Categorie: gedicht

Gedicht: Ward Ruyslinck • Pax Americana

Pax Americana

Na Reagan komt zonneschijn,
niet eventjes, nee, permanent.
’t Zal immers eeuwig vrede zijn,
van Philadelphia tot Tasjkent,
van Kaapstad tot de Beringzee.
We zullen broeders zijn, niet langer slaven
van ’t kapitaal of ’t kameradencomité,
en eindelijk gelijk, in onze massagraven.

Ward Ruyslinck (1929-2014)
uit: Hunkerend gevangen (1988)

foto: pixabay


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Ward Ruyslinck • Bij het familiegraf

Bij het familiegraf

Mijn vader, die in de hemelen zijt
en nu misschien Celestus heet,
heb jij een ogenblikje tijd?
Het zou kunnen dat jij wéét
wat ik al lang wil weten:
ben jij van angst en zorg bevrijd,
hoe laat wordt er ontbeten,
ligt er parket of vast tapijt?

Mijn moeder, als vroeger aan de rechterhand
mijns vaders nederig gezeten,
lees jij ook ginder in de krant
hoe ik bewonderd word en soms bescheten?
Ik weet het: aardse ijdelheid.
Wat maal jij ginder om gevit en veten,
om het kleinzerig zuchten van wie lijdt,
om het gekakel van orakels en profeten?

Mijn broeder, die uit de oorlog kwam
en nog een onsje liefde overhad,
een boterhammentrommel en een kam,
lig jij nog altijd in dit donker gat
te dromen van een vrije maatschappij,
of zit je achter hupse engelen aan?
Als jij het antwoord weet, bespaar het mij
dan maar, of laat me in de waan.

Ward Ruyslinck (1929-2014)
uit: Hunkerend gevangen (1988)

foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Ward Ruyslinck • Mijn mooi verdriet in de herfst

Mijn mooi verdriet in de herfst

Als een schimmel in de schaduw
van het reeuwse bos,
als een bittere boleet
met een scheve kroon
verstuif ik op mijn erf
onkuisheid en bederf
en het eczeem
van de dood.

Als een zwarte specht,
de dronken drummer
in het galmend woud,
belijd ik mijn stervensangst
en zelfbehoud
met norse snavelslagen
in het goud
der najaarsdagen.

Wat heb ik een mooi verdriet
in de herfst,
en hoeveel mooier zou het zijn
als jij me nu verliet.

Ward Ruyslinck (1929-2014)
uit: Hunkerend gevangen (1988)

foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Juliana de Lannoy • De onbestendigheid

De onbestendigheid

Moest eindlijk Babijlon in puin en asch verkeren,
Die stad, die ’t gansch Heeläl verwondring heeft gebaard!
En gij, o Ninivé! dat zoo voortreflijk waart,
Kon niets den ondergang van uw Paleizen weeren?

Moest Titus Zegeboog zijn luister ook ontbeeren!
Is Piza’s heerlijk Beeld door de eeuwen niet gespaard!
Ja, zag men ’t woedend vuur, dien Tempel zoo vermaard,
Epheze’s wonderstuk in eenen nacht verteeren!

o Pharos! wierp de tijd uw trotsche vuurbaak neêr!
Mauzool, is van uw Graf het minst bewijs niet meer!
In ’t kort, kan niets op aard zijn eersten glans bewaaren?

Wat reden heb ik dan om zoo verbaasd te staan,
Dat naa den trouwen dienst van acht of negen jaren,
Van mijn balijnenrok de haak is afgegaan?

•••

Vers om te plaatsen in de kerk te Noordeloos

Looft hem, die is, die was, die weezen zal:
Den schepper en den Koning van ’t heelal.
Hier past het u den roem zijns naam te zingen.
Maar weet ge, welk een hulde hem behaagt?
’t Is niet de tong, die van zijn’ lof gewaagt:
Neen; ’t is uw hart, uw liefde, ô Stervelingen.

Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Bredero in Brussel

Door Ton Harmsen

Als wij een boek cadeau geven kunnen we voorin een opdracht schrijven: ‘Ter Herinnering aan deze mooie dag, Tonny. Je Opa. – 10 October 1955’. In de zeventiende eeuw kocht men het boek apart van de band, en dat bood zelfs de gelegenheid er katernen bij te laten binden met tekst van eigen maaksel. Dergelijke handschriftelijke invoegingen geven het boek een persoonlijke toon. Een dichtbundel waar een jongeman gedichten bij schrijft voor zijn beminde is altijd een feest om te zien.

In Parijs vond ik een dergelijk exemplaar van Bredero’s Groot lied-boeck. Ook in Brussel zag ik een handgeschreven opdracht, in de bundel gedichten en liederen Apollo of ghesangh der Musen. Daar is een manuscript met tien pagina’s poëzie bij ingebonden. Ook hier een vleiende opdracht, in dit geval aan mejoffer Diewertje of Dieweria Cops. Het Parijse handschrift bevat na het gedicht met de opdracht aan Eva Roch een bloemlezing uit bestaande poëzie, in het Brusselse handschrift volgen op de opdracht vier gedichten die de schenker zelf maakte. In beide gevallen illustreert het de zeventiende-eeuwse gewoonte liedboeken en gedichtenbundels cadeau te geven aan een geliefde – het lezen van de gedichten kan Cupido een handje helpen. Eva Roch en Diewertje Cops komen uit de kringen van welgestelde burgers. Een van de zestiende-eeuwse Amsterdamse burgemeesters is Symon Claesz. Cops; of Diewertje familie van hem is weet ik niet. Misschien is zij helemaal geen Amsterdamse: een van de gedichten gaat over een Amsterdamse student die in Leiden op slag verliefd wordt. In plaats van te studeren.

Lees verder >>

Gedicht: Martijn den Ouden • de zesde dag

Uit Ruimtedagen, de nieuwe bundel van Martijn den Ouden, “waarin twee entiteiten, Marna en de lezer, redekavelen over de wijze waarop de schepping moet worden voltrokken”.

de zesde dag

de poolvlakte is een rustige omgeving
het is windstil
over enkele ogenblikken
verrijst hier een gotische kathedraal

varens willen er niet groeien
braamstruiken willen er niet branden

dit is een goed begin
het is overzichtelijk

in de tennisbal bevinden zich

de schitterende zon
de adembenemende zeeën
roetzwarte rivieren
het veulentje
de slanke mangoeste
een grasmaaier
een luchtballon
de Simca Vedette
de theepot
– met de slapende merries –
het konijnenpootje

de lezer draagt de tennisbal
waardig naar het altaar

•••

vierde dialoog tussen Marna en de lezer

de lezer
ik denk dat dit het is, Marna
zo moet het zijn
dit is het begin
alles lijkt in harmonie
alles valt op zijn plek
laten we rusten
de tijd nemen om het allemaal in ons op te nemen

Marna
ik denk dat je gelijk hebt

Martijn den Ouden (1983)
uit: Ruimtedagen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

De hemel hoger dan de kerktoren – Jan Engelman en de katholieke kritiek

Door Danny Habets

Voor de katholieken te vrijzinnig, voor de vrijzinnigen te katholiek. De dichter Jan Engelman werd tijdens de hoogtijdagen van zijn dichterschap zowel vereerd als verguisd. In een eerdere aflevering in Neerlandistiek werd Engelmans erotische poëzie nader onder de loep genomen. In deze tweede aflevering komen de kritische reacties van zijn katholieke tijdgenoten aan bod.

