Categorie: gedicht

Gedicht: Bert Decorte – ‘k Zou elk gedicht …

‘k Zou elk gedicht …

‘k Zou elk gedicht beginnen met een vloek,
om de stommerds een steen naar de kop te smijten,
om de zielige sufferds te stampen tot koek
en rauw en snauwend van mij af te bijten;

of elk gedicht beginnen met een grap,
om met heel de comedie de draak te steken
en, lallend als een dronkenlap,
het vieze misgewas de nek te breken.

Maar best zou ik elk gedicht beginnen
met een hese snik van rouw en spijt,
om ’t leed dat mij leegknaagt van binnen
en de eigen onbeholpenheid.

Bert Decorte (1915-2009)

Lees verder >>

Gedicht: Luc Tournier – De negerwaan van het wit gezicht

De negerwaan van het wit gezicht

De duivel heeft een wit gezicht,
wij zoeken zijne kinderen;
en komt ons dat ten kwade bij het eeuwige gericht,
niemand kan het verhinderen.

Breek de kokos open en je vindt een wit gezicht;
Snijd een lichaam open en je vindt een wit gezicht;
Ga naar het plantagehuis en je vindt een wit gezicht.
Het schiet een hart vol angst als het bliksemlicht.

Door de takken en de baren van de baai
staren wij naar de vogels en de vissen,
maar niemand kan dat eeuwig’ wit’ gezicht
ook bij het richten van de blik uitwissen.

Teder als het blad van de zwarte boom
in de schoot van onze nicht,
ligt de wortel van de neus
in dat wit’ gezicht.

Luc Tournier (1907-1980)
uit: Doffe orewoed (1948)

Lees verder >>

Gedicht: De Schoolmeester – De avondstond

Veel nieuwe titels in de DBNL, waaronder een van De Schoolmeester.

De avondstond

Wat is toch, wanneer het donker wordt, de avondstond verrukkend!
Vooral wanneer men overdag heeft moeten zeggen: ‘Wat is het drukkend!’
En dan drinkt men met veel meer plezier
een scharretje* met een glaasje bier.
Ook weet ik niet hoe er mensen kunnen zijn
die iets hebben tegen de maneschijn
of die over de staartstarren
zo bijster kunnen harrewarren
zonder dat zij schijnen te weten
dat het niet anders zijn dan kometen.

Lees verder >>

Gedicht: Hajo Albert Spandaw – Anakreon

Veel nieuwe titels in de DBNL, waaronder een van Hajo Albert Spandaw.

Anakreon
(Naar Gleim)

Anakreon, mijn meester,
Zingt slechts van wijn en liefde;
Hij zalft den baard met zalven,
En zingt van wijn en liefde;
Hij kroont zijn hoofd met rozen,
En zingt van wijn en liefde;
Hij kust in ’t groene lover,
En zingt van wijn en liefde;
Is bij den dronk een koning
En zingt van wijn en liefde;
Hij speelt met zijne Goden,
Hij lacht met zijne vrienden,
Verdrijft zich zorg en kommer,
Veracht het rijk gepeupel,
Versmaadt den lof der helden,
En zingt van wijn en liefde;
Zou dan zijn trouwe leerling
Van haat en water zingen?

Hajo Albert Spandaw (1777-1855)
uit: Poëzij (1809)

Lees verder >>

Gedicht: Nicolaas Beets – Zaansch liedeken

Veel nieuwe titels in de DBNL, waaronder een van Nicolaas Beets.

Zaansch liedeken

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
De meisjens zijn er net gekleed,
Zoo als vóór honderd jaren.
Haar oogen blaauw en blank haar vel:
Ik mag de Zaansche meisjens wel.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bevaren?
Men vindt er molens by de vleet,
En rijke molenaren;
Maar wie de slanke dochters ziet,
Denkt aan de dikke molens niet.

Het IJ is breed, de Zaan is breed:
Wie wil de Zaan bezoeken?
Czaar Peter droeg er ’t ambachtskleed,
En at er pannekoeken;
Maar ’t heeft hem levenslang berouwd,
Dat hy geen Zaansche had getrouwd.

