Categorie: column

Jan, de zoon van Marten en Oopjen

Door Marja Geesink

De herdenking van het 350ste sterfjaar van Rembrandt wordt in Leiden gevierd met een tentoonstelling over de jonge Rembrandt in de Lakenhal vanaf 2 november. De universiteit van Leiden doet dit o.a. met het ophangen van Marten Soolmans’ portret aan de gevel van het Kamerlingh Onnes Gebouw van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. 

Het dubbelportret van Marten en Oopjen uit 1634 toont Marten Soolmans (1613-1641) en Oopjen Coppit (1611-1689). Zij kregen drie kinderen, van wie alleen de middelste, Jan, langer dan twee jaar zou blijven leven. Jan (1636-1691) zou 55 jaar worden. En toneelauteur.

Lees verder >>

‘De roovers in het bosch’ (1852)

Jeugdverhalen over joden (60)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

Halverwege de 19de eeuw kwamen miniatuurpoppenspelen in de mode die gebruikmaakten van schaduw- of lichteffecten. We kennen dergelijke spelen nu onder de naam Wajang, maar toen werden ze schaduwbeelden of Chinese schimmen genoemd. Bij deze voorstellingen verschenen ook tekstboekjes, met kluchten, kleine vertellingen, sprookjes en versjes.


Chinese schimmen of schaduwbeelden. Bron: Europeana Collections.

         De vertelling ‘De roovers in het bosch’ is opgenomen in Kluchtspelen voor de Chinesche schimmen, geschikt voor kinderen, een uitgave uit 1852 van de Amsterdamse uitgeverij G. Theod. Bom. De papieren voorstellingen die bij dit boekje horen zijn helaas niet bewaard gebleven. Het verhaal gaat over rovers die in een bos op de loer liggen om reizigers te overvallen die op weg zijn naar de jaarmarkt in een dorp.

Lees verder >>

Aan de hanenbalk

De Dichter des Vaderlands (5)

Door Marc van Oostendorp

Is het nieuwe gedicht van Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja inderdaad een gedicht? Het doet er alles aan om zo min mogelijk op poëzie te lijken, bijvoorbeeld door een verwijzing naar een heel concrete persoon in een heel concreet, met name genoemd tv-programma, of door een aantal clichés over boeren (dat ze binnenvetters zijn, dat ze mannen zijn):

Lees verder >>

De natuur heeft zich met Eduard vergist, hy had ’n meisje moeten zyn

De Multatulileescursus (54)

Door Marc van Oostendorp

G. Stuiveling. Bron: Wikipedia.

– We hebben vandaag de brieven en documenten uit het najaar van 1874 gelezen. Het is fijn dat de DBNL de editie van Stuiveling online heeft gezet, maar hij doet toch vooral ook voelen hoe fijn het zou zijn als er een nieuwe digitale editie kwam.

– Want?

– Die Stuiveling liet zich wel voelen, zeg. Altijd maar, in iedere twist, partij kiezen voor de grote held. Iedereen die kritiek had op de grote Multatuli had het natuurlijk bij het verkeerde eind.

– Dat bedoel ik nog niet eens. Ik bedoel meer dat hij van alles en nog wat niet afdrukte. In deze tijd wordt Multatuli duidelijk een onderwerp van heftig publiek debat. Maar het meeste daarvan krijgen we niet te lezen. Eigenlijk zou de Zaaier, de brochure die Vosmaer ter verdediging van de schrijver er in moeten staan, maar zeker ook alle kritiek. Dat wilde Stuiveling niet:

Lees verder >>

Mercator sapiens, de wijze koopman en the wise merchant

Door Ton Harmsen

Onlangs verscheen bij AUP The wise merchant, een Engelse vertaling van de inaugurele rede die Caspar Barlaeus heeft uitgesproken op 9 januari 1632 toen hij hoogleraar werd aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. De vertaling is van Corinna Vermeulen en de inleiding van Anna-Luna Post.

