Categorie: gedicht

Gedicht: Asmodée – Troonrede-lied

• Onderstaand gedicht stond in Oranje-moppie (een verzameling van snaaksche verzen en liederen, den Koning opgedragen) van ene Asmodée – waarschijnlijk een schuilnaam van de journalist A.A.T. Visscher (1819-1881).

Troonrede-lied

Weer sprak de koning van zijn troon,
Een kamer-oopning-rede;
Van welvaart, bloei en overvloed.
Vooruitgang, vrijheid, vrede.
Of hij gelooft hetgeen hij sprak,
Of die het heeft geschreven,
Dat is aan ieder kamerlid
En ons geheim gebleven.

Hij zeide dat de watervloed,
Provincie’s overstroomde,
En dat de zucht om wel te doen,
De smart en nood betoomde.
Hij stelt die zucht op hoogen prijs
En moet het open zeggen;
Een nieuwtje, om nu maar heel bedaard,
Bij heel veel ouds te leggen.

Lees verder >>

Gedicht: Hieronymus van Alphen – Eenzaamheid

De eenzaamheid

Denk niet, lieve speelgenooten!
Dat de tijd mij heeft verdroten,
Toen ik gistren zat alleen.
Die vermaak heeft in het lezen,
Hoeft geen eenzaamheid te vreezen,
Maar is altoos wel te vreên.

Vader zegt, dat brave menschen
Dikwijls naar die uurtjes wenschen;
Dikwijls naar hun kamer gaan,
Om in oude en nieuwe boeken
Wijze lessen op te zoeken:
En dat staat mij wonder aan.

‘k Wou zo graag verstandig wezen,
En ik worde ook graag geprezen,
‘k Zeg, zo als het bij mij leit:
Dient er dan, om veel te weten,
Menig uurtje nog gesleten,
Welkom! welkom! eenzaamheid!

Hieronymus van Alphen (1746-1803)
uit: Kleine gedigten voor kinderen (1768-1772)

Lees verder >>

Gedicht: J.P. Guépin – Na wat journalistieke stukjes

Na wat journalistieke stukjes
en een boek dat op een vergissing is gebouwd,
dus door de ondeskundigheid van wie vertrouwt
op veel noten, en meer van die gelukjes

werd hij autoriteit met al die nukjes
van iemand die te weinig ongelijk heeft verstouwd.
Zijn snieren, de welsprekende rukjes
van zijn hoofd als hij iemand uitjouwt!

Maar de angst dat hij wordt achterhaald
maakt hem een hamster die alles naar binnen haalt.
Zijn huis is vol met nog niet gelezen werken,
dat is aan de stofomslagen te merken.

Ze zijn geordend naar: verouderd, te moeilijk, onzin,
niet meer nodig, briljante essays, en daar tussen in.

J.P. Guépin (1929-2006)
uit: De Leidse Fles in zestien portretten (1975)

Lees verder >>

Gedicht: W.J. van Zeggelen – Mode

Herdenken wij W.J. van Zeggelen, die 205 jaar geleden geboren werd.

Mode

Een fee, die opwelt uit de vloed
Van wulpse zotternijen;
Een dwinglandes, die aan haar voet
De wereld neer doet vlijen.
Een zonderling vernuftig dier,
Dat nooit zich zelve rust geeft,
Vorstin en tevens kamenier,
Die in caprices* lust heeft.
Een plaaggeest en een vleieres,
Met rozen op de wangen;
Een dartel ding – een oude bes,
Al naar de bordjes hangen.
Een pijnigster van lijf en leên,
Een bron van vele kwalen,
Een engel vol lieftalligheên,
Een zon met tal van stralen.
Een wicht, dat met de Franse slag
Van ’t oude nieuw kan maken;
Een geldwolvin, die ’t wee en ach
Door duizenden doet slaken.
Een rapsodie van grol* en gril,
Die smaak en wansmaak duldde,
Die slaven ketent aan haar wil
En nijvre handen vulde.
Een kind, dat slechts op ’t morgen denkt
En ’t gisteren belachte;
Een gast, die moeder zorgen schenkt
En vaders zucht verachtte.

Maar – ’t helpt wat of een oude pruik*
Zich zet om ’t ding te veetren*.
Want och, ook ik loop in de fuik, –
Kan ik de boel verbeetren!?

