Categorie: gedicht

Engelmans Ambrosia

Door Peter J.I. Flaton

Intussen zijn er de artikelen van: J. Boets, “Spiegelgebruik van de taal. ‘Is Vera Janacopoulo (sic) een muzikaal gedicht?”, in: Spiegel der letteren, jrg. 9 (1965-1966), 267-272; R.A. Cornets de Groot, “Wat nou? Is Vera Janacopoulos geen muzikaal gedicht?”, in: Kentering, jrg. 9, nr. 6 (nov-dec 1968), 5-7; P. Claes, “Jan Engelman, ‘Vera Janacopoulos’”, in: Ons erfdeel, jrg. 49 (2006), 267-269; P. Buddingh’ “Jan Engelman – Vera Janacopoulos”, in: Meander van 16 oktober 2013.
Niettemin waag ik het erop het mijne over Jan Engelmans intussen canonieke cantilene te zeggen. Ik heb dit gedicht (immers) jarenlang in de klas behandeld en er zo een eigen relatie mee gekregen.

Lees verder >>

Gedicht: Peter Knipmeijer • ma1/40x

Uit ma1/40x, de nieuwe bundel (uit de toekomst in toekomsttaal) van Peter Knipmeijer.

jounes zeg da er ‘ne uur is
på die grensvlies between dag ó nacht
ó da juist da die meeste gebeurt: blauw
is dadie tijd ó strange dadie licht
die stroom o´er jounes steden. somewhere
i halfduister komt verborgen leven na buiten
as ‘ne weduwe på ‘ne oud matras
‘ne man die schrijft met houtvingers
‘ne halfblinde die skerptediepte zoekt

•••

i jounes herfst maken die bomen si winterklaar
as aanvulling
på die spookgedrochten i jounes sky
snoeiharde sprookjes,
kil ó toonaangevende wegwijzers
i die totaalplaatje von jounes kant von hierdie kloof
da na worden kransen gelegd:
kleinroodgekleurde guirlandes as
bliepbloepbliep gedrupte kinders
på vruchtbaar land
slapend,
fantastisk as nachtkaarsen

Peter Knipmeijer (1970)
uit: ma1/40x (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Klaas Jager • Zeg het een keer recht in mijn gezicht

Uit Dichtbrieven van een overzeese vriend, de nieuwe bundel van Klaas Jager.

Zeg het een keer recht in mijn gezicht
wat jij nu eigenlijk echt nog van mij wilt,
een slepende vete als souvenir van vrede
het vooruitzicht op geen van beide wellicht?

of ambieer je vooral een verzekerde plaats
een goede baan, drie keer daags een maal
een bed met een onnozel lichaam langszij
een luchtig verhaal voor het sombere getij

een gepolijst gedicht dat gemakkelijk ligt
een rijmvers dat er ingaat als suikergoed
een anekdote over hij, zei, jij en tig keer ik
een plat schrift dat nergens diepgang zoekt

een pointe die al in de eerste zin mank gaat
een stijlfiguur die opvallend doorsnee lijkt
voor even de geestelijke nooddruft misleidt,
waar je na het lezen tevreden op slapen kunt

verzadigd van volledige nietszeggendheid.

Klaas Jager (1961)
uit: Dichtbrieven van een overzeese vriend (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Eliza Laurillard • Aan de taal (III)

Eert de Taal, die wondergave,
Toovermacht , vol heerlijkheid,
Kroonjuweel in ’s menschen wezen,
Teeken zijner majesteit.

Kunstig aangelegd vermogen,
Dat getrouw’lijk wedergeeft
Al, wat in de binnenwereld
Van het mensch’lijk aanzijn leeft.

Waan en wijsheid, droom t en waarheid,
Spijt, verrukking, kalmte en angst,
Afkeer, liefde, geestdrift, weedom,
Zielsvoldoening en verlangst.

Al, wat door de donk’re gangen
Van de hers’nen gaat en ’t hart,
En daar vreugdelichten aansteekt
Of wel, vreugdeglans verzwart,

Elk gevoel en ieder denkbeeld
Wordt aanschouw’lijk of gehoord
Alles kan de Taal vertalen,
En voor alles heeft zij ’t woord.

