Categorie: gedicht

Gedicht: Lamia Makaddam • Kamerplanten & Het onkruid in onze borst

Recentvertaaldegedichtenweek (3): ‘Kamerplanten’ en ‘Het omkruid in onze borst’ uit Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf van de Nederlands-Tunesische dichter Lamia Makaddam, die in het Arabisch schrijft. Vertaling: Abdelkader Benali.

Kamerplanten

Ik koop geen kamerplanten meer.
Ze gaan altijd dood en daar erger ik me aan.
Ik verzorg ze zoals ik een kind zou verzorgen.
Liggen ze er slapjes bij dan geef ik ze een beetje water.
In oorlogstijd verplaats ik ze van hoek naar hoek
en geef ze nog wat water.
Wanneer een blad naar de tuin van de buren dwarrelt
geef ik ze nog meer water.
En wanneer een van de kinderen laat thuiskomt
houd ik de planten onder stromend water.
En een keer liet ik ze een week lang in bad liggen
omdat mijn man ging slapen zonder mij een kus te geven.

Het onkruid in onze borst

De boom waarin ik de wind dacht te horen waaien
hakte ik omver.
Voor de maan die me liet weten dat het nacht was
sloot ik mijn ogen.
Ik liet de liefde achter op tafel en rende achter de gedichten aan.
Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel.
Sinds vanochtend zit ik in een tuin die ik met de hand heb getekend
en spreek ik een man toe die ik gemaakt heb uit tuinafval.
Ik vertelde hem over het leven dat na de dood begint
over het dode onkruid dat wij in onze borst dragen
niet omdat het van goud is, maar omdat wat uit de boom valt
onze doden zijn.
En de takken die breken, dat is onze tijd.

Lamia Makaddam (1971)
uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Yahya Hassan • GEIL & ONGELOVIGE

Recentvertaaldegedichtenweek (2): ‘GEIL’ en ‘ONGELOVIGE’ uit Gedichten 2 van de Palestijns-Deense dichter Yahya Hassan, die eerder dit jaar is overleden (na een kort en turbulent leven). Vertaling: Lammie Post-Oostenbrink.

GEIL

IK WAS OPDRINGERIG EN KREEG HAAR ONWIL
EN DRONG MIJ OP VANUIT MIJN HEUP
IK NAM HAAR ZONDER GEWELD
ZE GING OP DE BEDRAND ZITTEN
UITGEKLEED EN AFGEDANKT
WE BEËINDIGDEN ONZE RELATIE
NET ZO MAKKELIJK ALS WE ERAAN BEGONNEN
EN MAANDENLANGE STILTE ONTSTOND TUSSEN ONS
GEPERFOREERDE GEVOELENS EN UITGEHOLDE WAARDEN
MIJ REST NOG SLECHTS SPUITPOEP

ONGELOVIGE

IK DRAAG HET GELOOF ALS DE TWIJFEL
TWIJFEL AAN HET GELOOF EN GELOOF IN DE TWIJFEL
WE ZIJN MET TE VEEL VOOR VERLOSSING MIJN BROER
HET IS TE LAAT OM MARTELAAR TE WORDEN BROER
IK KRUISIG MIJN HOUVAST IN BETOVERENDE EXTASE
MIJN GELIEFDE VERDWAALDE IN HAAR CYCLUS
TERWIJL IK MIJN EEUW OM DE TUIN LEIDDE
IK HEB EEN LINTWORM IN MIJN GEEST

Yahya Hassan (1995-2020)
uit: Gedichten 2 (2020)

Foto: ndla.no


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Yang Mu • Herfstproeve

Recentvertaaldegedichtenweek (1): ‘Herfstproeve’ uit ik kom van de zee van de Taiwanese dichter Yang Mu, die eerder dit jaar is overleden. De gedichten in de bundel zijn gekozen en vertaald door Silvia Marijnissen.