Het boek brengt de gebeurtenissen in Amsterdam in de winter van 1631/1632 in herinnering: Vossius en Barlaeus hielden in januari hun inaugurele redes voor het Athenaeum Illustre, Hugo de Groot zat in dezelfde maand ondergedoken in Amsterdam. Hij werd in april voor de tweede keer, en nu definitief, uit de Nederlanden verbannen.

Vossius, Barlaeus en Grotius kenden elkaar al jaren. Hun correspondentie toont dat zij vriendschap voor elkaar voelden, en grote waardering. Hoe verschillend zij ook waren, alle drie spanden zij zich in voor vrede en verdraagzaamheid; alle drie hadden zij een afkeer van de theologische betweterij die de Nederlanden in haar greep had. Barlaeus had last van de contraremonstranten; hoewel hij niet tot de remonstrantse partij behoorde was het duidelijk dat daar zijn sympathie lag, en daarom werd hem het leven in Leiden behoorlijk zuur gemaakt. Intussen was hij wel een geliefd feestredenaar en een begaafd Neolatijns dichter; toen hij in 1631 van Leiden naar Amsterdam verhuisde voelde hij zich onmiddellijk thuis in de Amsterdamse dichterskring van Hooft en Tesselschade. Vossius had minder te lijden van de calvinisten: hij was beter in staat zich in de ivoren toren van zijn studeerkamer te verschuilen. Zijn diepgaande studie van de antieke en moderne wereldgodsdiensten bracht hem tot het inzicht dat god op verschillende manieren kan worden gediend, en dat niet één godsdienst het alleenrecht kon hebben. Bovendien werd hem duidelijk dat god vele gezichten heeft. Hij ruilde een gezaghebbend professoraat in Leiden voor een avontuur in Amsterdam, om in een riante woning in het centrum over een enorme bibliotheek te beschikken. Na zijn vertrek werden in Leiden de hoogleraarssalarissen verhoogd om verdere leegloop te vermijden. Hugo de Groot had groot aanzien als jurist, en ook als dichter van Neolatijnse poëzie en toneelstukken. Alle drie hebben zij een stempel gedrukt op het oeuvre van Joost van den Vondel, Grotius door zijn toneel, Vossius door zijn kennis van de retorica en de poëtica en Barlaeus door zijn lyriek.

Lees verder >>

Numeri fixi, numerus fixussen of numerus fixi? Dat is geen groeneboekjeskwestie

Door Henk Wolf

Mensen in het Nederlandse taalgebied kennen ten onrechte allerlei vormen van autoriteit aan het Groene Boekje toe. Marc van Oostendorp deed dat recent ook, toen hij de vraag kreeg wat het meervoud was van numerus fixus.

Om die vraag te beantwoorden raadpleegde Marc het Groene Boekje. Tijdschrift Ad Valvas citeert hem als volgt: “Ik kan weinig anders doen. Een hoogleraar heeft geen betere toegang tot de norm dan een ander. Er zijn boekjes waar de norm in opgeschreven staat en die sla je dan open.”

Het Groene Boekje is alleen niet zo’n boekje. Er staat wel een norm in beschreven, maar dat is een spellingnorm: je kunt erin opzoeken op een bepaalde schrijfwijze is toegestaan onder de spelregels die de overheid zichzelf en het onderwijs heeft opgelegd.

Lees verder >>

De oorsprong van vreugde: Om triest van te worden!

Een 19e-eeuwse discussie over een kwaadaardig woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Brief van Franck aan Cosijn

Van een woord als vreugde kun je alleen maar vrolijk worden, toch? De negentiende-eeuwse taalwetenschappers die hebben bijgedragen aan het eerste etymologisch woordenboek van het Nederlands dachten daar heel anders over. De Duitse filoloog Johannes Franck die deze taak ten deel was gevallen kwam er gauw achter dat de klus veel problemen en frustraties met zich meebracht. Eén van de woorden die hem de meeste moeite kostte was het woord vreugde. Gelukkig kon hij rekenen op de assistentie van zijn Nederlandse collega Pieter Jacob Cosijn, met wie hij brievenlang gediscussieerd heeft over dit “böse wort” (zie ook het eerste artikel van dit drieluik).