Nicolaas Beets (1814-1903)
uit: Verstrooide gedichten uit vroeger en later tijd (1831-1861) (1863)

Lees verder >>

Gedicht: Vrouwkje Tuinman – De rest van het jaar

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als laatste een gedicht van Vrouwkje Tuinman.

De rest van het jaar,

want het is nu eind oktober, heb ik voldoende
tijd om alle vragen nog maar eens te stellen.
Wat er veranderd is. De beste vriend is weg
en daarom wil vriendin me ook niet meer.
De rest van het bestand is uitgebreid. Kan ik
nog omgeschoold?

Ik heb een punt tussen het midden
en een derde van mijn tijd bereikt en moet dus
ergens anders heen.

Mijn hoofd neemt vliegtuigen
naar Des Moines en Santiago. Elke plek
waar niemand die ik ken mij kent of overleden is.
Er komt een cluster data aan met geheel nieuwe
betekenis. Ik vraag het nog maar eens.

Vrouwkje Tuinman (1974)
Wat ik met de sleutel moet (2011)

Lees verder >>

Gedicht: Eva Cox – Ik heb een mijnschacht in mijn keel

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als vierde een gedicht van Eva Cox.

Ik heb een mijnschacht in mijn keel

ik val omlaag vanuit mijn kamer
zit als een pad
gevangen in een bel van steen

het is hier stil
zo stil dat ik mijn dromen hoor
ritselen als dode blad’ren

ik gil

ik heb een mijnschacht in mijn keel
een tong van scherp gesmeed metaal
en lagen gitzwart erts voor jaren

ik hak met korte felle slagen

Eva Cox (1970)
Pritt.stift.lippe (2004)

 

De poëzie van Eva Cox valt op door een op het eerste gezicht onberedeneerd en ongestructureerd streven naar dynamiek en avontuur. Met een aanstekelijk enthousiasme en quasinonchalant tast de auteur de grenzen af van het conventionele taalgebruik en de geijkte vormen. De dichter houdt zich in het geheel niet aan genreconventies en mengt gedichten en prozafragmenten op het eerste gezicht lukraak door en met elkaar. Ook brieven […] en zelfs een ‘duet voor één stem’ maken deel uit van de eclectische bundelcompositie. De teksten zijn meerstemmig en laten zich alleen al door hun polyfone structuur en grillige compositie onmogelijk sluitend parafraseren.
– Yves T’sjoen

Lees verder >>

Gedicht: Lieke Marsman – Vasthoudendheid

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als derde een gedicht van Lieke Marsman.

VASTHOUDENDHEID

Er bestaan vele redenen waardoor je niet stil
kunt blijven liggen, ’s nachts. Als je steeds
moet hoesten, bijvoorbeeld, zal je lichaam
op en neer schokken alsof je op een rijkoets ligt en
als je erg ziek bent, een lijkwagen. Of het is zo
dat je niet weet waar je moet kijken, omdat alles
voor je ogen rood is. Je ogen zijn zo rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde aan geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van. Het mooie aan het woord stil is dat het
iets zegt over geluid en beweging en het bijzondere
aan geluid is dat het bestaat uit beweging. Het fijne
aan beweging is dat het zo ingetogen is, je kunt
heel zacht je huid laten voelen dat iemand anders
je huid voelt. Tegelijkertijd is het fijne aan beweging
juist dat het uitbundig is, je kunt heel hardnekkig
een dansend monster in je voeten hebben zitten, dat
je hakken de hele avond de grond in wil stampen.
Maar het vreemde aan een hele avond is dat je soms
niet weet welke vorm van beweging je het liefst
lang laat duren. Gelukkig is het goede aan iets lang
laten duren dat alles op den duur weer terug stil valt.
En wat ik het allermooiste aan het woord stil vind,
is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken,
waardoor we elkaar kunnen vragen, waarom we
nog steeds niet gaan slapen.