Herfstproeve

Ik hoor buiten voor het raam ongedurig een tuinschaar klikken,
scherp, de geluiden slaan met plezier in de wind.
Ochtendlicht sprenkelt hoog en laag over gras en bomen. Ik
kijk op, afgeleid van mijn kop thee, tuur zoekend uit het raam.
Op de muur flakkeren schaduwen in de kleur van de wulongthee,
glijden de geluiden van de tuinschaar die klakkeloos
over een heg of boompje gaat, gestaag,
een vriendelijke afslachting wordt uitgevoerd,
gestaag. Ik ga uit het raam hangen om te kijken en hoor
het geluid ineens harder worden, het vult de buurt,
maar er is geen spoor van de tuinman.
De beuk hangt vol met donkerrode nootjes.
De oude esdoorn lijkt bijna zijn bladeren te laten vallen.
Achter het bemoste paadje is een rek met rijpe druiven.
Twee dorre takkenbossen liggen onder de pijnbomen.
De meeste chrysanten staan vol in de knop.
Ik loop de tuin in om te zoeken, maar voor en achter de muur
is er geen spoor van de tuinman, alleen een ochtendbries
waait fonkelend langs, als een kop afgekoelde thee.
De klikkende tuinschaar is het gereedschap in zijn hand, is hij –
de god van seizoenen die mij beproeft met scherpte en berusting.

Yang Mu (1940-2020)
uit: ik kom van de zee (2020)

Foto: Vleugels


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

‘Er is een opvallend tekort aan gedichten over neuzen in de Nederlandstalige poëzie’

Een gesprek met Charlotte Van den Broeck, Jeroen Dera en Kila van der Starre over de reeks woorden temmen

V.l.n.r.: Neusa Gomes, Jeroen Dera, Miriam Piters, Kila van der Starre en Charlotte Van den Broeck poseren na afloop van de boekpresentatie.

Op vrijdag 11 september 2020 vond in boekhandel Donner in Rotterdam de presentatie plaats van het tweede poëzie-doe-boek in de reeks woorden temmen van uitgeverij grange fontaine. Na het succes rond 24 uur in het licht van Kila&Babsie door Kila van der Starre en Babette Zijlstra is nu het boek Van kop tot teen met Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera verschenen. In de kleurrijke theaterzaal van Donner interviewde Miriam Piters, leraar Nederlands en conrector van het Montessori Lyceum Rotterdam, de makers van de reeks: dichter-performer en Herman de Coninck Debuutprijs-winnaar Charlotte Van den Broeck, poëziecriticus en lerarenopleider Jeroen Dera en literatuurwetenschapper en Straatpoezie.nl-oprichter Kila van der Starre.

Lees verder >>

Gedicht: Jan Prins • De Kikvorsch, die zoo groot wil worden als een Os

De Kikvorsch, die zoo groot wil worden als een Os

Een kikvorsch zag een os, dien zij
schoon van gestalte en omvang achtte.
Zijzelve, in haar geheel zoo groot niet als een ei,
blaast zich in afgunst op en rekt zich, om te trachten,
zoo kolossaal te worden als dat beest.
Zij sprak: ‘Zus, let eens op mijn leest.
Is het zóó al genoeg? Zeg op, ben ik er haast?’
Nog lang niet.’ ‘Maar dan nu?’ ‘Volstrekt niet.’
‘Nu dan wel?’
‘Het lijkt er nog niet op!’ De stakker blaast en blaast
en barst gelijk een waterbel.

De wereld wemelt van niet wijzeren dan deze:
de burger bouwt, als een groot heer, uit wijde beurs,
de minste vorst wil van ambassadeurs,
elke markies omringd van pages wezen.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan Prins • Twee hanen

Twee hanen

Twee hanen hadden vrede. Een kip voegt zich erbij,
en brengt de poppen aan het dansen.
Liefde, reeds Troje storttet ge in ’t verderf, en gij
waart de inzet daar van de oorlogskansen,
toen zich de Xanthos kleurde met zelfs godenbloed.
Lang hielden de twee hanen in ’t gevecht zich goed.
In heel de buurt ging het gesprek over die heeren.
Al wat een kam droeg, kwam als kijker toegesneld.
Meer dan één Helena-met-veeren
viel aan den winnaar toe. Maar hij die lag geveld
verborg in de uiterste eenzaamheid zijn leed en schande.
Hij weende er om zijn glorietijd
en om zijn liefjes, die de winnaar van den strijd
voor zijne oogen bezat. Iederen dag weer brandde
zijn haat opnieuw en maakte hem van vechtlust dol.
Hij scherpte zich den snavel en sloeg zich de zijden
en stond tegen den wind te strijden,
van een jaloersche woede vol.
’t Bleek overbodig. De overwinnaar, van de daken,
kraaide zijn zegepraal luidruchtig uit.
Een grijpgier hoorde dat geluid,
en kwam met liefde en grootheid korte metten maken.
Al deze praal viel aan den rooversklauw ten buit.
Nu kwam voor de verlaten bruid
de mededinger weer te pas.
Maar denk eens aan, wat een spektakel
dat gaf van onderling gekakel,
daar hij met heel wat vrouwen was!

