Categorie: column

Klankencyclopedie van het Nederlands (41 en slot): [ʘ]

Door Marc van Oostendorp 

 [ʘ] De [ʘ] maak je door je lippen te tuiten, ze in het midden tegen elkaar aan te zuigen, en ze los te laten.

Die klank wordt doorgaans niet tot het Nederlands gerekend, al maken vrijwel alle Nederlandstaligen hem vermoedelijk wel af en toe (drie keer achter elkaar, wanneer ze elkaar begroeten), en wordt hij zelfs wel geschreven, namelijk als mensen onder een brief xxx schrijven.

Waarom hoort die klank dan toch niet tot het Nederlands?
Lees verder >>

Onderzoeker in de crisis

Door Marc van Oostendorp

We leven in een tijd van afbraak. Het is een rare zin om neer te schrijven, het klinkt zo pathetisch dat het moeilijk is om te geloven. Maar het is geloof ik wel waar. Waar je om je heen kijkt, wordt van alles en nog wat gesloopt. Vanwege de crisis, ja, en vanwege een weerzin tegen een heleboel monumenten die er staan.

Misschien is het omdat ik deze maanden in een wat andere omgeving ben – op de KB in Den Haag en het NIAS in Wassenaar – dat het me meer opvalt. Overal is de afbraak, maar je ziet hem minder makkelijk in je eigen omgeving. Maar misschien gaat het allemaal ook wel steeds sneller.

Lees verder >>

De ironische zachte g

Door Marc van Oostendorp

Jolanda Joppe, De zachte g

De afgelopen week viel het me ineens bij twee mensen op: een ironische zachte g. Iemand die verder met een harde g praat, zegt ineens één woord of woordgroep met een zachte.

Eerst was het een collega, een retoricus, die mij om een gunst kwam vragen.  Althans als ik de harde g even schrijf als /χ/ en de zachte als /ɣ/ (dat is niet precies, maar wel duidelijk), zei hij:

– Ma/χ/ ik jou om een /ɣ/unst vra/χ/en?

De collega is een Zuid-Hollander en heeft bij wijze van spreke nog nooit een voet gezet in Breda of Roermond. Hij nam een korte pauze voor de /ɣ/.
Lees verder >>

Hè hoort niet bij de Nederlandse taal

Maar wel bij de Nederlandse cultuur

Door Marc van Oostendorp

Is  een woord? Dat vraag ik me sinds gisterenmiddag ineens af. Ik was bij een bijeenkomst waar Engels werd gesproken en ook een paar Nederlanders aan het woord kwamen. Sommige van hen doorspekten hun lezingen, met Engels:

– If we do this, hè, we will not succeed.

De praatjes waren allemaal in grammaticaal correct Engels en je kunt je niet voorstellen dat een van de sprekers er ineens een echt Nederlands woord tussen zou hebben gegooid (If we do this, we will not slagen.) Bovendien, toen ik eraan terugdacht, herinnerde ik me veel meer Nederlanders die  zeggen als ze Engels praten. Zelfs andere tussenwerpsels zou je denk ik niet zo snel verwachten (If we do this, tjonge, we will not succeed.) Vandaar dat ik dacht dat voor die sprekers misschien wel geen woord is.

Maar wat is het dan wel?

Lees verder >>

Je tik ertegen en het zing

Rijmen zonder t

Door Marc van Oostendorp

De [t] is het wegwerpartikel onder de medeklinkers. Hij is zo goedkoop, zo makkelijk te maken, dat je hem als het nodig is, er makkelijk even tussen frommelt (gozert op een brommert), en zo weinig waard dat je hem makkelijk weglaat als hij niet nodig is (da is nie leuk). Voor andere medeklinkers geldt dat niet: niemand zegt gozerk, niemand laat de k aan het eind van leuk zomaar weg.

Ook de dichters voelen dat, bedacht ik gisteren. Er zijn dichters waarbij de woorden eigenlijk alleen rijmen als je de t’s niet meetelt. Gerrit Achterberg (1905-1962) was zo iemand:

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt
Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden, in ene teug.

