Categorie: gedicht

In de schaduw van het verleden

Wonen in gedichten (20)

Door Judit Gera
Met medewerking van wijlen A. Agnes Sneller

Categorie: mens en maatschappij
Moeilijkheidsgraad gedicht: beginners

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Rogi Wieg (1962 – 2015)

Lees verder >>

Gedicht: Michiel van Kempen •

uit Het eiland en andere gedichten, de tweede bundel (met een aantal in memoriam-gedichten voor Surinaamse dichters) van Michiel van Kempen.

Tenzij
voor Bhai (James Ramlall) (1935-2018)

Als er een god is die ons heeft geschapen
dan zal er een god zijn die ons weer terugneemt
daartussen beweegt zich het broze lichaam van de mens
dat wij bevragen, niets te vragen hebben
het verdraagt pijn en vreugde, maar de wens
is er vreemd aan; deze collectie cellen
is al waarmee wij het moeten doen
Als dan bruusk en tegen alle begrijpen in
een deel wordt geamputeerd, misbaar-onmisbaar
rest ons niet veel meer dan troost
dat het beste dat wij tussen dood en dood
kunnen geven, liefde is en dat die groot
en groter, buiten alle cellen om, bestaat en waar is
tenzij – wat god verhoede – ook dit gelogen is.

Michiel van Kempen (1957)
uit: Het eiland en andere gedichten (2020)

Foto: Wikipedia


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan Baeke • Ik bel mijn moeder

Voor onderstaand gedicht krijgt Jan Baeke de Poëzieprijs Melopee.

Ik bel mijn moeder

Ik hoor gerommel in de keuken
artillerievuur, zwaar verkeer vanuit het centrum.

Ik bel mijn moeder op het nummer
waarop ze voor haar dood bereikbaar was en
ze neemt op.

Hoe gaat het? Het gaat goed, zegt ze.
Ik wil haar vragen of ze weet hoe de zorg om
wat er buiten gebeurt vanbinnen werkt.

Ach jongen, de dingen gebeuren omdat
we niet weten hoe ze werken.

Het is goed geluid te vermijden, zegt ze.
Dingen die niet kunnen
zouden geen geluid moeten maken.

Jan Baeke (1956)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Prosper van Langendonck • Aan Guido Gezelle

Aan Guido Gezelle

Zwaar peinzend hoofd, met eeuwigheid omtogen,
doorgroefd van voren, door de idee geleid,
diep over al dat wereldsch wee gebogen,
dat, staag opwellend in Uw boezem schreit;

schoon hoofd, wars van versiering, los van logen,
wijdstralend brandpunt van àl-menschlijkheid,
waarop, nu ’t aardsche leven is vervlogen,
een glans van eeuwig leven ligt gespreid;

in laaie liefdevlammen gaan ons harten
tot U, die al hun liefd’ hebt voorgevoeld,
en duizendvoud doorvoeld hun fijnste smarten,

met gal gelaafd, door ’t waanwijs volkje omjoeld,
waarop Gij nederschouwt, met zielvolle oogen,
grootsch van vergiffenis en mededoogen…

1904

Prosper van Langendonck (1862-1920)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Bernke Klein Zandvoort • korrel

Twee gedichten uit Veldwerk, de tweede bundel van Bernke Klein Zandvoort.

korrel

op een ochtend stond ik drie roltrappen diep
te wachten tot de eerste metro op zou komen

de vezelige geur van onder de grond
werd af en toe aangelengd met een windvlaag
die, eerder in het stelsel gegenereerd, nu pas over
ons perron waaide

een korrel draaide zich om

zoals een foto in een handomdraai
van z’n blanke achterkant naar boven wordt gekeerd
stond er een beeld op in de ruimte van mijn hoofd

had het lang gereisd, vroeg ik me af
welke routes om mij hier te vinden

Lees verder >>

Gedicht: Thomas Arents • Verbeelding van de dronkenschap

Verbeelding van de dronkenschap (fragment)

