Categorie: gedicht

Gedicht: John McCrae / Tom Lanoye – In Vlaamse velden

• Willy Vandeweghe over McCrae’s gedicht en over Lanoye’s vertaling (+ origineel).

IN VLAAMSE VELDEN

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond.

Wij zijn de Doden. Zo–even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.

Toe: trekt gij u ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houdt hem hoog. Weest gíj de helden. Laten de Doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.

John McCrae (1872-1918)
vertaling Tom Lanoye (1958)
uit: Niemandsland. Gedichten uit de Groote Oorlog (2002)

Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Achterberg – Zwerver

Marsman schrijft Achterberg.

ZWERVER

Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk
naar boven. In de huiskamer was licht
zag ik door de gesloten deur. Een schicht
van vreugde maakte terstond persoonlijk,
al wat zich uit mij had ontsticht
in stad en menigte. Ik stond koninklijk
in het vernieuwde donker van den nacht,
binnen mijzelve opgericht.

‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk,
en kuste mij de dood van het gezicht.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Lees verder >>

Gedicht: Frederik Lucien De Laere – Het verbond

Uit In uiterste staat, de nieuwe bundel van Frederik Lucien De Laere.

HET VERBOND

Getraind als het geheugen is, het netwerk
Is de getrackte flashback, de herschikking van
Jeugdbelevenissen, het kader waarin het karakter
Zo goed als gevormd werd, en gelijk één
Uit de duizend de blueprint
Laat zien aan het publiek
Tien geboden op het lijf geschreven
Net als een tattoo die kenmerkt, net als
Ieder die het brandmerk draagt
En slaafsheid boven heerlijkheid verkiest
Tot elke prijs de vrijheid wegspoelt
Door de riolen van het staatsbestel
Onder het bevel van hogere machten
Die van deze wereld niet zijn
En vanuit glazen burelen
Nu de massa bespelen.

Frederik Lucien De Laere (1971)
uit: In uiterste staat (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Hannah van Binsbergen – Vrij naakt op een oud hemd na

Uit Kwaad gesternte, de debuutbundel  van Hannah van Binsbergen.

VRIJ NAAKT OP EEN OUD HEMD NA

De laatste zinnen van het communistisch manifest
raken me nog evenveel als toen ik dertien was.
Ik houd die lucht graag in mijn kleren.
Het geroep waar jullie misschien geen aandacht aan besteden
waartegen je geleerd hebt je oren te beschermen
dat je misschien aan honden toeschrijft
houdt mij levend.

Een averechtse logica drijft je tot grote dingen in het donker.
Een uitspraak maakte je ontstellend populair:
‘Grijs pluis, vervilt papier en twintig cent, dat is de wereld’
In plichten, trouw, verveeld, ben je opnieuw geboren.
Dat je ooit in je vuurvaste huid geloofd hebt
niet vatbaar voor de tanden van een rat
niet vatbaar voor de ziektes van de open wereld

Ik mis een lichaam dat van jou alleen is
vrij naakt op een oud hemd na.

Hannah van Binsbergen
uit: Kwaad gesternte (2016)
Lees verder >>

Gedicht: John O’Mill – Sint Dracus en de joor

SINT DRACUS EN DE JOOR

A new Spoonerian Verse Tale
on an earlier written theme.

(`Pof knook loeder’ is gewoon het spoonerisme van
Knoflookpoeder.)

Sint Dracus op zijn redel os
reed moef te droe door ’t bomber sos;
van vorg verzuld door ’t loeve drot
eens nuizeklaars – een man van God,
die zak en zwiek en uitgeput
ter neer lag in zijn hamele schut.
Daar grijpt hij plots zijn slagbaard zweet,
geschrokken door een krauwe reet.
Stok staan raard en puiter stil,
verschamd lier door zo’n gauwe ril.
Is daar een mes in nervenstood?
Reeds in de dauwen van de kloot? Lees verder >>

Gedicht: Albert Verwey – Sint Joris en de draak

SINT JORIS EN DE DRAAK

Ik zag u eens, mijn koning, toen de muur
Spleet en in de enge cel, nu maatloos groot,
Stondt gij wiens diadeem om ’t voorhoofd sloot
En beide uw ogen waren sproeiend vuur.