Op zulk een ommekeer is de Fortuin verzot.
Winst maakt zij tot verlies, gedraagt ge u onbezonnen.
Dus opgepast en op uw hoede voor het Lot,
juist, als ge een veldslag hebt gewonnen.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anna de Bruyckere • Zelfkennis

Uit Voor permanente bewoning, de debuutbundel van Anna de Bruyckere.

Zelfkennis

Als je een ander dan jouw eigen deel van de wereld
kon zijn, wat was je dan? Als je een dier was
en gewelf of grond, een ander mens –

en dan het verband met wie je bent.

Zou ik regen zijn? En van alles willen
wassen, bewateren, gaten daveren in wat
plaats moet maken, aaien wie het nodig heeft

en wegspoelen wat weg. Ik zou me vragen

elke druppel te herinneren
want waar die valt daar horen we
elkaar. Horen we te zijn, vallen we even

samen. Misschien is regenen een vorm van prevelen

en hoef je je woorden maar te volgen
om de wolken – hun verschijnen
hun verdwijnen – te zien

varen.

Anna de Bruyckere (1987)
uit: Voor permanente bewoning (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Patrick Conrad • De traagheid waarin ik verblijf

Vandaag het laatste gedicht uit de cyclus ‘De traagheid waarin ik verblijf’, tevens het laatste gedicht uit En de bomen, de nieuwe bundel van Patrick Conrad.

De traagheid waarin ik verblijf (10)

Al werd ik vaak gestenigd, met stenen heb ik nooit gegooid
en minder nog heb ik beelden verwoest of steden vernield.
Mijn wapens waren mijn woorden die ik voor waarheid hield
en aan vrienden en vijanden heb vergooid.

Ik weet nog dat wij dronken en dansten tot we vielen
en zowel binnen sliepen als buiten in het gras.
De tijden waren bewogen en onze liefdes breekbaar als glas.
Ik doolde door de leegte, op zoek naar de vrouw voor wie ik zou knielen.

Zij die blijven zullen verder leven in mijn dromen
waarin ook zij tijdens eindeloze dagen zullen verdwalen.
Een feest zag ze komen, geen feest zag ze gaan.

Wat mij overblijft is de broze waan
dat iets van wat was zal voortbestaan in mijn verhalen:
een goede hand, wat verzinsels, een verscheurd land … en de bomen.

Patrick Conrad (1945)
uit: En de bomen (2010)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Arthur Lava • Toekomstmuziek

Arthur Lava, een van de voormannen van de Maximalen, is overleden.

Toekomstmuziek

Geef mij de ballade uit de Hades
of een opgewekte blues, ik swing op elke
hiphopversie van Vivaldi, mijn smaak

kent geen limiet, dus leve het licht ontvlambaar
geuzenlied, de wals voor weduwen en wezen,
de bloedeloze stierenvechtersrapsodie.

En vanzelfsprekend zweer ik bij de alchemie
van een schlager voor de goede zeden
of een nocturne voor de ochtendmens.

Maar wat bovenal moet worden aangeprezen
is een marsmuziek, jawel een marsmuziek,
die de mensheid van marcheren zal genezen.

Arthur Lava (1955-2020)
uit: Bravisssimo! (1994)

Foto: North Sea Poetry.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kees Ouwens • wees op mijn hand

wees op mijn hand, doorwandeld goed als
uw suizeling huivert van zichzelf en de
ontvolking wijkt tot in de instincten

hoe golft uw bodem als de huid op het
hart des lichaams dat zijn klopping
boort tot in de grotten hun angsten

en de drenkplaatsen en uitspanningen hun
notie verdringend en aanklampend
hun opluchting, vrezend hun overmoed —

ver uit het midden van de wegen en wetten keren
de kringen tot hun kern en lossen op het verkeer
dat zij hadden in een wijdste omtrek in een nauwste
luistering

Kees Ouwens (1944-2004)
uit: Afdankingen (1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Tom Van de Voorde • Een kwestie van uitdrukking

Uit Jouw zwaartekracht mijn veer, de nieuwe bundel van Tom Van de Voorde.