Lees verder >>

Gedicht: Estelle Boelsma • het gaat helemaal mis met de sering

Uit Kore, de nieuwe bundel van Estelle Boelsma.

het gaat helemaal mis met de sering zo schuin is hij gaan groeien
terwijl ik doorwinter in mijn vocabulaire

verstrikt in andere raakvlakken
rituelen uitvoeren met de strijkschaduw
op een gegeven moment moet er iets opgeruimd worden

— ga dan tien minuten op de grond liggen

alles prikkelt de bewustwording van de ruimte om me heen met kleine
onderhuidse vuurvliegjes — buzzz buzzz

kan ik veranderen in een heel bos?
valt het te forceren te worden met de nerven me te verslingeren
met andere planten en opgaan in het geheel

        wat had ik anders moeten doen?
        knielen bij zijn lichaam? prevelen? zitten bij zijn lichaam
                en nog een kopje koffie laten halen? wachten, slapen, spreken,
                        naar huis gaan

ik heb gepreveld
blijf hier — vind rust

de eerste periode van herstel

de tweede periode van bekwaamheid

de derde periode omringd met dieren

Estelle Boelsma (1971)
uit: Kore (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Marc Tritsmans • Schrödingers kat

Uit Alles is hier nog, de nieuwe bundel van Marc Tritsmans.

Schrödingers kat

Naderend de plek waar zij ooit
allen samen waren en dus hopend
dat ze daar nog steeds zullen zijn
staat mijn vaders geblutste auto

weer op de stoffige trillende zandweg
zit hij in zijn tuinstoel heel langdurig
en aandachtig in zijn koffie te roeren
en in de achtergrond ook zoals steeds

stil mijn grootouders naast elkaar op het
gazon terwijl op een zomerse dag als deze
onvermijdelijk, van een eindje verderop
het vrolijke ploppen van tennisballen

weerklinkt, het onbekommerd lachen en
roepen: alles is er, ja alles is hier nog
samen tot ik het ten slotte niet kan
laten om naar binnen te gaan.

Marc Tritsmans (1959)
uit: Alles is hier nog (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Naar een reisgenoot op zoek: Martinus Nijhoffs Awater

Door Peter J.I. Flaton

In de marge van Marc Kregtings artikel “Al die kakelende stemmen” in Neerlandistiek ontstond er gedoe over de kwaliteit van Nijhoffs werk in het algemeen en die van Awater in het bijzonder.

In de ogen van de een is die beneden alle peil, terwijl de ander de tekst voor zichzelf wil redden door te lezen wat er staat (ook al is het ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ beroemd geworden, het begint met lezen wat er staat).

Daarbij realiseerde ik me, dat ook Awater intussen is bijgezet in het mausoleum van de Nederlandse letterkunde: hogelijk geprezen maar nauwelijks nog gelezen. Een zo niet de verklaring ervoor (ook dat realiseerde ik me) is, dat dit relatief korte verhalende gedicht van 273 versregels buitengewoon lastig toegankelijk is. Inderdaad en nu wel: ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ (v. 26).

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik Tollens • Voor mijn hond

De ooit zeer beroemde Hendrik Tollens vertaalde veel gedichten van de ooit zeer beroemde Matthias Claudius.

Voor mijn hond

Alard is dood. Een traan ontsprong mijne oogen,
Toen hij de zijne sloot;
Ik schaam mij ’t niet: ik ben bewogen:
Alard is dood.

Hij hing me aan ’t lijf; hij kleefde me aan de kleeren,
Hij kwispelde aan mijn zij’;
Nog stervend sloeg hij menig keeren
Het brekend oog op mij.

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik Tollens • De mensch

De ooit zeer beroemde Hendrik Tollens vertaalde veel gedichten van de ooit zeer beroemde Matthias Claudius.

De mensch

Gewonnen en geboren,
Beginnen wij te zien,
Te schreijen en te hooren,
Te praten bovendien.
Wij schieten uit de kluiten
En worden kloek en stout;
Beramen en besluiten
En grijpen glimp voor goud.
Wij tobben en wij sloven
Om meerder dan ons deel;
Wij twijflen en gelooven
Te weinig en te veel.
Wij maken en wij breken
En spinnen aan ons rag;
Verandren alle weken,
Veroudren elken dag:
Zoo kruipen wij of zweven,
En grijzer wordt ons hair;
Zoo rekken wij het leven
Tot somtijds tachtig jaar;
Dan geeuwen wij en gapen
En leggen ons te slapen.