En met uw lans troft gij den draak, ’t onguur
Gedrocht, karbonkel-ogig: door dien stoot
Sprong ’t bloed zwart-rood en spoot omhoog en vloot
Gelijk een stroom en daar ik staar en tuur

Windt hij door groene weiden en de stad
Rijst aan zijn boord en schepen wieglen er
Vol schat en volk naar de ondergaande zon.

Ik zat als op een heuvel en ik kon
Den schemer zien die oprees, vaag en ver –
En ’t was alsof ik in uw schaduw zat.

Albert Verwey (1865-1937)
Lees verder >>

Gedicht: Mustafa Kör – Café Flanders

Ben jij liefde is de debuutbundel van Mustafa Kör.

 

CAFE FLANDERS

Een stoffige biljaar omzoomd
door een dozijn kraaien van mannen

Tattoos schreeuwen om het hardst
geuzennamen, zwevend als trillende
gedachten ballonnetjes door een waas
van rook en bier

Hoegaardens wit op spiegels
vol gefermenteerde vliegen feces
Vlaams grijs op wegdek
in mijn hoofd bezingt
Raymond twee meisjes

Opklaringen en buien tongen
dat het een levenslust is als ik
tegen een plataan ingeblikt
sterf voor het gloort in mijn land

Mustafa Kör (1976)
uit: Ben jij liefde (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Gilles Boeuf – Boom

Verschijnt binnenkort: Oog Arm Geit, met foto’s en gedichten van Gilles Boeuf. Bestellen kan tot 6 juli met een mail naar post@halverwegechapbooks.nl.

BOOM

We zeggen wortels als we
in het weiland staan
maar volgen de takken

We weten al: boom en onze mond
verlangt boom
We kennen de vorming van de varens

De bloemen rond onze voeten zijn troost
voor het staan

en we proberen een inkeer in de boom

Gilles Boeuf (1970)
uit: Oog Arm Geit (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Kitty de Josselin de Jong – Mal du siècle

 

MAL DU SIECLE

Het Hier en Nu is essentieel en goed,
Wat gister bloeide is reeds lang vervlogen;
Voor toekomst zonder perspectief hoort moed,
Houd hart en hersens koel en onbewogen.

Vergeet de lieflijkheid van jonge hoop,
De wilde roes van onvoldragen leuzen;
De heele wereld is voor geld te koop,
Leef hard of niet – er is geen andere keuze.

Vertrouw geen mensch … geen risico’s om niet,
Geen Koninkrijk valt waár ook te beërven;
En wie van goeden wille is, hij ziet
Dat hij van weerloosheid zal moeten sterven.

Wij zijn gepantserd door beton en staal,
En snikken niet meer om de geur van rozen;
Wij zijn vervreemd van maan en nachtegaal,
En wat eens droomen waren heet psychose.

Misschien is er behoeden voor een lot,
Dat spelend ons slechts wanhoop kan onthullen;
Misschien verstaat Gij onzen hartskreet, God:
Een afgrond-diepe leegte weer te vullen …

Kitty de Josselin de Jong (1903-1991)
uit: Het witte schip (1948)

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik Marsman – De zee

Vandaag in 1940 overleed Hendrik Marsman.

DE ZEE

Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee
of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif
dat stand houdt als de vloed ons overvalt
en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;
hier alleen scheert de wiekslag van het licht
de kim van het drievoudig continent
dat aan ons lied den blanken weerschijn schenkt
van zacht ivoor en koolzwart ebbenhout,
en in den dronk den geur der rozen mengt
met de extasen van den wingerdrank.
Hier golft de nacht van ’t dionysisch schip
dat van de Zuilen naar den Hellespont
en van Damascus naar den Etna zwierf;
hier de fontein die naar het zenith sprong
en regenbogen naar de kusten wierp
van de moskee, de tempel en het kruis.
Hier heeft het hart de hoge stem gehoord
waardoor Odysseus zich bekoren liet
en ’t woord dat Solon te Athene sprak;
en in de branding dezer kusten brak
de trots van Rome en van Babylon.