Eliza Laurillard (1830-1908)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Eliza Laurillard • Een slachtoffer van taalmin

Een slachtoffer van taalmin

Een ‘hoofd der school’ stortte in het water
En wilde een noodkreet slaken ook,
Maar was in twijfel, wàt te roepen,
Terwijl hij al meer onderdook.
Zou ’t ‘Help!’ zijn? Of, was ’t meer taalkundig,
Te roepen ‘Hulp!’? – Een moeilijk iets.
En midd’lerwijl verdronk de meester;
Want door dien twijfel riep hij niets.

Eliza Laurillard (1830-1908)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerry van der Linden • Als taal

Als taal
de taal van lichaam zou
zijn van borst, arm, been
zou er iemand poëzie

de hand schudden?
Met jambe en gebras, schoor-
voetend onderhandelen
is het

omdat we niet zonder
ontkenning kunnen beamen
is het soms
omdat we voorzichtig afspreken

over gewone liefde, dood
en meer ongenadige
dingen die ons opbergen
in kalend stof?

Gerry van der Linden (1952)
uit: Uitweg (2001)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Dichters op reis – 50 Jaar Internationaal Nederlands

De IVN en Poetry International presenteren tijdens De Week van het Nederlands Dichters op reis, een online wereldkaart met gedichten van Nederlandse en Vlaamse dichters over plaatsen die ze tijdens buitenlandse reizen bezochten. Dichters als Antoine de Kom, Hester Knibbe, Menno Wigman, Cees Nooteboom en Jelica Novakovic raakten geïnspireerd door steden als Damascus, Bogota, Antwerpen en Berlijn en mythische plekken als Delphi. De gedichten zijn niet alleen via de plattegrond te traceren en te lezen, ze zijn vaak ook te beluisteren, voorgelezen door de dichter zelf. Een virtuele, poëtische wereldreis nu, ter inspiratie voor een daadwerkelijke reis zodra dat weer kan. De Week van het Nederlands duurt nog tot en met 10 oktober, de wereldkaart met gedichten staat op www.dichtersopreis.nu.

Lees verder >>

Een stuk of wat gedichten: Maurice Gilliams’ poëzie, een impressie

Door Peter J.I. Flaton

Bloems vraag in diens sonnet “Dichterschap”: ‘Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten, / voor de rechtvaardiging van een bestaan (…)’, zou zijn tijdgenoot Maurice Gilliams zo beantwoord (kunnen) hebben: ‘”Want tot de poëtische verworvenheden behoren slechts de weinige, zeldzame en zuivere verzen die de meest geniale dichter ter wereld na veel omzwervingen van het gemoed en de intelligentie, met de pen op papier, overhoudt. Al de rest is dankbaar aas voor de gieren van de filologie en de literatuurhistorie, die zich graag met afval voeden om stand te houden”’ (ik citeer naar: W. Spillebeen, “Over de poëzie van Maurice Gilliams”, in: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse taal- en letterkunde, jrg. 2000 (2000), 197-193 door wie ik me in wat volgt mee laat leiden). Anders gezegd: ja.

Lees verder >>

Gedicht: Koos Geerds • Het dialect was een taal zonder grootspraak

Het dialect was een taal zonder grootspraak
en barstensvol geheimenissen:
het was meer gemaakt om te zwijgen
dan mee te delen, het had meer woorden
dan zinnen en men sprak liever
in klanken dan lettergrepen;
het was een tongentaal
voorbij de rede.

Met name ‘heu’ kwam erop aan,
daarmee kon men slagen of zakken;
‘heu’ was voor een man een ander ding
dan voor een vrouw; een maagd en een knaap
groetten verschillend en bij familie,
vrienden en liefde paste men steeds
de toon en sterkte aan.
Er was een ‘heu’ voor iedere
ontmoeting en bestemming
en daarom stak het nauw,
zodat men op z’n hoede bleef –
voor je het wist keek iemand in je ziel.
‘Hoe minder gelul, hoe minder spijt,’
zeiden de ouderen en ze keken wijs;
en zo was het maar net – ajuus.