Vleug en teug rijmen op heugt en deugt, zoals kijk rijmt op bereikt en later in het gedicht zingt rijmt op fluistering, zoals in een ander beroemd gedicht lig rijmt op dicht. En terwijl je in het eerste geval nog zou kunnen denken dat er iets Haags klinkt in het weglaten van die t (Katadreuffe die zijn doel bereik), gaat dat voor het tweede niet op. Dat heeft niets met Den Haag te maken. 

En Achterberg was niet de enige of de eerste. Een bekend lied van E.J. Potgieter (1808-1875, dus honderd jaar ouder dan Achterberg) begint met de regels:

Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,

Ook hier geldt weer: andere medeklinkers worden niet zo gemakkelijk weggelaten. Kijk rijmt niet op blij zoals het op bereikt rijmt.

Rijm lijkt een alledaags en simpel verschijnsel – iets wat Sinterklaas en de middenstand (een goede wenk, eet vis van Henk) zo uit hun mouw schudden. Maar het is in veel opzichten ook raadselachtig: hoezo moet alles vanaf de beklemtoonde klinker tot het eind van de regel hetzelfde zijn? En waarom mag de medeklinker die eraan voorafgaat dan juist weer niet hetzelfde zijn (waarom rijmt leiden niet op lijden?)

Juist de ‘slordige’ dichters zijn daarbij het interessantst. Alle dichters die nauwgezet de regels volgen lijken op elkaar, maar alle slordigheden roepen vragen op: waarom slordig op precies deze manier?

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuig raak dat in dat rijm een heleboel gevoel voor taal verborgen zit. Zoals het gevoel dat die [t] er nauwelijks toe doet. dat het de wegwerpklank is van het Nederlans.

De betekenis van bevelen

Door Marc van Oostendorp

Ik ben de laatste dagen aan het lezen over de gebiedende wijs, de imperatief. Wat betekenen zinnen als Loop maar even mee, Sla nu de bladzijde om, Ga toch weg? Dat blijkt een behoorlijk ingewikkelde vraag, waarover semantici hun hoofd breken. (Zie bijvoorbeeld het proefschrift van Rosja Mastop uit 2006).

De reden daarvoor is dat veel taalkundigen denken dat de betekenis van een zin uit te drukken is in waarheid: iedere zin is waar of onwaar (of eventueel een beetje waar).  Wanneer Kobus zegt ‘Het regent buiten’ kan Krelus bijvoorbeeld zeggen ‘Ja, dat is waar’, of ‘Dat klopt niet’.

Het probleem is natuurlijk dat bevelen niet waar of onwaar zijn. Je kunt van alles zeggen na ‘loop maar even mee’, maar ‘dat klopt niet’ hoort daar redelijkerwijs niet bij.

Lees verder >>

We ARE Dutch!

Nieuwe aflevering van het spannende misdaadfeuilleton ‘De verleden tijd van lijken’.
 

Door Marc van Oostendorp

 Prof. dr. Wouter Pieterse, de hoogleraar Financiële Letterkunde die door een geheimzinnige aanval ineens in een manager veranderd was, drukte met een onheilspellende blik een PowerPoint-presentatie tevoorschijn. nContourennota Department of Dutch 2013-2017 stond er op de eerste slide. Op de volgende stonden drie bullet points:

 

  • Accountability
  • Relevance
  • Efficience

“Wouter,” zei Rie Veld. “Voor je verder gaat, wil ik je eerst iets vragen. Wanneer heb je deze slides gemaakt? Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat je zoiets zou hebben opgeschreven voor je… voordat je daarnet…” Ze had die zinnen kunnen zeggen omdat ze voor zich had gekeken, naar het glas dat voor haar op tafel stond. Zodra ze even opkeek en de staalblauwe ogen uit professor Pieterses vaalblauwe gezicht haar onbegrijpend aanstaarden.