(1853)

W.J. van Zeggelen (1811-1879)

caprices – nukken, bevliegingen
grol – dwaasheid
oude pruik – oude mopperkont
veetren – berispen

Lees verder >>

Gedicht: Adriaan Morriën – Maan

Maan

De maan als een uit mij gevallen oog,
een iris die te groot was voor mijn kassen.
Het heeft nooit in mijn voorhoofd willen passen.
Ik kon er niets door zien, het leek te hoog.

Nu kijk ik achter sterren en moerassen.
Alles wordt klein en zeeën stromen droog
tot op een traan, om engelen te verrassen,
verdwalend in ’t gezichtsveld van mijn oog.

Ik staar door tijd en ruimte als door glas.
Ik zie mijzelf als kind, ik zie mijn vader
toen ik nog in zijn ingewanden was.

Toekomst en ver verleden schuiven nader.
Ik speel bij mijn beide dochters op schoot.
Mijn moeder heft haar beide handen uit de dood.

Adriaan Morriën (1912-2002)
uit: Kijken naar de wolken (1956)

Lees verder >>

Gedicht: T.v.B., C.v.G., L.Th. L., E. T., G. P. – Beterschap

Een cadavre exquis is een gedicht dat door meerdere dichters is geschreven, zonder dat zij op de hoogte zijn van de delen die door de anderen worden geschreven. Het onderstaande verscheen in het surrealistische tijdschrift De schone zakdoek, waarin vaker cadavres exquis werden gepubliceerd. De dichters van deze twee gedichten waren Theo van Baaren, Chr. J. van Geel, Louis Th. Lehmann, Eric Terduyn en Gertrude Pape. Op de site nog een gedicht van hun gezamenlijke hand.

Beterschap

Gelijk de eenzame die op een vlot zat
(de kachel werd gevuld en brandt nog steeds),
Was haar japon ter linkerzijde sleets
Want zij gleed telkens uit over die rotmat.

O neen, ik wil niet langer dit komplotbad!
Vooral bij daglicht had zij iets ontkleeds
En schreef gedichten in de trant van Beets
En minde hem, omdat hij wat van Ot had.

Men kan zich deze moeite ook nog geven.
De vraag bleef aarzelend op haar lippen zweven.
De wilde dieren brullen in hun kooi.

Doch onverhoeds vielen in ’t riet de zeilen,
Men heeft vrij zicht en proviand voor mijlen.
Met zijn bescherming is het leven mooi.

T.v.B., C.v.G., L.Th. L., E. T., G. P.
uit: De schone zakdoek (1941-1944)

Lees verder >>

Gedicht: Michael Deak – Lied en liefde

Een week geleden overleed ‘vergeten dichter’ Michael Deak. Bloemlezing.

Lied en liefde

Vertolk het lied der late nachtegalen,
en leer de taal der tederheid verstaan
wanneer de vogelen der minne slaan
en onder ’t lover de gelieven dwalen.

Hun liederen zijn simpel te vertalen:
’t gefluit vangt luid met jubileren aan;
het klaagt zo traag van treurigheid en traan,
en ’t fluistert vaag verlangens ademhalen.

Maar wie de liefde vond en haar ontvlood
die laat zich zelden tot haar lied bepalen
en die geneest wel nimmer van haar malen
haar rode mond, haar borsten en haar schoot;
die zal een lief ter helle overhalen
onder het oog van Charoon en de dood.

Michael Deak (1920-2016)
uit: De vrouwenval (1946)

 

Lees verder >>

Gedicht: Jan Hanlo – De meiden meehelpen het weidevee melken

De meiden meehelpen het weidevee melken
Voor J.A.

’t Boerenleven lijden
Met de meiden en de knechts
Doet de geest en ’t lichaam sterken
’t Is zo goed om flink te werken

Maar laten wij nu slapen
Want de rapen op het veld
Zullen zeker Toch wel groeien
En dan morgen friswat stoeien

En daarna met de mijden
Naar de wijden helpen melken
En de grote rodekolen
En de rode kroten rooien

Jan Hanlo (1912-1969)

Lees verder >>

Gedicht: Gerard den Brabander – Molens, meiden, melkvee

Molens, meiden, melkvee

Molens maaien; meiden slaan het linnen;
vissen schieten bliksems door de vaart;
wolken steigren blindlings hemelwaarts
einders uit en storten elders binnen.

