Categorie: gedicht

Gedicht: Willem de Mérode • Chinese gedichten

Wachten

Viel er een kleine regen in den nacht?
Een kraalgordijn heeft even zich bewogen,
Ik luister, en ik houd mijn adem in.

Ik stond voor een verlicht papieren venster.
Mijn nagel gleed langs het doorschenen vlies,
En daadlijk viel een groote duisternis.

Het kraalgordijn heeft even zich bewogen.
Daar achter hoopt en luistert een, snel ademend.
Ik luister, en ik houd mijn adem in.

••

De vreemdeling

Een vreemdeling is in ons huis gekomen.
Wij hebben onze wanden zóó verschoven,
Dat hij een kamer heeft voor slaap en maal.

Nieuwsgierig drukte ik in den wand een gaatje.
Zijn bleek gelaat woelde in de zijden kussens.
Zijn haarvlecht kronkelde gelijk een slang.

Mijn moeder keek, en sprak geheimvol lachend:
Lang zal de vreemde bij ons blijven wonen:
Een slang beet in het zijden dek zich vast.

Nu vrees ik alle dagen voor den vreemdling.
Ik voel iets woelen in mijn prille denken.
Een sterke slang beet in mijn hart zich vast.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Chineesche gedichten (1933)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Thalatta!

door Jos Houtsma

Thalatta, thalatta: het geschreeuw waarin Xenofons Griekse soldaten uitbarstten toen ze in de verte onder zich de Zwarte Zee zagen blinken waarnaar ze al zo lang onderweg waren. Er is waarschijnlijk geen Europese literatuur waarin deze kreet geen weerklank heeft gevonden. In de Nederlandse is denk ik verreweg het beroemdst een kort gedicht in de bundel Experimenten van Geerten Gossaert; ‘Thalatta!’ Een gezelschap te paard trekt in een heuvellandschap door een eikenbos. Het is nacht. Er steekt een windje op. Er wordt een vreemd gemurmel hoorbaar. Het paard van de ‘ik’ springt naar voren en beklimt de heuvel. Daar is de zee:

Lees verder >>

Gedicht: Gellu Naum • De stuiptrekkingen van een rijk

Bij Vleugels verscheen een vertaling door Jan Mysjkin van een keuze uit de gedichten van de Roemeense surrealistische dichter Gellu Naum, onder de titel De andere kant – Pohemen.

De stuiptrekkingen van een rijk
waarvan ik allang geen deel meer uitmaak

Laat op de dag wanneer ik me op hun hoogte bevind
dansen meisjes in de duisternis ze hebben veel armen ze houden op
ze vragen me ten dans alsjeblieft we hebben ook cassettebandjes
        met iemand die tot stervens toe zingt
ach hoe dragen we hem in ons oor mee en hij zingt net zo voor ons
ach zuchten we wat je zoal tot stand brengt wat betekent dat
en kom laten we elkaar omarmen laten we leven laten we onze
        schoenen vragen of we nog bestaan
en kom laten we wegzweven in een gewest waar eenieder
        buitengewone dingen toekent aan ieder ander
maar daar gaat hij al hij buitelt naar de oeverweide ach hoe zingt
        de nacht op de brug
daar vanwaar niemand terugkeert
we zouden het water en de nacht moeten maaien zodat er geen
        spoor van zijn doortocht overblijft

ik praat met de meisjes het is een nogal ingewikkeld spel
sommigen onder hen sterven verzilverd drijven ze op het water
anderen roken het gloeiende uiteinde van hun sigaretten vonkelt
        tegen de hemel en brengt ons op een dwaalspoor

Gellu Naum (1915-2001)
uit: De andere kant – Pohemen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Bekoorde kaan

door Jos Houtsma

In 1910 verscheen in de Wereldbibliotheek van de hand van de jonge dichter Alex. Gutteling (1884-1910) een vertaling van Percy Bysshe Shelly’s lyrische drama Prometheus Unbound. Willem Kloos oordeelde in jaargang 27 (1912) van De Nieuwe Gids niet mals over het werk van de jonge dichter/vertaler, die overigens in hetzelfde jaar dat zijn werkstuk werd gepubliceerd was overleden.