Koos Geerds (1948)
uit: Staphorst (2010)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Charivarius • Rid- en runders

Week van het Nederlands.

Rid- en runders

César Gezelle zingt:
“’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven …”

Wij gaan voort:

’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven,
’k Zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven.
Al is de stad ook vol van stu- en decadente’
Die speel- en alcohol
Verkiezen boven lente,
U, boe- en kippen-ren,
U, lust- en korensc-hoven,
U, var- en vlinderken,
U stel ik ver daarboven!
In ’t mooie voorjaarsweer,
Gaan bloe- en ramen open,
’k Zie ieder met een bloem,
Zelfs schoo- met anjers loopen,
’k Zie ei- en beuken staan,
En dreu- en andre musschen.
Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,
’k Zie kro- en meisjes kussen.
En mensch en kunstenaars
Zij dragen en zij eten
Veel flam- en waterbaars,
Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.
Geen pneu- slechts harmonie:
De tweedracht wijkt voor vrede,
De ru- voor poëzie,
Juicht kin- en ouders mede!
Want len- en warmte is daar,
Mijn geest stijgt op, naar boven,
’k Wil nat- en morgenuur
Met vul- en lippen loven!

Charivarius (1870-1947)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Annemarie Estor • Rode aarde

Week van het Nederlands.

Rode aarde

Ik zit aan mijn bureau
en sla in het donker
het arme alfabet aan.

Recht in mijn blinde vlekken meppend,
slechtziend door de schermenschijn
en de nevels die op komen wolken
uit de kookpot die mijn bloed rondpompt,
zal ik, galopperend op hypertypsnelheid,
een witte steekvlam produceren.

Om mij heen
slaan gillende metaforen zich
psychotisch uit de toetsenborden.
Armpjes gaan dwars door linialen heen.
Tussen kabels en verlengsnoeren ijlen rijmen.
Symbolen racen langs dolle routers.

Hijgend als wolven met statische haren
gaan mijn paradoxen achter jouw achilles aan,
en zal ik, terwijl mijn hyperbolen
dwars door de taalbarrière gaan,
een witte steekvlam taal
dwars door het universum jagen,
ten teken dat ik van je hield.

En later, op de rode aarde,
zal de mensheid zich bevragen,
de suffe mensheid, dus ook jij,
hoe zij deze gebeurtenis,
deze ene
niet leugenachtige
niet hypocriete
niet corrupte
en volstrekt uitzonderlijke gebeurtenis
aan zich voorbij
heeft kunnen laten gaan.

Annemarie Estor (1973)
uit: De bruidsvlucht (2020)

• Dit gedicht werd geschreven bij het schilderij ‘Rode aarde’ van Roger Raveel.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Snoek • Levensgevaarlijk gedicht

Week van het Nederlands.

Levensgevaarlijk gedicht

Er zijn woorden die sissen als slangen.
Vleesetende woorden met een muil vol tanden.
Woorden die gevaarlijk slapen onder hete stenen
Of die webben weven om hun prooi te vangen.

Sommige zijn doorzichtig als glazen kwallen
en spuiten giftige inkt uit je mond.
Andere zijn geslepen tot vlijmscherpe messen
of druipen als etter uit verzworen ogen.

Woorden dragen soms bedrieglijke maskers.
Zij kennen de knepen van de camouflage
om als wandelende takken vruchten te dragen
of om een ander woord bekoorlijk te betoveren.

Het is maar een woord voor een woord
om eensklaps van gedaante te verwisselen,
om als een tijdbom duizend eeuwen
te overwinteren in een klompje ijs.

Want leg ’s avonds een onschuldig woord
als een wicht in zijn wieg te slapen,
’s morgens stoot je tussen de lauwe lakens
op een koude, splinternieuwe handgranaat.

Paul Snoek (1933-1981)

Illustratie: Google


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: J.P. Heije • De taal

Week van het Nederlands.

De taal

Neerland! was uw arm van staal,
’t Hart was zacht en mild en goedig;
Zo ook huwt zich, vroom en moedig,
Kracht en teerheid in uw Taal!
Kan ze in wilde stromen bruisen,
Plettrend, waar ze weerstand vindt –
Strelend ook als lentewind
Kan ze fluisteren, kan ze suizen,
Wáár zij, in ’t bekorend lied,
Deugd en Schoonheid hulde biedt.

