Categorie: gedicht

Gedicht: anoniem • Een oudt liedeken

Een oudt liedeken
(Ende den eersten reghel singhet altoos tweewerf)

Dat ruyterken in der schueren lach:
Die schuer was cout, den ruyter was nat.

‘Och lieve heer waert, decket mi!
Die schuer is cout, seer vrieset mi.’

Die waert sprac zijnder dienstmaecht toe:
‘Gaet, decket den ruyter met haverstroe.’

Dat meysken en dorstet laten niet,
Si dede dat haer haer meester hiet.

Si nam den ruyter in haren arm,
Al was hi cout, si maecte hem warm.

Doen die ruyter zijn willeken had gedaen,
Sprac hi: ‘Scoon meisken, ghi moecht wel gaen.’

‘Waer soude ic rijden, waer soude ic gaen?
Ic ben met uwen kinde bevaen!’

‘Sidy met mijnen kinde bevaen,
So sult ghi rijden ende ick sal gaen.’

Hi settese voor hem op zijn paert,
Hi voerdese tzijnder moeder waert.

‘Och lieve moeder, hier is mijn wijf:
Ick hebse liever dan alle u lijf.’

Die moeder sette haer eenen stoel,
Die dochter worp daer een cussen toe.

Die moeder leyde een ey int vier,
Die dochter twee, dat waren drie.

Anoniem
uit: Antwerps liedboek (1544)

Toelichting en woordenlijst.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: anoniem • Een out liedeken

Een out liedeken

Het quamen drie ruyters geloopen.
So verre int duytsche lant
Met netten ende met knoopen, ja knoopen!
Het waren die beste die men vant.

Si quamen voor eender waerdinnen huys,
Al daer men tapt den wijn:
‘Waerdinne, wi droncken so gaerne, ja gaerne!
Wi hebben gheen gheldekijn.’

‘Waer op soude ick u borghen?
Ghi comt uyt vreemde landen,
U cleederkens die zijn dunne, ja dunne!
Ghi en hebbet ghelt noch panden.’

Doen sprack dat jonckwijf van den huys:
‘Nu tappet den ruyters den wijn!
Al dat si verteeren, ja teeren,
Daer sal ick u borghe voor zijn.’

Doen sprac die vrouwe van den huys:
‘En spreket niet so bout!
Si souden u helpen verteeren, ja teeren
U silver ende oock u gout.’

Doen sprac dat jonckwijf van den huys:
‘Ic woude die joncste ruyter waere mijn
Ende ick er mede soude gaen wandelen, ja wandelen
Van Straesborch tot op den Rijn!’

Die joncste ruyter tooch uyt zijn net
Ende worp ’t inder maghet schoot:
Daer stont die edel ruyter, ja ruyter.
In een wambeys van goude root

Anoniem
uit: Antwerps liedboek (1544)

Toelichting en woordenljst.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kees Stip • Op een paard

Op een paard

Een paard stond meer dan 100 jaar
te wachten voor de Horse Shoe Bar.
Daarin zat dokter J. van Dieren
de Slag bij Waterloo te vieren.
‘Hij lust hem,’ sprak de trouwe klepper,
‘die ouwe streptococcenmepper.
Dat wordt beslist weer nachtwerk, net
als laatst, toen Leiden was ontzet.’

Kees Stip (1913-2001)
uit: De dierkundige dichtoefeningen van Trijntje Fop (1955)

tekening: Bertram


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gabriël Smit • Omschrijving van de liefste

IV

Het was. Achter de verdere ramen
rijst morgenlicht, over je oogleden
beginnen de vingers van de dag vrede
te strelen. Je knijpt je wimpers samen,

weert af; geen eerste licht is zuiver
als de gloed die je schoot behoeden
wil: wonder dat brandend uitbloeden
zal naar oerdiepten waarvan ik huiver.

Licht van bergtoppen, sneeuwlicht, ijle
verrukking van boven ademgrens bevend
geheven leven, – en even sterk duisternis,

stromende één met wat onder aan steile
rotswand te wonen ligt, lijdend, levend.
Het was. Nu komt de dag. Het is.

Lees verder >>

Gedicht: Anna Enquist • Aanzegging

Uit Berichten van het front, de nieuwe bundel van Anna Enquist (plus interview).