In ’t kort ook, hoe gering een mensch op aardt kan weezen
Hy heeft voor alle quaat door dronkenschap te vreezen.
Een dronkaart die verspilt zyn erfgoet zonder vrucht,
En maakt dat zyn gezin om zyne dwaasheit zucht.
Hy doet van voddevaêrs het zyne zich ontprachen,
Die, als hy is berooit, om zyne dwaasheit lachen.
Hy stelt zich zelf ten spot van elk die hem ontmoet,
En wordt van brave liên gestoten met den voet.
Naakt, haveloos, bedrukt, gevoelt hy alle plagen,
En moet nog boven dat elks schots verwyt verdragen.
’t Gemoet vol kommer, en het lichaam vol van pyn,
De leden bevende van jicht en fleresyn,
Zyn ogen root en zwak, de handen krom gebogen
De beenen knikkende en zyn kragten gansch vervlogen,
’t Gedenken sporeloos, en, in een woort gezeit,
Het ware voorbeelt van volstrekte elendigheit.

Thomas Arents (1652-1701)
Mengelpoëzy (1724)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lukas Rotgans • Geessel der dronkenschap

Geessel der dronkenschap

Wat werkt de drank in ’t volk al kluchtige gebaarden!
Hoe kan een reedlyk hart door dronkenschap ontaarden!
Wat brengt zy vruchten voort, verscheide van natuur!
Zy slypt de wapens voor de gramschap; stookt een vuur
Van twist en tweedragt in de menschelyke zinnen.
Z’ontsluit het hart, en laat de vuile driften binnen.
Zy spreidt de lustkoets voor d’onkuischeit, die de ziel
En ’t lichaam smet, gelyk een roerelooze kiel,
Door stormen op de zee geslingert heen en weder,
Dan aan de wolken ryst, of stort ten afgrondt neder,
Totze eindlyk, op een klip geslingert, barst van een:
Zo kruist een dronkert op de golven hier beneên,
Tot zyn verzwakte kiel, ontbloot van ’t roer der reden,
Op bank of klip vergaat van ongebonde zeden.

Lukas Rotgans (1653-1710)
uit: Boerekermis (1708)

kluchtige gebaarden: zonderlinge gedragingen
verscheide van natuur: afwijkende van de natuur
lustkoets: bed


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Cornelis Paradijs • Inenting

Cornelis Paradijs was een schuilnaam van Frederik van Eeden.

Inenting

Zou ik mijn kind niet laten vaccineeren
Met zuiv’re koepokstof,
Zou ik dien wreeden geesel niet bezweren,
Die reeds zoovelen trof?

God zond den dood om ’t menschdom te genezen,
Met zonden zwaar belaân,
Toch heeft ons tevens zijn genâ gewezen
Hoe hem te keer te gaan.

Geweldig komt het pestvuur ons bestoken,
Elk schoon zwicht voor zijn kracht,
Doch licht en schaad’loos wordt die kracht gebroken:
Een prik en ’t is volbracht.

Volgroote goedheid! nimmer te doorgronden
Is Godes heerschappij:
De Heer der Heem’len slaat zoo fel geen wonden,
Of schenkt er pleister bij.

Cornelis Paradijs (1860-1932)
uit: Grassprietjes (1885)

Portret: Lizzy Ansingh


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Rodenko • Robot Poëzie

Vandaag is het de honderdste geboortedag van dichter, vertaler en bloemlezer Paul Rodenko.