Lees verder >>

‘Ik ken hem oppervlakkig’

De stijl van Flair

Marc van Oostendorp (45) werkt in het onderwijs en is getrouwd met Roberta.

‘Maar waarom heb je nou weer een stapel vrouwenbladen gekocht’, zei Roberta, terwijl ze wees op de Libelle, Margriet en Flair, die ik op onze Ikea-bank had gelegd.

“Ik weet het niet,” gaf ik toe. “Ik vind dat je alles moet lezen. Ik ben geïnteresseerd in tijdschriften, in hoe daarin geschreven wordt. Daar kun je volgens mij altijd wat van leren. Ze doen daar natuurlijk hun best hun lezers te bereiken. Hoe doen ze dat?” Ik blies over mijn espresso.

“En, wat heb je ontdekt?” Ze klonk vrolijk en schudde haar haar los.

Lees verder >>

De luis had iets luis

Door Marc van Oostendorp

Ik kreeg een interessante reactie van de bekende fonoloog Jaap Spa op het stukje in de Klankencyclopedie over de [ʌy] (ui):

Wat betreft de [ʌy], die ik liever noteer als [œч], wil ik opmerken dat in mijn eigen idiolect (maar wellicht geldt dat ook voor anderen) deze tweeklank wordt uitgesproken als [œj] vóór een klinker en aan het woordeinde: cf. l[œj]er, l[œj]aard, sl[œj]er, b[œj]en en b[œj], l[œj], r[œj]. Is dit een algemeen verspreid verschijnsel ?

Ik had nog nooit over dit verschil nagedacht, maar toen ik dat deed, kon ik zeker navoelen wat Spa hier beschrijft: in luik en sluip klinkt de ui eenklankiger, uniformer, gedrongener dan in lui of luier. In die laatste gevallen zit er meer een [j]-achtige klank in. Het effect is subtiel, maar wel meetbaar.

Lees verder >>

Tiptop

Nieuwe aflevering van het spannende misdaadfeuilleton ‘De verleden tijd van lijken’.

Door Marc van Oostendorp 

“Tjongejonge!” riep Rie Veld kwaad. “We zitten hier toch niet twee dagen lang om Facebook-pagina’s te bekijken! Het is al erg genoeg dat we moeten ver-ga-de-ren!” Rie hield iedere vergadering van de opleiding minstens tien minuten op met een uitgebreide uiteenzetting van haar bezwaren tegen vergaderingen.

Met een rood hoofd drukte Wouter Pieterse inmiddels verwoed op allerlei knopjes om de tekst die er op zijn Facebook-pagina stond weg te drukken. “Je hebt gelijk, Rie”, zei hij. “Het is misschien niet nodig om hier al te veel tijd aan te besteden.”

Lees verder >>

Waarom het Nedersaksisch nooit erkend wordt

Door Marc van Oostendorp 

Het was niet langer de ultieme poging, maar inmiddels toch echt de laatste ultieme poging, waarmee de Drentse gedeputeerde Rein Munniksma het nieuws zocht en vond. Na deze laatste ultieme poging kan hij eventueel nog een allerlaatste ultieme poging doen, maar daarna resteert hem alleen nog een finale allerlaatste ultieme poging om het Nedersaksisch erkend te krijgen.

Zaterdagochtend gaf Munniksma een kort interviewtje aan het Radio1-journaal, en daar zit eigenlijk alles in. De hopeloosheid van de situatie. Het merkwaardige feit dat de grootste strijder voor het Nedersaksisch zelf niet de moeite genomen heeft de taal voldoende te leren om ‘dank je wel’ te kunnen zeggen. Munniksma’s onbegrip van wat de erkenning van streektalen eigenlijk inhoudt.

