Categorie: gedicht

Gedicht: Nine van der Schaaf • Herinnering

Herinnering

Ik weet, ik was toen als een kind reeds daar
Waar die rivier van blank-blauw water stroomde,
De biezen raakte met zijn golfslag die in spleet
En bochten speelde waar ik langs liep, af en aan
Gleden de schepen langs de vruchtbre rand,
Af en aan vormde mijn ziel zijn simple sproken,
De groene glans en ’t blank gesprankel vulden ’t hart,
Maar ook dreigd’ in de strooming donkre wijsheid
Waar ik mee streed omdat die kille vloed
De blijheid van mijn kleine vizioenen schaadde.

Wat ik toen droomde is zoo lang vergaan,
Het heeft zijn waarde vaak om niet verloren,
Nu ben ik vreemd aan dat ik innigst weet,
Nu rust het kind in stroom van blanke droomen
En vindt het antwoord van zijn teederheid
En drijft zoo koel, zonder angstvalligheid
Door ’n stoet van eeuwig jonge bloei- en winterdagen.

Nine van der Schaaf (1882-1973)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nine van der Schaaf • Peinzerij

Peinzerij

Ik hoor van al het nieuwe een schoon en raadslig lied
En onze harten zullen sterven in die droom,
En al het heden breekt in ’t rampvervulde huis
Der aarde. Op zijn velden. In zijn koude nachten.

Wij hebben niet de menschheid lief die lijdt,
Wij minnen slechts een enkele, kind of man of vrouw,
Eén slaat de toon van ’t hart aan en éen luistert
En weemoed ruischt in ’t looverspel der boomen.

Een sterrestraal, een diepe vonk omhoog
Wekt de gedachte aan de diepe bron van ’t leven,
Wij zijn als bloemewezens wiegend op de steel,
Van ons gaan toekomstdroomen in het wijde zweven.

Nine van der Schaaf (1882-1973)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Inge Boulonois • Letterfeest

Uit Vers gekruid, de nieuwe bundel van Inge Boulonois.

Letterfeest

Vanavond vieren ze hun eigen feestje
En komen kleurig uitgedost bijeen
Niet slechts in saai zwartblauw zoals voorheen:
De sjeu is trend bij menig letterbeestje

Gejoeld wordt er, geklonken en gedanst
De glazen worden alsmaar volgeschonken
De wulpse s begint voor tien te lonken
Warempel, zelfs de stijve u die sjanst!

Zijn vriend de q kijkt scheef, hij is eenkennig
Een polonaise zwiert naar de foyer
Gebroederlijk op kop gaan n en e
De vreemde x wil niks, voelt zich onwennig

Het gros is op het einde aangeschoten
Een lachbui overmant de zatte h
Ruig aan het klooien zijn de l en k
Alleen de m staat stevig op zijn poten

De zelfbewuste . krijgt eigenwaan
Verd . mt het v . . ralsn . g . m hier te staan

Inge Boulonois (1945)
uit: Vers gekruid (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Herman Gorter • Dat kouwe vleesch van een ander

Dat kouwe vleesch van een ander
Tegen m’n drooge handen
en mijn oogen onzichtbaar in den nacht –
dat koele sappige vleesch – en al de kracht
van me den nacht in – ’t is als dood,
alles zwart, geen wit, geen rood –
mijn heele hoofd lijkt wel koel,
er is nergens een doel –
zoo lekker zwart is de nacht,
zonder oogen, zonder gedacht,
dat natte nachtbad,
dat verdronkene, dat daggat,
dat rondom dauwig gevoel,
mijn hoofd is zoo lekker koel.

Herman Gorter (1864-1927)
uit: Verzen (1890)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Harry van Doveren • Wereldgemiddelde

Wereldgemiddelde is een axiomatische bundel van Harry van Doveren. Bekijk hier de hele eerste pagina.