Lees verder >>

De aanhalingstekens bij Marsman

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (6: H. Marsman, Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen)

Door Marc van Oostendorp

In de bundel Tempel en kruis (1940) van H. Marsman bestaat, net als in veel van zijn andere werk, een correlatie tusen het voorkomen van persoonlijk voornaamwoorden in de eerste of tweede persoon en aanhalingstekens om de hele tekst van het gedicht. De meeste gedichten gaan helemaal niet over ik of gij. Vaak is er alleen sprake van een beschrijving van de natuur, en personen komen alleen in de derde persoon voor:

Lees verder >>

Gedicht: twee blauwe gedichten

Twee gedichten uit En blauw zal alles zijn, een door Elisabeth Lockhorn samengestelde bloemlezing met gedichten waarin de kleur blauw een rol speelt.

Gelukkig blauw

Er is op straat wat blauw verloren
onder de grote blauwen van de dag.
Het wordt als hoor ik kinderkoren
achter een blauwe vlag.
Ik zie me nu in de ruiten staan
vergulder dan ik naar huis ben gegaan.

Pierre Kemp (1886-1967)

••

Requiem

Moge daar een lichtblauw
grijze verte zijn
en de schaduw van olijvenhoven
en agaven –
en de stilte van het zachtbewogen
bladje op het water.

Mogen wij daar
lichtdoorschenen zijn.

En het immer lichtend
lichtblauw grijze laaiend gouden
zonnelicht
bevrijde haar, verblijde hem.

Huub Oosterhuis (1933)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Louis Couperus • Nachten (VII)

Nachten (VII)

Er waren roze bloesmende appeltuinen,
En blank gestarrelde madeliefvelden;
Er blauwden etherdiep en tintelschel de
Onpeilbre heemlen tusschen wolkenkruinen;

En door de witte wolken gleden schuine
Zonstralen, als een gouden pad, dat helde;
Zóo tal van paren, dat wij ze niet telden,
Dwaalden langs zilvren zee aan gouden duinen.

Wij stegen zelve ’t stralenpad naar boven,
Tot ‘k plots, voor blauwe wijdte bang, mij wendde,
En eenzaam jij den gouden weg vervolgde.

Toen zag ’k je weenen; golf op golf verzwolg de
Bloemweiden en de roze bongerds schoven
Ontgoochlend weg, tot ’k de woestijn herkende.

Louis Couperus (1863-1923)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: H.L. Spiegel • Het vryen en can ick niet volprysen

Het vryen en can ick niet volprysen,
Al ben ick een heelen dach by mijn Lief,
Wy hebben veel verscheyden devysen,
De tijt ontloopt ons ghelijck een Dief,
Haer by zijn behoet my voor mis kief,
De dach dunckt my een uur warachtich,
Spreeckt my yemant aen, tis ongherief,
Ick swijch heel stil of ick spreeck mallachtich,
Mijn voorgaende reden niet ghedachtich,
Ick varieer in mijn woorden telcker stont:
Maer als ick by haer ben, die seer crachtich,
Mijn jonghe herteken heeft deurwont,
Soo vloeyen de woorden uyt mijn mont:
Wy souden wel t’samen een gants Jaer,, kallen,
En cussen, en lacchen, en jocken goet ront,
Hondert Jaer soud ick soo wel met haer mallen:
En het scheyden sou my dan noch swaer vallen.

H.L. Spiegel (1549-1612)

veel verscheyden devysen = heel wat te praten
miskief = narigheid
mallachtich = dwaas


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: H.L. Spiegel • Liefde en de Doodt

Liefde en de Doodt teghen my partyen,
Dies weent mijn hert, het kermt, het claecht:
Liefde door zijn brand heeft my doen vryen
Een schoone en suyverlijcke maecht:
Maer de Doodt seer wreet en onvertsaecht,
Heeft haer ghehaelt t’mijnder onvromen:
Liefde heeft my mijn verstandt ontjaecht:
En de Doodt heeft my mijn Lief ghenomen.

H.L. Spiegel (1549-1612)

vryen = liefhebben
onvromen = onheil


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Ceci n’est pas un vase

Wonen in gedichten (22)

Door Judit Gera
Categorie: poëticaal
Moeilijkheidsgraad gedicht: gevorderden

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Pieter Boskma (1956).