Wat is er aan de hand?
Lees verder >>

Nog een paar woorden uit het Huizer dialect

door Viorica Van der Roest

Toen eind jaren vijftig Henk Rebel, alias Haindruk van ’t Noorderainde, op de radio een tekst in het Huizer dialect had voorgedragen, was het commentaar van mijn overgrootmoeder tegen mijn vader: ‘Dat was nijt goeëd. Hij had ’t over een skutteltje, mar ’t most een téëltjen wezen’. Het gevolg van een generatieverschil. Mijn overgrootmoeder was geboren in 1877, Haindruk van ’t Noorderainde zo’n dertig jaar later. In die periode waren er, met de import van nieuwe bewoners, ook nieuwe woorden in het Huizer dialect terecht gekomen. En zo kon de grootste voorvechter van het Huizer dialect in de twintigste eeuw een woord voor schotel gebruiken (wel aangepast aan het Huizer klanksysteem) dat Huizers van een generatie ouder vreemd in de oren klonk.

ëltjen voor ‘schotel(tje)’, wat is dat voor woord? Het blijkt verwant te zijn aan teil, eigenlijk niet gek als je de overeenkomst in vorm tussen beide voorwerpen in gedachten houdt. Lees verder >>

Column 91: het dieet van Karel de Grote

Vorige week woensdag, 30 januari 2013, presenteerde De Wereld Draait Door (DWDD) de herontdekking van een schild gesneden uit het gewei van een eland. Het curiosum was in 1952 door de Duits-Nederlandse bankier Mannheimer aan het Rijksmuseum cadeau gedaan, waar het sindsdien in de kelder bewaard werd. Aan het schild kleefde een verhaal: het zou afkomstig zijn uit de abdij van St. Arnould te Metz, waar Lodewijk de Vrome (778-840) begraven werd, de vierde zoon van Karel de Grote, die hem opvolgde als koning van Frankrijk. Blijkbaar werd dit verhaal destijds niet serieus genomen, want er werd niets mee gedaan. Ook was er geen ander, vergelijkbaar schild bekend. Men hield zelfs rekening met de mogelijkheid dat het om een vervalsing ging.
Lees verder >>

Verwantschapstermen in het Huizer dialect

door Viorica Van der Roest

Vorige week vertelde ik over dieren- en plantennamen in het Huizer dialect. Een andere interessante categorie woorden uit dit dialect wordt gevormd door de verwantschapstermen en de woorden voor man en vrouw. Een getrouwde man is in Huizen een ‘taatje’, en een getrouwde vrouw een ‘nenne’. Een tante is een ‘meutjen’ (maar een oom gewoon ‘oom’), een oudtante een ‘peutjen’, en grootvader en grootmoeder worden ‘ôta’ en ‘ôëtjen’ genoemd. Op het eerste gezicht een verzameling vreemde woorden, maar de meeste blijken wijdverbreid in Holland en zelfs (ver) daaromheen, zij het soms in een iets andere betekenis.

Om te beginnen ‘taatje’. Het WNT noemt ‘taat’, maar dan in de betekenis van grootvader. In een bijzonder boekje dat integraal herdrukt werd in TNTL 57 (in een artikel van G. Kloeke), staat een lange lijst met woorden uit het Haagse dialect van rond 1730. Hier betekende ‘taat’ blijkbaar vader. In TNTL 48 wordt, in een artikel van J.W. Muller, melding gemaakt van ‘teuta’ in de betekenis van vader. Ook al zo vroeg opgetekend, namelijk in het begin van de 17e eeuw, door de humanist Aernout van Buchel. Het woord heeft dus vooral vader betekend, maar heeft in Huizen blijkbaar gaandeweg de betekenis gekregen van getrouwde man . En het woord voor vader is in het Huizer dialect gewoon ‘vader’. Lees verder >>

De begintijd van internet is nu!

Opa, hoe zag het begin van het literaire internet eruit? Nou meisje, zoals het plaatje hierboven.

