Categorie: gedicht

Gedicht: Lieke Marsman • Stof en schillen

Uit In mijn mand, de nieuwe bundel van Lieke Marsman.

Stof en schillen

Als het puin geruimd is
(en het edelmetaal
uit het puin gemijnd)
blijft er niets over dan
stof en schillen. Over dat stof
is al veel geschreven
en daar heb ik eigenlijk
weinig aan toe te voegen.
We zijn allemaal
op zoek naar de wereld
na ons en de wereld
boven ons, waar God echt
vandaan kwam die nacht. Simpel:
transcendentie is de abstractie
die het krukje maar niet
onder zichzelf uit
weet te schoppen. God
met een stuk wc-papier
uit z’n broek en dat is
hoe we hem kunnen vinden.
De schillen daarentegen
blijven maar komen.
Elke stap stort
een bak aardappelschillen uit
op deze route
die ik tot mijn leven maak.
Ik lééf op deze schillen
die als schalen
van mijn herinneringen vallen.
Ieder lied vandaag
drukt mijn neus terug
in de appelspiralen,
de mandarijnenvelletjes
van een kersttoetje in ’96.
Na het eten met z’n allen
het bevroren bos in
met de honden, ondervond ik
voor het eerst hoe stil de kou,
hoe warm deze stilte is.

Lieke Marsman (1990)
uit: In mijn mand (2021)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Marcellus Emants • Voor Eva, die negen jaar is

Voor Eva, die negen jaar is

De tijd mijn Eefje jaagt zo snel voorbij.
Dat eer je ’t weet je jeugd slaapt in ’t verleden
En j’uit het veilig ouderlik te huis
In ’t leven vol gevaren bent getreden

Dies wil ik, eer dat troeb’lend ogenblik
Jouw nog zo klare hemel komt befloersen,
Je schenken een vertrouwbaar klein kompas,
Waarop j’in storm en nevelweer kunt koersen.

Als een fel licht verleidelik je lokt,
En al die tinten om je komt ontluisteren
Denk dan die glans kon wel misleidend zijn
En op den duur mijn klare blik verduisteren.

En zie je voor j’een onheilspellend zwart
Laat dan de moed niet aanstonds je begeven;
Want in je zwartste nacht daagt weer een dag
Noch louter glans noch louter nacht is ’t leven.

Marcellus Emants (1848-1923)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hein de Bruin • Een avond in januari

Een avond in januari

Het is avond en de vensters zijn beslagen.
De buitenwereld schemert met wat gloed.
Herinnering waakt nauwlijks op. De dagen
zijn, ondereenvermengd, zuiver en zoet.

Alles is zo goed; een klein bezit aan boeken,
– ze hebben hart en zinnen eens gemoeid –
éen blik omvat ze nu, de ogen zoeken
even naar een kleur die ’t helderst gloeit.

Rust. Maar de weifeling werd reeds geboren,
of dit het uur is dat het diepst behaagt.
De stilte is nog suizende te horen,
maar ijl, als adem die geen stem meer draagt.

Rust. Maar pijnlijk wordt het hart beproefd,
nu het geen echo heeft, – waar niemand roept.

H. de Bruin (1899-1947)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: I.K. Bonset • Volle maan

Volle maan

‘k Ontvlucht de stad
‘k Zoek het pad
‘k Zoek de buitenwegen
‘k Zoek de maan
‘k Zoek mijzelf
Wellicht kom ik mij tegen.

Daar bij de heg, daar is de weg
Daar staat het hooi op hoopen
Daar ga ik samen met mijn ziel
Onder de maanzon loopen.
Is dat een huis?
’t Was een huis
Nu is het een karbonkel,
Is dat een schuur?
Het was een schuur
Het is nu licht en donker,
Is dat soms hooi?
Hooi was het in de morgen
Nu speurt de aarde
Levend goud
In ’t hooi is opgeborgen.
Is dat daar water?
Het was water eens
Nu is het paerlemoer.
Is dat een schuit?
Het was een schuit
Nu steekt een donkere vogel
Ten halve het water uit.
Is dat mijn hand?
Het wàs mijn hand
’t Is nu een vreemde
Witte plant.