Lieke Marsman (1990)
uit: Wat ik mezelf graag voorhoud (2010)

Zelfreflectie en introspectie zijn het uitgangspunt voor Marsmans gedichten, die geregeld de vorm aannemen van een innerlijke monoloog. Een voorbeeld is ‘Vasthoudendheid’, het gedicht waarmee Marsman in Tirade debuteerde, en dat op de eerste pagina van haar debuutbundel staat […]. In een associatieve cirkelredenering houdt de ik-persoon zichzelf ’s nachts wakker. Uiteindelijk keert de slapeloze terug naar waarmee het mijmeren begon: ‘En wat ik het allermooiste aan het woord stil vind, / is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken, / waardoor we elkaar kunnen vragen, waarom we / nog steeds niet gaan slapen.’
– Kila van der Starre

 

Lees verder >>

Gedicht: Hélène Gelèns – gedicht voor twee stemmen en een klok

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als tweede een gedicht van Hélène Gelèns (als jpg vanwege de foutgevoelige opmaak).

gelens 3

In ‘gedicht voor twee stemmen en een klok’ verzet de dichter zich tegen zo’n ‘natuurlijk’ systeem: de biologische klok. De twee stemmen uit de titel worden in het gedicht visueel van elkaar gescheiden. Op de mededeling van de eerste stem (‘tik hoor hij tikt tik je klok tikt tik’) antwoordt de tweede stem, links uitgelijnd: ‘mijn klok tikt niet er tikt niet ik hoor niets’. Het spreken van de eerste stem, in de ban van de biologische klok, wordt ritmisch onderbroken door een repetitieve ‘tik’ en in de vierde strofe ook door het verdwijnen van het tikken van de klok, wat in het gedicht door een kleiner wordende lettergrootte wordt geëvoceerd: ‘je denkt tik tikniettikniet tik tik niet! tik / en later tik de spijt: tik hij tikt niet meer /tik tikt nooit meer – tik wat als je tik spijt krijgt?’ Door het tikken alleen in de eerste stem te laten doorklinken lijkt het alsof de tweede stem buiten de tijd wordt gezet.

– Sarah Posman

Lees verder >>

Week van de Afrikaanse Roman

image003Evenementen in Vlaanderen

Over ruim twee weken begint in Nederland en Vlaanderen de tweede editie van de Week van de Afrikaanse roman.

Hieronder zetten we alle activiteiten die in Vlaanderen plaatsvinden, nog even voor u op een rij.

 

Woensdag 14 september 2016
Gebonden en verbonden in de schaduw van de Tafelberg
Lezing door Ena Jansen over de positie van de huiswerker in de Zuid-Afrikaanse samenleving en de Zuid-Afrikaanse literatuur
Muziek door Simon Shrimpton-Smith
Tijd: 20.30 uur-21.30 uur
Plaats: Boekwinkel De Kleine Johannes, Tiensestraat 17, Leuven
Entree: € 9,50 inclusief een goed glas Zuid-Afrikaanse wijn
Reserveren: info@de-kleine-johannes.be
Meer informatie: http://www.de-kleine-johannes.be/evenementen

Lees verder >>

Gedicht: Annemarie Estor – Vuurdoorn me

•• Deze week aandacht voor Dichters van het nieuwe millennium, waarin het werk van 24 hedendaagse dichters onder de loep wordt genomen. Als eerste Annemarie Estor.

 

VUURDOORN ME

Wikkeme?
Kamilleme… BraveHendrikme maar.

Vioolme, heliotroopme.
Boekweitme, maagdenpalmme.

Lisme, krokusme… zonnedauwme, klitme…

− Judaspenningme, guichelheilme, lookzonderlookme −

Bolderikme. Vijfvingerkruidme,
aspergeme, engelwortelme, adderwortelme!
Gladdewitbolme… oh, zompzeggeme… hondsdrafme.
WildeBertramme! Beukme ja beukme!

Distelme. Brandnetelme!
Vuurdoorn me!

