Categorie: gedicht

Gedicht: Jacob Westerbaen • Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Gij wenst asperges in uw hof,
wat beddens zoudt gij wel begeren;
uw man sloeg het geheel niet of,
des kom ik u wat plant vereren,
opdat het daar niet aan en schort.
Nu schort het maar aan vuiligheden,
maar waar veel hooi gegeten wordt
daar is het immers recht en reden
dat men daar ook niet weinig k*k,
gelijk het niet en placht te missen
(of ’t oude spreekwoord kreeg een krak),
dat die veel drinkt ook veel moet pissen.
Het scheelt dan maar aan vuiligheid,
maar daar wil ik mij niet mee moeien,
alleen dient u te zijn gezeid:
de vetste str*nt komt van de koeien.
Maar zo de roggeakker roept:
‘Daar is niet voor de hof te krijgen,
mijn smeer en dient mij niet ontsnoept’,
zo ziet het af met paardenvijgen.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacob Westerbaen • Vloek tegen de vlooien

Burlesk gedicht over een onrustige nacht. Westerbaen wordt tijdens een verblijf in een herberg geplaagd door vlooien: beestjes die totaal geen oor blijken te hebben voor zijn toch zo redelijke vermaningen…

Vloek tegen de vlooien

Het is hier wel te wezen:
de spijs is uitgelezen,
de drank is fris en goed,
de wijn in overvloed,
meer dan men heeft van node,
van witte en van rode;
hij, die ze beide mag,
geraakt hier op zijn slag.
Men kan de tijd passeren
met praten, met verkeren,
met hok, met lanterlu,
flus ’t een, en ’t ander nu,
terwijl de vuile straten
geen wand’len toe en laten
en dat de buitenpaên
niet droog en zijn te gaan,
en dat de diepe wegen,
gebroken door de regen,
ons zeggen: ‘’t Is te nat,
wij lijden paard noch rad.’
Een van de jufferdieren,
beleefd en goedertieren,
heeft mij haar bed geruimd,
heel zacht en wel gepluimd;
maar, als ik meen te slapen,
de vlooien zijn in wapen
en komen mij te keer Lees verder >>

Gedicht: Jacob Westerbaen • Droom

Droom

In ’t midden van de nacht geraakte ik aan ’t dromen
en zag mijn Rosemond omtrent mijn bedde komen:
haar woorden waren zoet, zij was haar wreedheid moe,
haar oogjes wierpen mij veel lieve lonkjes toe.
’k Verstoute mijn gemoed en ik begon te klagen*
de lange eeuwigheid van mijn bedroefde dagen,
mijn leven zonder vreugd, mijn eindeloze smart
en haar verstaalde ziel in een metalen hart.
Een zee van tranen stond in mijn gezwollen ogen,
uit mijn benauwde borst kwam zucht op zucht gevlogen.
Ik bad haar om genâ, om ’t einde van mijn nood
óf door haar wedermin, óf door een rasse dood.

Z’ ontsloot het schoon koraal*, de zeilsteen* van de kusjes,
de haven van mijn ziel, de speelhof van de lustjes,
haar lipjes gingen op*, zij sprak mij aldus aan:
‘Vermoordt uw ogen niet en laat uw wenen staan.
Zij, die u heeft gekwetst, kan u weerom genezen;
zij, die is wreed geweest, kan u weer gunstig wezen;
zij, die uw hart bezit, maakt einde aan uw pijn
en geeft u ’t haar weerom, en wil de uwe zijn.’
O vriendelijk bedrog! O zoete dromerijen!
Helaas, hoe kort is het geluk van wie er vrijen,
want als ik met een kus haar lieve mond genaak
(ha, korte droom-geneugt!), voel ik dat ik ontwaak.

Ik heb nog lang daarna met aangename grepen*
geveinsd te dromen, en mijn ogen toegenepen:
Maar, laas*! de vaak* verging, en ik bevond daarnaar*
mijn vreugde vals te zijn en mijne droefheid waar.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

 

klagen = beklagen
koraal = rode lippen
zeilsteen = magneet
op = open
grepen = listen
laas = helaas
vaak = slaap
daarnaar = toen

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Hagar Peeters • De man met de snor

Uit De schrijver is een alleenstaande moeder, de nieuwe bundel van Hagar Peeters.

De man met de snor

Over M.G.

