuchter de huizen, zonder gerucht
in tere schaduw zilverblauw.

 

J.H. Leopold (1865-1925)
uit: Verzen (1913)

Lees verder >>