Aanzegging

Verbeelding, oefening. Ook op het eindtraject.
Een gladgeschoren Pythia kijkt op zijn scherm
en geeft je nog een maand of twee. je kan hem
nauwelijks verstaan want in je oren bruist een zee.
Je grijpt naar je agenda, schrijft het bijna op.
Je durft niet op te staan.

Zul je hem wurgen met zijn stethoscoop of
voor een contra-expertise naar Dodona gaan?
Verlamming legt zich in je neer. Het is een spel,
maar als je nu niet oplet wordt je eind een plicht
en komt geen vriendelijker godheid voor je op. Dwing
je misleide lijf omhoog, geef hem een brave hand.

Je wijgeschenken deugden niet, het is je eigen
schuld. Geen schaap geslacht, geen tijm verbrand,
geen offer dat door de inspectie kwam. ‘Doe je
piano dicht, verkoop je olifant.’

Geef je ten slotte over aan kalmte, koel
als oude steen, die alles overdekt wat je niet
hebben kan: woede, teloorgang, machtsverlies.
Gemis. Dit was les één.

Anna Enquist (1945)
uit: Berichten van het front (2020)

Pythia: orakel van Delphi
Dodona: ander orakel


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nossis • gedichten

In Ik verlang en sta in brand is poëzie van acht vrouwen uit de Oudheid door Mieke de Vos verzameld, vertaald en toegelicht, van Sapfo tot Sulpicia. En Nossis.

Niets is zoeter dan Eros. Alle andere zegeningen
zijn minder, zelfs honing spuug ik uit.
Dit zegt Nossis: wie niet bemind werd door Afrodite
weet niets van haar bloemen, haar rozen.

*

Vereerde Hera, vaak kom je vanuit de hemel,
en ziet de offers branden in Lakinia.
Neem dit linnen kleed van Theofilis, kind van Kleocha,
ze maakte het met haar trotse dochter Nossis.

*

Thaumareta’s schoonheid staat op dit schilderij, het dartele
en jonge van haar zachte ogen is treffend.
Zelfs het kleine waakhondje zal voor je kwispelstaarten,
denkend dat ze de meesteres van het huis ziet.

*

Zelfs uit de verte is dit beeld herkenbaar als Sebaithis,
door haar schoonheid en haar rijzige gestalte.
Kijk: haar wijsheid en haar mildheid zijn van hier te zien,
moge het jou heel goed gaan, gezegende vrouw.

*

Vreemdeling, vaar je naar Mytilene met de mooie dansen,
om je te warmen aan de bloem van Sapfo’s charme,
zeg dan dat Lokri een vrouw voortbracht, net zo bemind
door de muzen. Haar naam is Nossis. Ga nu.

Nossis (leefde rond 280 v.Chr.)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Albert verwey • De Heerscher

De Heerscher

Het leven is een schoone en bloedige strijd
Waar alle om de oppermacht elkaar bevechten,
Maar grootste zegen is een vast bestuur.

Ik zie de woeling die zich wild verwijdt,
Maar in een Hand die wijs en sterk zal rechten
Hangt roerloos brandend de onafwendbare Uur.

De Heerscher komt: zijn Vrede is niet de dood,
Maar de ongerechtigheid van ’t tweevoud leven
Verslonden in een breukloos-rein bestaan.

Hij is die de Oorsprong ons weer opensloot.
De waan van Tweeheid heeft hij uitgedreven.
De Scheppings-daad heeft hij opnieuw gedaan.

Albert Verwey (1865-1937)
uit: De weg van het licht (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Albert Verwey • Rijpheid

Rijpheid

‘Eusebia, laat los!’ Die kreet van Vondel
Toen hij vooraanging in het vast besluit
Voortaan alleen te leven als gewijde

En lust en leed, te lang gedragen bondel,
Afwierp, opdat zijn geest, door niets gestuit,
De klaarheid won waar hij zich heel bevrijdde,

Die kreet klinkt weer wáár eedlen, rijp en ouder,
De wereld weten, en hun liefst geloof
Vervolgen willen op gedroomde bergen.

Zij voelen vleugels wassen aan hun schouder
En zijn voor ’t schreien van de harten doof
Die hun de vreugd van ’t dal nog eenmaal vergen.

Albert Verwey (1865-1937)
uit: De weg van het licht (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Albert Verwey • De brug

De Brug

Zij grondden in de woeste stroom hun brug.
Maar dat er vrede en sterkte in ’t steen zou wonen:
‘Wiens liefste ’t eerst hier komt, metsel haar in!’