Wereldgemiddelde (fragment)

Winder Steeds Knipper Druk Knoest Inkt Jaren Meet Mist Krank Drom
Wot Tadus Mergen Moster Kap Netel Toem Wind Draam Over Snel
Wik Brood Op Treem Droemp Ai Lok Brim Zo Aap Vuur Iert Troes Ek
Of Neek Fed Valle Noi Mik Die Draai Tan Kik Drok En Humt Tum
Mening Treek Reist Pant Nuk Bezet Ni Drak Mok Jees Kram Vouw Dies
Fluk Meen Lut Braa Neek Werk Staak Morst Luk Ging Teet Zwep Toop
Lik Lost Meet Onzicht Wek Teter Oze Meest Nest Wek Teuter Lup Ost
Teken Wers Al Trip Lemer Fik Must Taanen Wuk Milst Pat Kit Oper Na
Ast Lak Umma Nik Lup Zakka Mecca Dien Nog Snoeps Ta Drosp Mun
Mur Drie Hoofd Das Most Nai Lak No Neur Emmie Took Teem Aander
Meest Tek Oom Eel Zee Te Doek Baais One Mee Trup Mur El Grote
Leks Kunst Mare Wortel Brok Steeds Merel Look Terel Mordus Neek
Krei Peen De Veger Kwetser Dier Leest Keem Moet Zeter Heun Uun Peet
Lik Fruut Bust Teter Ups Merk Lup Een Tand Frees Priem Steen Meester
Eir Leven Dram Zwaart Speen Orp Minkel Bove Kerst Pol Bouw Duf
Han Zuiger Menie Mortel Trap Neul Meers Nik Eindel Noi Pies Te eim
Der Zil Mokke Drie Leuf Teem Menne Teu Midoe Na El Liek Alla Midu
Nees Dreuk Luk Ook Tafel Nee Jaam Raak Tees Fuul Friem Eta Later
Viaal Sessie Meker Diar Open List Pun Peen Steker Luks Bia Noon Riem
Al Meri Das Opent Zeel Haps Laf Iel Bagel Neem Vallen Lucht Preek
Luiaard Tak Door Buig Pust Gretig Nood Vees Eente Laats Poor Bied
Rens Leum Peiger Tut Krus Mes Weil Kreem Schadel IJkpunt Gal Oos
Noos Kiets Zet Unt Al Umma Kern Pleem Neker Ul Inrie Erk Nomoon
Even Dwie Nees Rum Tikke men Hies Gene Neur Tuun Mut Wul Keum

Harry van Doveren (1953)
uit: Wereldgemiddelde (2020)

Lees verder >>

Gedicht: Karel Leroux • Lied op landelijke wijze

Lied op landelijke wijze

“De bramen worden rijp, dra volgen ook de noten …”
en ’t is me of weer uw hand traag door mijn haren gaat,
terwijl hij stille spreekt; mijn oogen zijn gesloten
op deze zaligheid die weerom leven gaat.

Er was de reuk van grond en mist koelde onze slapen,
uw haar was goud, gelijk het vurig beukenloof,
en boven ’t klamme groen van beeten en van rapen
rookte er een rustig vuur van wrak aardappelloof.

— o Teerbeminde, uit gene dagen is mij gebleven
de ruimer liefde, die ’t onrustig hart verpoost;
al keert gij nimmer weer, ik heb voor gansch een leven,
herinnering en zelf-ontfermenden troost.

Karel Leroux (1895-1969)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan Vanriet • Dichter

Uit Heldenleven, de nieuwe, mooi uitgevoerde bundel (met bij ieder gedicht een gouache) van Jan Vanriet. Voor de illustratie bij ‘Dichter’ kijk hier.

Dichter

In den beginne was het woord en het woord behoorde hem toe
Hij bedacht en fabriceerde het, verwrong en wierp achteloos weg
Daar stond hij, een beetje God in het voetlicht, een geverfde keizer
gezonden uit de duisternis als verwarrend geheel
Ik zat op drie meter, bewonderde zijn schoenen, de modieuze bril
van een Romeinse filmregisseur; ik las knisperende gedichten
in zijn vaste hand
Klankgenot wanneer hij zijn broeders toesprak, de poëten —
kale katers die hij over de schedel aaide; ze spinden, wisten niet beter
Hij noemde hen klerken, geblinddoekt en gekorfd, rilde
vanwege de kilte die uit andermans kleren in hun verzen waait
Kortom: vlerken, kwetterende dwergen, hun bestaan
tot voetnoot gereduceerd
De klap was pijnlijk en vernederend, maar wij voelden verlossing
bereid onze andere wang toe te keren

Jan Vanriet (1948)
uit: Heldenleven (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Frank van den Wijngaert • Boksmatch (2)

1e Round.