Hendrik Tollens (1780-1856)
naar Matthias Claudius (1740-1815)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hendrik Tollens • De vrijheid der drukpers

De ooit zeer beroemde Hendrik Tollens vertaalde veel gedichten van de ooit zeer beroemde Matthias Claudius.

De vrijheid der drukpers.
Eene fabel.

Men wil, dat voor verscheiden jaren,
Misschien voor honderd, of nog meer,
De dieren, toen verzot op eer,
Zoo volgepropt van wijsheid waren
Als nu de menschen ongeveer:
Zij letterblokten evenzeer.
De rammen waren meest scribenten,
Meest de andren lezers en studenten,
En de oppercensor was een beer.

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik de Vries • Koorts

Koorts

Hoor! Zoo is nooit gezongen! Hoor!
’t Behang bewoog,
En ’t haar van ’t zwaarbewimperd oog.
Wat vloog
De ruimten door?

’t Zal morgen zijn
Of ’t niet bij nacht zoo hard met zweepen
Geslagen had. –
Zie door ’t gordijn
De geesten in hun koude schepen!

De takken schaven aan de randen
Van ’t venster. In de verte fluit
Het altijd helder langs de landen.
De dieren op de wanden
Verdwijnen. ’t Licht gaat uit.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: De nacht (1920)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nachoem M. Wijnberg • Mozes of Mozes

Uit Joodse gedichten, de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg.

Mozes of Mozes

Mozes of Mozes,
vraagt Mozes,
want dat is eindelijk een vraag waar hij Mozes op wil antwoorden,
en waar staat zijn Mozes:
ver genoeg van hem af dat hij niet hoort
hoe hij zegt: Mozes, Mozes,
Mozes? Wat vreemd is aan de man Mozes,
bijna alles, zijn naam, dat het was alsof hij de enige was
die met een mens zou kunnen spreken
(of genoeg gezicht naar gezicht om te zien
dat hij geen gezicht zag). In de ochtend schrijft hij op waar ze weggaan
en in de avond, voordat het helemaal donker is, waar ze dan zijn,
zo weet hij later dat ze opnieuw zijn
waar ze eerder waren, zelfs veertig jaar geleden,
want soms lopen zij in cirkels zoals wie verloren is
in een bos. (Rasji schrijft dat het grootste wat Mozes deed
het breken van de bladzijden van steen was waarop geschreven was,
omdat hij zag dat het volk die anders op een altaar gelegd had
en hij brak ze ‘voor hun ogen’. Hij brak ze in scherven,
alsof hij ze zelf geschreven had
en plotseling zag waar hij zich vergist had). Ach man Mozes,
je weet niet waar Mozes is? Maak je geen zorgen,
als de grens opengaat
kan iedereen Mozes zijn. Je trekt nog zo’n gezicht dat je beter kan uitvegen,
alsof een van je Mozessen je gezegd heeft
dat als de grens nu opengaat
jij aan de andere kant moet blijven om op de achterkant
van je woorden te schrijven.

Nachoem M. Wijnberg (1961)
uit: Joodse gedichten (2020)

Foto: FEB


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Ogenglans en offerlam – over erotiek en mystiek bij Jan Engelman

Door Danny Habets

Voor de katholieken te vrijzinnig, voor de vrijzinnigen te katholiek. De dichter Jan Engelman werd tijdens de hoogtijdagen van zijn dichterschap zowel vereerd als verguisd. In dit artikel worden enkele gedichten uit zijn bekendste bundel Tuin van Eros nader beschouwd, in een tweede aflevering zullen de kritische reacties van tijdgenoten aan de orde komen.