In 1994 ging de Digitale Stad Amsterdam van start, een initiatief dat het internet naar de Nederlandse (niet alleen de Amsterdamse) burger wilde brengen. In 1995 veranderde de Digitale Stad in een website, waar de metafoor van de stad verder werd uitgewerkt. Er kwamen pleinen voor allerlei thema’s, zoals gezondheid of nieuws, en zo was er ook een boekenplein. Zoals je kunt zien was er op zo’n plein ruimte voor een aantal huizen, waar geïnteresseerden — zowel bedrijven als particulieren — hun eigen website konden onderbrengen.

Het plaatje hierboven heb ik van de Facebook-pagina van Hans van der Kamp, de fotograaf en schrijver die het vakje van De Opkamer bezette, het eerste elektronische tijdschrift van Nederland.

Ik was zelf indertijd betrokken bij het Project Laurens Jz. Coster, waar vrijwilligers Nederlandse literatuur digitaliseerden, meestal door het over te tikken. Van der Kamp en ik waren dus buren op dat boekenplein en hoewel ik hem nooit ontmoet heb voelt het nog steeds zo, alsof we oude buren zijn. Tegenwoordig zijn we dus ook Facebook-vrienden.

Zoals dat op Facebook gaat, werd er wat gebabbeld over het plaatje. Iemand die toen voor De Digitale Stad werkte zei dat hij door nostalgie werd bevangen als hij dacht aan die begintijd, toen mensen met ‘naïef-kinderlijk enthousiasme’ probeerden wat ‘beschaving’ te brengen aan de ‘new frontier’.

Toen ik dat las, merkte ik dat de verleden tijd me bevreemdde. Volgens mij zijn we eigenlijk met het literaire internet helemaal niet zoveel verder dan toen. We zijn nog steeds pioniers, het is nog steeds de begintijd van het internet.

Natuurlijk, het Internet is gegroeid en de plaatjes hebben een hogere resolutie gekregen (al valt me tegelijk op hoe mooi die Digitale Stad eigenlijk was.) De taak van het Project Laurens Jz. Coster is grotendeels overgenomen door de veel professionelere Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Maar nog steeds weet niemand goed hoe je geld kunt verdienen met tijdschriften op het internet, of hoe een boekwinkel zich op internet moet presenteren (ik heb eerlijk gezegd geen idee hoe de website van Scheltema er indertijd uitzag) en nog steeds heeft De Groene de beste website van alle opinietijdschriften.

Nog steeds komen de échte leuke literaire activiteiten op het net van schrijvers en dichters die zonder al te veel ondersteuning hun eigen plekje op internet begonnen zijn. Nog steeds zijn vrijwilligers bezig om teksten te digitaliseren door ze over te typen (vooral Nicoline vam der Sijs is de laatste jaren actief geweest met het organiseren van dat werk).

Het leuke van het internet is nog steeds dat we niet weten waar het naartoe gaat. Het leuke is dat je nog steeds met nauwelijks enige investering en weinig moeite iets voor jezelf kunt beginnen, en dat dit een succes kan zijn. Het is allemaal nog maar net begonnen, er kan nog van alles gebeuren.

De taal van Youp van ’t Hek

Ik moet zo vreselijk lachen. Ruim vijfentwintig jaar schrijft de cabaretier Youp van ’t Hek al columns voor NRC Handelsblad. De krant stond er gisteren uitgebreid bij stil, met een viertal pagina’s waarin de columnist vrolijk onder meer zijn werkwijze uit de doeken deed. De columnist is belangrijk voor de krant, er schijnen veel mensen te zijn die hem op zaterdag kopen om zijn stukje te lezen. Zijn columnbundels zijn altijd beststellers.

Wat verklaart het succes van Van ’t Heks proza?

Lees verder >>

Ik, je en hij bij Gerrit Komrij

Door Marc van Oostendorp

Als ik jou was, en jij was een student letterkunde en die zocht een scriptieonderwerp, zou ik me buigen over Boemerang en andere gedichten, de postume bundel van Gerrit Komrij.