De zon brandde ’t gebergt op flank en rug
Toen zingend kwam wie haar gemaal zou loonen
Met voorraadvolle korf en kroes van tin.

Zij hieven haar – zijn armen hingen slap -,
Zij stelden haar in ’t ruim, met voordacht open,
Zij metsten, metsten en haar blik werd groot.

Zij kreet – dit was niet meer een mannegrap! –
Hij zweeg en in haar hart verging het hopen:
Zij metsten, metsten tot de pijler sloot.

Albert Verwey (1865-1937)
uit: De weg van het licht (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anne Vegter • twee afgronden

Uit Big data, de nieuwe bundel van Anne Vegter.

twee afgronden

misschien deed big wat een big moet doen
ik ken niemand die ertegen in opstand kwam
t-shirts, stunguns, bommen
al kan ik niet spreken voor het paard dat ik heb bijgepraat
over doodsangst en de symboliek van zoutzuur
paard is diep amoreel en van nature tegen
paard stond eerder aan mijn kant
het liep niet meer het at niet meer
eenmaal op stal bereidde het zich voor op de neergang van de mensen
het verstond ineens duits
ik adviseerde niet te briesen tijdens nietzsche
ik las citaten
een paard briest als het niet kan kiezen tussen nieuwsgierigheid en angst
het brieste zonder geluid
wenn du lange in einen abgrund blickst, blickt der abgrund auch in dich hinein
ook big ontkende het dilemma
het verslavende, niet de elementen

Anne Vegter (1958)
uit: Big data (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Peter Prins • de Stad is begoocheling

Vorige week werd de eerste bundel van Peter Prins genomineerd voor de Poëziedebuutprijs van Poëziecentrum en deAuteurs. – en verscheen ook zijn tweede bundel de Stad de Dystopie, waaruit onderstaand gedicht.

de Stad is begoocheling    de kartonnen beker
die hij op de richel buiten zijn kooi zet
niet op de oever    de onzichtbare sleutel
in het slot aan de deur steekt

binnen een kussentje
daar gaat hij zitten

met de rechterarm voorlangs    het bovenlichaam
een halve slag draaiend    zet hij de beker op de kast
naast de opengeklapte laptop

hij drukt op een toets
tegelijk staat hij op
niet van de smalle duinrand
niet het water overziend

hij stapt uit zijn kooi
gooit de beker weg

de vrouw in haar cognackleurige kokerrok rent
op halfhoge hakken en korte stappen
door rood voetgangerslicht naar de
rode bus

de aamborstige stadsbus    haar haar blijft roerloos

Peter Prins (1950)
uit: de Stad de Dystopie (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nes Tergast • Kringloop

Kringloop

O lief, o love, oh mon amour!
Zo wit zo smal de zeilen van het later,
Zo zon zo chrysopraas het water,
Zo kostelijk zo wild en parelmoer
De heuvels. Kom, wij gaan de schaduw in
Van het eenvoudige gebeuren.
Twee blauwe vogels die de spijze keuren …
Twee vogels cirkelen het woord ‘begin’.

Je ogen die als handen zijn, als handen
Die feestelijk gebaren (als hoe in mijn
Daarom je ogen twee maal ogen zijn).
De blauwe vogels slapen in je handen …
De heuvels in contouren vastgesnoerd,
De maan zo bleek in het zo donker water,
En zo nabij de zeilen van het later.
O lief, o love, oh mon amour!

Nes Tergast (1896-1974)
uit: Deliria (1951)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Inge Lievaert • Vernieuwing & Rechtop

Vernieuwing

Er groeit iets in mijn tuin:
een zaad – vanwaar gekomen? –
sloeg wortel in mijn pijn
en tilt een vlag er boven
en wuift met handen in het licht
en drinkt met lippen die geloven
wat reeds de donkere wortel wist:
leven, de dood ontnomen.

Een boom vervult mijn tuin,
ik drink en wordt gedronken
want hoger rijst de kruin
naardat de wortels zonken.

**

Rechtop

Niet langer meer achterover
niet meer dicht
landschap van na de zondvloed
maar open
zomaar het wonder van rechtop
heel klein nog
maar heel rechtstandig
als de opstaande klank van de e
in zegen
en in
leef!