Neerland! leen uw luistrend oor
Aan de zangen van ’t Verleden: –
Dring de rijke taal van ’t Heden
Diep in ziel en zinnen door!
Wat aan glanzen mocht verdoven,
o! De schittering van uw Taal,
Zacht als dons en scherp als staal,
Kan geen tijd of macht u roven…..
Zolang ge uit Haar parelvloed
Teerheid put en Heldenmoed!

J.P. Heije (1809-1876)

Illustratie: KB


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Frans de Cort • Mijne moedertaal

Week van het Nederlands.

Mijne moedertaal

Mijne moedertaal, mijne moedertaal,
Wie of haar ook kleineere,
Min ik als mijn vaderland,
Sta ik voor met hand en tand!
O mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch,
Dat houd ik steeds in eere!

Mijne moedertaal, mijne moedertaal,
Wat andre komt daarnevens!
Zwaardgekletter, klokkenklank,
Snarenspel en minnezang,
O mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch,
Dat alles zijt gij tevens!

Mijne moedertaal is de schoonste taal,
En zou ze ’t ook niet wezen,
Haar verkiezen zou ik nog,
Want zij is de mijne toch!
O mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch,
Wees eeuwig mij geprezen!

Frans de Cort (1834-1878)

Foto: Letterenhuis


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Pé Hawinkels • Haydngedicht

Haydngedichten (II)
Strijkkwartet opus 3, nr. 5, deel II

De stilte, die er schuilt
in de okseltjes waar berkeblad zich met de twijg
mee kon verbonden weten, zou ik rond je ogen willen zien,
nu de juiste zon als een rosse kat de kamer door
glijdt, en mijn binnenste verrast maar teder
de vormen aanneemt van dit lied.
Luister, en ik weet dat elke toon –
als een blaadje aan een boom, dat boven zich
een extra, lichter blad: de glans, te dragen heeft, –
in alle kalmte, zonder haast, zijn plaats bereiken zal;
zal afdalen langs de diepten van je oor, en zo
de rust op je ogen wijzigen zal, verzachten, zal verscherpen,
zoals de zon, voor hij verzinkt,
een frêle boom doet glanzen, en met schaduw vult,
alsof in licht en duisternis onhoorbaar snikken lag,
dat in weemoedig glimlachen overgaat, zoals
dat alleen het diepst geheim nog éven uitstelt,
nog in droefheid éven glimlacht tot de avond komt.
De avond valt.

Pé Hawinkels (1942-1977)
uit: Het uiterlijk van de Rolling Stones (1969)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Leo Vroman • De regen en de regen

De regen en de regen

Op een huisje in Nederland
regende het haast constant.

Ook op zijn beide populieren.
Die wuifden daar dan in als wieren.

Op zondag, twintig over negen,
viel er een regen op de regen,

en de twee regens weefden daar
griezelig van in elkaar.

Zo werd de hele grijze bui
een weke, dichtgebreide trui,

die neerzeeg in vermoeide vouwen.
De bomen staken uit de mouwen.

Een gebreide watersprei
vlijde zich welvend op de wei.

Als zachte, vriendelijke builen
liep daaronder het vee te druilen.

De zon werd er een kluwen van.
En al die grauwe mensen dan?

Rompen en hoofden raakten vol
heerlijk weke waterwol.

Moraal

Er komt geen water uit de kraan
zo lief als waar wij uit bestaan.

Leo Vroman (1915-2014)
uit: Huis en tuin. Fabels en strips (1979)

Foto: Raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hans Tentije • De hazen

Uit Nergens anders, de nieuwe bundel van Hans Tentije.