Het eerste gedicht is, heel onkarakteristiek, geschreven zonder hoofdletters en zonder punten. Het heet psalm en begint als volgt:

de avond vrees je en het grote krimpen
de dingen in de kamer hebben pijn
er lopen dwars door door je geraamte schimmen
en in de tuin dieren die angstig zijn

Lees verder >>

Geschiedenis van de woordfrequentie

Frequentie is in de taalwetenschap al een tijdje een toverwoord. Woorden die vaak voorkomen, die hoogfrequent zijn, zijn bijzonder. Ze zijn bijvoorbeeld gemiddeld korter dan laagfrequente woorden volgens een van de bekendste wetten van de taalwetenschap, de Wet van Zipf. Ook spreken sprekers dit soort woorden vaak wat achtelozer uit: omdat ze zo vaak voorkomen, voegen ze minder informatie toe. De luisteraar kan zelf wel min of meer raden dat je de zegt, of wil, en dus hoef je als spreker wat minder je best te doen om zo’n woord duidelijk uit te spreken.

Om dat soort verbanden goed te onderzoeken heb je natuurlijk een goede maat nodig. Wat is de precieze rangordening van Nederlandse woorden volgens hun frequentie? Dat is nog niet zo heel eenvoudig vast te stellen.
Lees verder >>

Het leven van een ploert

Door Marc van Oostendorp

Mijn collega-blogger hier op Neder-L, Gert de Jager, is de wandelende indolentie en een ploert en hij kan beter voor zijn tante een colibri gaan kopen. Hij heeft zich immers een paar weken geleden op dit weblog uitgesproken tegen de biografie.  “Met wetenschap heeft het niets te maken en met literatuur evenmin,” schrijft Gert. “Al die levens: ze zijn slaapverwekkend. ”

Nu heb ik net de biografie van Willem Kloos gelezen die Bart Slijper vorige maand publiceerde, waarin hij onder andere beschrijft hoe Kloos in een jarenlang aanhoudende bui van alcoholistische autodestructie al zijn collega’s ongenadig uitscheldt, aldus hun gezamelijke tijdschrift De nieuwe gids volkomen de vernieling inhelpend. Dat wilde ik, minus de alcohol, nu ook maar eens proberen.

Lees verder >>

De geheimen van de Leidse [ɻ]

Het is vandaag drie oktober, de dag van een groot volksfeest in Leiden.  In de stad zelf zeggen ze [dɻi ɔktoʷbəɻ], met een ‘Amerikaanse’ [ɻ] die je verder in geen enkel Nederlands dialect hoort, zeker niet voor een klinker (u kunt hem hier beluisteren).

Waar die [ɻ] vandaan komt, weet niemand. De Leidse taalgeleerde Hans Heestermans heeft wel geopperd dat het komt doordat in de 17e eeuw een groot aantal Vlaamse tekstielarbeiders naar de stad gekomen zijn – terwijl ze daarvoor een tijd in Engeland gewoond hadden. Maar bewijzen dat er in Engeland toen al zo’n uitspraak van [ɻ] bestond zijn er niet, en het is ook niet zo waarschijnlijk dat je binnen een paar jaar zo’n klank oppikt en die vervolgens naar elders meeneemt.

Lees verder >>

Hoe reëel is meer dan reëel?

Wat betekent reëel? Dat vroeg ik me gisterenavond ineens af toen ik een stukje van de historicus Han van der Horst las op het weblog Joop.nl. Daar stond:

Let wel: dat hoeft niet te gebeuren maar de kans dat het wel die kant op gaat, is meer dan reëel.

Die uitdrukking meer dan reëel moet ik al heel vaak hebben gehoord, hij klinkt me vertrouwd in de oren. Hij was me alleen nooit eerder als vreemd opgevallen. Het komt misschien vooral doordat in deze zin zo expliciet wordt gezegd dat de kans op een gebeurtenis meer dan reëel is en dat het toch niet hoeft te gebeuren, dat het me opviel.
Lees verder >>

Jac. van Ginneken: Jodenhaat of plagiaat?