Inge Lievaert (1917-2012)
uit: Een werkplaats van leven (1981)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacobus Revius • Sonnet

Sonnet

’t Verwachten van de dood mijn herte niet bedroevet,
Dewijl ik vele doôn alreede heb geproeved.
Mijns levens eerste tijd, haast nemende een keer
Gestorven is en dood, want zij en is niet meer.
Het kind verzwonden is, den vrijer is gaan strijken,
Den man hem reede maakt voor d’ ouderdom te wijken,
De jaren die ik meen te hebben, ik gemis;
Den dag van gisteren alsnu begraven is,

De naast verlopen uur en al de ander uren
Gestorven zijn en dood, want ze niet langer duren.
De slaap die d’ eerste helft des levens mij ontstal,
Nog loeret op de helft van dat er komen zal.
Van aanvang sterven wij: het laatste der ellenden
Geen dood is, maar het end’ van doden zonder ende.

Jacobus Revius (1586-1658)
uit: Over-Ysselsche sangen en dichten (1630)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Willem de Mérode • De boerendochter

De boerendochter

Zie, hoe zij met haar rokken zwaait,
De breede handen staan naar grijpen.
Reeds voor zij duidelijk gaat rijpen,
Weet zij waarom de wereld draait.

En daarom is zij zoo onhandig
Met haar gebaren; en haar woord,
Ofschoon haar frissche mond bekoort,
Maakt knapen roekeloos losbandig.

Maar voor haar blik wordt ieder stil.
Plotseling is ze, uit steen gehouwen,
Een veldgodin met groot gezag.

Ze weet best wien ze hebben wil,
Maar neemt, als alle boerenvrouwen,
Den jongen dien ze hebben mag.

Willem de Mérode (1887-1939)

• Schilderij van Jules Breton


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anton van Wilderode • De tenhemelopneming

De tenhemelopneming

Moeder, ik roep u naar huis
met de eerste van alle namen.
Ik heb op uw lichaam gewacht.
De hemel zegt eindeloos amen.

Ik dank u voor Nazareth,
voor de jaren van zuivere vrede.
Uw huis was een huis van gebed,
de deur was een deur op de hemel.

Ik dank u voor uw verdriet
in de eenzame nachten der aarde;
het lange geduld van uw tranen.
De hemel heeft ze verzameld.

Ik dank u voor Golgotha,
voor het kruis dat u hebt zien planten,
voor uw weerloze zachte handen
aan mijn weerloos lichaam daarna.

Moeder, nu bent u thuis.
De tijd bleef beneden, de zorgen.
Een stilstaand geluk zonder morgen
in de hemel, de hemel uw huis.

Anton van Wilderode (1918-1998)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Richard Minne • Herinnering

Herinnering

Uit malve en erica
naar mij genaêrd,
kwaamt ge in den avond,
ritselend van geblaêrt.

Gelijk een neerstige schaper
vóór zijn trage rij,
zoeter al pijpend
stondt ge voor mij.

De rozen lagen nog open
van late brand
en ‘k telde mijn vreugden
in uw hand.

Toen, in mijn armen,
ring van rust,
hebt ge alle wanen
van mijn mond gekust.

Dit kon de laatste dag wel zijn.
Om onze hoofden wat gegons,
en wij twee kinderen,
met gans de zon in ons.

Richard Minne (1891-1965)
uit: In den zoeten inval (1936)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Karel van den Woestijne • Naar Oost-land willen wij varen

‘Naar Oost-land willen wij varen’:
het is er het oudste lied.
Maar monden zijn vol gevaren;
malheuren slapen niet.

Al hebben kombuizen geen lichten,
kombuizen hebben een bed.
En de reizen zijn maar gedichten;
en de slaap is ’t rijkste gebed.

Slechts verlangen kan nog doorrijzen
wie daar ooit uit Oost-land kwam.
Een bokking is zeek’re spijze
bij de talmende boterham.

En maakt er de geur der zwam
hier-binnen u langzaam lam:
geur der zee vol amber is broos als
bij rijzenden uchtend de vlam
die geurt der vluchtige rozen.

Karel van den Woestijne (1878-1929)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Peter Prins • 52° 00’ 40’’ NB, 4° 20’ 14’’ OL, 07:52 u

Peter Prins is met zijn bundel Contouren voor verderop de oudste onder de genomineerden voor de Poëziedebuutprijs van Poëziecentrum en deAuteurs. Twee genomineerden (Iduna Paalman en Jens Meijen) kwamen ook al in aanmerking voor de Buddingh’-debuutprijs (door Meijen gewonnen). De vierde genomineerde is Sis Matthé (persoonlijk geraakt).