Een kwestie van uitdrukking

Op het punt iets te zeggen
vraag je me waarom
ik niets zeg

Ik vermijd
de vergelijkende trap
en doe iets
met mijn eerste zin

Je zwijgt
wanneer me ontgaat
wat eerder is gezegd

Het duurt lang
voor de dag weer lijkt
op de vorige

Tom Van de Voorde (1974)
uit: Jouw zwaartekracht mijn veer (2020)

Foto: Dirk Skiba


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Luceberts het verbond: een nieuw begin?

Door Peter J.I. Flaton

Foto: Lucebert (1987), Wikipedia CC0

‘”Dit is zo ontzettend vrij, raar, wild, associatief, wat je maar wil(t), als dít mag, dan mag dus alles en dat was precies wat ik nodig had: dat alles mocht”‘, aldus Ilja Leonard Pfeijffers verwoording van de diepe indruk die de eerste kennismaking met de poëzie van Lucebert op hem maakte, in het programma Zomergasten van 23 augustus jl. Dat hij de dichter is die hij is, heeft hij aan Lucebert te danken.

Lees verder >>

Onder het mom Literatuur en carnaval

Door Peter Winkels

Op zoek naar de relatie tussen Vastenavond en de Letteren, vooral in Limburg, heb ik op deze plaats al een paar maal aandacht gevraagd (en gekregen, met uiterst waardevolle suggesties). Inmiddels is er een boek ontstaan, dat we rond de jaarwisseling hopen uit te brengen. Er waren veel interessante en mooi zaken te ontdekken, waarvan ik er hier alvast graag een paar voor het voetlicht breng. 

Lees verder >>

Gedicht: Fernand Toussaint van Boelaere • In diepe genotsvoldaanheid

In diepe genotsvoldaanheid

In diepe genotsvoldaanheid
overschouw ik uw blonde naaktheid:
inwendig straalt de gloed van uw bloed;
mijn mond raakt uw schouder: de huid is honigzoet.

Want achter u sta ik, tegen u aan,
van stille na-betrachting aangedaan:
onder uw oksels, mijn handen dorst ik
te strijken onder ’t malsche wicht uwer borsten.

Diep in hun weelde trillen ze nog,
lijk vogels na een te verren, snellen tocht;
maar zacht-aan vervlakt de ronde tepel
tot bruine vlek: op witte roos een donkre pepel.

De zwoelte van uw borst wordt koel op mijn hand;
zoeter wellust wordt wat in mij was felle brand:
ik kus uw hals, dankbaar, onder uw linker oor;
zoo kuste ik eens mijn minne; en ga dan weêr voort,

ont-hecht, met, in mijn proevende geheugen,
de teêdre herinring van scherpe vreugden,
die uw zacht en zuiver beeld van goud
omvat – als zomergeur van rijpend ooft.

Fernand Toussaint van Boelaere (1875-1947)
uit: De gouden oogst (1944)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Fernand Toussaint van Boelaere • ‘k Heb u ontkleed

      – La maja desnuda

‘k Heb u ontkleed, en naakt zijt gij gerezen
als, in ’t eerstë ochtenduur, een roos
’s nachts op den struik ontbloeid.
Met, van den paarlemoeren nagel van uw voet
tot de donkre kroon van uw haarbos
honigzoete glanzingen van goud;
met het zachte palmhout van uw schouders,
de ronde tepels – vogel-aas! – der zoete borsten;
uw lenden, die in ruime welving buigen
als de schoone wanden van de wijnkruik,
en ’t donkre bosschage, waar ’t frisch nog is
en zoet te kuieren vóór de hitte van den dag;
uw dijen, die recht en stevig zijn als pijlers
die de weelde van gansch een leven zouden schragen;
de knie, hard en gloeiend lijk doorzonde goud;
de kuiten, die welven als de golf van de zee
opdat mijn hand er lang zou over strijken,
voldaan van al den wellust van dézen dag
van peis en vreê, en zang van zon in mij;
en ’t scheenbeen, de stugge ernst onder veel speelschheid;
en uw voet, of ge stondt in een plas van licht!
Maar bovenal de schittering van uw half geloken
bruin-gouden oog, sluw naar mij gekeerd, terwijl uw lippen
rooder bloeien, in liefde onuitspreeklijk goed en zacht.