Zolang de europese wereld leeft
en, bloedend, droomt den roekelozen droom
waarin het kruishout als een wijnstok rankt,
ruist hier de bron, zweeft boven déze zee
het lichten van den creatieven geest.

Hendrik Marsman (1899-1940) Lees verder >>

Gedicht: Doe Hans — Aanval

AANVAL

Forsch, vliegensvlug breekt ’t vijftal door de schaar
van vijanden: een niet te houden stoet
van voetbal-helden, lavend trouw elkaar:
vijf-eenheid, machtig sterke reuzenvoet.

’t Valt wild den strijd in, als een groot gevaar
dat aan-zwiert … zet de strijd in laaien gloed
en honderd monden jubel-zingen maar,
publiek is geestdrift-vol … ruikt nettenbloed.

Daar staat nog een, die ’t monster weren kan …
Wat zal daartegen doen zo’n zwakke hand … ?
Reeds davert aan ’t wildbrieschend voorwaartsspan,

staat voor ‘m … schroeit z’n denken als ’n brand,
en nog te kijken staat de arme man
als reeds de bal ligt in zijn heilig land.

Doe Hans (1882-1946)
uit: Het bruine monster (1910)
Lees verder >>

Gedicht: Prosper van Langendonck – Aan eene onbekende

AAN EENE ONBEKENDE

‘k Liet door den schouwburg onbestemd mijn blikken waren
terwijl ginds de opera wegschemerde in de vert’.
Bewustloos scheen mijn geest en ’t bleef me koud om ’t hert.
Dan kwaamt ge – een lichtglans – voor mijn dolend oog gevaren.

En eensklaps trilde een wonder zingen op den snaren,
een lang vermiste toon, die me optilde uit de smert,
muziek, die als een blauwe zee bewogen werd,
wijl – ster der hoop – uw oog er pinkelde op de baren.

O! in een zoeten droom verzwond ik toen en dacht
aan schaarsgedeelde vreugde en nieuwe levenskracht
en ‘k zocht … was mijn Sirene in ’t toovermeir bedolven?

Heen waart ge! – en hortend, klotsend, huilend ging ’t akkoord
en stuwde weer mijn geest in sombre richting voort,
een naakt, ontredderd wrak, daar vlottend langs de golven…

(1887)

Prosper Van Langendonck (1862-1919)

Lees verder >>

Gedicht: G.A. Bredero — Het elfde sonnet van de schoonheid

HET ELFDE SONNET VAN DE SCHOONHEID

O rijpen boezem wit die voor mijn ogen stadig
Zo liefelijken zweeft, gelijk den wederschijn
Van d’allerwitste sneeuw aan d’oorsprong van den Rijn –
Maar uwe schimmering, o zwakke ogen schadig!

Met maagdelijke melk verschijnen daar beladig
Twee zilver dopkens rond, op elke staat een robijn,
’t Zijn appelkens gelijk, daarop twee kerskens zijn,
Wiens rode rijpigheid een lust baart ongestadig.

Och, die ’t eens weten mocht, wat Hemels zuigelink
Daar nog aanleggen zal, hoe met den gouden rink,
Zijns Moeders echtsieraad, het dertelijk zal spelen,

En zitten op haar schoot, verslaan zijn kinderpraat,
Dan waar’ het zeggen uit, Appeles schoonst sieraad
Is ’t lieflijkste kind van al des werelds delen!