Lees verder >>

Gedicht: Johan Daisne • Zalig uiteinde

Zalig uiteinde

De laatste dagen van het jaar…
Al de balansen zijn straks klaar.
Zwaar hangt de mist, en dat grijs licht
ontneemt aan alles zijn gewicht.

Al gaan het werk, de zorgen door
in hoofd en hart en op kantoor —
er heerst een geest, in huis, op straat,
die het gelaat heeft van een feest.

In nevel zweeft het Evenwicht,
het is niet donker en niet klaar,
de meisjes hebben grijs-blond haar,
herinnering wordt vergezicht.

Ik ook, onder de late lamp,
ik reken af en maak me klaar.
Er is het graf, het nieuwe jaar,
de roes, de maat, de koorts, de kramp…

En zo is ’t goed, nietwaar, nietwaar?

Johan Daisne (1912-1978)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Celan • Een leestak

Onlangs verschenen: het door Ton Naaijkens in het Nederlands vertaalde Verzameld werk, een tweetalige uitgave van ruim 900 bladzijden, van de in het Duits schrijvende Roemeen Paul Celan (100 jaar geleden geboren, 50 jaar geleden overleden).

EEN LEESTAK, iemand
die zijn voorhoofdshuid verzorgt,

een lichtbron, door jou
via de slaap geslikt,
passeert het hongerige
gastweefsel,

kijkhulp, gestreept,
via maanvaardige
verstrooiings-sondes. In het groot: in het klein.

Werelden, altijd nog, werelden.
Basalt, over-
trokken met eelt,
door raketten gekust:
kosmische
omloop-show, en toch:
binnenlandse horizons.

Terrestrisch, terrestrisch.

Een leestak, iemand
die zijn voorhoofdshuid verzorgt – alsof je
gedichten schreef -,
hij stuit op de kaart met de groet,
toen, voor
de bloedklonterplaats, op de long-
drempel, jaar in, uit Pilsen,
jaar uit,
tijdwild van zoveel
dat stil geprangd werd:

bon vent, bonne mer,

een wapperende
hersenkwab, een
zeestuk,
hijst waar jij leeft
zijn eigen hoofdstad, de
onbezetbare.

•••

EIN LESEAST, einer,
die Stirnhaut versorgend,

eine Lichtquelle, von dir
schläfrig geschluckt,
passiert das hungrige
Wirtsgewebe,

Sehhilfe, streifig,
über mondbefahrene
Rückstreu-Sonden. Im großen: im kleinen.

Erden, immer noch, Erden.
Hornhautüber-
zogner Basalt,
raketengeküßt:
kosmisches
Umlauf-Geschau, und doch:
Binnenland-Horizonte.

Terrestrisch, terrestrisch.

Ein Leseast, einer,
die Stirnhaut versorgend – als schriebst du
Gedichte – ,
er trifft auf den Kartengruß auf,
damals, vorm
Blutklumpenort, auf der Lungen-
schwell, jahrhin, aus Pilsen,
jahrüber,
zeitwild von soviel
Leisegepreßtem:

Bon vent, bonne mer,

ei flackernder
Hirnlappen, ein
Meerstück,
hißt, wo du lebst,
seine Hauptstadt, die
unbesetzbare.

Paul Celan
uit: Verzameld werk (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Tsead Bruinja • x het engels en de preacher man

In de zomer van 2020 mocht Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja met tbs’ers en hun behandelaars spreken. Dat werden openhartige conversaties over hun jeugd, hun leven in de kliniek en de problemen waar ze tegen aanlopen. Op basis van deze gesprekken schreef hij teksten die hij beschouwt als documentairepoëzie – gedichten waarin hij zijn gesprekspartners zo veel mogelijk zelf aan het woord laat, in hun eigen taal. Ze zijn gepubliceerd in de bundel springtij. De gedichten zijn hier te beluisteren.