De man met de snor
is bekoorlijk en snel
is een terror en fel
is van het vuur de hel

is van hitte de stoom
is van slapen de droom
is van woorden de klank
is van afscheid de dank

is pommade en drank
is van drank de dronk
is van woorden de mond
is van lippen de kus
is van vuur het geblus Lees verder >>

Gedicht: Annie MG Schmidt • Herinnering

Herinnering

Ik heb jou eens ontmoet in achttien-zeven
Of achttienhonderd-acht, zoo ongeveer……
In elk geval was ’t in een vorig leven
En aan je oogen kende ik je weer.

We waren toen óók twintig, en ik zag je
In ’t roefje van de schuit naar Overschie
Je hebt nu weer precies hetzelfde lachje……
Alleen zit je nu naast me, in lijn drie.

Je bent wel érg veranderd in die jaren!
Je droeg toen niet zoo’n blauw confectie-lor.
Je had een kniebroek aan, en lange haren
Je had nog een geweten en een snor.

En ik … ik droeg een luifelhoed met rozen
en sloeg mijn oogen aldoor zedig neer
ik had een crinolien, en kon nog blozen,
Dat kan ik nu helaas sinds lang niet meer.

Is er dan niets hetzelfde gebleven?
Ja toch, die kleine primula’s in ’t groen!
En ook die ééne zeemeeuw is nog even
statig en zilverwit en rank als toen!

Wat doet het er dan toe, of alle dingen
veranderd waren en wijzelf het meest?
Jouw oogen en de geur van de seringen
zijn altijddoor hetzelfde geweest!

Adieu! tot over honderdzooveel jaren!
Ik zie je dan weer in de stratosfeer
Je beeld kan ik zoolang niet meer bewaren
maar aan je oogen ken ik je toch weer.


Annie M.G. Schmidt (1911-1995)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: H. Marsman • Annie

Annie

Haar lichaam golfde in het bed
– de herten traden uit het woud
van berkenzon en beukengoud –
en in het deinen van haar schoot,
gevangen in het gouden net,
verging mijn lichaam in het wed
tusschen haar schouders en haar schoot.

in ’t zachte golven van haar buik
verging de ziel en stroomde uit
in ’t donker, wijnrood golvend dal,
en samen, hemel en heelal,
waren in snellen wisselval
wij beurt’lings golf en golvendal.

maar golf of dal of mast of boot –
onder het weemlend sproetengoud,
onder den wilden harenval
van beukenrood en berkengoud,
werden wij, hemel en heelal,
een voorgolf van den dood.


H. Marsman (1899-1940)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Herman de Coninck • Herfst is de tijd van vermoeden, niet van weten

Herman De Coninck maakte een groot aantal (vrije) vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent Millay (1892-1950). ‘Herfst is de tijd van vermoeden’ is er daar een van.

Herfst is de tijd van vermoeden, niet van weten.
Van tasten, niet van grijpen. Van eerst met mijn duim
het waas wegvagen van een purperen pruim
en van voelen en van dàn pas eten.

Herfst is rustig doende, niet als zomer doende was,
met dat druk ondernemen, proclameren en oprichten
en met uitbreiden en met weer iets anders stichten.
Herfst vertraagt een ogenblik de pas. Lees verder >>

Gedicht: Jaap Fischer • Het ei

Het ei (♫)

Ik kocht een ei, de melkboer zei:
’t Komt zo onder de kip vandaan,
Ik ben nog te laat van huis gegaan
Om het mee te kunnen nemen.
Hier heeft U een jong leven
Voor zestien cent of meer,
En namens de ouders: smakelijk eten, meneer.

Het lag nog warm te leven in mijn hand.
Ik mikte reeds zorgvuldig op de harde hete rand
Van de pan en ik kon de geur al ruiken
Van dit al te vroeg geremde kuiken. Lees verder >>

Gedicht: Nachoem M. Wijnberg • Afscheidswedstrijd

Uit Afscheidswedstrijd, de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg (met enkel gedichten die over voetbal gaan, maar op een andere manier dan in de meeste voetbalgedichten).