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618)

(verslaan = babbelen)

Lees verder >>

Gedicht: Alain Teister – Correspondentie

CORRESPONDENTIE

Mijn zoon schreef: papa,
dat jullie gescheiden zijn vind ik niet erg,
of wel, maar ik ben er ook aan gewend,
ik ben bijna elf,
maar dat mama niet een keer gehuild heeft
nu jij in het ziekenhuis ligt, en dat ze steeds
‘eigen schuld’ zegt,
dat vind ik niet lekker, jij?

Ik telegrafeerde: jawel, eigen schuld
is goud waard stop drink een cola
op mijn gezondheid stop en stuur als je zin hebt
een leuke tekening stop.

Zo ken ik je weer, schreef hij terug. Dag papa.
In de envelop zat een kleurige
viltstift-tekening van een doodskop
stop.

Alain Teister (1932-1979)
uit: Zenuwen, dame? (1977)

Lees verder >>

Gedicht: Charles Baudelaire – Mens en zee

Verschijnt volgende week: Zwarte Venus, 50 door Paul Claes vertaalde gedichten (met originelen) uit Les fleurs du mal (1857) van Charles Baudelaire.

 

MENS EN ZEE

U, vrije mens, vereert de zee het allermeest.
Zij is uw spiegelbeeld: u kunt uw ziel ontwaren
In het oneindig deinen van haar zilte baren,
Al even bitter als de afgrond van uw geest.

U duikt diep in uw evenbeeld vol zelfbehagen;
Uw oog en arm omvademen het, en uw hart
Vergeet soms het gejammer van zijn eigen smart
In het geluid van haar ontembaar woeste klagen.

Steeds zult u beiden even duister en gesloten zijn:
Mens, niemand kan de diepten van uw geest doorgronden;
Zee, niemand heeft de schatten in uw schoot gevonden,
Zo angstvallig bewaart u beiden uw geheim.

En desondanks gaat sedert onheuglijke tijden
Uw tweekamp ongenadig en verbeten voort,
Zozeer bent u verknocht aan slachting en aan moord,
Die onverbiddelijk als broers elkaar bestrijden.

Charles Baudelaire
uit: Zwarte Venus (2016)
vertaling: Paul Claes

  Lees verder >>

Gedicht: Adriaan Morriën – Voor de zondvloed

VOOR DE ZONDVLOED

Woorden zo licht alsof zij niet
gesproken zijn sinds mensen in de taal
elkaar naar ’t leven staan.

De kwinkslag van een vis
in water dat nog onbezoedeld is.

De taal der vogels. De bewegende schriftuur
van vlinders in de warme lucht.

De stand der bloemen, het verschil
in kleuren die zich tot de teerse tinten
vermenigvuldigen. De wellust
ook van die vermenigvuldiging.

Adriaan Morriën (1912-2002)

Lees verder >>

Gedicht: Dick Raaijmakers – De beweger voelt de wereld

Nog steeds aandacht voor Dick Raaijmakers De methode uit 1985 (1, 2).

 

DE BEWEGER VOELT DE WERELD

Een beweger zet de wereld onder druk
om haar te bewerken.
Het doel van het bewerken is:
de wereld veranderen.

Een beweger verandert de wereld
mits hij het bewegen van zijn druk voortdurend herhaalt.
Maar hij verandert de wereld pas wérkelijk
indien hij na iedere beweging van haar verneemt
hoe het veranderen vordert.
Anders heeft het veranderen geen ‘richting’
en het herhalen geen zin.

De beweger moet eerst verandering voelen
en het vorderen ervan ervaren,
om de veranderingsoperatie te kunnen doorzetten en
– waar nodig – het veranderen te ‘veranderen’.

Door voortdurend te voelen
ervaart de beweger hoe zijn druk
zich stukje bij beetje in de wereld verplaatst
en per beweging een beetje opschuift.
Hij ervaart hoe de weerstand die de wereld biedt
vermindert – of juist toeneemt – en
hoe de weg van de bewegende en drukkende druk in de wereld
zich verdiept – of juist zich verbreedt.

Dick Raaijmakers (1930-2013)
uit: De methode (1985)

Lees verder >>

Gedicht: Pancer – Voetbal

Wie was Pancer?