Lees verder >>

Niet gevangen zijn of hebben, maar zitten: hoe zit dat?

Door Maarten Bogaards

Prinses zit gevangen bij Goejanverwellesluis. Bron: Pricryl

Werk moet lonen voor iedereen die in de bijstand gevangen zit’, betoogt NRC eerder dit jaar in het redactioneel commentaar. Op zich geen baanbrekend standpunt, maar de formulering ervan bevat wel een interessante constructie van het Nederlands: de combinatie van een voltooid deelwoord, gevangen, met het houdingswerkwoord zitten.

Zo’n soort combinatie kennen we vooral van de voltooide tijd. Daarin gaat een voltooid deelwoord vergezeld van een hulpwerkwoord van tijd, zijn of hebben. ‘Zelfs de choreografie van de zangers is gevangen in notenschrift’, schrijft NRC bijvoorbeeld over de recente uitvoering van een experimentele opera van de twintigste-eeuwse componist Stockhausen. En over het werk van fotograaf Christian Voigt, die dinosaurusskeletten vastlegde in ultrahoge resolutie: ‘zoals Voigt ze heeft gevangen zag je ze nog niet’. Is en heeft gevangen zijn voorbeelden van de voltooide tijd. Maar in het voorbeeld waarmee we begonnen, staat geen is of heeft, maar zit. De vraag ligt voor de hand: hoe zit dat?

Lees verder >>

Lucebert: lezen in plaats van leven

Door Marc van Oostendorp

Ze zijn er nog, de bewonderaars van Lucebert. Je kon er bijna aan twijfelen nadat de controversiële brieven van de schrijver naar boven kwamen die hij in zijn jeugd schreef. Zou dit de fascinatie voor de dichter doen uitdoven?

Nee, dus. Deze maand verscheen misschien wel het mooist vormgegeven boek dat ik dit jaar onder ogen heb gekregen: Lucebert. De zin van het lezen.

Het boek is een uitkomst van een project dat Lisa Kuitert enkele jaren geleden begon: een inventarisatie van de bibliotheek van Lucebert. Eerder publiceerde ze daarover het boek De lezende Lucebert, waarin deskundigen allerlei deelverzamelingen uit die bibliotheek belichtten. Het nieuwe boek gaat nu over de aantekeningen die Bertus Swaanswijk in zijn boeken maakte.

Lees verder >>

De oorsprong van het woord gewoon: Om gek van te worden

Een 19e-eeuwse discussie over een zonderling woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Titelpagina van Francks etymologische woordenboek

Geen gewoner woord dan het woord gewoon, maar waar komt het eigenlijk vandaan, en wat heeft het te maken met wonen en wennen? Verrassend genoeg zijn deze vragen niet gemakkelijk te beantwoorden. Sterker nog: de opsteller van het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands, Johannes Franck (Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal 1884-1892), had het niet bepaald makkelijk met dit lemma. Dit blijkt uit de ongepubliceerde laat-negentiende-eeuwse briefwisseling tussen hem en zijn collega Pieter Jacob Cosijn, een voormalig redacteur van het WNT en hoogleraar Oudgermaans en Angelsaksisch in Leiden.

Lees verder >>

Een aantal mensen is of zijn?

Door Marten van der Meulen

Een van de casus die ik onderzoek in het kader van mijn proefschrift is de kwestie ‘een aantal mensen is/zijn’. De laatste dagen heb ik flink wat data doorgespit, en dat heeft mij in ieder geval wat nieuwe inzichten gegeven. Meervoud of enkelvoud, dat gaat namelijk helemaal niet alleen maar over het werkwoord, maar ook over iets anders. En juist dat andere aspect laat heel duidelijk zien: ‘een aantal mensen’ is meervoud.