Afscheidswedstrijd

Je kwam enkel om dag te zeggen
aan wie je eerder gesproken hebt,
zie je die dan ergens? Of je wilde een afscheidswedstrijd spelen,
terwijl een dertienjarige in het publiek het beter zou doen dan jij. Je zou
        erin komen

als jullie ver genoeg voor zouden staan,
maar dat gebeurde niet
en je begon te hopen dat jullie zo reddeloos achter zouden komen
dat je je tijd kon krijgen. Je kwam enkel om dag te zeggen aan wie je eerder
        gesproken hebt,

waar is die dan? Toen je dertien was
hoefde je geen wedstrijd te zien,
maar omdat je ouder geworden bent
kijk je naar steeds meer wedstrijden en het is nog lang niet zo ver, maar als
        je bang wordt

dat het de laatste wedstrijd is die je zal zien,
begin je dan later met kijken? Alsof je anderen moet vragen afscheid van je
        te komen nemen
om achteraf zonder spijt te zijn
en zonder alles.


Nachoem M. Wijnberg (1961)
uit: Afscheidswedstrijd (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Gert de Jager • Geen woordgrens of niets

Uit Schitterende, labiele knooppunten, de nieuwe bundel van Gert de Jager. De bundel is als pdf gratis verkrijgbaar bij Gaia Chapbooks (via winkelwagentje).

Geen woordgrens of niets

Onverhoeds het weidse in steden waar de wateren zich openen,
of de wouden met hun open plekken en opeens een heuvelrug, zo kaal
en zo leeg en het land, de verhoudingen tussen alles.

Mijn breintje dat zich wikkelt in bedenkingen, geen woordgrens of niets,
de tederheden en bedenkingen, achterwege
of achtergebleven.

De onnavolgbaarheid van bomen in hun bos, de wortels die in elkaar,
de takken die in elkaar. Zo lopen wij ,
afzonderlijk en onnavolgbaar.

En dan is er alles.

Gert de Jager (1957)
uit: Schitterende, labiele knooppunten (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J.J.L. ten Kate • Naar buiten (fragment)

Naar buiten

(September 1842)

Gekerkerd in de Stad, verwelkte ik in haar muren,
Gelijk een bloesem tussen steen:
In nachten zonder slaap, in doorgebeuzelde uren,
In rook, rumoer en ijdelheen!
De Stad! dor kerkhof, waar zich levenden begraven
In ’t graf der Luiheid, Lust of Smart,
Voor eigen driften zich verneedrend tot haar slaven,
Of wonden slaande in eigen hart;
De Stad! onstuimig meer, wiens rustloos golfgewemel
Dooreen woelt, hotst, zich-zelf verslindt,
Waar schipbreuk woont en vreze, en ’t starlicht van Gods hemel
Geen spiegel voor zijn stralen vindt!

[lees verder]

J.J.L. ten Kate (1819-1889)


• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Fred Portegies Zwart • Raam

Raam

Meer dan ’t gebeurde telt wat kon gebeuren
en niet gebeurd nog steeds gebeuren kan.
Je loopt een huis langs en herkent daarvan
de grammofoonmuziek, de braadvleesgeuren.

Is dit jouw huis – of woont een andere man
met vrouw en kinderen binnen deze muren?
Vitrage voor de vensters, dicht de deur en
geen pad waarlangs je achterom kunt gaan.

Halfweg knarst in de hoogte een scharnier.
De zolderruit zwenkt uit tot vergezicht
en toont daarbij het huis binnenstebuiten.

Maar tussen raam en sponning is de kier
te klein en ook te ver, – hoewel het licht
mij niet geheel en al wil buitensluiten.


Fred Portegies Zwart (1933-2003)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Gertrude Starink • hij noodde mij aan tafel

hij noodde mij aan tafel in de schaal
lag vlees dat ik nog nooit gegeten had
op hoogverraad stel ik de hoogste straf
de zwarte vogels kwamen er op af
ze aten pratend uit mijn hand een taal
die ik gekend had maar vergeten was

gelaarsde lansknecht lang loodrecht
en aan de lans een bleke steen gestoken
bedelkoning meesterknecht
edelsteen schedelbeen woord gebroken

de laatste keer dat ik je heb gesproken
hoopte je dat ik schildpadsoep zou koken


Gertrude Starink (1947-2002)
uit: De weg naar Egypte. Twintig passages 1970-1977 (1993)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jo Landheer • Weer zie ik u …

Weer zie ik u …

Weer zie ik u, zoals wij samen gingen,
Dien middag na den regen, toen bewaasde
Sluiers nog om de doffe beuken hingen,
Naar ’t dampig weiland waar de paarden graasden.

Blaren nog lekkende van verse droppen
Hield gij behoedzaam in uw tengre handen,
Gij streelde zacht de speelse paarde-koppen.
En alzijds om u stil de wijde landen.