I.K. Bonset (1883-1931)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: I.K. Bonset • Oorlog

Oorlog
De hemel viel op aarde in stukken
En nergens is een bloem
die ongeschonden leeft.
De aarde stinkt van ’t bloed,
dat uit den hemel spat.
De wond is groot
en niet te helen.

De hemel die gaat dood
Het verstand staat stil.
De mensch is weg.
Hij bracht zichzelve om.
De beesten brullen in de straten.
Ze ruiken bloed.
Ze lekken zich de muilen
Ze woelen met hun zwarte snoet
de roode aarde om
En scheppen zich ’n hemel
van kruitdamp en van bloed.

I.K. Bonset (1883-1931)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacob Hiegentlich • Einde

Einde
Voor Raoule

Wat heeft mij in den regenenden tuin gedreven?
Ik zocht of er ’n enkle bloem nog bloeien zou
die gaaf en schoon genoeg was om de vrouw
die mijn vriendin is, wel te kunnen geven.
Een roos was schoon en gaaf genoeg gebleven
hoewel zeer donkerrood van kneuzende kou;
met teere zorg behield ik haar in ’t leven
dat gaarne geurende ontvluchten wou.

Toen ik omzichtig het geschenk haar geven wilde,
dwaalden zacht neer, donkerrood en stil de
blaadjes. Ontsteld stond ik met leege handen daar,
en zij, ook zij maakte ’n erg triest gebaar.
Op straat klonk toen het tragisch raatlen van
den grauwgeboezeroenden vuilnisman.

Jacob Hiegentlich (1907-1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: H. Marsman • De bruid

De bruid

Ik dacht dat ik geboren was voor verdriet

en nu ben ik opeens een lied
aan ’t worden, fluisterend door het ijle morgenriet.
nu smelt ik weg en voel mij openstroomen
naar alle verten van den horizon,
maar ik weet niet
meer waar mijn loop begon.

de schaduwen van blinkend witte wolken
bespelen mij en overzeilen mij;
en scholen zilvren visschen bevolken
mijne diepte en bliksemend voel ik ze mij
doorschichten en mijne wateren alom doorkruisen
en in mijn lisschen vluchten

zij zijn mijn kind’ren en mijn liefste droomen

ik ben nu volgegoten met geluk.
de tranen die ik schreide en de zuchten
zie ik vervluchtigen tot regenbogen
die van mijn oogen springen naar de zon.

waar zijn de bergen van den horizon?

ik zie ze niet

H. Marsman (1899-1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Esther Jansma • Wat dacht je toch?

Uit Rennen naar het einde van honger, de nieuwe bundel van Esther Jansma.

Wat dacht je toch?

Bewegen is haren, lege bekers, schilfers achterlaten,
een ongemerkte regen van resten, een staat van permanent
gewichtsverlies. Je maakt jezelf zwaarder met verhalen
en eten, houdt een agenda bij om maar op de grond te blijven.
Erger is het als je reist: dan heb je ook een koffer nodig
want je hoofd, ballon vol niets, trekt je omhoog – dit dacht je toch?

Toen moest je weg. Je hebt niets mee kunnen nemen.
De taal van je herinnering wordt nu gesproken door dingen
die hier niet zijn en je lippen kunnen hun vorm niet vinden.
Je gezicht en haren zijn het gezicht en de haren van niemand.
Je staat buiten en legt je hoofd in je nek, je mond wijd open
om zoals vroeger sneeuwvlokken uit de lucht te vangen.

Esther Jansma (1958)
uit: Rennen naar het einde van honger (2020)

Portret: Patrick Post


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Folgóre da San Gimignano • Januari

Chrétien Breukers over het gedicht van Folgóre da San Gimignano.

Januari

In januari schenk ik je festijnen
met maaltijden en warmte in overvloed,
en slaapkamers met zijden beddengoed
en eekhoornbont om diep in te verdwijnen,

en schapenwol en dons van hermelijnen,
konfijtsap en muskaatwijn rood als bloed
voor als de zuiderstorm en poolwind woedt
en de sirocco huilt door de ravijnen.

