Categorie: gedicht

Gedicht: Herman Gorter • De lamp schijnt, de kamer is open

De lamp schijnt, de kamer is open –
buiten hoor ik de wind loopen.
De bladen, de flappende bladen,
de flaplentebladen – de flapnachtbladen,
ze zijn groen en ze zijn zwart en slap –
hun natte lippen, ’t slap handegeklap –
hoor ’t opwaaien, ’t alle – weggaan,
daar komen ze weer aan –
het schermutsel in ’t donker van zachte wapenen,
het aan elkaar klapperen,
hoor ze in de verte aangaan,
de nacht is heel open gegaan
als sluizen –
langs mijn hand koel gezoen en gestrook,
het licht schijnt als in rook,
’t is als om slapen te gaan,
in ’t schijnlicht, die vlijblaân, ’t opgaan, ’t neergaan.

Herman Gorter (1864-1927)
uit: Verzen (1889)

Foto: raymond noë


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerrit Achterberg • Melkknecht

Melkknecht

Hij legt het spantouw om de poten van het beest,
zet zich neer op het melkblok, plaatst de emmer
onder de uier en omvat de memmen,
waarna de eerste melkstraal op de bodem sjeest.

Toegevend herkauwt ogendicht het beest.
Vliegen verslinden onderwijl zijn huid.
Met ’n luie staartzwaai is het al weer uit.
Naast melk en huid heeft hij geduld het meest.

En in de emmer rijst het zachte feest
van zingend schuim op witte overvloed.
Het is vandaag weer goed en veel geweest.
Hij geeft zich prijs zoals een dichter doet.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Foto: raymond noë


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerrit Achterberg • De dichter is een koe

Hugo Brems over dit gedicht.

De dichter is een koe

Gras… en voorbij het grazen
lig ik bij mijn vier poten
mijn ogen te verbazen,
omdat ik nu weer evengrote
monden vol eet zonder te lopen,
terwijl ik straks nog liep te eten,
ik ben het zeker weer vergeten
wat voor een dier ik ben – de sloten
kaatsen mijn beeld wanneer ik drink,
dan kijk ik naar mijn kop, en denk:
hoe komt die koe ondersteboven?
Het hek waartegen ik mij schuur
wordt oud en glad en vettig op den duur.
Voor kikkers en voor kinderen ben ik schuw
en zij voor mij: mijn tong is hen te ruw,
alleen de boer melkt mij zo zalig,
dat ik niet eenmaal denk: wat is hij toch inhalig.
’s Nachts, in de mist, droom ik gans onbewust
dat ik een kalfje ben, dat bij de moeder rust.

Gerrit Achterberg (1905-1962)
Uit: Eiland der ziel (1939)

Foto: raymond noë


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacques Hamelink • De Zot op zondagochtend

Uit Solituden, songs, de nieuwe bundel van Jacques Hamelink.

De Zot op zondagochtend

Op blote zwarte voeten voort schuift hij.
Gerafelde broekspijpen, hemd gescheurd.
Een zwakhoofdige staakrechte schuifelaar.

Met achter de horizon buigende ogen, woest
haar, gretig zich voorbrabbelende kwijlmond
schuift hij pijlsnel over de veldweg nader.

De hoeve van Abraham van Hoeve staat dood.
Alles naar de kerk vertrokken. Naar gewoonte
onafgesloten het huis, het harmonium open.

Lees verder >>

Gedicht: E. Laurillard • Der bloemen lof

Bas Jongenelen ontdekte onlangs de oudste Nederlandstalige sonnettenkrans, uit 1878, van dichter-dominee Eliza Laurillard. Hieronder het tweede sonnet uit de cyclus.

Der bloemen lof zij ’t lied van stem en snaren!
Zij zeggen ons: “Wij kunnen, mensch! u leeren,
Dat in ’t bestek van ’t scheppingswerk des Heeren
Het goede en ’t schoon zich samen openbaren.”

Ja! als op aard eens nergens bloemen waren,
Wat lieflijkheên zou onze blik ontberen!
Zij zijn het, die de eentonigheid stoffeeren;
Patronen zijn ze in ’t effen groen der blâren. Lees verder >>

Bas Jongenelen ontdekte onlangs de oudste Nederlandstalige sonnettenkrans, uit 1878, van dichter-dominee Eliza Laurillard. Hieronder het tweede sonnet uit de cyclus.

Der bloemen lof zij ’t lied van stem en snaren!
Zij zeggen ons: “Wij kunnen, mensch! u leeren,
Dat in ’t bestek van ’t scheppingswerk des Heeren
Het goede en ’t schoon zich samen openbaren.”