 

Voetbal

Het is ten eerste terrein verkennen.
Het is ten tweede een razend rennen.
Het is ontmoeten en weer passeren.
Het is het botsend elkaar blesseren.

Het is opnieuw weer een lopen, lopen.
Het is betrappen en duur bekopen.
Het is kwaad doen en heus niet menen.
Het is een kans-spel met blote benen.
Het kan met ballen en het kan met stenen (blauwe schenen!)
Het is een winzucht, als ’t gaat om ’t ende!
Het gaat met regels en ’t is een bende.
Het is een plaatsen en combineren.
Het is een been-hakend balanceren.
Het is het wilde risquante springen!
Het is een oorlog om leren dingen ….!
Het is een prachtvulling voor de kranten.
Het wordt omdonderd van alle kanten,
Met veel tribunes en veel gejool.
Zo nu en dan eens hoor je “kool”.
Het gaat met lucht en geweldig snel.
’t Is heel belangrijk en toch een spel.

Jaren ’30 (?)
Pancer (?-?)

Lees verder >>

Gedicht: René de Clercq – Ik ben van den buiten

Vandaag in 1932 overleed René de Clercq.

IK BEN VAN DEN BUITEN

Ik kreeg van mijn ouders,
Van ieder mijn part;
Van vader mijn schouders,
Van moeder mijn hart.
Ik vocht om mijn stuiten
Met zuster en broêr;
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Bij d’eigensten pachter,
Eerst koeier, dan knecht;
Mijn klakke van achter,
Mijn hoofd immer recht;
Zoo dien ‘k om mijn duiten,
En teer op mijn toer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

Ik zout en ik zaaie,
Ik eg en ik ploeg;
Ik mest en ik maaie,
Ik zweet en ik zwoeg.
Ik klets op de kluiten
En glets in de moer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

En hebben de zeisens
Gezinderezint;
De mallende meisens
De wagens gepint;
Dan zit ik te fluiten
Van boven op ’t voer:
Ik ben van den buiten,
Ik ben van den boer!

René de Clercq (1877-1932)

 

stuiten = sneden brood
gepint = versierd

Lees verder >>

Gedicht: Jan van der Noot – Sonnet

Ik zag mijn Nimphe in ’t zoetste van het jaar
In enen beemd, gelegen aan de zije
Van enen hof, alleen, eerlijk en blije:
Neffens een gracht, waaraf het water klaar

Geboord met lis, kruid en bloemen veur-waar
Lustiger scheen dan alle schilderije:
Nooit man en zag schoonder tapisserije,
Zo schoon was ’t veld gebloeid, zo hier, zo daar.

Als Flora jent zat zij daar op de bloemen;
Deur heur schoonheid mag men ze Venus noemen,
Om heur verstand Minerva, wijs van zinnen;

Diana ook om heur rein eerlijk wezen;
Boven Juno is zij weerd t’zijn geprezen.
Sinds die tijd aan kweelt mijn ziele om heur minne’

Jan van der Noot (1539-1595)
Lees verder >>

Gedicht: Marieke Rijneveld – Luizenmoeders

Marieke Rijneveld heeft gister de Buddingh’-prijs gekregen voor haar bundel Kalfsvlies.

 

LUIZENMOEDERS

Het feest gaat sneller als we af en toe de gasten als bierglazen
naar het randje duwen en niet meer in staat om de balans nog op

te maken of juist staande te houden om de versmelting van drank
en weemoed te onderzoeken, we laten de meubels sokken dragen
tegen krassen in het linoleum zodat niemand het feest terug kan vinden

totdat de schuimkragen uit zoveel lucht bestaan dat er wel iets zwaars
op gegooid moet worden: iemand zegt dat weemoed net als een luizenmoeder

is en hoezeer we daarnaar terugverlangen: het moment van het kriebelen
van vreemde vingers door je haar die zoveel bedachtzamer hun weg
zochten dan die van je eigen moeder, alsof ze zocht naar een reden om het