x het engels en de preacher man

x moet eerst nog wat spijkers in plastic kabelhouders drukken
daarna kan hij komen praten

buiten aan de picknicktafel rolt hij een sjekkie
en strekt herhaaldelijk zijn armen en schouders
de medicijnen maken zijn lichaam onrustig

tegen zijn geestelijk verzorger zegt hij
preacher man it is always good talking to you
you know a lot every sunday when I see you
is het mooi weer

dan begint hij over plannen

plannen is net als rataplan ratten ze komen zo snel op de geur van kaas af
dan val je in de val voor muisjes is het hetzelfde tegenwoordig speelt iedereen
met muisjes achter de computer de nieuwe vogelkooi is mooi kanarie
canarische eilanden blackbird allemaal zingen ze zo mooi hier

ooit wilde ik naar buiten om te roken
ik zag een engel met lange witte haren
zij kwam van die kant stagelopen
ik bleef met mijn ogen open staan kijken
ik vroeg ben je nieuw

toen schrok ik een beetje van een behandelaar
die liep met een patiënt in een rolstoel

ik zei deze dame heeft mij gehypnotiseerd
dat kunnen vrouwen heel goed als ze kinderen van je willen
alle vrouwen kunnen kinderen krijgen

ik ben rastafari ik ga nooit dood
god gaat nooit dood

de dood is voor negatieve mensen

de moeder van x kookte veel kip geit en koe
ze had hartkloppingen

x zei mama je moet alleen kip eten
dan heb je geen hartkloppingen

hij was tweeëntwintig en is nu negenenvijftig
zijn moeder is vijfennegentig

aruba is mooier dan curaçao omdat ze meer engels praten daar
die taal is favoriet die heeft hem genezen in godsnaam

Tsead Bruinja (1974)
uit: Springtij (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C. Buddingh’ • Zeeklacht

Zeeklacht

Het water van de zee is altijd zout,
Hoe men de suikerpot ook mag hanteren,
Geagiteerd over het strand marcheren,
Terwijl de wind de brandingkoppen krauwt;
Een borstbeeld hakken uit scheepstimmerhout,
Des nachts, in droom, met meerminnen verkeren,
Tarbot fileren of Neptuin vereren:
Het water van de zee is altijd zout.

Daar helpt geen moederlief, geen vaderstout,
Geen bokken, dokken, knokken of gekscheren,
Geen brein van boterkoek, geen hart van goud:
Of men voor dames voelt of meer voor heren,
Het water van de zee blijft altijd zout.

C. Buddingh’ (1918-1985)
uit: Het mes op de gorgel (1960)

Foto: A. Vente


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C. Buddingh’ • De senekater

De senekater

De senekater stond aan zee,
En sprak: als alles goed was,
Dan was de hele oceaan
Eén mooie, grote bloedplas.

Maar ja, het leven is eenmaal
Slechts zelden als het zijn moet;
De wijze weet dat, en aanvaardt,
Schoon ook het hart hem pijn doet.

De senekater keek naar zee,
De golven spoelden strandwaarts –
Dan wendde hij zich peinzend om,
En stapte langzaam landwaarts.

C. Buddingh’ (1918-1985)
uit: Gorgel-rijmen (1953)

Foto: A. Vente


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nel Benschop • Anno Domini

Anno Domini

Mijn God, ik ben soms bang voor ’t komend jaar,
zo bang voor dingen, die zomaar gaan gebeuren.
Ik kom met al mijn vragen, angsten, zorgen lang niet klaar,
soms voel ik mij gebonden achter stalen deuren.

Mijn God, ik ben zo bang dat nooit de engel komt
die mij Uw stralend licht zal binnenleiden.
Mijn blijdschap is zo broos, mijn lied verstomt,
als U mij niet komt redden, wie zal mij bevrijden?

O God, ik ben zo bang, ik ben alleen,
rondom mij staat het donker, dreigend hoge muren…
En als U komt, waar voert u me dan heen?
Ik vrees, o God, ik vrees Uw oordeelsvuren…

– Vrees niet, want nòg zend Ik Mijn eng’len neer,
nooit hoeft een kind van Mij de vreugd van Kerst te derven.
Want voorzeker geboren is Christus, de Heer,
van Hem mag je zijn in leven en sterven! –

Nel Benschop (1918-2005)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Frank Willaert leest de Rey van Klaerissen

Door Frank Willaert

Vondels ‘Rey van Klaerissen’, met het beroemde beginvers ‘O Kerstnacht schooner dan de daegen’, komt voor aan het eind van het derde bedrijf van zijn Gysbreght van Aemstel. Dat stuk was bedoeld om op Tweede Kerstdag 1637 te worden opgevoerd ter gelegenheid van de inwijding van de Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht.