Grasme

Dovenetelme.
Zeggeme: salviame

Annemarie Estor (1973)
Vuurdoorn me (2010)

 

[…] Slechts eenmaal wordt haar werk in de kritiek geplaatst tegen de achtergrond van de poëzie van Hugo Claus […]. Het zal hierbij vooral gaan om de geroemde sensualiteit en lichamelijkheid van diens beelden. Een duidelijke overeenkomst tussen Claus’ poëzie en Estors beelden, associaties en zinnelijkheid, is te vinden in het titelgedicht van haar debuut Vuurdoorn me, waarin ze tal van planten-, struiken- en boomnamen omzet in opzwepende, neologistische aansporingen zoals die in de titel van het gedicht en de bundel en ook in ‘aspergeme’. Daarmee citeert ze bijna letterlijk Claus’ gedicht ‘Asperges me’ uit diens bundel De sporen.
– Fabian R.W. Stolk

Lees verder >>

Gedicht: Marie Boddaert – Poëzie

Poëzie

Vóór mij een blanke vlakte, teer stillicht
Droomend daarover; in dat droomrig-fijn,
Op hoogen troon van marmer, sneeuwigrein,
De Heerlijke met schittrend aangezicht.

En plechtig trad tot haren glorieschijn,
Vonkling van liefde en hulde in ’t oogenlicht,
Een stoet van paladijnen, hooggericht
Hun offerschaal vol purperen hartewijn.

Dan, als zeeruischen over zomerstrand,
Ruischten hun zangen, weeldediep, teerhoog,
Of brekende met dondergroot geluid
In vlammenpassieën van schoonheid uit.
En zeegnend, over allen heen, bewoog
De Lieflijke, lichtplengend, hare hand.

Marie Boddaert (1844-1914)
uit: Serena (1898)

Lees verder >>

Gedicht: Marie Boddaert – Zomernacht

ZOMERNACHT

Ik stond op ’t duin onder maanlichte lucht,
Rein blauw, dat plechtig rees en teeder helde,
– Of ’t aarde omveilgen wou – ver achter velden,
En ijle boomenlaan naar klein gehucht,

En stille duinrij, ingeslapen vlucht
Van doffe golven naast de lichtdoorwelde
Woelgolven van de zee. De lucht vertelde:
‘k Hoorde altijd graag naar ’t spreken van de lucht.

En in mij vingen aan, dankblij, te zingen
Uit lichtetijden lichterinneringen
Glanswoorden vol van liefde: vleugelwoorden,
Die altijd hooger ruischten; vredewoorden,
Die altijd heller straalden, tot zij blonken,
In ’t blauw verspreid, als eeuw’ge sterrevonken.

Marie Boddaert (1844-1914)
uit: Serena (1898)

Lees verder >>

Gedicht: Tomas Lieske – Dit is de zang van de kraai van Arc

Uit Daedalea, de nieuwe bundel van Tomas Lieske, een vertelling in gedichten en prozagedichten, met als ondertitel “Acht klonkies voeren een stemmenspel op onder regie van Keto Stiefcommando”. Verder voorproefje hier.

 

Dit is de zang van de kraai van Arc.

Ik ben de kraai van Arc, Ia Arc, de waker in het hondse uur.
In mijn naam keren heldinnen terug, hun dromen
en hun stemmen schamper aangehoord,
hun vechtpositie onderschat. Mijn wapen
is de snavel, mijn stem het arctisch krassen.
Zelf monogaam, verguisd en uitgejouwd
zal ik de geplukte moeder tot het uiterste beschermen.
Mijn pientere ogen zien de vogelvrije lucht. Ik ken
de slaapplaats op het kruispunt, de vlucht.

Zij slapen op straat en dromen van watervlugge grepen
op de viool; mijn kraaientaal, mijn klanken
vervagen tot stemmen in het hoofd.

Voor hen breken de tijden van Jeanne d’Arc weer aan:
geen arts, geen inkomen, geen huis en altijd patriotten
die de gipsy-vuilnis willen ruimen, het kind verpatsen,
de jonge vrouw verkrachten, de brandstapel verhogen.

Tomas Lieske (1943)
uit: Daedalea (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Jan Engelman – Over het gras

OVER HET GRAS

Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde
die ik vroeg en die ik later,
die ik nimmer, nimmer vinde.