‘k Ben mij bewust…
Men zei: tref hard: hij kent geen mededogen!…
Dus: oog voor oog en tand voor tand: de bloedwet!
Ik kijk hem aan… bespied… gebaar naar rechts…
vlieg aan langs andere zij…
Hij duikt niet: … vangt de slag.
‘k Beloer de zenuwen der kin… de weke maag…
Nu komt-ie los!
Zijn beurt!
Ik ben op hoede… wijk… vlucht langs de ‘ring’…
Ik word geraakt, heel even maar… plooi onder pijn – een kwart
sekond – … verbijt… besef: één volle treffer en…
begin van angst bevliegt me…

2e Round.

Ik weet… ‘k ben ervan overtuigd: … ons spel is dit van kat en muis.
Hoe haat ik u!
Ik zal me duur verkopen!
Maakt mijn gezwindheid u niet dol, niet dol?!…
– Is er nog uitkomst mogelik?!
Middernachtzon!
Bliksemflits!
Ik vond! Ik vond!
… en met verbonden kracht van ziel en lijf plaats ik
de slag, mijn slag, slag, die mijn roem is!
Mijn vreugde raaskalt!
Werden niet allen zó geveld?

Gij staat?!!…

Tuimeling!
Mijn geest stroomt uit; … mijn handen bloeden, bloeden…

Het is geschied!…

De storm zet op.
Ik vlied: een bark in nood,… zet alles bij…
Hij lost niet: kwade geest…
Er is, er is geen uitweg meer!
Kosmiese vloek!
Verplettering!
Uw vuisten hameren mijn onschuldig vlees!…
Erbarmen!…

3e Round.

Ik zal u niet meer tarten…
Hier ben ik: een lam.
Vernietig mij geheel:
ik ben reeds half gebroken.

Ik heb zozeer uw hand ontmoet.
Ik heb dermate uw macht geproefd:
spaar mij de blik van uw nachtmerrie-ogen!…

– Is dit de avend reeds, die zinkt?!
Bewusteloosheid?!

Ik hoor verwonderlik geluid:…
het zuizen van een motor-stille aero…
het gillen van een nacht-foor…

Eentonigheid.
Een dreumes rekent aan het telraam: éen… twee… drie…

Dan plof ik in een holle leegte weg…

– Het is het einde van mijn ‘ongenaakbaarheid’…

– Als ik ontwaak, zie ik hoe bleek Gij zijt en uitgedoofd,
mijn oûwe trouwe Goedester.
Gij geeft me sprakeloos de hand en gaat…

Ontzettend, zwart en hoog begluurt me onverpoosd een
ondoordringbaar neger: Fatum, wereldkampioen!

(1924)

Frank van den Wijngaert (1901-1962)

illustratie: Willy Sluiter


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Frank van den Wijngaert • Boksmatch (1)

Boksmatch
Voor Fred Gevers.

O mijn manager Goedester!
Gij waart eerst en vooral een prakties man!
Gij waart een monument van schranderheid!
Mijn goede engel!
Mijn voorzienigheid!
Waart Gij uzelf bewust van mijn sukses, dan sloot
Gij graag verbintenis op verbintenis,
doch waar het gold een voorstel als een klip,
daar waart Gij diplomaat en takties loods…

Zo kwam het dat men in de volste zin van ’t woord
mij noemen mocht: een ‘ongenaakbaar’ kampioen!

– Doch in de laatste tijden rees een nieuw ‘gevaar’.
Gij hadt het kommervol bespied, de hoop gekoesterd, dat
het struikelen zou…
Doch stelselmatig was het in zijn loop geweest,
– de Bokssport: ladder: nauwgezette hierarchie! –
totdat het, onvermijdelijk en fel, plots opstak aan
mijn eigen horizon…

Toen hebt Gij meesterstukken uitgehaald!
Stromen gedamd!
Torens gestapeld!
Uit strikken duizendvoud U losgevroet!…
Niets hielp!
Publiek eiste de kamp!
Met inzet: Al of Niets!…

– Als ik de ‘ring’ betreed, barst een ovatie…
‘k Verneem terloops: de weddenschappen gaan hun gang,
staan in mijn voordeel zelfs, gemiddeld: 2 tot 4…
in mijn voordeel zelfs, gemiddeld: 2 tot 4…
’t Verschil is merkelik.
Hoop flakkert!…

Het dondert voor de twede maal:
’t ‘gevaar’ rukt aan…

Wij worden voorgesteld:
… een kolossale neger: Fatum is zijn naam.
Ik huiver om zijn duisternis…
Mijn hand zit in een schroef… een ogenblik…
– Formaliteiten zijn gesloten.