Lees verder >>

Gedicht: Martinus Nijhoff • De kerstboom

De kerstboom

De kaarsen branden tusschen mandarijnen,
Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten.
De kind’ren zingen, en de dauw der groote
Oogen beweegt en blinkt in ’t trillend schijnen.

Hoor hoe ze zingen: ‘Nu zijt wellekome’ –
’k Voel moeders hand weer die de mijne houdt,
En huiver bij den geur van ’t schroeiend hout
Als toen ik zong: ‘Gij zijt van ver gekomen –’

En daar staat weer de stal van Bethlehem,
Sneeuw op het dak en licht door roode ramen! –
– Moeder, wij waren veel te lang niet samen,
– Ik heb het lied vergeten met uw stem.

Zij strijkt weer door mijn haar en zegt: ‘Ach jongen,
Elk jaar dat jij er niet bent bij geweest,
Meende ik je stem te hooren, hier op ’t feest,
Vlak naast me en weenend als de kind’ren zongen –’

Martinus Nijhoff (1894-1953)
uit: Vormen (1924)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: 5.13 en 5.14

Twee sonnetten uit de door Bas Jongenelen samengestelde sonnettenkransenkrans (14 x 14 sonnetten (van 14 regels)), inclusief per krans een meestersonnet, plus een grootmeestersonnet. Titel: Problemen, dingen, zooi en tribulaties.

5.13

Hij bezigt taal van dwazen en van lijpen,
begrijpt de halve tijd niet wat hij zegt,
lult recht wat krom is en wat krom is recht:
de vaagtaal ligt altijd voor het (be)grijpen.

De grap is dat dat zweverig gedoe
alleen maar werkt bij je gelijkgestemden:
dus managers in je gestreepte hemden,
I’ll say zis only once: ze joke’s on you.

Dus steek je woorden waar de zon niet schijnt,
je prietpraat is mijn ander oor al uit,
jouw moeilijkdoenerij en flauwekul

slaat als een tang op ’s varkens achtereind,
maar weet, als jij je kont keert, klinkt het luid:
‘Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul!’

Marino van Liempt

5.14

Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul,
die suffe pencil pusher, zielepoot,
van saaie zak naar grijze middenmoot,
de dooievisjesvreter, slappe lul.

Hij likt naar boven, trapt dan hard omlaag,
zo’n cijferneuker, zeurpiet, waterhoofd,
door focus, meetings van’t verstand beroofd,
De zaagselkop met zijn constant geklaag.

Er komt een dag, dan valt hij door de mand,
weg targets, bottom line en bottle neck,
dan hangt hij aan een boom dat stuk verdriet.

Een nieuwe, vol jargon, betreedt het pand,
de fabels, sprookjes stromen uit zijn bek,
de blauwbilgorgels vallen in het niet.

Marco van den Berg
uit: Problemen, dingen, zooi en tribulaties (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Wout Waanders • Sasha naar het vliegveld brengen

Uit Parkplan, de debuutbundel van Wout Waanders.

Sasha naar het vliegveld brengen

We hebben Sasha naar het vliegveld gebracht,
afgelopen dinsdag, met een knisperende zon op onze achterruit
radioliedje van REM op de bijrijdersstoel.

Sasha zat met haar koffer op haar schoot
naar buiten te kijken. Ik heb haar niet meer om dat boek gevraagd.

Sommigen vinden het zeer terecht
dat ze weg is straks, anderen hebben er andere meningen over.

Onze oom Thomas had daarboven de regen bevroren.
We waren halverwege toen de hagelstenen op de voorruit vielen.

De ruitenwissers tikten de stenen weg:
alle stenen die van Sasha houden naar de ene kant,
alle stenen die niet van Sasha houden naar de andere.