Smalle schelpen zijn haar handen
om een eeuwge zee te horen,
in zijn wieg en broze wanden
zingt haar hart mijn wee verloren.

Handen die mijn hoofd niet koelen
met hun sneeuw, de lichte, zachte.
Hartklop die ik niet zal voelen
onder stergoud, al de nachten.

Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde,
tot ik aanzie – later, later,
in een licht dat mij hervinde.

Jan Engelman (1900-1972)
uit: Sine nomine (1932)

Lees verder >>

Gedicht: Constantijn Huygens – Bedzucht

BEDZUCHT
26 november 1656

Wat zou ik op doen? Leed en ongemak gaan lijden?
Zien wat mij niet en kan verbeet’ren noch verblijden,
en horen wat mij spijt, en ruiken wat mij kwelt?
Nee. ’t Nestje waar ik lig is min of meer gesteld
als waar ik tweemaal drie en nog drie maanden in lag,
voordat ik schreiend aan de tepel van de min lag.
Ik lig warm, ik lig dicht, en stilletjes en zacht.
Moet ik dan eens per dag ter wereld zijn gebracht,
ter wereld, waar ’t zo raast; alsof ik in de baren
gestort werd uit de kooi? Ach, beddeke, jouw baren
komt mij niet goed te pas; was ’t niet de malle pijn
die honger heet, ik wou wel ongeboren zijn.

Constantijn Huygens (1596-1687)

Lees verder >>

Gedicht: Daan de Ligt – Van oude mensen …

Gister overleed de Haagse dichter Daan de Ligt.

van oude mensen …

ik zie de oude Takma* lopen
leunend op z’n stok
de lasten van een stil verleden
doen z’n schouders buigen

ik zie m’n oude vader lopen
langs verlaten straten
het gewicht van eenzaamheid
als ballast op z’n rug

en dan zie ik mezelf
als oude man voorbijgaan
is dit een toekomstbeeld
van een ver verleden

vanaf z’n nieuwe kinderfiets
kijkt m’n zoon verbijsterd toe

Daan de Ligt (1953-2016)

 

* Takma is een personage uit Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan van Louis Couperus.

Lees verder >>

Gedicht: Pierre Kemp – Ritournelle

RITOURNELLE

Het licht doet met me wat het wil,
of ik al ga, of ik sta stil,
of ik iets neem, of iets leg neer,
bij alles is het licht mijn heer.
Zo word ik, man, toch nog een vrouw;
ik die van rood houd, word een blauw;
ik die van dag wil zijn, een ding
van avond met in de schemering
een rode streep, die duidt op wind,
tot ik het licht van mijn eigen vind
en met mijn rood sla naar dat blauw
en ik mijn man graaf uit die vrouw.
Eerst dan word ik mijn eigen heer,
of ik iets neem, of iets leg neer,
of ik al ga of ik sta stil,
omdat mijn eigen licht dat wil.

Pierre Kemp (1886 – 1967)

Lees verder >>

Gedicht: Pierre Kemp – Rood & Dromend van zulk blauw

[Pierre Kemp schilderde ook.]

ROOD I

De mensen zien het niet, hoe ik blijf staan
voor een bijzonder rood. Ik kan er niet vandaan.
Het wordt al groter naar ik het bekijk.
Het wordt al dieper naar ik meer wijk.
Rood, waarom zijt gij geen wezen, niet vrouw, noch man,
maar dat ik toch mijn bleke handen geven kan?

 

DROMEND VAN ZULK BLAUW

Als ik nog lang naar dat blauw blijf kijken
mis ik mijn trein,
maar om zulk blauw zonder gelijke
moet het zo zijn.
Treinen kan ik nog vaak betreden,
maar deze straling zal ik misschien
in al zij innigheid na heden
bij leven niet meer zien.

Pierre Kemp (1886-1967)
Lees verder >>

Gedicht: Nicolaas Matsier – Druppel

Gedicht afkomstig uit Druppel, het poëziedebuut van Nicolaas Matsier. De bundel is uitgegeven door meesterdrukker Ser J.L. Prop, bij wie hij ook (via de mail) te bestellen is.