Kerken knielen. Toornig, buffelzwaar,
tarten zij de buik der westenwinden.
Dorpen hurken met geloken blinden
onder eeuwenoud en vaag gevaar…

Boeren, bultig in hun boezeroenen,
vechten stom en wrevlig met de wind:

knokig door vijandige seizoenen;
krom door God, den korzeligen vrind.

Molens, meiden, melkvee: visioenen,
dromen, jeugd… die men niet wedervindt.

Gerard den Brabander (1900-1968)

Lees verder >>

Gedicht: K. Michel – Signaal en ruis

Signaal en ruis’ staat in de binnenkort bejubelde nieuwe bundel Te voet is het heelal drie dagen ver, van K. Michel.

 

Signaal en ruis

Walvis landt op vissersboot.
Trainer vindt vliegtuigdeur op voetbalveld.
Student heeft seks met standbeeld.
Dronken man zit vast in brievenbus.
Indiër rijdt al elf jaar achteruit in auto.
Zwitser breekt record telefoonboekscheuren.

Paardbei. Menigte tilt dubbeldekker op
bevrijdt fietser. Strandbal van metaal blijkt
zeemijn. Dorp schenkt reuzentruffel
aan Obama. Rara, het is rood en het hinnikt.
Dichter vangt haas door achter boom
geluid van wortel na te bootsen.

Voilà, een kleine greep uit wat ik gisteren
aan info data trivia in mijn vlindernet vond.
Hier waar alles van ruis doordrenkt lijkt
– een klamme nevel die alle content kromtrekt –
klonk dat ene signaal als een inspirerend idee.

Dus ving ik ook een maartse haas, nam hem
gezellig op schoot en samen bladerden we
‘allemachtig’ door de multimedia.
Tot de haas zei: los het raadsel op, vriend
doe een wens of laat me weer vrij.

Volgt een doorwaakte nacht vol hoofdbreken
licht kiert aan de horizon maar nergens een clou.
Voor hij wegstuift in de nakende dageraad
geeft de haas nog een laatste advies:

klim nu hoog in de boom en fluister
terwijl je de bladeren doet ritselen
je hartenwens en laat daarna zaagsel
toverachtig sneeuwen door de takken
rondom je af te zagen ook die waarop je zit.

K. Michel (1958)
uit: Te voet is het heelal drie dagen ver (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Bert Decorte – ‘k Zou elk gedicht …

‘k Zou elk gedicht …

‘k Zou elk gedicht beginnen met een vloek,
om de stommerds een steen naar de kop te smijten,
om de zielige sufferds te stampen tot koek
en rauw en snauwend van mij af te bijten;

of elk gedicht beginnen met een grap,
om met heel de comedie de draak te steken
en, lallend als een dronkenlap,
het vieze misgewas de nek te breken.

Maar best zou ik elk gedicht beginnen
met een hese snik van rouw en spijt,
om ’t leed dat mij leegknaagt van binnen
en de eigen onbeholpenheid.

Bert Decorte (1915-2009)

Lees verder >>

Gedicht: Luc Tournier – De negerwaan van het wit gezicht

De negerwaan van het wit gezicht

De duivel heeft een wit gezicht,
wij zoeken zijne kinderen;
en komt ons dat ten kwade bij het eeuwige gericht,
niemand kan het verhinderen.

Breek de kokos open en je vindt een wit gezicht;
Snijd een lichaam open en je vindt een wit gezicht;
Ga naar het plantagehuis en je vindt een wit gezicht.
Het schiet een hart vol angst als het bliksemlicht.

Door de takken en de baren van de baai
staren wij naar de vogels en de vissen,
maar niemand kan dat eeuwig’ wit’ gezicht
ook bij het richten van de blik uitwissen.

Teder als het blad van de zwarte boom
in de schoot van onze nicht,
ligt de wortel van de neus
in dat wit’ gezicht.

Luc Tournier (1907-1980)
uit: Doffe orewoed (1948)

Lees verder >>

Gedicht: De Schoolmeester – De avondstond

Veel nieuwe titels in de DBNL, waaronder een van De Schoolmeester.