Daar reden we dan: door een steenregen
naar een vliegveld, en ik zag Sasha
naar buiten kijken, ik zag haar adem
tegen het raam aan geplakt, zonder haar naam
erin geschreven, haar warme lucht
tegen het koude raam. We hebben
Sasha naar het vliegveld gebracht.

Wout Waanders (1989)
uit: Parkplan (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema • Bede

Bede

Schoonheid, die in de hemel zijt,
Die de eeuwigheid heeft opgeschreven,
Geef ons iets van uw eindloosheid,
Geef ons van uw verhevenheid,
Van uw geweldigheid –
Om groot te leven!

Schoonheid, die in de wereld zijt,
Die tussen mensen hangt te beven,
Geef ons van uw eenvoudigheid,
Geef van uw mededeelzaamheid,
Van uw deemoedigheid –
Om goed te leven!

Schoonheid, die in ons zelve zijt,
Die moeder ons heeft meegegeven,
Geef aan onze ogen zuiverheid,
Geef aan ons hoofd uw helderheid,
Ons hart uw dapperheid –
Eerlijk te leven!

C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema • Meisje

Meisje

Meisje weet je wat ik –
wat ik zeggen wou -?
‘k Wou je zeggen dat ik –
dat ik van je hou. –

En dan wou ik schatje –
dat je – nou dat jij –
Nou natuurlijk dat je –
dat je hield van mij. –

En dan wou ‘k je als je –
als je van me houdt –
Zoenen in jouw halsje –
als je ’t hebben woudt. –

En dan – nou dan dee ik –
dee ik ’t overal –
En dan dee ik – nee ik –
dee ik niemendal! –

En dan – ach! dan zou ik –
zou ik ’t nog een keer –
En dan – – ja dan wou ik –
wou ik toch nog meer -!

C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema • Polder met jouw witte wegen

Polder met jouw witte wegen

Polder met jouw witte wegen
En jouw sloten aan de kant,
Met jouw wijde, allerzijde
Vredig bloeiend waterland,
Met de dromerige zegen
van jouw welig zachte vee,
Voel ik mij jouw ziel genegen,
Deelt hij zich de mijne mee.
Polder met jou ben ‘k verwant:
Wij zijn dingen van een land!

Polder – van de duinen dalen
Weer mijn voeten naar jouw kant –
Ach, wat restte mij ten leste
Dan jouw kleine waterland!
Dan te dromen en te dwalen
Door de bloemen van jouw wei,
Dan te leven en te stralen –
En te sterven zoals zij!
Polder, met jou ben ‘k verwant:
Ziel van ’t eigen lieve land!

C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lukas Rotgans • Goochelaars

Goochelaars

Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheid gedreven,
Zie ik van verre in ’t dorp twee goochelaars, verheven
Op hun ladders staan, die rustend aan de muur,
Het volk vermaken bij ’t gezwets met kuur op kuur.
De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mond wijd open.
Hij schatert, juicht en zwelt, terwijl zij wind verkopen.
De tandeloze best, die lang aan ’t fleresyn
Nog onlangs lag te bed, en kromp van smart en pijn,
Vergeet haar leed. Dit spel kan haar geest bekoren.
Zij grinnikt in haar vuist, en meesmuilt onder ’t horen.
Zo werken ijdle klap en potsen in ’t gemeen
Veel meer op ’t hart van ’t volk, dan welgezoute reên,
En stichtend onderhoudt: als Heeroom eertijds leerde,
Toen hij de kermisvreugd verfoeide en ’t feest blameerde.

Lukas Rotgans (1653-1710)
fargment uit: Boerekermis (1708)

Op de tamelijk realistische beschrijving van enkele vieze tooneeltjes mag men geene aanmerking maken, omdat het onderwerp dat meebracht en Rotgans zeer goed wist, hoever hij daarin kon gaan zonder den smaak zijner beschaafde tijdgenooten te kwetsen. Ook de korte zedenpreekjes, die de schildering der kermisvermakelijkheden soms afbreken, waren misschien noodig om aan het gedicht in de kringen der beschaafden bijval te verzekeren en te toonen, dat de dichter niet in zijn onderwerp opging, maar er boven stond.
Jan te Winkel


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.