Nu bindt Gij, Goedester, mij ’t leder aan.
Gij overstelpt mij met gekondenseerde raad:
tijd dringt!
Geen stond bezinning!…

Dan klinkt de gong.

(1924)

[wordt morgen vervolgd]

Frank van den Wijngaert (1901-1962)

illustratie: Willy Sluiter


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Michel van der Plas • De bank

De bank

Vlak voorbij Leiden, zuidwaarts, laat de trein
een bos, behorende bij een gesticht,
links liggen; maar in ’t midden komt een klein
heuveltje met een brede bank in zicht.

De bosrand buigt zich nog als het refrein
van een psalmodisch ingezet gedicht
over de bank, vrij, altijd leeg naar ’t schijnt,
op de open weide en de weg gericht.

Daar te zitten moet heerlijk zijn: men zou
ten halve wonen in de wereld en
ten halve in het vogelrijk, getrouw
aan lief en leed; maar het lijkt wel of men,
eenmaal in ’t bos, die droom niet meer teweeg
kan brengen, want de bank is altijd leeg.

Michel van der Plas (1927-2013)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Mattijs Deraedt • Wat je moet weten voor je beslist om een man te zijn

Uit De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan, de debuutbundel van Mattijs Deraedt. Nog drie gedichten hier.

Wat je moet weten voor je beslist om een man te zijn

Een man zijn betekent niet huilen
wanneer je broers je Pokémonkaarten verscheurd hebben.
Anders landt je grootvader als een loodzware vogel op je schouders.

Een man zijn betekent je herinneringen samendrukken
tot ze als diamanten uit je voorhoofd barsten.

Een man zijn betekent je niet als vlinder
laten schminken, maar als schedel.

Een man zijn betekent je benen niet kruisen op de trein
maar tongzoenen met het hiphopmeisje
dat op je schoot komt zitten.
‘Of ben je een homo misschien?’

Een man is een jachtgeweer.
Hij draagt zijn spieren als een blinkend harnas,
laat zich kruisigen tot hij glimlachend
in een jacuzzi van bloed baadt,
een glas whisky in de hand.

Een man is kanonnenvlees.
Zijn mond heeft de vorm van een loop.

Een man is een acteur.
Niemand weet wat de rol inhoudt,
maar iedereen wil hem spelen.

Een man zou een dichter kunnen zijn,
maar daar heeft de wereld al jongens voor.

Mattijs Deraedt (1993)
uit: De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Ewald Vanvugt • Toestandjes met Tanya

Toestandjes met Tanya (10)

Kutmug, zegt ze,
maar niet tegen mij
ik heb andere namen
natuurlijk

de kutmug is de zwarte tor op de muur die, benaderd,
opvliegt, snel verdwijnt, en blijkt een vlieg te zijn

Toestandjes met Tanya (11)

Zelfs jaloers op Ian Fleming’s
James Bond, geheim agent 007,
die met zijn avonturen
– buiten president Kennedy en mij
en miljoenen anderen –
op het moment Tanya, mijn vrouw,
in spanning houdt,
loop ik het huis uit
en vraag me af wie zich
om mijn avonturen ooit bekommert:

de oude dame die ik gedachteloos de straat
overhelp, kan ik nog net plat op de grond
werpen, wanneer we vanuit een langskomende
zwarte Bentley worden beschoten,
– in de val springt haar handtas open:
4 eigrote diamanten rollen over de weg,
hij (een snelle, 30jarige man is zij)
wil zijn revolver trekken,
maar natuurlijk vuur ik al,
– en lach: eindelijk een spoor
dat me naar Lady T. zal brengen

Ewald Vanvugt (1943)
uit de cyclus ‘Toestandjes met Tanya’ uit het boek Buiten zinnen (1972)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Joseph Ponthus • Aan de lopende band (fragment)

Aan de lopende band. Aantekeningen uit de fabriek van de Fransman Joseph Ponthus is een roman in dichtvorm, die vorig jaar veel aandacht kreeg. Het bekroonde werk is nu in het Nederlands vertaald door Floor Borsboom. Hieronder de eerste regels, verder voorproefje hier.