Lees verder >>

Gedicht: W.F. Oostveen • Mijn schaapje

Mijn schaapje

Ik ken een aardig schaapje,
’t Loopt ginder in de wei,
Het huppelt en het springt maar
Heel vergenoegd en blij.

Het dartelt in de weide
De ganschen langen dag
En eet en drinkt met luste,
Al wat het gaarne mag.

Was ik maar eens zoo’n schaapje,
Dan zat ik nu niet hier,
Dan ging ik nooit naar school toe
En had maar steeds plezier.

Wel jongen lief, wat zegt ge,
En meent ge dat? Och kom,
Dan bleeft ge net als ’t schaapje,
Uw heele leven dom.

W.F. Oostveen (1849-1890)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Liesbeth Lagemaat • De rouw van het nevelkind

Uit Vissenschild. Een episch gedicht van Liesbeth Lagemaat. Het gedicht wordt uitgevoerd als gesproken opera op 19 november in Perdu in Amsterdam.

De rouw van het nevelkind

Dan sluipt het schirrezusje langs de plas, haar zweemkompaan
ooit gebotseld uit hersenkrampen van een allenig kinderwezen.

Aan te roepen als een zilveren fluitje in de nacht.
Waar weven draden zich van dauwkind naar Elpis in de ochtend

straks, die komt. Hoe de weteringdamp in zichzelf verwart.
Nevel zoekt: is dat een passende afdruk in gras, kan dampvoet staan

in dat stuk getekende modder. Zuchtzusje spreidt zich uit
op de doofstomme akker. En speurt. Sluierdans, dat ook, maar

vanwege de breuklijn, getrokken vannacht.

Wat blijft: de trekking naar haar. Wat blijft: een richtingloos
zoeken. Zoveel vocht is de wereld ten spijt. Nimbus. Nimbus.

Een bij duikt diep in het vingerhoedskruid, mus bekt stupide in
graangruis, een zinloze wesp tilt zijn achterlijf op, bladnerven

doorlaten een grim van licht. De dag heeft zichzelf in het water
geflikkerd, kringen, plichtmatig. Een tor met zwarte kabots landt

op rietkraag. Hakselstro. Een schunnige zon. Schirrekind spreidt
vingers naar niets. Zal blijven: een echo. Niks geen loutering

is het niets. Zal blijven: gejank dat niet meer uit je schedeldak is
weg te krassen, zal blijven een tong van chloor, schaamte

de doezelveer die elke klank ineen doet stuiken voordat een woord
gebrakt. En dan nog. Niemand hoort. Nevel spreidt zich en spiedt.

Het koolzaadveld overrompelend.

Liesbeth Lagemaat (1962)
uit: Vissenschild (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Herman Leenders • Hij

Uit Overstekend wild, de nieuwe bundel van Herman Leenders.

Hij

hij smokkelt zich naar binnen
niemand merkt hem op
in de haard de kelder het washok
niemand ziet hem in de tuin
doorzichtig en meegaand als hij is
vanzelfsprekend als de notelaar
als houtworm in het gebinte
roddelend met de kauwen en kraaien
lonkend in de spiegel
hij grijnst en spot
het spook met de happy socks
schreit als een krolse kater onder
de diepgevroren maan
draait de deur
achter mij in het slot

Herman Leenders (1960)
uit: Overstekend wild (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Roemer Visscher • Grafschrift

Grafschrift

Hier onder leyt,
Een jonghe Meyt,
Die plach te zijn,
Vrolijck van praet,
Eerlijck van daet,
Schoon van aenschijn.

Met hare vreucht,
heeft sy verheucht,
Groot ende cleyn:
Maer haer verdriet,
Claechde sy niet,
Dan God alleyn.

De wech ter doot,
Deur lyden groot,
Is sy ghetreden:
Met Lazaro bloot,
In Abrahams schoot,
Rust sy in vreden.
Amen.