Robot Poëzie

Poëzie, wrede machine
Stem zonder stem, boom
Zonder schaduw: gigantische
Tor, schorpioen poëzie
Gepantserde robot van taal —

Leer ons met schavende woorden
Het woekerend vlees van de botten schillen
Leer ons met nijpende woorden
De vingers van ’t blatend gevoel afknellen
Leer ons met strakke suizende woorden
De stemmige zielsbarrière doorbreken:
Leer ons te leven in ’t doodlijk luchtledig
De reine gezichtloze pijn, het vers

Paul Rodenko (1920-1976)
uit: Orensnijder tulpensnijder (1975)

Foto: Nico Naeff


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Dean Bowen • ik heb een zwaar hart uit mijzelf gesneden

Dean Bowen is stadsdichter van Rotterdam. Hij verbleef een week lang in het Brabantse Achtmaal, op het landgoed de Oude Buisse Heide, op zoek naar de geest van Henriette Roland Holst, die daar lange tijd woonde met haar man Richard (Rik). Ik vond geen spoken in Achtmaal is het resultaat van dat verblijf, die week.

ik heb een zwaar hart uit mijzelf gesneden
om het aan je voeten te leggen
vond drie alternatieve vormen van antwoorden
die ik uit je wrong
een buitenlandse middernacht, zinderend

mannen doen alsof ze antwoorden hebben
geloof ze niet
geloof mij
niet

Lees verder >>

Gedicht: Ted Hughes • De theologie van Kraai

Uit de tweetalige uitgave Kraai van de beroemde dichter Ted Hughes, de echtgenoot van Sylvia Plath, wier zelfdoding hem zijn leven lang werd nagedragen. Ook Hughes’ volgende partner doodde zichzelf, enige jaren later. Zijn rouw en verdriet verwoordde hij in Crow – het wordt een grimmig en zwart werk genoemd. De bundel (voorproefje hier) is vertaald door Daan Doesborgh.

De theologie van Kraai

Kraai besefte dat God hem liefhad —
Anders was hij wel dood neergevallen.
Dus dat was bewezen.
Kraai leunde, in verwondering, op zijn hartslag.

En hij besefte dat God Kraai sprak —
Slechts bestaan was Zijn openbaring.

Lees verder >>

Gedicht: Johan Daisne • 1939

Waar zou dat ‘God Scharaban’ op slaan? Scharaban is plaatsje in Perzië, charaban betekent ‘janplezier’ , en scharab is blijkbaar ook Hebreeuws voor ‘luchtspiegeling’ en Arabisch voor ‘drinken’ (vanwaar ook siroop). Maar dat ‘past’ allemaal niet …

1939

Het is een groot gebral, het woord Beschaving,
met zijn varianten van Humaan en Geest.
‘’k Ben onverganklijk’ femelt het hoogdravend
en ’t is een louter oprisping geweest!

Want niets is eeuwig en het diepste isme
neemt niet méér plaats nog dan een zakdoekknoop:
één avontuur is ’t àl. De humanisten
zijn slechts de bleekste bloempjes op den hoop.

God Scharaban! we zijn het feemlen moede,
zooals we kwamen wenschen we den dood:
als torsen vleesch en staal, en niet als goedaards, –
voor hennepdroomen, niet voor sneedjes brood!

En wie ’t niet werklijk kan, doe ’t in zijn lied,
maar dóé het, bralle niet en feemle niet.

20/11/39

Johan Daisne (1912-1978)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Karel van Eerd • Kerkers

Drie gedichten van vertaler Italiaans Karel van Eerd (bundel met vertalingen hier) uit een cyclus over de achttiende-eeuwse graficus Piranesi, die beroemd is vanwege onder meer zijn etsen van enorme kerkers.

Kerkers

Zijn brein is een gapend fornuis,
waarin de wanhopige fabel
van het technisch vernuft van Babel
zichzelf opblaast. Toren, trappenhuis,
boog, zuil, gewelf, hemel, martelkruis,
alles is één. Een takelkabel
maakt voor zijn droom commensurabel
het bang heelal van zijn zielekluis.

Wie zich zonder achterdocht verhief
in deze ontgrensde ruimte, valt
neer in een duizelende vrille.
Vanuit een nabije toekomst schalt
een klaroen tegen een Bastille
van slavernij zonder perspectief.