DRUPPEL

Er hing een druppel aan een tak,
blank, vol gedachten.
Niet veel was het dat hem ontbrak
tijdens het korte wachten.

Hij spiegelde het hoge en het lage,
wat voor en achter was,
een klein ovaal, zeer licht te dragen,
onzichtbaar zwellend glas.

Vallend tot een geheel vergaderd
bevat hij zelfs zijn eigen tak
en biedt ondeelbaar onderdak

aan alles wat hij vliegend nadert
en verlaat. O, zonder blinde vlek
te zijn, alom aanwezig op één plek.

Nicolaas Matsier (1945)
uit: Druppel (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Dop Bles – Het regent, het regent

Het regent, het regent

Regen spet, regen spat
’t zijn geen tranen, ’t is geen weenen,
water, water dat vloeit henen
– opgepast of je wordt nat –
regen sputtert, spettert, spat;
‘ik heb nimmer lief gehad.’

Veege zwermen, regenschermen
spreiden doods hun zwarte vlerken
over vreemde vormen uit,
niet van menschen, maar van zerken;
alle zerken togen uit,
zerken zonder kruis of bede
rust in vrede, rust besluit.
Zerken schuiven door de steden
zonder rede of geluid,
zerken die geen ziel beschermen,
zonder termen, zonder buit,
zoekend, zoekend slechts een doode
want een doode is van noode,
slechts een doode, niets dan dat!
regen, regen, regen spat….
‘nimmer heb ik lief gehad.’
Lees verder >>

Gedicht: Willem de Mérode – Olympisch

OLYMPISCH

Komt hij nabij uit ’t heidensch verleden,
Volkslieveling en keizerskampioen,
Getooid en geteekend met het blazoen
Der jonge lachende doodsgereeden?

Deze fiere Fries met het goudgeel haar,
Felle sperwerkop met smalle wangen,
Armen als buigzame stalen stangen
Heeft dood tot speer en sterven tot gebaar.

Het zijn weer tijden van spelen en nood.
Men bidt niet maar dreigt God om ’t dagelijksch brood.
De aarde beeft en de hemelen dreunen.

Om een gaaf lichaam brult het stadion.
Christus weent en de engelen kreunen,
Omdat het vleesch den geest hier overwon.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Kaleidooscoop (1938)
Lees verder >>

Gedicht: Michel van der Plas – En soms wil zij opnieuw het meisje wezen

En soms wil zij opnieuw het meisje wezen
waarvan zij in haar oude dagboek leest:
dat bloemen water gaf en plots bedeesd
begreep waarom die voor het najaar vrezen
dat zondagmiddags voor het raam ging lezen
en dat naar vruchten reikte, appels ’t meest,
en dat, voor prinsen lang gereed geweest,
van duizend wensen nooit was te genezen.

Het boek glijdt dichtgevallen in haar schoot.
Zij is zover gezworven in die dingen
mag weer drie wensen doen voor ’t avondrood
en, blozend, zachtjes bij de vleugel zingen.
Zij wordt niet wakker voor het avondbrood
hoewel de gangklok luide aan blijft dringen.

Michel van der Plas (1927-2013)
uit: Going my way (1949)
Lees verder >>

Gedicht: Hein Boeken – Wat is dat toch een leventje van u

Wat is dat toch een leventje van u,
Alles te doen met uwe kleine handjes,
Zoo klein en fijn wegloopende in de randjes
Der mouwtjes, die weghouden in schaduw

Uw armpjes, die zoo warmpjes en zoo luw
Ligge’ aan uw lichaam; en uw kleine tandjes,
Zij knabblen al wat komt over de randjes
Van uwe lipjes, nog van kussen schuw.

En toch, meen ik, zoudt gij wel willen deelen
Uw leventje met eenen, zoo als ik,
Of kan het u nog niet zoo heel veel schelen?
En hebt gij in uw ééntje nog zoo’n schik?

Heerelijk meisje, dat langs me is gekomen,
En nu mijn uren vult met zúlke droomen.

Hein Boeken (1861-1933)
Lees verder >>