Fernand Toussaint van Boelaere (1875-1947)
uit: De gouden oogst (1944)


Schilderij: La maja desnuda van Goya


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Week van het Nederlands: Vertaalwedstrijd gedichten/Gedichte

Het Nederlands is een taal die leeft buiten de grenzen van het taalgebied. Er zijn bijvoorbeeld best wel wat Duitsers in het westen van Duitsland die een mondje Nederlands spreken. De vertrouwdheid die Nederlandstaligen ervaren bij het Duits wordt namelijk ook omgekeerd gevoeld. Met nieuwsgierigheid wordt er in de Duitse grensregio’s gekeken naar de contreien in het westen en de taal die er gesproken wordt. Aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Carl von Ossietzky Universität Oldenburg werken we aan die band. Ter gelegenheid van de Week van het Nederlands organiseert het Instituut voor Neerlandistiek van de Carl von Ossietzky Universität Oldenburg daarom een vertaalwedstrijd. 

Lees verder >>

Gedicht: Victor dela Montagne • Een oudt liedeken

Een oudt liedeken

Tsagh eens een cnape stervensgeern
een valsche, vreede, boose deern.

Sei totten cnape: “hael mi terstont
din moeders herte voor minen hont”.

Hi ging en sloech sin moeder doot
en vluchtte mettet herte root.

Mer twyl hi loopt, stuict oppen steen
en valt, – dat erme hert meteen.

Al botsen op de harde baen,
vingh plots dat herte te spreken aen.

Al weenen vinghet te spreken aen:
“Och jonghe, hebs di seer gedaen?”

Victor dela Montagne (1854-1915)

Dit gedicht is een bewerking van Jean Richepin’s gedicht ‘Y avait un’ fois un pauv’ gas’.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gaston Burssens • Oud liedje

Oud liedje

in een roze zeepbel
in een blauwe zeepbel
– meisje wat zijn je wangen roze
meisje wat zijn je ogen blauw –
staat een broze roos te blozen
staat een blauwe star te staren
waar de star bleef stille staan

als de star
                       stil
                                 staat
zal ik je roze wangen zoenen
zal ik je blauwe ogen zoenen
roze zeepbel
blauwe zeepbel
waar de star bleef stille staan
waar de star – roze wangen –
waar de star – blauwe ogen
waar de star
                       stil
                                 staat

broze zeepbel
starre star
die nooit stil staat

Gaston Burssens (1896-1965)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Agatha Seger • Oud liedje

Oud liedje

Uit lieven groeit groot lijden
een lijden zonder end,
maar voor den ingewijde,
hij die de liefde kent,
wordt wonder elke smerte
en zalig elke pijn
zoolang het eene herte
aan ’t andre maar mag zijn.

•••

Verlaten, verlaten,
verlaten, o kind,
moet ieder op aarde
wat meest hij bemint…
Wat meest hij bemint
en wat adem hem zij.
Verlaten, verlaten…
o God, sta ons bij…

Agatha Seger (1902-1993)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jac. van Looy • Oud liedje

Oud liedje

Het licht is bleek en traag,
De dag is arm en kort.
Wat leeft beweegt zoo vaag …
’t Is of geleefd niet wordt.

Een ondoorzicht’ge hang …
Een leeftijd arm en kort …
Maar ’t oogenbliks-leven is lang
En stilkens eindeloos wordt.