Regels

De traditionele interpretatie zegt dat ‘aantal’ het hoofd van de zelfstandig naamwoordgroep is. Aantal staat in het enkelvoud, en dus moet een opvolgend werkwoord ook in het enkelvoud staan. Dat levert dit soort zinnen op:

  • Een aantal mensen is gekomen.
  • Een aantal mensen las mijn blogpost.
Lees verder >>

Stijl en werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

De stilistiek is het hart van de neerlandistiek. Ze combineert de drie traditionele subdisciplines taalkunde, letterkunde en taalbeheersing, ze beziet hoe vorm betekenis kan geven, ze gaat over de vraag hoe de stijl een mens kan maken en de wereld kan vormgeven.

Het is daarom opmerkelijk dat de stilistiek zo lang veronachtzaamd is, dat er decennia zijn voorbijgegaan waarin het in de opleidingen niet of nauwelijks op het programma stond, dat de recente literatuur erover nog steeds zo gering in omvang is. Pas de laatste jaren is daar weer verandering in gekomen en nu is er een modern boek met een nieuwe visie op het fenomeen: Stijl, taal en tekst. Stilistiek op taalkundige basis van Ninke Stukker en Arie Verhagen.

In een lucide inleiding maken Stukker en Verhagen duidelijk dat er twee mogelijke visies zijn op de relatie tussen vorm en inhoud in het geval van taal en stijl. Je zegt dat ze volmaakt gescheiden zijn (dualisme) of je zegt dat ze één en hetzelfde zijn (monisme). Voor beide is iets te zeggen, maar beide zijn ook onhoudbaar.

Lees verder >>

Etymologische discussies, 19e-eeuwse roddels en een geheime baard

Achter de schermen bij het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Johannes Franck (op latere leeftijd) en Pieter Jacob Cosijn (met baard)

Historische taalwetenschap en etymologie klinkt als een vrij braaf vakgebied, maar ook in deze discipline kan het een slagveld zijn. Etymologen hebben regelmatig tegengestelde meningen en dit levert vaak onenigheid op. Zo ook in de late negentiende eeuw toen het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands in de steigers stond. 

Ruim een eeuw geleden zag dit woordenboek, met de volledige titel Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (1884-1892), het daglicht. Het was geschreven door een Duitse taalwetenschapper genaamd Johannes Franck die eerder verantwoordelijk was voor een grammica van het Middelnederlands (Mittelniederländische Grammatik 1883). Francks woordenboek was het eerste Nederlandse etymologische overzichtswerk dat op wetenschappelijke methoden gebaseerd was, maar werd door de tijdgenoten met veel kritiek en de nodige controverse ontvangen. Een jarenlange briefwisseling tussen Franck en een bevriende Nederlandse collega, Pieter Jacob Cosijn, geeft een uniek kijkje achter de schermen bij de totstandkoming van het woordenboek en het etymologische wapengekletter tussen de twee geleerden.

Lees verder >>

Orde van de Knalgaslamp

Foto: Lea Theunissen

Door Bas Jongenelen

Enkele jaren geleden zag Lea Theunissen (kunstenaar-dichter) voor het eerst een knalgaslamp in Teylers museum te Haarlem. Ze vond het – zeer terecht – een mooi woord en ze besloot de Orde van de Knalgaslamp op te richten. Woorden die toegelaten worden tot deze orde zijn samenstellingen van drie eenlettergrepige woorden die dezelfde klinker gemeen hebben. Het tweede woord in deze orde was snel gevonden: inktvisring. Daarna kwamen dakpanklas, veldwerkslet en Topdroprol.