52° 00’ 40’’ NB, 4° 20’ 14’’ OL, 07:52 u,

lief inzicht

I
het station, tas opengeritst, schrift op schoot, tunnel in kijken, licht, vanuit de richting waar
we niet gaan,

anderen, onbekenden, eten staand, drinken lopend, hebben een huid waaraan geraakt kan,
bedekt, de gesloten ogen, zonder onderscheid, door de ander, anderen, en zichzelf,

grijs is een kleur, zwart en wit, een verbleekt blauw petje, artistiek of zonder ziel,

vanuit het coupéraam kun je de rode en gele velden, haaks op de coniferen, grazend vee,
vinex, oude bomen rond het plein, bramen en wegwaaiende pamfletten zien,

ik had je mee willen vragen,

II
over zielenroerselen, het onmogelijke, en stommetje spelen,
een lege maag, een hartslag (54 – 56 p/m), hematocriet 0,55 l/l, haargroei daar waar het een
jaar geleden niet was,

III
in de rij stoelen erachter likt zij een envelop dicht, drukt een minuscule pil uit een groene
strip en slikt die waarschijnlijk in,

langs het raam aan de andere kant schieten de bomen voorbij, smalle velden met vee, een
boerderij, bossages, in het gras slapende schapen, een groep huizen, parken, een veld,
breder dan de vorige en wegwaaiende pamfletten,

hoe onderscheiden vinken zich van lijsters, lijsters van hoenderen, en die van kraaiachtigen,

IV
lieve
moedwillig leg je het hoofd op het zwarte tasje, ogen open, het wordt zonniger, 15:20 u,
wandel zonder jas, rijd ik weg vanuit een licht, modern aandoend, station,

ik had je nog mee willen vragen,

Peter Prins (1950)
uit: Contouren voor verderop (2019)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Johan Daisne • Bedtime-boutade

Bedtime-boutade

Wanneer Professor slapen gaat rond den elven,
Is hij gewis en zeer ten rechte moe:
Den heelen dag in Plinius zitten delven,
En dan studenten – deksels – nog aan toe!

Hetzelfde geldt voor Celestijn van ’t hoekje,
Die druppeltjes verkoopen moest en dronk;
Voor doppers die rij-schoven met hun boekje,
En voor des pasters meid die ’t zilver blonk.

En verder voor de wroeters uit gewelven,
Barbieren, beelaars, clowns en Miss Turkij,
En dan ten slotte nog voor Hoogstdezelve,
Die heel den godschen dag moest koning-zijn.

Die allen gaan terecht vermoeid dus slapen,
(Toch niet zóó moe dat ’t hen niet slapen doet),
Bedanken God gelijk rechtschapen schapen,
En droomen (zoo ze droomen) droomen zoet.

Helaas – zooveel valt niet elkeen ten deele!
Er zijn er (‘manekijkers’ noemt men hen)
Waarvan de nacht niet sluit d’ontstoken scheelen,
Maar tranen afperst in een stompe pen.

Zij delven – dwazen – in hun ‘vrije’ uren
Naar een gewijd geheim dat duur zich wreekt,
Ontvangen gratis ’t oordeel van hun buren,
Terwijl hun eigen geest hun hart doorsteekt.

Geven hun geld, laten zich handicappen,
Riskeeren ’t àl, hebben bij vrouwen pech,
Geven hun haar en ziel, tellen geen klappen, –
Kortom: zijn duts èn held. En slapen slecht.

Johan Daisne (1912-1978)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Louis Couperus • Nachten (VIII)

Nachten (VIII)

’t Was in nachtgrauwen smook vòl afgezanten
Der hel, die drongen binnen door de ruiten;
Lijven als linte’ en larvesnoete’ als tuiten:
’k Zag oogen fosferen aan alle kanten…

Midde’ in de kamer zetten, de vijf snuiten
Tegen elkaâr, zich vijf reus-elefanten,
Als in een circus, in een kring, met kanten
Kragen om dikke nekke’ en speelde’ op fluiten.

En ’t was niet kluchtig, want uit plompe tronies
Gluurden hun oogen, schuin en valsch demoniesch;
Angst klopte op ’t harte mij, met ham’r op hamer,

Want zoo zwaar zwollen ze uit, rond in de rondte,
Dat ze in de nauwer inkrimpende kamer
Werden ’n nachtmerrieklomp van mastodonten.