Lees verder >>

Gedicht: Elfie Tromp • Ik geloof in de liefde en ik heb er ontzag voor

Het gedicht van vandaag staat in Lockdown – gedichten voor een ongewone tijd, die Poetry International en Stichting Droom en Daad vanaf 20 november cadeau geven aan klanten en bezoekers van Rotterdamse boekhandels en bibliotheekfilialen. De bundel bevat gedichten van Dean Bowen, Simone Atangana Bekono, Elten Kiene, Derek Otte e.a., geschreven tijdens en over de eerste lockdown, in maart en april van dit jaar.

Ik geloof in de liefde en ik heb er ontzag voor

Als je boven ligt te slapen
en ik beneden zit te twijfelen
en de kat bij de deur blijft krabben
en een scooter straten verder eenzaam optrekt
-de mechanische wolvenhuil van een tweetaktmotor-

Lees verder >>

Gedicht: Carel van Oeveren • Huisuitzetting

Huisuitzetting

Morgen om tien uur – zoo klonk het bevel –,
Gaan we je boel verkoopen.
Zes weken huurschuld – de man trekt van ’t steun –
Honger en droefheid drenzen hun dreun –!
De mensch durft niets meer – dan – hòpen –!

’s Morgens om tien uur – de straat zwàrt van volk –
Toonend hun solidair zijn –
Deurwaarder komt met z’n knechies en blaat:
‘Is dat rapaille tot zóó iets in staat?!
Werkelijk – kàn zooiets wáár zijn?!’

Vlak voor de deur staan kam’raads – kop aan kop:
Mènschen –, die niet verwikken.
De trappen, de ramen – kijk goed! – puilen uit –!
Dàn – snerpt een felle politiefluit –,
Hartstochtelijk laaiende blikken –!

De menschen zijn tot het uiterst bereid –,
Eén in hun strijd –, één van zinnen –!
Marcheerend in ren – komen knuppelaars aan –
Zien dan een strijdbereid leger staan,
En –, durven niets te beginnen –!

‘Rapaille’ – het stáát – geeft de daad – stil – bewust –,
Minachtend politieparade –!
d’ Agenten staan wat te grijnzen – ziet –
Maar de makkers – de kérels – ze deinzen niet –
Zóó moet het zijn – Kameraden!

Carel van Oeveren (1910-1942)
uit: Links Richten


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Florentijns jongensportret: een dinggedicht

Door Peter J.I. Flaton

In mijn artikel over een mogelijk verband tussen Martinus Nijhoffs Nieuwe gedichten en Rainer Maria Rilkes Der Neuen Gedichte (anderer Teil) (in neerlandistiek.nl van 09-11-2020) opperde ik, dat “Florentijns jongensportret” (het tweede  sonnet van het achttal in deze bundel) een dinggedicht zou kunnen zijn, naar het voorbeeld van wat vanaf Rilkes zo-even genoemde collectie diens favoriete vorm wordt en waarvan de opmaat direct al een specimen is: “Archaïscher Torso Apollos” (met de befaamde slotzin ‘Du mußt dein Leben ändern’).

Lees verder >>

Gedicht: Tom de Wit • Kultuurlied

Kultuurlied

Zingt, zingt een nieuw gezang ter eere,
Ter eere van het Derde Rijk!
Waar Hitler-Goering nu regeeren,
Bij gratie van het Aardsche slijk.
Zij gaan het Duitsche Volk saneeren,
Totdat – van vreemden smet bevrijd –
’t Germaansche Ras weer zal floreeren
Van nu tot alle eeuwigheid.
Het Duitsche Volk wil brood en vrede,
Het wil verheffing en Kultuur.
Welnu, verhooren Wij die bede
En schenken Wij het de Mensur.
De Geest van Potsdam worde vaardig
en Zegene Ons Hakenkruis.
Wat staat dat Zwart-Wit-Rood ons aardig,
Als kinderen van één Vaderhuis.
Geeft nu het plebs weer brood en spelen
En neemt het van de joden af;
Wij laten ons niet meer bestelen,
Maar stelen zelf tot aan het graf,
En zingen ‘Deutschland über Alles!’
En roeien de marxisten uit.
Want Juda zit nu in de Dalles,
En Rome zegent vast ons kruit.
Heil! Driewerf heil den grooten Leider,
Die, stralend als een sterke Held,
En als een machtige Bevrijder,
Den rooden draak heeft neergeveld.
Een tweede Siegfried is gekomen,
Hij heeft het Duitsche Volk gewekt,
Verwezenlijkt de oude droomen
Van Macht en Grootheid en van Sekt.
Zingt, brult een nieuw gezang ter eere,
Ter eere van het Derde Rijk,
Want spoedig kan de kans verkeeren
En is het slechts een stinkend lijk.