Iedere dag naar buiten en een uur
sneeuwballen gooien en met meisjes stoeien
die staan te wachten, ongerept en puur;

en als je je niet langer wilt vermoeien,
samen behaaglijk rond het knappend vuur
terwijl je wangen en je oren gloeien.

Folgóre da San Gimignano (1270-1322)
vertaling: Frans van Dooren


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Max Dendermonde • Het lam

Het lam

Te dartel voor haar handen rent dit lam
naar links, naar rechts en springt en plant zijn poten
zo dwaas terzijde uit, dat zij verdroten
zich naast mij strekt en moe haar krullen kamt.

Wijdopen zijn de landen, groot en stram
gaan wolken over in vermoeide vloten,
en nu het lam tussen ons komt met grote,
ondiepe ogen is het traag en tam.

Zie, hoe het schuchter uit haar handen eet;
wij liggen daarbij zwijgend op de rug,
zij voert het lam behoedzaam en ik weet:

al wat men najaagt drijft men op de vlucht;
zo gauw men moe is en de jacht vergeet,
keert het geluk gelijk een lam terug.

Max Dendermonde (1919-2004)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Max Dendermonde • Duif en valk

Duif en valk

Als ik, van adel wordend, mijn donjon,
mijn vlag, mijn ring, kortom mijn staat van leven
en mijn geslacht een wapen had te geven,
ik koos een duif, een valk, een carillon,
en dit zo beeldend door elkaar geweven,
dat geen de zin ervan ontglippen kon,
dat elk, hoe blind van blik dan ook of stom,
het wezen zou herkennen van mijn leven.

Men zou begrijpen, dat het klokkespel
niets anders dan een zingend hart kan wezen,
waarin een duif, de valse valken vrezend,
zich schuilend voor die vogels veilig stelt,
maar die steeds weer, als hij zich goed en wel
genesteld heeft, verwoed wordt opgedreven.

Max Dendermonde (1919-2004)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Max Dendermonde • Droom

Droom

Het bloedspoor, vluchtend voor mij uit,
zocht door het bos de vijverrand,
waar, buigend tot het bodemzand,
een hert dronk met een koel geluid
van ’t water, bleek-rood aangerand.

In zijn gewei hing blad en rag
en scheef stond in zijn witte buik
een pijl, gebroken aan de struik,
ver weg, waar nog mijn schiettuig lag,
mijn weitas en een lege kruik.

Toen trad ik drinkend naast het hert
en leunde doodmoe op een wolk,
die langzaam afdreef naar de kolk.
Ik voelde hoe ik anders werd,
verloren voor mijn lief en volk.

Mijn spiegelbeeld was ik niet meer:
een ranke kop droeg het gewei;
het dure bloed droop uit mijn zij
en greep de stroming van het meer,
dat zonlicht bleek over mijn sprei…

Max Dendermonde (1919-2004)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Van Schagen & Scheefhals

Kleine nocturne

De zwarte zwalen kwamen halen
De rilde zwemen van het ven.
Nog vóór haar lage walen vralen,
Verzonk de zimze in het gren.

De rolde bunting zong zijn rode,
De maan bepeinsde zwemerwen,
Doch gondervoorde stond de Dode
En grijnsde streft het kenstergen.

Sinds groven rosterkant venonen
De zimsterweme tendelit,
Alleen die achter zesver wonen,
Die weten nog van zwanenwit.

J.C. van Schagen (1891-1985)

••

Hoor, de bjerre!

Braag grovend met alle gebrieuwen
verjoeten de elings het jat,
net iver de dwalingse gat,
grit over en onder het snieuwen.
o, wat hat, wat hut en wat huwen!
Ik pat mij in uterig klin.
Zou ’t ooit nog gaan zuien of zuwen,
ofmoetikerooknogbijin?