Louis Couperus (1863-1923)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Louis Couperus • Baders te Lido

Baders te Lido

Op ’t rosse strand, blinkende naakt, bijna
Antiek, in ’t wolkgetemperd zonuitgloeien,
Stevig, vleeschroze, of brons en bruiner, stoeien
De baders bij de ruischende Adria.

Zij late’ in ’t brandend zand zich koper schroeien;
Zij stuive’, in krijgertjen, elkaâr dol na;
Tritonen, duiklen zij in ’t golfvervloeien;
Klassiek van vouw valt blank hun badewâ.

Lichtbrons, gespierd — of blanker, roze en room, —
Leve’ òp in ’t straffer licht statuë-leden
Der Venetiaanse knape’ als in ’t Verleden.

In zóo veel lucht en licht is ’t nauw een droom:
Latijnsch en werklijk scheen dit uur van ’t Heden,
Zoo ginds een boot niet uitliet pluim van stoom….

Louis Couperus (1863-1923)
uit: Nagelaten werk (1975)

Tekening: Hendrik Willem Mesdag


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Louis Couperus • Sabijnsche-maagdenroof

Sabijnsche-maagdenroof
Loggia dei Lanzi

Hij is zwaar forsch, maar slank, mijn soudenier,
Soldaat van Romulus; hoog’r in zijn armen
Tilt de Sabijnsche maagd hij, trots haar karmen;
En welft zijn rug acht’rover in spel van spier

En pees; strak spant zijn dij breed; prachtig dier,
Mandier, dat schaakt zijn vrouwtje tusschen zwermen
Van vrouwen, vluchtend her en der, erbarmen
Smeekend in vrees voor ’t driest mandriftig vier…

Gian van Bologna deed, met ’t blij besef
Van ’t recht des sterkste, die brutaal viert zege,
– In marmer eerst, op ’t bronzen bas-relief

Daarna – hem leve’ en prachtiglijk bewegen,
En koos zich tot model dier lichaamsglorie,
Bartolommeo, den jongen Ginori.

Louis Couperus (1863-1923)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: twee perzikgedichten

De perzik

Breed spreidt de boom, met donzig ooft beladen,
Zijn knoestige armen over ’t lichtgroen latwerk
Dat, sterke steun, den zoeten last helpt torschen.
En bij den boom, met blikken vol begeerte,
Staan knaap en meisje, meer dan half verleid reeds.
Bekoorlijk bloost de rijpe ronde perzik.
Op zusjes schouder legt de knaap zijn handje
En stamelt smeekend – ‘Toe! pluk gauw! ik durf niet!’
En moedig heft, vuurrood van ’t koene waagstuk,
– Als Vader kwam! – het blonde zondaresje
Den blanken arm naar ’t purpren paradijsooft,
Plukt snel de vrucht en splijt die vlug doormidden
En deelt haar buit, al fluistrend: – ‘Laffe jongen!’
Met bangen broêr, die achter Eva wegschuilt.

Hélène Swarth (1859-1941)

***

De perzik

Die perzik gaf mijn vader mij,
Om dat ik vlijtig leer.
Nu eet ik vergenoegd en blij.
Die perzik smaakt naar meer.

De vrolijkheid past aan de jeugd
Die leerzaam zig betoont.
De naarstigheid, die kinderdeugd,
Wordt altoos wel beloond.

Hieronymus van Alphen (1746-1803)

Foto: Flickr


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerrit Achterberg • Atoombom

Atoombom

Vannacht was het noorden hier
en vroeg aan mij om kwartier.
Ik zei: mijn horloge is hard.
Maar neem gij een vierde part.

Het oosten kwam bij mij op
met de helft van de maan er op.
Ik keek naar de kazen om:
zij lagen nog vol en dom.

Het zuiden ook staat in huis
met zijn geboortebewijs.
De zonnewijzer belandt
niet in het derde kwadrant.

Het westen, terug van de reis,
brengt zandloper mee en zeis.
Ik hoor een schurend geluid
en buiten voortdurend gefluit.

Nu slaat de bom uit elkaar
de dingen, de dichter, de taal.
Een reflex in mijn vingers schrijft
dit af terwijl het verstijft.

Gerrit Achterberg (1905-1962)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.