Woorden als paashaaswraak en bromsnorhoofd zijn uitgesloten van lidmaatschap. ‘Paas’ is immers geen zelfstandig naamwoord. Bij bromsnorhoofd gaat het om de klinker o. De verdubbeling van de klinker is niet toegestaan. Bromsnorkop zou wel mogen. Maar dan komen we in de categorie ‘zelfverzonnen’ en de zelfverzonnen woorden zijn minder spannend. De mooiste knalgaslamp-woorden zijn immers die woorden die gespot zijn in het wild.

Ik weet zeker dat ik ooit (35 jaar geleden) het woord kutbrugsmurf gebruikt heb, maar dat woord is (op dit moment) niet op internet te vinden. En wat te denken van de tochtrolhond? Een tochtrol leg je bij de deur om de tocht tegen te gaan. Een tochtrol in de vorm van een hond is een tochtrolhond – helaas niet als één woord terug te vinden. Wel als twee woorden: ‘tochtrol hond’, maar dat telt niet.

De Orde van de Knalgaslamp heeft dringend nieuwe leden nodig. Uiteraard kunnen we die zelf verzinnen (worstkopdrol, luchtbrugslurf, gangbangslang, pinkliftfit), maar de betere woorden zijn gebruikt door iemand die niet op zoek was naar een knalgaslamp-woord. Heeft u ooit een ontmoeting gehad met zo’n woord? Laat het dan weten in de panelen hieronder.

Uit kracht dan van de bevoegdheid

Door Ton van der Wouden

Promotieplechtigheid aan de UvA. Bron: Wikimedia

“Het is de doem van de taalkundige om voortdurend met zijn objekt van studie gekonfronteerd te worden”, aldus de laatste stelling, behorende bij het proefschrift van Jack Hoeksema (Groningen 1984). Dat werd maar weer eens bewezen toen ik nietsvermoedend een Leidse promotie bijwoonde. De kandidaat had zich met succes door het rituele spel van vraag en antwoord geworsteld, de commissie had zich teruggetrokken voor beraad en had haar (commissie is toch vrouwelijk?) plaats weer ingenomen achter de tafel, en de promotor kreeg het woord voor de rite de passage van de doctor-wording. De uitgesproken formule culmineerde in de volgende slotzinnen:

Volgaarne aanvaard ik de taak, mij door de rector magnificus der universiteit opgedragen. [staande] Uit kracht dan van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend, volgens het besluit van de commissie, hier tegenwoordig, verklaar ik bij dezen u, [naam voluit] te bevorderen tot doctor. Ten bewijze hiervan zal u het diploma, door rector, secretaris en promotor ondertekend en met het grootzegel der universiteit bevestigd, ter hand worden gesteld.

Al tientallen malen had ik die formule gehoord, maar voor de eerste keer realiseerde ik me dat er iets bijzonders aan de hand is met die tweede zin. Wat doet dat dan midden in de complexe voorzetselgroep uit kracht van de bevoegdheid, ons bij wet toegekend? Dit voorbeeld staat niet alleen, andere voorbeelden van dit soort voegwoordelijke bijwoorden of partikels in complexe voorzetselgroepen met een voorzetseluitdrukking als hoofd zijn gemakkelijk te vinden: 

Lees verder >>

Boeken zijn als getallen

Door Marc van Oostendorp

De kleine Johannes, Mari Andriessen. Frederickspark, Haarlem.
(Bron: WIkipedia)

Wat zijn boeken voor dingen? Over die vraag gaat een artikel dat de beroemde Amerikaanse taalkundige Paul Postal onlangs op internet plaatste.

Dat boeken vreemde dingen zijn, was al meer mensen opgevallen. Ze zijn abstract en lijken in die zin op bijvoorbeeld getallen. De kleine Johannes bevindt zich net zo min als het getal 26 op een bepaalde plaats in de fysieke werkelijkheid. Er zijn natuurlijk allerlei tastbare objecten waarop de letters De kleine Johannes staan en die binnenin eveneens reeksen letters hebben in telkens dezelfde volgorde – het verhaal van de kleine Johannes. Maar geen van die voorwerpen ís De kleine Johannes.

