Categorie: gedicht

Gedicht: Matthijs van der Merwede • Le carezze stravaganti di Checha Biancona


Le carezze stravaganti di Checha Biancona**

’t Is niet om haer brand te blussen,
Dat mijn Kind mijn fluyt gaet kussen;
‘tSpijsden noyt haer geyl gebrek,
Dat sy my beet in de nek.
Sy en neygden noyt haer lippen
Na den huys-raed van mijn slippen,
Slechts om ’t soenen van de mast,
Die op haren koker past.
Neen sy wil wat anders smaken,
Neen mijn Kind wil note kraken:
Om de minne van de smeer
Likt de Kat de kandeleer.

Matthijs van der Merwede (1625-1677)
uit: Uyt-heemsen oorlog ofte Roomse min-triomfen (1651

** iets als: de buitengewone liefkozingen van Checha Biancona


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Hendrik de Vries • Die bloedrode lichtvlek



Die bloedrode lichtvlek – misschien de maan.
Dan heeft een zandstorm haar afgeduisterd,
Maar als die vlek de zon is, moet alles vergaan.
Er wordt niet meer gesproken, wel gefluisterd.
Enkelen zoeken de weg langs de kerk
Waar twee monsters rukken, reuzensterk,
Tuimelend aan een metalen keten,
Met razend gebrul. Ik had nooit geweten
Dat zo woeste dieren daar lagen gekluisterd.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: Verspreide gedichten (1942)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jan Boerstoel • De jaren zestig

Uit Tussentijd, de onlangs verschenen bloemlezing uit het werk van liedjesschrijver Jan Boerstoel.

De jaren zestig

De jaren zestig en de dingen die je deed
en die je laten ging omdat ze niet meer hoorden,
de zwarte kousen net zoals de witte boorden,
want de liefde en de vrijheid ging in spijkerpak gekleed
in de tijd dat Gerard Reve nog een ezeltje bereed
en dat Johnson Vietnamezen liet vermoorden
en er waren zoveel mooie nieuwe woorden:
mescaline, meditatie,
happening en demonstratie,
Lees verder >>

Gedicht: Bart Moeyaert • De wens

De wens

Wat als het niet de schuld is
van mijn krappe jas. Wat als
de hele wereld past, maar niet
bij mij. Wat als straks blijkt
dat ik al jaren word gemist
in het heelal. Wat zou ik gaten
springen in de lucht. Wat ben
ik buitenaards. Wat mij nog
mooier lijkt is dit: dat ik twee
vleugels van mijn vader krijg.
Dat mijn moeder voor me staat
en zegt: verbaas ons maar.
Dat brullen wil ik van ze horen.
Dat ik moet leren vliegen met
de kleren die ik draag. Dat mijn
schouders breder worden
en de wereld weer mijn maat.

Bart Moeyaert (1964)
uit: Helium (2019)

Lees verder >>

Gedicht: Jana Arns • Dochter

Uit Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn, de nieuwe bundel van Jana Arns, over onder meer “het gevecht met anorexia nervosa en de zorgen van elke ouder om een kind dat niet meer onder de vleugels past”.

Dochter

Ze zet de tijd luider.
Groeit uit haar dagboeken.

Draagt de week binnenstebuiten
om niet naar huis te moeten.

Ze kleurt enkel nog met lippenstift,
buiten de lijnen met oogpotlood. Lees verder >>

Gedicht: Richter Roegholt • Kannibaal

Kannibaal

De krant blijft een bron
van verbazing
een Engels meisje
ging naar Nieuw Guinea
en zag een kannibaal
die stam zo zegt de krant
heeft zich vooral geweerd
door het opeten van Japanners
het was liefde op het eerste gezicht
de krant van 23 februari
vermeldt nog dit
de ouders gaven toestemming
en de dominee
de dominee gaf zijn zegen

Richter Roegholt (1925-2005)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Erik Jan Harmens • U beklijft

Erik Jan Harmens is de winnaar van de Ger Fritz-Prijs, die jaarlijks wordt toegekend aan het mooiste eenzame uitvaart-gedicht van het afgelopen jaar. Harmens schreef het winnende gedicht, ‘U beklijft’, ter gelegenheid van eenzame uitvaart nr. 240, van de heer G. R. op 6 mei 2019.

U beklijft
Voor G. R.

hoe minder ik snap van de wereld
hoe meer de wereld mij niet begrijpt
net als bij dageraad gebeurt dit tegelijk
zon komt op terwijl de maan verdwijnt
u werd dwarsligger genoemd, spaak in het wiel
weggezet als verzetter-om-het-verzetten
u in kuif gepikt zag uw goede naam besmet en
klom in de pen zogezegd, haphaphap, een bijtwoord viel Lees verder >>

Gedicht: H.C. ten Berge • De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca

Hieronder de eerste twee gedichten uit De beproevingen van Álvar Núñez Cabeza de Vaca van H.C. ten Berge, waarin in 45 scènes een rampzalig verlopen veroveringstocht uit 1528 wordt beschreven.

1

Op de tuibrug naar Tampa,
staal en beton dat fraai gelijnd en hemelhoog
de baai boven ravottende dolfijnen
in een lange glijvlucht overspant,
de zon trotseert en de orkaan weerstaat,
denk ik aan Álvar Núñez Cabeza de Vaca
               die vijf eeuwen her onder Pánfilo de Narváez
               met drie kraken en een brigantijn
               op deze blinkend witte kust verzeilde.
               Er werden 40 slanke paarden en 300 man ontscheept
               om slecht toegerust een blinde tocht
               van Florida naar het Azteekse Mexico te ondernemen.

Het was 1528 toen het brede, diepe water
Baai van Het Kruis werd genoemd Lees verder >>

Gedicht: Carel Vosmaer • Vivisectie

 

Vivisectie

Honderdduizend menschen, levend,
In den oorlog snijden, kerven,
Dat was altijd eeregevend,
Kon ons lauwren doen verwerven.
Onvermijdlijk, nuttig kwaad,
Dient dit middel kerk en staat.
Preventief te detineeren
Zal geen rechter ook onteeren.
’t Wormpje aan den haak geslagen,
Kronklend, smartelijk gemarteld,
’t Vischje in zijn kieuw te prangen.
Wen het in zijn doodsangst spartelt, Lees verder >>

Gedicht: Shari Van Goethem • wat aan haar voorbijging

‘wat aan haar voorafging’ is het openingsgedicht uit Tere stengels van Shari Van Goethem, waarin ze “de leegte armen en benen geeft”.

wat aan haar voorafging

de avond waarop we nog van niemand waren
staken we onze natte neuzen in het zand
ook de dagen daarna was ons snot nog korrelig
maar het voelde niet meer zoals toen we huilden
omdat ademen moeizaam ging. we huilden

Lees verder >>

Gedicht: Gerard Bruning • Straatmuzikanten

Gerard Bruning (1898-1926) is de jong overleden dichter van een klein oeuvre dat pas lang na zijn dood werd gebundeld.

Straatmuzikanten

Air mélancolique

De straat is mijn wrang verdriet,
mijn grijze pijn in den wentelenden dag:

aan den straathoek schuilt het ijl harmonika,
en de zoete heimwee der mandoline
vervult de menschen met een kleine pijn:
schuifelend muziekje
aan de grijze steen van het huis,
aan de grijze steen
grijze steen,
– spoorloos.

Lees verder >>