Carel C. Scheefhals (1915-1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Meer dan 1500 leerlingen vertalen poëzie van Nobelprijswinnaar Louise Glück

Middelbare scholieren vertaalden gedicht Nobelprijswinnaar Louise Glück

Naar schatting meer dan 1500 middelbare scholieren hebben zich in de afgelopen maanden gebogen over het gedicht ‘Telescope’ van de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Louise Glück. Lerarenvereniging Levende Talen Nederlands schreef een wedstrijd uit om leerlingen het plezier en de uitdaging te laten beleven van literair vertalen. De beste vertaling is van de hand van een groep leerlingen van de Europese school in Frankfurt.

Lees verder >>

Gedicht: Willem de Mérode • Chinese gedichten

Wachten

Viel er een kleine regen in den nacht?
Een kraalgordijn heeft even zich bewogen,
Ik luister, en ik houd mijn adem in.

Ik stond voor een verlicht papieren venster.
Mijn nagel gleed langs het doorschenen vlies,
En daadlijk viel een groote duisternis.

Het kraalgordijn heeft even zich bewogen.
Daar achter hoopt en luistert een, snel ademend.
Ik luister, en ik houd mijn adem in.

••

De vreemdeling

Een vreemdeling is in ons huis gekomen.
Wij hebben onze wanden zóó verschoven,
Dat hij een kamer heeft voor slaap en maal.

Nieuwsgierig drukte ik in den wand een gaatje.
Zijn bleek gelaat woelde in de zijden kussens.
Zijn haarvlecht kronkelde gelijk een slang.

Mijn moeder keek, en sprak geheimvol lachend:
Lang zal de vreemde bij ons blijven wonen:
Een slang beet in het zijden dek zich vast.

Nu vrees ik alle dagen voor den vreemdling.
Ik voel iets woelen in mijn prille denken.
Een sterke slang beet in mijn hart zich vast.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Chineesche gedichten (1933)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Thalatta!

door Jos Houtsma

Thalatta, thalatta: het geschreeuw waarin Xenofons Griekse soldaten uitbarstten toen ze in de verte onder zich de Zwarte Zee zagen blinken waarnaar ze al zo lang onderweg waren. Er is waarschijnlijk geen Europese literatuur waarin deze kreet geen weerklank heeft gevonden. In de Nederlandse is denk ik verreweg het beroemdst een kort gedicht in de bundel Experimenten van Geerten Gossaert; ‘Thalatta!’ Een gezelschap te paard trekt in een heuvellandschap door een eikenbos. Het is nacht. Er steekt een windje op. Er wordt een vreemd gemurmel hoorbaar. Het paard van de ‘ik’ springt naar voren en beklimt de heuvel. Daar is de zee:

Lees verder >>

Gedicht: Gellu Naum • De stuiptrekkingen van een rijk

Bij Vleugels verscheen een vertaling door Jan Mysjkin van een keuze uit de gedichten van de Roemeense surrealistische dichter Gellu Naum, onder de titel De andere kant – Pohemen.

De stuiptrekkingen van een rijk
waarvan ik allang geen deel meer uitmaak

Laat op de dag wanneer ik me op hun hoogte bevind
dansen meisjes in de duisternis ze hebben veel armen ze houden op
ze vragen me ten dans alsjeblieft we hebben ook cassettebandjes
        met iemand die tot stervens toe zingt
ach hoe dragen we hem in ons oor mee en hij zingt net zo voor ons
ach zuchten we wat je zoal tot stand brengt wat betekent dat
en kom laten we elkaar omarmen laten we leven laten we onze
        schoenen vragen of we nog bestaan
en kom laten we wegzweven in een gewest waar eenieder
        buitengewone dingen toekent aan ieder ander
maar daar gaat hij al hij buitelt naar de oeverweide ach hoe zingt
        de nacht op de brug
daar vanwaar niemand terugkeert
we zouden het water en de nacht moeten maaien zodat er geen
        spoor van zijn doortocht overblijft

ik praat met de meisjes het is een nogal ingewikkeld spel
sommigen onder hen sterven verzilverd drijven ze op het water
anderen roken het gloeiende uiteinde van hun sigaretten vonkelt
        tegen de hemel en brengt ons op een dwaalspoor

Gellu Naum (1915-2001)
uit: De andere kant – Pohemen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Bekoorde kaan

door Jos Houtsma

In 1910 verscheen in de Wereldbibliotheek van de hand van de jonge dichter Alex. Gutteling (1884-1910) een vertaling van Percy Bysshe Shelly’s lyrische drama Prometheus Unbound. Willem Kloos oordeelde in jaargang 27 (1912) van De Nieuwe Gids niet mals over het werk van de jonge dichter/vertaler, die overigens in hetzelfde jaar dat zijn werkstuk werd gepubliceerd was overleden.