De avondstond

Wat is toch, wanneer het donker wordt, de avondstond verrukkend!
Vooral wanneer men overdag heeft moeten zeggen: ‘Wat is het drukkend!’
En dan drinkt men met veel meer plezier
een scharretje* met een glaasje bier.
Ook weet ik niet hoe er mensen kunnen zijn
die iets hebben tegen de maneschijn
of die over de staartstarren
zo bijster kunnen harrewarren
zonder dat zij schijnen te weten
dat het niet anders zijn dan kometen.

Lees verder >>

Gedicht: Hajo Albert Spandaw – Anakreon

Veel nieuwe titels in de DBNL, waaronder een van Hajo Albert Spandaw.

Anakreon
(Naar Gleim)

Anakreon, mijn meester,
Zingt slechts van wijn en liefde;
Hij zalft den baard met zalven,
En zingt van wijn en liefde;
Hij kroont zijn hoofd met rozen,
En zingt van wijn en liefde;
Hij kust in ’t groene lover,
En zingt van wijn en liefde;
Is bij den dronk een koning
En zingt van wijn en liefde;
Hij speelt met zijne Goden,
Hij lacht met zijne vrienden,
Verdrijft zich zorg en kommer,
Veracht het rijk gepeupel,
Versmaadt den lof der helden,
En zingt van wijn en liefde;
Zou dan zijn trouwe leerling
Van haat en water zingen?

Hajo Albert Spandaw (1777-1855)
uit: Poëzij (1809)

Lees verder >>

Gedicht: Nicolaas Beets – Zaansch liedeken

Veel nieuwe titels in de DBNL, waaronder een van Nicolaas Beets.

Zaansch liedeken

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
De meisjens zijn er net gekleed,
Zoo als vóór honderd jaren.
Haar oogen blaauw en blank haar vel:
Ik mag de Zaansche meisjens wel.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
Men vindt er molens by de vleet,
En rijke molenaren;
Maar wie de slanke dochters ziet,
Denkt aan de dikke molens niet.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bezoeken?
Czaar Peter droeg er ’t ambachtskleed,
En at er pannekoeken;
Maar ’t heeft hem levenslang berouwd,
Dat hy geen Zaansche had getrouwd.

Nicolaas Beets (1814-1903)
uit: Verstrooide gedichten uit vroeger en later tijd (1831-1861) (1863)

Lees verder >>

Gedicht: Vrouwkje Tuinman – De rest van het jaar

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als laatste een gedicht van Vrouwkje Tuinman.

De rest van het jaar,

want het is nu eind oktober, heb ik voldoende
tijd om alle vragen nog maar eens te stellen.
Wat er veranderd is. De beste vriend is weg
en daarom wil vriendin me ook niet meer.
De rest van het bestand is uitgebreid. Kan ik
nog omgeschoold?

Ik heb een punt tussen het midden
en een derde van mijn tijd bereikt en moet dus
ergens anders heen.

Mijn hoofd neemt vliegtuigen
naar Des Moines en Santiago. Elke plek
waar niemand die ik ken mij kent of overleden is.
Er komt een cluster data aan met geheel nieuwe
betekenis. Ik vraag het nog maar eens.

Vrouwkje Tuinman (1974)
Wat ik met de sleutel moet (2011)

Lees verder >>

Gedicht: Eva Cox – Ik heb een mijnschacht in mijn keel

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als vierde een gedicht van Eva Cox.

Ik heb een mijnschacht in mijn keel

ik val omlaag vanuit mijn kamer
zit als een pad
gevangen in een bel van steen

het is hier stil
zo stil dat ik mijn dromen hoor
ritselen als dode blad’ren

ik gil

ik heb een mijnschacht in mijn keel
een tong van scherp gesmeed metaal
en lagen gitzwart erts voor jaren

ik hak met korte felle slagen

Eva Cox (1970)
Pritt.stift.lippe (2004)

 

De poëzie van Eva Cox valt op door een op het eerste gezicht onberedeneerd en ongestructureerd streven naar dynamiek en avontuur. Met een aanstekelijk enthousiasme en quasinonchalant tast de auteur de grenzen af van het conventionele taalgebruik en de geijkte vormen. De dichter houdt zich in het geheel niet aan genreconventies en mengt gedichten en prozafragmenten op het eerste gezicht lukraak door en met elkaar. Ook brieven […] en zelfs een ‘duet voor één stem’ maken deel uit van de eclectische bundelcompositie. De teksten zijn meerstemmig en laten zich alleen al door hun polyfone structuur en grillige compositie onmogelijk sluitend parafraseren.
– Yves T’sjoen

Lees verder >>

Gedicht: Lieke Marsman – Vasthoudendheid

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als derde een gedicht van Lieke Marsman.