De hazen
Voor Irene Grijzenhout

Stel je de hazen voor die elkaar nazitten op de rand
van een uit een Etruskische tombe
opgedolven bronzen schaal, in deze gesloten cirkelgang, een volkomen
bewegingloos perpetuum

en wie achtervolgt wie en wie vlucht er voor wie, stilgezet
blijft de snelheid een illusie
van begin noch einde, dit ondoorgrondelijke nu

de maker heeft het geweten, wellicht
zonder het te hebben begrepen toen de schaal gevuld werd met leeftocht
voor de doden, dat het verleden nooit voorbij is
maar zich ergens anders bevindt –

in de leemten, de wijkplaatsen van herinneren en vergeten

Hans Tentije (1944)
uit: Nergens anders (2020)

Foto’s: Victor Schiferli


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Arie Visser • Wat is er meer?

Wat is er meer?

mijn lief mijn lief wat is er meer
je weet nooit meer dan je gelooft
nu lig ik naast je en ik leer
ik zag zoveel over het hoofd

je leven kent het oude zeer
waarvoor het lichaam bloeden moet
mijn lief mijn lief wat is er meer
de schade is door hoop vergoed

ik weet de liefde is het meest
ben je er niet ik zie je weer
ik ben bij jou nu je dit leest
mijn lief mijn lief wat is er meer

**

Met licht schrijven

hoe bestaat het: zwart op wit
– de woorden in het gelid –

wie verstaat het: wit op zwart
– de oogopslag van het hart –

dag en nacht in evenwicht
– tijdig open doen en dicht –

Arie Visser (1944-1997)

Foto’s: De Parelduiker


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jeroen Messely • Habijt

Uit Nachtlus, de debuutbundel van recensent Jeroen Messely.

Habijt

Er speelt een ononderbroken hond op je erf
opdat je behoudt wat je hebt omheind.

Hij blaft elk uur honderd keer opdat de ander,
die wil, die klept, die geilt, gemuilkorfd blijft.

Zijn tanden zijn de kantelen van je mond.
Zijn keelgeluid het lid van je moordkuil.

Je beseft, het zelf is een achtergelaten werf.
Je lijf een veeg bord met afbladderende verf.

Deze eeuw ligt geketend aan de afbeelding
en belegen alfabeten moeten mee met hun tijd.

Daarom het habijt van een ongeletterde hond
terwijl binnen bij het vuur een belezen kat spint.

Jeroen Messely (1978)
uit: Nachtlus (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Johan van Heemskerck • Liedeken

Liedeken

Terwijl u oogh noch somtijdts Vrienlijck stondt,
En ick een kus mocht krygen van u mondt,
Was niemand so geluckigh hier in ’t landt,
Als ick mijn selven vandt.

Dat is voorbij, en nu voel ick mijn hert
Allenckxkens in een ander net verwert,
Dat sacht als sijd’, my aen een Zieltje bindt,
’t Geen sijns ghelijck naeuw vindt.

Doch of ’t gheviel dat d’uyt-gebluste vlam
Weer leven kreeg, en weer aen ’t branden quam?
Of d’Oude Min weer in mijn boesem sloop,
En mijn gemoed bekroop?

Hoe wel dat ghy Zijt schichtigh als een Rhee,
Hard als een Rots, verbolghen als de Zee,
Sy suyker-soet, en vriendelijck als ’t gesicht
Van ’t eerste Morgen licht.

Nochtans met u wensch ick te mogen leven,
Met u wensch ick mijn gheest te mogen gheven,
Met u wensch ick, door on-verbroocken Wet,
Een Dack, en Disch, een Bedt.

Johan van Heemskerck (1579-1656)

Portret: Biografisch portaal


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: P.A.M. Boele van Hensbroek • Verlaten

Verlaten

Nu, dat mijn blonde ster is heengegaan,
Zien mij de straten zoo verlaten aan.
Nu zij daar niet meer gaat, de liefste mijn,
Schijnt het mij toe, dat daar geen menschen zijn.
En droomend dwaal ik door die schimmen heen,
En zoek altoos naar haar, naar haar alleen,
Waar ik toch weet, dat ik haar nooit meer vind,
Mijn stralend schoone, blonde sterrenkind.

P.A.M. Boele van Hensbroek (1853-1912)

Foto: RKD


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: William Shakespeare • Sonnet 130

Recentvertaaldegedichtenweek (5): Sonnet 130 van William Shakespeare, in een nieuwe vertaling (titel: Shakespeares Sonnetten, met de originele teksten en uitgebreide toelichtingen) door Bas Belleman. De originele versie plus eerdere (eigentijdse en klassieke) vertalingen van alle 154 sonnetten leest u op de website van Frank Lekens.