Toen straalde opeens de zon op gras en lover,
Van wild geluk vloeide mijn hart vol over.

Jo Landheer (1900-1986)

Lees verder >>

Gedicht: Joke van Leeuwen • Een land beginnen

Uit Hee daar mijn twee voeten, een nieuwe bundel versjes van Joke van Leeuwen.

Een land beginnen

Laat ik eens een land beginnen
zei een man op donderdag
en hij ging een winkel binnen
kocht een blauw-met-gele vlag
en met stokken en met touw
heeft hij toen (om een gebouw
om een schuur en om een plein
en een braakliggend terrein
met wat schapen en wat bokken)
om zijn land een grens getrokken
met die vlag van hem erbij
en hij zei: Zet in de krant
en op internet dat wij
– ik dus eigenlijk – een land
zijn begonnen, ook al weet
ik nog niet hoe dit land heet
maar dat ga ik gauw verzinnen
want mijn land kan nu beginnen
en ik zeg hoe alles moet
want ik ben de baas hier, goed? Lees verder >>

Gedicht: Carel Vosmaer • ’t Raapt al kogels

Nieuwe titels in de DBNL (van o.a. Carel Vosmaer).

’t Raapt al kogels

De vorsten spelen ’t hooge spel,
’t Volkerenmoordende, roovende spel.

Waar ’t kamp gekozen is, wordt al
Wat oogst beloofde
Groen weggemaaid;
’t Hinderlaagbiedende struikgewas,
En ’t breed gekruinde hout geveld;
Bloemrijke villaas en nijvere hoeven geslecht;
En vóor den oorlog
Is reeds het schoone land geschonden,
Natuur verkracht.

Dan woedt de krijg op ’t leeg gevluchte land.
Volken, in vrede wedijverend,
Vrienden door kunst en verstand,
– Vrienden wêer na de bedwelming, –
Storten, waanzinnigen,
Opgezweept en verdwaasd
Door heerschersgeweld en bedrog,
Elkander op ’t lijf. Lees verder >>

Gedicht: N.E.M. Pareau • Graftuil voor Staring

Graftuil voor Staring

Nog schuilen Wildenborchs* klimopberankte muren
ten einde van de zware beukenlommerkloof
en roemen bosch en beek in stroph’ en tegenstrophe
den meester, die én spade én veder kon besturen.

Hier plantte, zwoegensmoê in stille avonduren
hij ’t laat zijn grijzend hoofd omwindend lauwerloof;
hier, waar de stormwind eens het droge zand verstoof,
schiep hij een ruischend woud van regelen en caesuren Lees verder >>

Gedicht: Bert Decorte • Galanterie

Galanterie

Ik kom liefst wat te laat en laat je gaarne fluiten,
want wie te vroeg komt vrijt zijn vrolijkheden kwijt,
maar laat je, meesteres, vast in mijn armen sluiten
alvorens jij me vrank en vrij de straat op smijt.

Zo smeekt hij die, te smal om smoesjes te verkopen,
de kinderen vermaakt of wroet voor ’t vaderland
en het vertikt, Tity, je verder na te lopen
en wachten of je wel zal wederkeren, want,

schoon mij een dag in mei de gouden mingodin,
die telkens dook en daalde uit loverbovenzalen,
vertelde hoe ten haard van ’t heilig huisgezin

een snelle rebel telt in je tatertalen,
carissima, je kan in ’t kuiltje van mijn kin
mij met je kattentong geen tussenkus betalen.


Bert Decorte (1915-2009)
uit: Orfeus gaat voorbij (1940)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Rosa Schogt • Uit een sprookje

Uit: Dansen te ontspringen, de debuutbundel van Rosa Schogt.

Uit een sprookje

Hij weet niet goed meer waarvandaan,
waarheen hij kwam, er was een grens,
er was eens maar die liep naar hier,
een kaft, een blad papier

Hij is de trol, bebuikt, bebaard,
hij is de sater, is de ork,
de draak, de dwerg die van je houdt,
de reus, de gnoom, de wolf

Hij was de hele tijd op weg
naar jou. Hij zag een man, dicht bij het eind
Die zat daar maar, keek bang, benard,
Het paard smaakte zeer goed

Diens kroon nam hij maar mee, voor jou
Jij bent de mooiste vrouw die hij ooit zag
Gelukkig lang houdt hij je vast
Je bent van hem alleen


Rosa Schogt (1980)
uit: Dansen te ontspringen (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.