VASTHOUDENDHEID

Er bestaan vele redenen waardoor je niet stil
kunt blijven liggen, ’s nachts. Als je steeds
moet hoesten, bijvoorbeeld, zal je lichaam
op en neer schokken alsof je op een rijkoets ligt en
als je erg ziek bent, een lijkwagen. Of het is zo
dat je niet weet waar je moet kijken, omdat alles
voor je ogen rood is. Je ogen zijn zo rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde aan geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van. Het mooie aan het woord stil is dat het
iets zegt over geluid en beweging en het bijzondere
aan geluid is dat het bestaat uit beweging. Het fijne
aan beweging is dat het zo ingetogen is, je kunt
heel zacht je huid laten voelen dat iemand anders
je huid voelt. Tegelijkertijd is het fijne aan beweging
juist dat het uitbundig is, je kunt heel hardnekkig
een dansend monster in je voeten hebben zitten, dat
je hakken de hele avond de grond in wil stampen.
Maar het vreemde aan een hele avond is dat je soms
niet weet welke vorm van beweging je het liefst
lang laat duren. Gelukkig is het goede aan iets lang
laten duren dat alles op den duur weer terug stil valt.
En wat ik het allermooiste aan het woord stil vind,
is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken,
waardoor we elkaar kunnen vragen, waarom we
nog steeds niet gaan slapen.

Lieke Marsman (1990)
uit: Wat ik mezelf graag voorhoud (2010)

Zelfreflectie en introspectie zijn het uitgangspunt voor Marsmans gedichten, die geregeld de vorm aannemen van een innerlijke monoloog. Een voorbeeld is ‘Vasthoudendheid’, het gedicht waarmee Marsman in Tirade debuteerde, en dat op de eerste pagina van haar debuutbundel staat […]. In een associatieve cirkelredenering houdt de ik-persoon zichzelf ’s nachts wakker. Uiteindelijk keert de slapeloze terug naar waarmee het mijmeren begon: ‘En wat ik het allermooiste aan het woord stil vind, / is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken, / waardoor we elkaar kunnen vragen, waarom we / nog steeds niet gaan slapen.’
– Kila van der Starre

 

Lees verder >>

Gedicht: Hélène Gelèns – gedicht voor twee stemmen en een klok

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als tweede een gedicht van Hélène Gelèns (als jpg vanwege de foutgevoelige opmaak).

gelens 3

In ‘gedicht voor twee stemmen en een klok’ verzet de dichter zich tegen zo’n ‘natuurlijk’ systeem: de biologische klok. De twee stemmen uit de titel worden in het gedicht visueel van elkaar gescheiden. Op de mededeling van de eerste stem (‘tik hoor hij tikt tik je klok tikt tik’) antwoordt de tweede stem, links uitgelijnd: ‘mijn klok tikt niet er tikt niet ik hoor niets’. Het spreken van de eerste stem, in de ban van de biologische klok, wordt ritmisch onderbroken door een repetitieve ‘tik’ en in de vierde strofe ook door het verdwijnen van het tikken van de klok, wat in het gedicht door een kleiner wordende lettergrootte wordt geëvoceerd: ‘je denkt tik tikniettikniet tik tik niet! tik / en later tik de spijt: tik hij tikt niet meer /tik tikt nooit meer – tik wat als je tik spijt krijgt?’ Door het tikken alleen in de eerste stem te laten doorklinken lijkt het alsof de tweede stem buiten de tijd wordt gezet.

– Sarah Posman

Lees verder >>

Week van de Afrikaanse Roman

image003Evenementen in Vlaanderen

Over ruim twee weken begint in Nederland en Vlaanderen de tweede editie van de Week van de Afrikaanse roman.