Roemer Visscher (1547-1620)
uit: Brabbeling (1614)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacob Cats • Grafschrift van alle schoone

Ghy die hier vvandelt door de kerck,
En treet van d’een op d’ander serck,
Koomt hier, en staet een vveynich stil,
En hoort eens vvat ick seggen vvil.
        Hier onder leyt een schoone maeght,
Maer sooje die eens heden saeght,
Nu, seg-ick, als de bleecke doot
Heeft af-geteert haer jeuchdigh root,
Nu, seg-ick, als het duyster graf
Haer luyster heeft ghegeten af,
Nu, seg-ick, nu men slechs alleen
Maer siet een dor, een nietigh been.
Ach tusschen haer en Slons haer meyt
En vondje nu gheen onderscheyt.

Jacob Cats (1577-1660)
uit: Houwelick (1625)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anthony van der Woordt • Prijs niet zalig den man, welke in paleizen woont

Prijs niet zalig den man, welke in paleizen woont;
wien een prachtige troon draagt; die den machtigen
schepter zwaait over landen;
wien millioenen hun hulde biên.

Neen! paleizen, o mensch! schutten de lagen niet
van den dood. Tot den troon dringen de dolken door:
hij stort neêr, die den schepter
zwaait, millioenen verheugen zig!

Ach! der koningen lot is niet bekorelijk;
want paleizen bewoont zelden de liefde: wen
eens een vorst eenen vriend heeft,
dan verwondren de volken zig.

Anthony van der Woordt (1769-1794)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Verloskunde

Wonen in gedichten (18)

Door Judit Gera en Jos Kleemans
Moeilijkheidsgraad gedicht: gevorderden
Categorie: Mens en maatschappij

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Anneke Brassinga.

Lees verder >>

Gedicht: Erwin Mortier • Al die puinen op onze aarde

Uit Precieuze mechanieken, de nieuwe bundel van Erwin Mortier. (En hier nog een voorproefje).

Al die puinen op onze aarde.

Tenochtitlan, Aleppo, Carthago, Nagasaki en de vergeten Incasteden,
Nineve, de piramiden van Koesj en het Ur der Chaldeeën,

waar onverlaten ooit hun vingers
in leem hebben geduwd en het schrift ontdekten.

Babel, waar de legoblokjes van al onze talen uit een hemeldoos vielen
op de speelgoedvloer van onze beschaving.

We schreven eerst om magazijnen op voorraad te houden,
zegt de traditie.
En toen kwam Gilgamesj, en al het andere.

Schrijven als doelbewust misbruik van rekenmethoden,
lang geleden, in natte klei, ergens in Sumer.

Dat bevalt me wel.

Erwin Mortier (1965)
uit: Precieuze mechanieken (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Pol de Mont • Oktoberavond

Oktoberavond

Een uitspansel van lood… Heel hoog, inktzwarte
traag heendrijvende wolken; lager, bij
de oneffen horizon, die van het Zuiden
onmerkbaar glooiend naar het Noorden loopt,
pikdonkre strepen op groenachtge grond,
en — lager nog, de kimme rakend schier,
een dunne, rode, helverlichte strook…
Daaronder strekt, beeld van verlatenheid
en armoe, zich een onafzienbre vlakte:
steenachtig land, waarop slechts hier en daar
wat pover onkruid wegteert, wijl, heel ver,
een enkle boom, verwrongen door de storm,
wat schaduw spreidt. —
                                    Krijtachtig loopt, gelijk
een lange slang, een smalle wegel dwars
door ’t eenzaam veld, en pikzwart, slechts van binnen
geelrood verlicht, verrijst, uit twintig schouwen
een dikke smoor uitpaffend, de fabriek,
zwoegend uit hese longen in de stilte
van vallende avond door het eenzaam veld,
zuchtend, als wilde de onbezielde stof
te zamen vatten in één enkle zucht
al ’t menslik lijden, dat die muren bergen…

Pol de Mont (1857-1931)
uit: Zomervlammen (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.