Aan de lopende band (fragment)

Toen ik in de fabriek ging werken
Had ik natuurlijk wel een idee van
De stank
De kou
Het sjouwen en tillen
Het zwoegen
De arbeidsomstandigheden
De lopende band
De moderne slavernij

Lees verder >>

Gedicht: Pierre Bogaers • Tilburgse kermis

Dit jaar geen Roze Maandag in Tilburg, maar er is wel weer kermis. Pierre Bogaers schreef er in 1952 al over.

Tilburgse kermis

Het is weer kermis en als ieder jaar
branden er duizend lichte lampionnen;
er zijn weer wafels, rose luchtballonnen;
het is weer kermis net als ieder jaar.

De dikste vrouwen van het continent
zitten als steeds verwaand en lui te breien;
zij tonen nu en dan hun blote dijen
en ginds, alleen, lalt weer een dronken vent.

Tussen de damp van vette oliebollen
eet, stil-verrukt, een kind een suikerkoek
en bij de grote draaimolen op de hoek
staan kreupelen, die met hun ogen rollen …

Maar ’s avonds, toen ik iets bijzonders wachtte,
was God, de grote spullenbaas plots daar,
Die heim’lijk met Zijn kleine mensen lachte …

………..

Het is weer kermis, zoals elk ander jaar …

Pierre Bogaers (1924-2015)
uit: Bitonaal (1952)

Foto: Kermis van vroeger


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: W.L. Penning • Blijde vaart herdacht

Blijde vaart herdacht

Feestlijk dreven we in den goudglans van den avond langs de stad;
Achter hoogen wal van stoomers blikkerde haar gevelschat,
Blonken overbrugde havens propvol masten tusschen ’t groen,
Praalden koepeldak en torens rustig boven ’t rustloos doen!

Waar ge ons lokt in ruimer vaarbaan, stadbelovende eilandzoom,
Deine en vloeie, een meer gelijkend, groots-uit om ons heen de stroom —
Hem in sprongen overspannend lacht een luchtige ijzerbouw,
Daar een dondring overheen ijlt, stad-in over dak en schouw.

Lees verder >>

Gedicht: Adriaan Krabbendam • Woudlied

Uit Liederen uit het oerbos, de debuutbundel van Adriaan Krabbendam (gister jarig).

Woudlied

stronkel niet

het woekert van welig en welste over de vloer
dripdrapt van druiphars en gekeept is het stammental
om schorswater vogellijm ochtval en voorvocht
(het meeste is melk)

er dwalen verdoolde stammen van boogpijl voorziene componisten
ooit achtergelaten door euvel paalplassende poelproducenten
er klijven behaaide walmzwalpers en vooral in de dalmtijd
actieve wamtasten vaak vingerend wetend van prooi

stronkel niet

Lees verder >>

Gedicht: Els Moors • Hoe heter hoe beter: klimaatlied

Els Moors (vandaag jarig) was van 2018-2020 Dichter des vaderlands van België. De gedichten die ze ambtshalve schreef, zijn nu gebundel in Knalpatronen, waarin de gedichten ook in het Frans en Duits zijn opgenomen, en soms in het Arabisch en Afrikaans.

Hoe heter hoe beter: klimaatlied
auto’s die drijven op een zee van plastiek
naar hete planeten vandaag ben ik ziek
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat
hoe heter hoe beter
en ja ook op straat
zee doet niet mee en is morgen kapot
één chimpansee later en dan ben ik god
ik heb koorts van de liefde
ik heb koorts van de brand
ik heb koorts van mijn moeder
geen boom op haar strand
is veilig voor ‘t water
dat komt waar het gaat (x2)

Els Moors (1976)
uit: Knalpatronen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hans Andreus • het midden van het lichaam

Gedichten van Hans Andreus uit de derde jaargang (1958) van Gard Sivik.

het midden van het lichaam

In het midden van het lichaam staat het leven stil;
daar beweegt niets; misschien een grashalm;
misschien een weinig muziek; een paar wolken.