Ja! als op aard eens nergens bloemen waren,
Wat lieflijkheên zou onze blik ontberen!
Zij zijn het, die de eentonigheid stoffeeren;
Patronen zijn ze in ’t effen groen der blâren. Lees verder >>

Gedicht: Alfred Schaffer • Wat ooit gruwelijk was is één grote grap

Uit Wie was ik, ondertitel strafregels, de nieuwe bundel van Alfred Schaffer.

Wat ooit gruwelijk was is één grote grap

rennend de cassaveheuvel af.
in het begoochelende laatste beetje licht.

met mijn toverstok van hout waarmee ik joelend
klein gevogelte de stuipen op het lijf jaag.

suikerdiefjes kieviten en musduiven.
een tumultueuze kluwen die hysterisch op de vlucht slaat
voor mijn eenpersoonsmilitie. Lees verder >>

Gedicht: Claas Bruin • Scheveningen

Scheveningen

Nu eens een korten reis naar Schevening genomen.
O schone straatweg! met een dubb’le ry van bomen,
Aan welkers einde zich den toren in ’t verschiet
Van ’t zeedorp klaar vertoont. Wie zou hier zyn verdriet
In eenzaamheid door zulk een voorwerp niet vergeten?
Gy, die u zelf verbindt als slaven aan een keten,
Door al te veel beslag in ’t wroeten, om het geen
Natuur niet van u eist,: komt reist eens herwaarts heen,
En wilt uw’ geest door deze uitspanningen verblyden.
O Hagenaars! ’k moet schier uw groot geluk benyden,
En hield my myn beroep niet vast in Amsteldam,
’t is zeker dat ik haast by u myn woonplaats nam:
’t Nabuurschap van uw zee, uw bos, uw duin, uw hagen,
Behagen my, zo dat ik naar geen Vecht zou vragen.


Claas Bruin (1671-1732)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Pierre H. Dubois • Wandeling naar Scheveningen


Wandeling naar Scheveningen

In villatuinen bloeiden rood de rozen,
de zon stond warm te broeien aan de muur,
Verloren viel ‘t besef van tijd en uur,
en al wat droomloos is, scheen uit de boze,

En langs de lanen, groen en koel omzoomd,
ritselden op de zwoele wind de blaadren,
en ruiters, uit de verte, reden nader en
weer voorbij in stof en lucht die stroomt.

Zo diepe rust, met slechts het ademhalen,
zwaar en gedempt, van de nabije zee —
Waarom ontwaakt juist dan een grondloos wee
vanuit harts donkerste en diepste dalen?

Eén ogenblik van rust wordt niet gegund,
of men moet die met bittre drang betalen.
Wanneer men ongezien tracht weg te dwalen,
ligt hij onfeilbaar op het hart gemunt.

Pierre H. Dubois (1917–1999)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Martin Bruyns • Ik zwem • Pinksteren

Ik zwem

is dit de blauwe adria?
en dat de golf van spezia?
het is de oude ijsel maar
waarin ik watersnijdend vaar
voorbij de weiden en het riet
met aan mijn borst het brekend lied
van ’t koel en donker element
waarin ik mij verheerlijkt wend.
ik ben omspoeld en opgenomen
in blauw- en groendoorglanzde dromen.
de hemel is toskaans azuur
de waterspiegel kwikglazuur.
één ben ik met de lauwe aarde
en dank haar dat zij eens mij baarde
met een weerkaatsend halilo!
o morgenzuiver h20!
mij antwoordt der sirenen stem.
ik luister niet. ik zwem. ik zwem. Lees verder >>

Gedicht: Martin Bruyns • Kinderdood

Kinderdood

Vroeger las ik daar altijd overheen:
een kleine jongen, die een been
werd afgekneld onder de tram;
een ander, die al spelend van de dam
in ’t water sloeg
(zijn lijkje vond men bij een schipperskroeg);
een kindje, met heet water overgoten,
en dat zojuist nog juichend had genoten
een kleine, reine mens te zijn;
een knaap, die werd vermorzeld door de trein
of door een autobus tot brij gereden;
deze en dergelijke griez’ligheden
hoorden nu eenmaal in mijn besef
tot de onvermijdelijke tref-
kans van het leven,
waar God het web van Zijnen Wil om heeft geweven.
Dat duister web, dat niet t’ontraadslen valt,
dat grillig is als water, en harder dan basalt. Lees verder >>

Gedicht: Dylan Thomas • Onder het Melkbos

Het hoorspel Under Milk Wood (1953) van de Welshe dichter Dylan Thomas (1914-1953) was onmiddellijk een groot succes, en ook de vertaling van Hugo Claus (Onder het melkwoud) kreeg destijds veel waardering (maar ook kritiek). Er is nu een nieuwe vertaling (Onder het Melkbos (met nawoord en uitgebreide toelichting)) van Erik Bindervoet. Hieronder twee keer hetzelfde fragment, eerst in de vertaling van Bindervoet, dan in die van Claus. De Engelse versie (iets verkort) van het fragment kunt u hier beluisteren. Het hele hoorspel is in verschillende uitvoeringen op YouTube te vinden .