Hieronder zetten we alle activiteiten die in Vlaanderen plaatsvinden, nog even voor u op een rij.

 

Woensdag 14 september 2016
Gebonden en verbonden in de schaduw van de Tafelberg
Lezing door Ena Jansen over de positie van de huiswerker in de Zuid-Afrikaanse samenleving en de Zuid-Afrikaanse literatuur
Muziek door Simon Shrimpton-Smith
Tijd: 20.30 uur-21.30 uur
Plaats: Boekwinkel De Kleine Johannes, Tiensestraat 17, Leuven
Entree: € 9,50 inclusief een goed glas Zuid-Afrikaanse wijn
Reserveren: info@de-kleine-johannes.be
Meer informatie: http://www.de-kleine-johannes.be/evenementen

Lees verder >>

Gedicht: Annemarie Estor – Vuurdoorn me

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als eerste Annemarie Estor.

 

VUURDOORN ME

Wikkeme?
Kamilleme… BraveHendrikme maar.

Vioolme, heliotroopme.
Boekweitme, maagdenpalmme.

Lisme, krokusme… zonnedauwme, klitme…

− Judaspenningme, guichelheilme, lookzonderlookme −

Bolderikme. Vijfvingerkruidme,
aspergeme, engelwortelme, adderwortelme!
Gladdewitbolme… oh, zompzeggeme… hondsdrafme.
WildeBertramme! Beukme ja beukme!

Distelme. Brandnetelme!
Vuurdoorn me!

Grasme

Dovenetelme.
Zeggeme: salviame

Annemarie Estor (1973)
Vuurdoorn me (2010)

 

[…] Slechts eenmaal wordt haar werk in de kritiek geplaatst tegen de achtergrond van de poëzie van Hugo Claus […]. Het zal hierbij vooral gaan om de geroemde sensualiteit en lichamelijkheid van diens beelden. Een duidelijke overeenkomst tussen Claus’ poëzie en Estors beelden, associaties en zinnelijkheid, is te vinden in het titelgedicht van haar debuut Vuurdoorn me, waarin ze tal van planten-, struiken- en boomnamen omzet in opzwepende, neologistische aansporingen zoals die in de titel van het gedicht en de bundel en ook in ‘aspergeme’. Daarmee citeert ze bijna letterlijk Claus’ gedicht ‘Asperges me’ uit diens bundel De sporen.
– Fabian R.W. Stolk

Lees verder >>

Gedicht: Marie Boddaert – Poëzie

Poëzie

Vóór mij een blanke vlakte, teer stillicht
Droomend daarover; in dat droomrig-fijn,
Op hoogen troon van marmer, sneeuwigrein,
De Heerlijke met schittrend aangezicht.

En plechtig trad tot haren glorieschijn,
Vonkling van liefde en hulde in ’t oogenlicht,
Een stoet van paladijnen, hooggericht
Hun offerschaal vol purperen hartewijn.

Dan, als zeeruischen over zomerstrand,
Ruischten hun zangen, weeldediep, teerhoog,
Of brekende met dondergroot geluid
In vlammenpassieën van schoonheid uit.
En zeegnend, over allen heen, bewoog
De Lieflijke, lichtplengend, hare hand.

Marie Boddaert (1844-1914)
uit: Serena (1898)

Lees verder >>

Gedicht: Marie Boddaert – Zomernacht

ZOMERNACHT

Ik stond op ’t duin onder maanlichte lucht,
Rein blauw, dat plechtig rees en teeder helde,
– Of ’t aarde omveilgen wou – ver achter velden,
En ijle boomenlaan naar klein gehucht,

En stille duinrij, ingeslapen vlucht
Van doffe golven naast de lichtdoorwelde
Woelgolven van de zee. De lucht vertelde:
‘k Hoorde altijd graag naar ’t spreken van de lucht.

En in mij vingen aan, dankblij, te zingen
Uit lichtetijden lichterinneringen
Glanswoorden vol van liefde: vleugelwoorden,
Die altijd hooger ruischten; vredewoorden,
Die altijd heller straalden, tot zij blonken,
In ’t blauw verspreid, als eeuw’ge sterrevonken.

Marie Boddaert (1844-1914)
uit: Serena (1898)

Lees verder >>