130

Mijn Liefje heeft geen ogen als de zon;
Veel roder dan haar lippen is koraal;
En is sneeuw wit? Dan zijn haar borsten vaal;
Zijn haren goud? ’t Is zwart goud dat zij spon.
En ik ken Rozen, roze, wit en rood.
Maar zulke Rozen sieren niet haar wangen.
Ook zijn er geurtjes waar ik meer van genoot
Dan die er in mijn liefjes adem hangen.
Ik, die haar graag hoor praten, moet beamen
Dat ik Muziek vaak aangenamer vond;
Nooit zag ik hoe godinnen nader kwamen,
Als zij loopt, stampt mijn liefje op de grond.
     En toch, mijn hemel, mijn lief kan meer bekoren
     Dan al die vrouwen vervalst in metaforen.

William Shakespeare (1564-1616)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Peter Gizzi • Deze wereld is geen conclusie

Recentvertaaldegedichtenweek (4): ‘Deze wereld is geen conclusie’ uit Archeophonica van de Amerikaanse dichter Peter Gizzi. Vertaling: Jan H. Mysjkin.

Deze wereld is geen conclusie

Wanneer ik uit je raam kijk zie ik een ander raam
ik zie een bruiloft in mijn brein, een naald en een groef
een stem die golft

Wanneer ik uit je raam kijk zie ik een ander raam
die bomen zijn niet echt ze groeien uit de lucht
ze vielen als stof ze vielen

Dus zingen is zien en visie is muziek
ik zag diademen en kronen, margrietjes en bijen, linten, roodborstjes, en sneeuwplaten
subiete effecten in penseellicht

Wanneer ik uit je raam kijk zie ik een ander raam
ik zie een vuur en een meisje, karmozijnrood haar en hazelnootbruine ogen
toeschouwers in de hemel

Wanneer de wereld terugkeert zal het opgenomen klank zijn
die roekoeënde heester zal bekendstaan als dickinson
het syllabische, fricatieve, percussieve en fatische zal openscheuren

Uit je raam zie ik een ander raam
ik zie een begrafenis in de lucht ik zie een albasten ruimte
ik lees er de cirkelomtrek

Peter Gizzi (1959)
uit: Archeophonica (2020)

Foto: Wikimedia


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lamia Makaddam • Kamerplanten & Het onkruid in onze borst

Recentvertaaldegedichtenweek (3): ‘Kamerplanten’ en ‘Het omkruid in onze borst’ uit Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf van de Nederlands-Tunesische dichter Lamia Makaddam, die in het Arabisch schrijft. Vertaling: Abdelkader Benali.

Kamerplanten

Ik koop geen kamerplanten meer.
Ze gaan altijd dood en daar erger ik me aan.
Ik verzorg ze zoals ik een kind zou verzorgen.
Liggen ze er slapjes bij dan geef ik ze een beetje water.
In oorlogstijd verplaats ik ze van hoek naar hoek
en geef ze nog wat water.
Wanneer een blad naar de tuin van de buren dwarrelt
geef ik ze nog meer water.
En wanneer een van de kinderen laat thuiskomt
houd ik de planten onder stromend water.
En een keer liet ik ze een week lang in bad liggen
omdat mijn man ging slapen zonder mij een kus te geven.

Het onkruid in onze borst

De boom waarin ik de wind dacht te horen waaien
hakte ik omver.
Voor de maan die me liet weten dat het nacht was
sloot ik mijn ogen.
Ik liet de liefde achter op tafel en rende achter de gedichten aan.
Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel.
Sinds vanochtend zit ik in een tuin die ik met de hand heb getekend
en spreek ik een man toe die ik gemaakt heb uit tuinafval.
Ik vertelde hem over het leven dat na de dood begint
over het dode onkruid dat wij in onze borst dragen
niet omdat het van goud is, maar omdat wat uit de boom valt
onze doden zijn.
En de takken die breken, dat is onze tijd.

Lamia Makaddam (1971)
uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.