Eerste stem
De ochtend is een en al gezang. De Eerwaarde Eli
Jenkins, in de weer met zijn ochtendvisites, blijft staan
voor het Welzijnshuis om te luisteren naar Polly Kousen-
band die de vloeren schrobt voor het Dansfeest van de
Vrouwenbond vanavond.

Polly Kousenband (Zingt)
Ik vree ereis een man en die heette Jan
Hij was beresterk en wel twee meter lang
Ik vree ereis een man en die heette Piet
Groot en kogelrond met een kop als een biet
En ik vree ereis een man en die heette Klaassie
’t Was een sliert van een vent en een heel lief baassie
Maar de liefste van al of ie opstond of sliep
Was Pielemuisie Piel en die legt zes voet diep. Lees verder >>

Gedicht: J.P. Hasebroek • Emanuel Geibel

Emanuel Geibel

In ’t donker uur, waarin der Tweedracht galmen
Rondkrijschten, heel ’t verdeelde Duitschland door,
Kwaamt gij, o Bard, met uwer liedren koor,
Dat om ons als een lentegeur deed walmen!

Zoo wont gij onze harten door ons oor:
De mannen trokken slagwaarts met uw psalmen;
De vrouwen zongt ge uw lied bezielend voor;
En beide droeg uw wiek naar ’t oord der palmen. Lees verder >>

Gedicht: Okke Jager • Kom haastig!

Kom haastig!

‘Kom haastig, Jezus!’ bidt de predikant.
‘Ja, Amen,’ zegt een boer, ‘wil spoedig komen!
Maar na de oogst, want van m’n nieuw stuk land
heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen.’

‘Ja, Amen,’ zegt Mevrouw, ‘maar mag ik voor
De bontjas die ik gisteren zag hangen
Eerst sparen en hem aandoen, als het Koor
Een avond geeft in ‘Christ’lijke Belangen?’ Lees verder >>

Gedicht: N.E.M. Pareau • Voorjaarsochtendzang



Voorjaarsochtendzang

Gelijk de grootvorst bij het ochtendgloren
in dolle vreugde ronddanst op ’t gazon
van ’t zomerlustoord, voordat hij begon
den staatsraad over ’t wetsontwerp te hooren

-hoe kan natuur het menschenhart bekooren! –
zoo speelde thans nabij de nymphenbron
de blijde koekoek, zingend wat hij kon,
wijl uit zijn ei een jonge gladvink was geboren.

Lees verder >>

Gedicht: Mischa de Vreede • Heel mijn korte leven lang



Vorige week is Mischa de Vreede overleden. Ze schreef veel romans, maar ook poëzie.

Heel mijn korte leven lang.

heel mijn korte leven lang
een en twintig oude jaren
heb ik mijzelf verbeterd
heb ik mijzelf bebouwd
alles alleen genoten
alles alleen geleden
heb ik met mijzelf geslapen
in een eenzame vredige nacht
heb ik mijzelf omhelsd
in het donkere zoetige water
wie wil mij
wie kan mij wat leren
mijn bestwil verwarrend met god
niemand toch lacht met mij
als ikzelf
niemand toch lijdt onder mij
als ik
en niemand weet zo goed
als ikzelf
hoe ik aan de zon mij heb verwarmd
en verbrand
god betere het!

Lees verder >>

Gedicht: J.P. Hasebroek • Frederik Rückert

Frederik Rückert

Niet enkle boom, maar bosch met duizend twijgen,
Waarin een heer van vooglen zingt in ’t groen,
Terwijl des nachts, wanneer hun zangen zwijgen,
Een elfenrei rondhuppelt door ’t plantsoen,

Zien wij dit Liedrenwoud ten hemel stijgen;
Een woud, dat storm noch winter dorren doen,
En, daar ze eerbiedig voor zijn grootheid nijgen,
Brengt jong en oud hulde aan zijn looffestoen.

Lees verder >>

Gedicht: Hans Faverey • Chrysanten en roeiers

Hans Faverey: het eerste en het laatste gedicht uit de cyclus ‘Chrysanten, roeiers’uit de bundel Chrysanten, roeiers.

De chrysanten,
die in de vaas op de tafel
bij het raam staan: dat

zijn niet de chrysanten
die bij het raam
op de tafel
in de vaas staan.

De wind die je zo hindert
en je haar door de war maakt,

dat is de wind die je haar verwart;
het is de wind waardoor je niet
meer gehinderd wilt worden
als je haar in de war is.

Lees verder >>