Daar woont ook de kleine god van het geduld.
Hij knielt en kijkt over de aarde;
hij zit met over elkaar gevouwen benen
en volgt een paar vogels die verdwijnen in de verte.

Hij zegt niets wat de mensen kan schaden
of de vogels. Alles is eender,
denkt hij, voor zover hij denkt.

Lees verder >>

Gedicht: P.A. de Génestet • Epikurisch feestgezang

Epikurisch feestgezang

Ruischende wanden, en schittrende zalen,
Bruisende bekers en ramlende schalen,
Blinkende toortsen in flonkrend kristal,
Klinkende kelken en jubelgeschal!
Schaatrende buien van lachen en zingen,
Klaatrende stroomen en kurken aan ’t springen;
Spreien van dons voor het uitgerekt lijf,
Reien van vrinden in ’t zalig verblijf!

Blazende wangen en smakkende lippen,
Azende blikken op aadlijke snippen,
Gouden fazanten en druipende kluif,
Oude, gemerkte, gezegende druif!
Heilige schotels van bruine pasteien,
Veilige feestdisch en gladde geleien,
Geuren en fleuren van ’t blinkend festijn,
Keuren van spijzen en kleuren van wijn!

Lees verder >>

Gedicht: C.B. Vaandrager • (1962-)

Uit de zesde jaargang van Gard Sivik.

(1962-)

Er is iets gebeurd
met mijn dromen.
Was er van 1935-1962
voornamelijk een chaos van rupsbanden, bagagedragers
(spitsuren?), zodra ik mijn ogen sloot,
nu kijk ik, zodra ik mijn ogen sluit, uit
over een boulevard,
waar zo goed als geen hond te zien is.
Ik vermoed mensen in de huizen
die hun redenen zullen hebben
om niet op straat te verschijnen.

Lees verder >>

Gedicht: C.B. Vaandrager • Tijd voor teenagers

Uit de zesde jaargang van Gard Sivik.

(Tijd voor teenagers)

Simon Vinkenoog was hier.
‘Wat een gekke week, hè?’

Op zoek naar een passend aandenken
(Het affiche?
Een EP-tje van Chubby Checker?
Of een strip van Flipje,
het fruitbaasje van Tiel?)
vind ik een luchtpistool.
Ik heb er in maanden niet mee gespeeld.
Ik stel voor om te schieten
met als doelwit het affiche van
VINCE TAYLOR et ses play-boys.
Met als doelwit het kruis
van zijn (op het affiche blauw-,
in werkelijkheid zwart-) leren broek.

We willen alle twee een goede prestatie leveren.
Het valt niet mee.

Lees verder >>

Gedicht: C. Buddingh’ • ars poetica

Gedichten van C. Buddingh’ uit de zesde jaargang van Gard Sivik.

ars poetica

ik weet het nog als de dag van gisteren
(ik was misschien 22): ik zat
te broeden op een gedicht, en mijn moeder
zat bij het raam de aardappels te schillen
het vers wilde maar niet lukken: het zweet
stond op mijn rug en vol ergernis dacht ik:
hoe kan men in godsherenaam dan ook
poëzie schrijven in een kamer waar
iemand aardappels zit te schillen?

die avond, toen iedereen sliep, maakte ik het
vers af, het was een bijzonder slecht vers

en pas heel veel later begreep ik: de beste
gedichten schrijft men al aardappels schillend

Lees verder >>

Gedicht: Annemarie Estor • Kosmologie

Uit De bruidsvlucht, de nieuwe bundel van Annemarie Estor.

Kosmologie

Het universum is een fles Beaujolais
met onderin een paysage,
wat schaapjes en gras,
gestippelde paarden in een grot,
en wij op de péage langs een dorp,
in deze nacht, zoevend langs de bijna-tijd,
de mogelijkheid tot vuurwerk,
manden vol ambachten,
keukens met koperen pannen,
en op de fles hebben de goden
aangeschoten sterrenbeelden gedoodled.

Lees verder >>