December 1900

Jac. van Looy (1855-1930)

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jac. van Looy • De dood van den ouden Triton

De dood van den ouden Triton

Naast zijnen horen lag hij aan de zee.
– Het ebbe-strand beschimd van bekkeneelen**
Wat wind ging door zijn wier-baard, over vele
Verharde krinkels en gepekeld wee.
Zijn groenige oogen bràken naar de zee,
Hij aêmde ’t al nog in ’t wriemlen der deelen,
Hij hoorde verre, vochte liedren spelen
Op ’t momplen der verduisterende zee…
Stil lag daar d’oude bruiser. Stil niet was ‘t,
Het hoofd door zooveel zeeën overplast,
Schelp-ruischte ’t warrel-woelen van zijn wereld
Waar hij zoo lang zijn’ Liefde had bepereld…
Zoo stil de vloed, zoo wonder was de dag,
Toen hij daar lag met zijnen dooden lach.

Londen. Sept. 1895.

Jac. van Looy (1855-1930)

** schedels

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jac. van Looy • Café

Café

Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
Bloeien in kronen en ’t goud rommedomt,
In spiegel-wanden duizendvoud weêrómt,
Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
Dan in geroes van vele vale talen,
In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
We hurken om tafels, naar elkaâr gekromd,
Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
Daar zitten we onder zuilen als in dag,
Stoer lijf bij lijf, elkaâr, wijl de uren vliegen,
Vertrouwelijk van ’t leven te beliegen.
De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
Hóór, door de rooie rook joelt onze lach…
De zaal ’n burcht is… de klare glazen klinken.

1889

Jac. van Looy (1855-1930)

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacqueline van der Waals • Heb mij lief, gelijk ik ben

Heb mij lief, gelijk ik ben.

Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
– Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn –
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel….
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of – als gij praten wilt – spreek gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen….

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek – of naar het klokgetik –
Of ‘k laat de stilte ruischen om ons heen,
– Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen –
Als ‘k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
– Of ons gesprek – verbreken met mijn vraag:
‘Zeg, zijt ge ook blij, dat ik hier naast u zit?’
Spraakt gij dan ‘ja’, dan zei ik zacht: ‘Ik ook’…

En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Nieuwe verzen (1909)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kreek Daey Ouwens • Dit is zoiets als wind

Uit Guillaume, de nieuwe bundel van Kreek Daey Ouwens, over haar verstandelijk gehandicapte broer: “Guillaume is anders. Of beter, Guillaume is bijzonder. Hij beantwoordt misschien niet aan de hoge verwachtingen van zijn vader, maar in het leven van menig ander is Guillaume een baken van inspiratie.” Interview.

Dit is zoiets als wind
Zuurstof op wieltjes
Guillaume midden in een zee

Guillaume met Kerstmis
Rendierenmuts
Sigaret tussen zijn vingers
Het lukte hem nooit een sigaret netjes te vullen
Klodders tabak overal

Guillaume die zijn duim opsteekt
Gelukzalig dansend met een dikke meid

     Ken je die mop van Sippertie?
     Als hij staat, dan bibbert ie!

Wij lachen heel hard
Vader ook

Kreek Daey Ouwens (1942)
uit: Guillaume (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Albrecht Rodenbach • Macte Animo

De strijdbare dichter Albrecht Rodenbach overleed op jonge leeftijd aan een longziekte. Dit is een van de laatste gedichten die hij schreef.

Macte Animo*

Ik moet er niet van weten, van die zuidsche vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de boomen kneuteren gaan
dat ’t jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het, God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u den geest, Noodlottigheid?

Gij die vandaag den hemel kuischt van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
– Mijn zonnig land… mijn verten… mijn jong leven… Kameraad,
nicht raisonniren… weer u scherp, en eind als een soldaat!

21 October 1879

Albrecht Rodenbach (1856-1880)

* Houd moed. Van Vergilius’ regel ‘Macte animo, generose puer! Sic itur ad astra’, oftewel ‘Houd moed, edele jongeling! Zo bereikt men de sterren.’

“Verder geldt voor hem wat wij ook reeds van andere dichters opmerkten: hij is van meer belang geweest voor zijn tijd dan voor het nageslacht. Albrecht Rodenbach is de figuur geweest bij wie het strijdend element van de Vlaamse Beweging het sterkst was: hij wekte zijn medestudenten op tot openlijk verzet tegen de verfransing, aan hem danken wij het strijdlied Klokke Roeland, door hem werd ‘Vliegt de Blauwvoet, storm op zee!’ tot de algemene strijdkreet.”
H.J.M.F. Lodewick

Foto: Zeisterre / Wikipedia


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.