Tegelijkertijd beschouwen we boeken als dingen die op een zeker moment geschreven zijn door een concreet persoon. Als Frederik van Eeden nooit had geleefd, hadden we ook geen Kleine Johannes gehad. Voor ons gevoel heeft Van Eeden die letters in een bepaalde volgorde gezet. Hij heeft op een goed moment de Kleine Johannes gemaakt, en dat boek bestaat dus wel in een bepaalde tijdsspanne: voor 1884 bestond het nog niet.

Lees verder >>

Heeft Curriculum.nu een beetje geluisterd?

Door Coen Peppelenbos

Afgelopen donderdag werden de voorstellen van Curriculum.nu in de eindversie aan de minister overhandigd. Overlegronde na overlegronde heeft plaatsgevonden en iedereen die in het onderwijs werkzaam was mocht meepraten, waardoor je op het eind een soort amalgaam aan ideeën voorgeschoteld kreeg. Ik was wat huiverig om de uiteindelijke voorstellen op het gebied van literatuur te lezen. Het viel gelukkig mee. Je kunt in het stuk wel de sporen vinden van modieuze stromingen binnen de onderwijspraktijk. Zo staat er bij de voorstellen voor de basisschool:

de tekstinhouden verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit en (sub)culturen van zichzelf en anderen;

Daar zie je de invloed van de Biesta-doctrine die in alle geledingen van het onderwijs doordringt. Op zichzelf vind ik dat een positieve ontwikkeling, maar ik vraag me af of je die moet opleggen. Het lezen van literatuur moet wat mij betreft zo min mogelijk langs opgelegde structuren en ‘denkkaders’ lopen. Lees verder >>

Pleidooi voor een DBNL-lab

Door Marc van Oostendorp

Hoera, de DBNL bestaat twintig jaar! Het Utrechtse letterkundige tijdschrift Vooys wijdde er een aardige special aan – althans, sommige stukken gaan ook over digitale literatuurwetenschap in bredere zin, maar de focus ligt toch op de DBNL.

Er is bijvoorbeeld een interessant overzicht van de eerste vijftien jaar van de digitale bibliotheek, tot het moment dat de organisatie naar de KB overging, door Ton van Kalmthout, die vertelt dat een van de eerste concrete onderzoeksvragen, nog in de eerste subsidieaanvraag voor de DBNL in 1998, ging over het ontdekken van metriek in oude poëzie. Grappig genoeg staat er in hetzelfde nummer van Vooys een artikel van Wouter Haverals, Mike Kestemont en Folkert Karsdorp waarin ze laten zien dat een automatische scandeermachine hebben gebouwd op basis van de DBNL.

Er zit dus schot in!

Lees verder >>

Verkansie

Door Henk Wolf

Vrijdag schreef columniste Nadia Ezzeroili in de Volkskrant een stukje over het woord verkansie, een variant van vakantie.

De columniste observeert een groeiende populariteit van de geschreven vorm verkansie op de sociale media. Dat kan heel goed een juiste observatie zijn, daar wil ik af blijven, maar de suggestie dat de variant verkansie nieuw zou zijn of een “lelijke verbastering” van vakantie is niet correct. Nadia Ezzeroili neemt aan dat het nu als Standaardnederlands geldende vakantie als model wordt gebruikt om een onvolmaakte kopie (‘een verbastering’) als verkansie te vormen. Die denkfout wordt heel veel gemaakt, maar beide vormen komen al eeuwenlang in het Nederlands voor, naast talloze andere varianten. Op schrift is vakantie de norm geworden, maar in de spreektaal bestaat die vormvariatie nog steeds.