Wanneer ik oud en der dagen zat ben, trek ik me terug en schrijf een biografie over Jac. van Ginneken S.J. (1877-1945), de kleurrijkste taalkundige die Nederland gekend heeft: iemand die in zijn tijd zo ongeveer alle vormen van taalwetenschap beoefende, vooral als ze nieuw en uitdagend waren – die fonetische experimenten uitvoerde door menselijke spraak met roetwalmen op papier vast te leggen, persoonlijk contact onderhield met de beroemdste geleerden uit zijn vak, maar er ook nog allerlei bizarre ideeën op nahield die geen van hen deelden, en die in zijn vrije tijd ook nog katholieke vrouwenverenigingen oprichtte. (Ik heb af en toe over hem geschreven; dit jaar nog in Onze Taal en in Neder-L.)

Nu verscheen vorige maand een proefschrift van Gerrold van der Stroom, een van de Van Ginneken-kenners die er in Nederland zijn. Het boek heet Jac. van Ginneken onder vuur. Over eigentijdse en naoorlogse kritiek op de taalkundige J.J.A. van Ginneken (1877-1945). 


De titel is dubbelzinnig. Volgens Van der Stroom heeft Van Ginneken na de oorlog om de verkeerde redenen ‘onder vuur’ gelegen.
Lees verder >>

Liever een business school dan Sanskriet in 1913

De beroemde Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure (1857-1913) zou het in onze tijd niet makkelijk hebben gehad: hij publiceerde de laatste dertig jaar van zijn leven maar heel sporadisch, en dan nog vooral korte artikeltjes in obscure feestbundels als een andere taalkundige jarig was, en had meestal niet meer dan een stuk of drie studenten in de collegezaal. Hij had het daarmee zwaar gekregen tijdens zijn functioneringsgesprekken.

De colleges over bijvoorbeeld vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap begonnen soms wel met twintig studenten, maar die jaagde Saussure allemaal weg met zijn eisen dat ze allemaal eigenlijk wel Grieks én Latijn én Sanskriet én Oudgermaans moesten kennen. Desalniettemin zou hij uitgroeien tot de vader van het structuralisme, een manier van denken die niet alleen de taalwetenschap maar zo’n beetje alle geesteswetenschappen in de loop van de twintigste eeuw zouden schokken en veranderen.

Lees verder >>

Alsnog

Door Marc van Oostendorp

Om de Nederlandse taal te kunnen bijhouden in haar voortdurende onstuimige ontwikkeling, moet een geleerde heden ten dage Facebook lezen. Wat mij in ieder geval nog niet was opgevallen: dat jongeren alsnog op een andere manier gebruiken. Mijn Utrechtse collega Jacomine Nortier kwam er echter mee in haar laatste statusupdate:

Het valt mij bij het lezen van scripties en […] het praten met studenten op dat het woord alsnog onder die groep steeds vaker wordt gebruikt. De betekenis is uitgebreid naar toch. […] In alsnog zit iets temporeels, dacht ik, maar in de verander(en)de betekenis valt dat aspect weg.

Even zoeken op Twitter – je hebt Facebook voor de aanwijzingen en Twitter voor de gegevens – levert inderdaad meteen een hele lijst met vindplaatsen van alsnog op die mij vreemd in de oren klinken: Lees verder >>

Burushaski

Plotseling kwam het gesprek gisterenavond op de Russische wetenschap. De Leidse Indo-europeanist Sasha Lubotsky, zelf een Rus, vertelde dat Russische academici voor hun communicatie veel meer gebruik maken van het internet en sociale media dan Nederlanders. Waarom dat? Omdat ze de bestaande media niet vertrouwen! zei Lubotsky.

Maar wat valt er dan niet te vertrouwen aan de bestaande wetenschappelijke tijdschriften, vroeg iemand. Wat de macht van Poetin soms ook al doorgedrongen tot de Russische tegenhanger van Nederlandse Taalkunde?

Lees verder >>