Lees verder >>

De aanhalingstekens bij Marsman

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (6: H. Marsman, Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen)

Door Marc van Oostendorp

In de bundel Tempel en kruis (1940) van H. Marsman bestaat, net als in veel van zijn andere werk, een correlatie tusen het voorkomen van persoonlijk voornaamwoorden in de eerste of tweede persoon en aanhalingstekens om de hele tekst van het gedicht. De meeste gedichten gaan helemaal niet over ik of gij. Vaak is er alleen sprake van een beschrijving van de natuur, en personen komen alleen in de derde persoon voor:

Lees verder >>

Gedicht: twee blauwe gedichten

Twee gedichten uit En blauw zal alles zijn, een door Elisabeth Lockhorn samengestelde bloemlezing met gedichten waarin de kleur blauw een rol speelt.

Gelukkig blauw

Er is op straat wat blauw verloren
onder de grote blauwen van de dag.
Het wordt als hoor ik kinderkoren
achter een blauwe vlag.
Ik zie me nu in de ruiten staan
vergulder dan ik naar huis ben gegaan.

Pierre Kemp (1886-1967)

••

Requiem

Moge daar een lichtblauw
grijze verte zijn
en de schaduw van olijvenhoven
en agaven –
en de stilte van het zachtbewogen
bladje op het water.

Mogen wij daar
lichtdoorschenen zijn.

En het immer lichtend
lichtblauw grijze laaiend gouden
zonnelicht
bevrijde haar, verblijde hem.

Huub Oosterhuis (1933)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Louis Couperus • Nachten (VII)

Nachten (VII)

Er waren roze bloesmende appeltuinen,
En blank gestarrelde madeliefvelden;
Er blauwden etherdiep en tintelschel de
Onpeilbre heemlen tusschen wolkenkruinen;

En door de witte wolken gleden schuine
Zonstralen, als een gouden pad, dat helde;
Zóo tal van paren, dat wij ze niet telden,
Dwaalden langs zilvren zee aan gouden duinen.

Wij stegen zelve ’t stralenpad naar boven,
Tot ‘k plots, voor blauwe wijdte bang, mij wendde,
En eenzaam jij den gouden weg vervolgde.

Toen zag ’k je weenen; golf op golf verzwolg de
Bloemweiden en de roze bongerds schoven
Ontgoochlend weg, tot ’k de woestijn herkende.

Louis Couperus (1863-1923)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: H.L. Spiegel • Het vryen en can ick niet volprysen

Het vryen en can ick niet volprysen,
Al ben ick een heelen dach by mijn Lief,
Wy hebben veel verscheyden devysen,
De tijt ontloopt ons ghelijck een Dief,
Haer by zijn behoet my voor mis kief,
De dach dunckt my een uur warachtich,
Spreeckt my yemant aen, tis ongherief,
Ick swijch heel stil of ick spreeck mallachtich,
Mijn voorgaende reden niet ghedachtich,
Ick varieer in mijn woorden telcker stont:
Maer als ick by haer ben, die seer crachtich,
Mijn jonghe herteken heeft deurwont,
Soo vloeyen de woorden uyt mijn mont:
Wy souden wel t’samen een gants Jaer,, kallen,
En cussen, en lacchen, en jocken goet ront,
Hondert Jaer soud ick soo wel met haer mallen:
En het scheyden sou my dan noch swaer vallen.

H.L. Spiegel (1549-1612)

veel verscheyden devysen = heel wat te praten
miskief = narigheid
mallachtich = dwaas


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.