Vakantie en verkansie zijn allebei ‘verbasteringen’

Vakantie en verkansie zijn allebei gevormd naar het voorbeeld van een woord uit een Romaanse taal. Dat is vermoedelijk niet, zoals de columniste schrijft, het Latijnse vacatio. Het is onwaarschijnlijk dat de mensen in Nederland en Vlaanderen het [n]’etje in het woord zelf hebben verzonnen. Volgens de meeste etymologische woordenboeken is het Latijnse vacantia of het Franse vacances de waarschijnlijke inspiratiebron geweest (of allebei). Vernederlandste vormen kwamen in de vijftiende eeuw al in het Nederlands voor, toen nog alleen in de betekenis ‘periode waarin geen recht werd gesproken’.

Lees verder >>

Sam Smith en hun voornaamwoorden

Door Ronny Boogaart

Sam Smith. Bron: Wikimedia

Volgens het Algemeen Dagblad van 13 september jl. wil de Britse zanger Sam Smith voortaan niet meer met hij worden aangesproken, maar met hen of hun, aangezien hij zich niet exclusief mannelijk of vrouwelijk voelt. Ik vraag me af hoeveel lezers van het AD dit bericht begrijpen. Ikzelf in elk geval niet meteen. Wat moet ik nou zeggen als ik Sam tegenkom of een stukje over hem/hen/hun schrijf?

Als je Sam Smith tegenkomt

Om te beginnen suggereert het bericht dat Sam Smith nu wel steeds met hij wordt aangesproken, maar dat lijkt mij sterk. Als mensen dat bij mij zouden doen, zou mij dat ook irriteren, maar dat heeft niet zoveel met non-binariteit te maken. Bovendien is het erg verwarrend:

  • Zeg Sam, komt hij dit jaar nog in de Ziggo Dome optreden?  

Als deze vraag aan Sam Smith wordt gesteld, kan hij niet naar de zanger zelf verwijzen. Dat probleem bestaat ook als je hen of hun gebruikt, zoals Sam Smith volgens het AD ‘aangesproken wil worden’:

Lees verder >>

De moordzuchtige klerenjood (1844)

Jeugdverhalen over joden (59)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Gijsbertus van Sandwijk (1794-1871)

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaaltje over de moordzuchtige ‘klerenjood’ is in 1844 gepubliceerd in het Prenten-magazijn voor de jeugd. Dat tijdschrift verscheen tussen 1841 en 1852 en stond onder leiding van Gijsbertus van Sandwijk, een hoofdonderwijzer uit Purmerend. Van Sandwijk schreef alle kopij zelf.

         De joodse ‘oude-kleeren-koop’ figureert in een vertelling in de rubriek ‘Spreekwoorden’ bij het inmiddels vergeten spreekwoord het moest uitkomen, al zouden de kraaien het uitbrengen (betekenis: ‘kwaad komt altijd uit’, of: ‘al is de leugen nog zo snel…’).

         In 1852 bracht Van Sandwijk een selectie van de belangrijkste toelichtingen bij spreekwoorden bijeen in Spreekwoorden aanschouwelijk voorgesteld en verklaard, een Lees- en Prentenboek. Het verhaal over de moordzuchtige joodse klerenopkoper is ook in deze bundel opgenomen. De tekst bleef ongewijzigd.

Lees verder >>

Gerda van Wageningen in de canon

Door Marc van Oostendorp

De canon van de Nederlandse literatuur als netwerk. Illustratie uit het besproken artikel.

De interessantste opmerking staat aan het eind, in het nieuwe artikel The Canon of Dutch Literature According to Google dat de letterkundigen Lucas van der Deijl en Roel Smeets samen met de computertaalkundige Antal van den Bosch schreven.

Het artikel gaat uit van een interessante gedachte: wat als we de canon nu eens door Wikipedia en Google lieten bepalen? Zouden we dan niet een veel democratischer beeld krijgen van de literatuur? En hoe zou dat beeld er dan uit zien? De auteurs namen alle 2287 schrijversnamen van de Wikipedia-pagina Nederlandse schrijvers en ze voerden deze aan het algoritme van Google. Dat geeft voor schrijvers een lijstje met ‘gerelateerde zoekresultaten’.

Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer in kamer 17

Door Susanne Onel

Onderaan op bladzijde 16 van Ilja Pfeijffers roman Grand Hotel Europa wijst de majordomus Montebello aan het ik-personage Ilja Pfeijffer zijn kamer: nummer 17!

Waarom dit nummer? Een luguber grapje van de auteur? Het getal 17 is namelijk in Italië een ongeluksgetal, zoals 13 dat in Nederland is. Is het personage Ilja zo ongelukkig dat de schrijver hem in kamer nr 17 plaatst? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat auteur Pfeijffer dit kamernummer toevallig heeft gekozen.

Waarom is 17 voor Italianen een ongeluksgetal? In romeinse cijfers wordt zeventien geschreven als XVII. Dit kan gelezen worden als een anagram van VIXI (= ik heb geleefd; ik ben derhalve dood), dat zeer vaak op graftombes e.d. werd geschreven. Het getal 17 werd dus met de dood geassocieerd. 

Daarom waren – en zijn? – er in Italiaanse hotels geen kamers met nummer 17. Niettemin zet schrijver Pfeijffer zijn hoofdpersoon onverdroten in kamer 17.

Als dat maar goed gaat…

Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is

De Multatulileescursus (53)

Door Marc van Oostendorp

– Jij zei indertijd dat de derde bundel Ideeën je favoriete boek van Multatuli was. Ik geloof dat voor mij de zesde bundel die status heeft.

– Vanwege Woutertje.

– Vanwege Wouter Pieterse inderdaad. Deze bundel bevat het grootste brok van die roman, en anders dan in eerdere delen zijn er niet van die hele lange onderbrekingen waarin Multatuli ineens zijn mening over van alles en nog wat wil geven.

– Klopt nu dat al deze belevenissen nauwelijks een rol hebben gespeeld in de Nederlandse letterkundige beschouwing? Meestal gaat het als het over Wouter gaat toch over de gedichtjes die meester Pennewip moet even of juffrouw Laps die een zoogdier is, kortom, over veel vroegere fragmenten

– Ik weet niet, heb je dat onderzocht?

Lees verder >>

In geval van twijfel: vraag een frisist!

Door Henk Wolf

Een bekende vertelde me deze week dat ze had meegedaan aan een psycholinguïstisch onderzoek. De onderzoeker had elektroden op haar hoofd geplakt en daarna moest ze Friese woorden naar het Nederlands vertalen en andersom. Ze wist niet precies wat het doel van het onderzoek was, maar het viel haar wel op dat de onderzoeker niet Friestalig was en misschien niet in de gaten had dat sommige Friese testwoorden in haar dialect niet werden gebruikt of heel erg schrijftalig waren, waardoor ze minder vlot tweetalig zou kunnen lijken dan ze in werkelijkheid was.

Ik ken het onderzoek niet en het is best mogelijk dat de onderzoeker die woorden met opzet had gekozen. In z’n algemeenheid echter is er wel een risico dat onderzoekers die onderzoek doen met behulp van een taal die ze zelf niet beheersen, te makkelijk vertrouwen op het woordenboek. Dat geldt met name voor een taal als het Fries, die veel minder gestandaardiseerd is dan grote staatstalen zoals het Nederlands.

Er zijn wel vaker onderzoekers in die valkuil gestapt. Recent viel het me nog op toen ik een artikel van de Groningse onderzoekers Wencke Veenstra, Mark Huisman en Nick Miller uit 2014 las. Zij hebben onderzoek gedaan naar woordvindingsproblemen bij Friese Alzheimerpatiënten. Ze lieten 26 van zulke patiënten plaatjes beschrijven – in het Fries en in het Nederlands. Volgens de onderzoekers waren de woordvindingsproblemen in het Fries groter dan in het Nederlands. Dat verschil probeerden ze vervolgens te verklaren door aan te nemen dat de patiënten in hun latere leven meer Nederlands hadden gesproken dan Fries waardoor ze sneller op de Nederlandse woorden konden komen.

Lees verder >>