Tom de Wit
uit: Links Richten


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jef Last • De onbekende machinist

De onbekende machinist

Naar Groningen, naar Emmerik
naar Deventer en Nieuwe Schans
naar Maastricht Zutfen Zevenaar
staan lange zwarte treinen klaar
onder de holle zwarte kap.
de spreker en de zakenman
de kruier en de officier
matroos en meisjes van pleizier
ze stroomen langs de zwarte trap
ze zoeken zich een plaats en dan
neemt één een krant neemt één een boek
ze leunen rustig in hun hoek
de stoom uit de machine sist
de chef wenkt af
de trein vertrekt
géén kent den machinist.

Langs Enschedee en Emmerik
door Apeldoorn en Amersfoort
langs Bussum Weesp en Diemerbrug
rijden de treinen heen en terug
over de rechte stalen baan.
in Telegraaf en Handelsblad
leest zakenman en heilsoldaat
van Hitler’s Duitsche tuchthuisstaat
ze steken hun cigaren aan:
– die jodenhaat is erg, maar dat
een sterke man, als hier Colijn
daar orde schept, is zoo ’t moet zijn
een lesje voor den kommunist.
’t gesprek verstomt
de trein snelt voort
géén kent den machinist.

in Düsseldorf en Elberfeld
in Wedding, Hamburg en Spandau
in kelder kerker kamp en cel
turen de oogen smart’lijk fel
naar ieder teeken van verzet.
de leider en de stempelaar
de werker en de kunstenaar
de vrouw en dochter hunkeren naar
het eerste blijk van makkerschap.
en ergens op een donkere trap
grijpt één een krant één een pamflet
hun hart heeft weer in vlam gezet
de strijdroep van den kommunist
de hoop leeft voort
de opstand groeit
dat deed de machinist.

Jef Last (1898-1972)
uit: Links Richten


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: De keuze van Joke van Leeuwen (5): Carmien Michels

Auteur, tekenaar en performer Joke van Leeuwen zocht speciaal voor de Coster-mailing vijf gedichten van jonge Vlaamse dichters uit. Vandaag als laatste: Carmien Michels.

JvL: “Carmien Michels (1990) is een van de jonge Vlaamse dichters die het op podia goed doen. Na een gezamenlijk optreden in de buurt van Brussel zat mijn autootje vol jong talent: Carmien, Yousra Benfquih, Jaouad Alloul, Seckou Ouologuem … Dit gedicht staat in ‘We komen van ver’ (2017).”

XLIX

Het is ochtend: we zijn gewikkeld
in kleren van dauw en geritsel
de dag rukt op met hoefgetrappel
niemand verspert zijn kuddes de weg

Niemand verspert jouw klauwende ogen
jouw rovende handen, jouw bochtige lach
ik ben jouw doorgang naar de avond
nooit is de schemer je laatste zet

Boven ons fezelen als kinderen de goden
je blik doet ze duiken in hun hemelbed
het gewicht kraakt in onze wolken

Wanneer je pratend inslaapt vang ik het gruis uit je stem
meng het met regenwater, droog het in de laatste zon
zodat ik, slapeloze, kan wonen in de bakstenen van je woorden

Carmien Michels (1990)
uit: We komen van ver (Polis, 2017)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.