gemis eruit te kammen, je later terug te laten denken maar nu met een
puberbrein in plaats van een kinderlijke angst datje later een briefje
in je jaszak vond met de mededeling: luis gesignaleerd, morgen vier uur

achter het fietsenhok, dat het jeuken nog geen tekort was maar een teveel
aan koppen bij elkaar steken onder de deknaam Annemaria Koekoek in de
hoop dat dichterbij komen vanzelf over zou slaan. Moeder die deze
schooldag je goedbedoelde pogingen in de wasmachine stopte.

Er waren vrienden die onbekende meisjes door hun haren streelden
sommige dansten alsof het jeuken een uitweg zocht in hun ledematen en
iemand zei dat dit haar gelukkig maakte, dit feest op deze datum, het

verschuiven van de uren; luizenmoeders die als onderwerpen in een
dichtgeknoopte zak gestopt werden om nooit meer tevoorschijn te halen, een teveel
aan schoonheid je een hoofd vol zorgen kan geven en al die verlangens die door

je moeder gladgestreken op de traptreden lagen, de zomer net als toen weer op
openbarsten staat, morgen worden we wakker met het onweer in onze koppen.

Marieke Rijneveld (1991)
uit: Kalsfvlies (2015)
Lees verder >>

Nederlandse poëzie van Caspar Barlaeus

Door Ton Harmsen

KleinPoelgeest1730Funeraire gedichten, met lof en rouw, verliesverwerking en troost, kunnen heel erg persoonlijk zijn. Dat leert het proefschrift van Sonja Witstein ons. Vondel over zijn dochtertje, Huygens over zijn vrouw, Hooft over zijn jeugdvriendin: het onderwerp staat heel dicht bij de dichter, en daar kan emotionele en indrukwekkende poëzie uit voortkomen. Een dichter die beschrijft wat er door hem heengaat als hij bij het dode lichaam van een bekende staat is wel bijzonder persoonlijk. Zo’n gedicht schrijft Caspar Barlaeus op de dood van een vrouw op wie hij zeer gesteld was: hij staat bij het lijk van Catharina van Overbeeck en droefheid en bewondering wellen in hem op. De situatie maakt het gedicht dat hij voor haar schrijft zo indrukwekkend, niet de obligate woorden van troost en de beschrijving van haar kwaliteiten. We zien Barlaeus naar het lijk staren, hij laat ons voelen wat er door hem heen gaat.

Een groot deel van de Nederlandse literatuur is in het Latijn geschreven. Sommige auteurs zijn twee- of meertalig, Constantijn Huygens is daar het sprekende voorbeeld van. Onder de Nederlandse neolatinisten zijn er een paar wereldberoemd geworden, Neolatijn wordt nu eenmaal door meer mensen gelezen dan zeventiende-eeuws Nederlands. Bekende auteurs zijn Janus Secundus, Desiderius Erasmus, Janus Dousa, Justus Lipsius, Hugo Grotius, Daniel Heinsius, Anna Maria van Schuurman, Gerardus Johannes Vossius en Petrus Burmannus. En dan heb ik Caspar Barlaeus nog niet eens genoemd.

Lees verder >>

Gedicht: Paul Rodenko – Jij-mei

Gedicht afkomstig uit Ik wou uw voeten wel soenen – De mooiste liefdesverklaringen van de middeleeuwen tot nu, samengesteld door Annemieke Houben.

JIJ-MEI

Ik mors je over al mijn paden liefste
Jij-rood de rozen en jij-blinkende het blauw
Jij-kano’s in de blik van elke vrouw
Jij-beelden in parijzen van het water
Jij-lentebroden in de manden van de straten
Jij-kinderen die met een hoofdvol mussen
Achter de zonnebal aandraven
Jij-mei jij-wij
Jij-herteknieën van de zuidenwind

Ik juich je sterrelings

Paul Rodenko (1920-1976)

Lees verder >>