Categorie: column

Linguïstisch Miniatuurtje CLXIII: Mensen moeten zich hier niet aan ergeren heb ik zoiets

Door Peter-Arno Coppen
 

Kenny B: “heb ik zoiets”

Ik ben een verklaard liefhebber van de constructie Ik heb zoiets van. Wat mij betreft is er geen mooiere aanwending van eenvoudige middelen om een subtiel communicatief resultaat te krijgen. De constructie bevat een aantal oeroude elementen die samen een betekenis creëren die aangeeft dat het navolgende citaat, of de navolgende uitspraak, iemands “innerlijke stem” representeert. Als je zegt Hij had zoiets van “Geef de appelmoes eens door,” dan heeft de persoon waarover je het hebt niet werkelijk gezegd “Geef de appelmoes eens door,” of zelfs maar een uitspraak gedaan die daarop lijkt. Nee, je geeft daarmee aan dat je uit allerlei signalen opmaakt dat hij graag wil dat de appelmoes doorgegeven wordt. Ook als je zegt Ik had zoiets van “Geef de appelmoes eens door,” dan rapporteer je je eigen innerlijke stem. Het is subtiel anders dan Ik dacht: “Geef de appelmoes eens door.” De constructie met ik had zoiets van impliceert dat je in je gedragingen wel iets laat merken, wat bij ik dacht niet noodzakelijk het geval is.

Als liefhebber word ik zelden verrast door een nieuwe gebruikswijze van Ik heb zoiets van. Maar gisteren overkwam me dat toch, toen ik luisterde naar een interview met de bekende zanger Kenny B.
Lees verder >>

Hoe kan de Nederlandse taal aangepast worden aan de hedendaagse gender-realiteit?

Onverwachte taalvragen in de Nationale Wetenschapsagenda (1)

Door Marc van Oostendorp

In deze zomerserie ga ik in op voor taalkundigen onverwachte vragen die ‘het publiek’ gesteld heeft aan de Nationale Wetenschapsagenda. Een van de ideeën achter die agenda is dat de wetenschap onverwachte vragen uit het publiek krijgt aangereikt. Vervolgens zijn wetenschappers zelf ook en masse vragen gaan indienen omdat ze het idee hadden dat minstens een deel van de onderzoeksgelden weleens naar de vragen van de wetenschapsagenda zijn gegaan. Ik vermoed dat die vragen uiteindelijk ook de meeste kans hebben, maar ik wil me nu richten op de onverwachtere vragen.

Waarom zal de taalwetenschap bijvoorbeeld vermoedelijk niets doen met de volgende vraag? Hij snijdt een maatschappelijk probleem aan dat te maken heeft met taal, dat mogelijk alleen kan worden opgelost door iets te doen met de taal en dat daarom niet door enige andere wetenschapper zal worden aangepakt:

Berbice Dutch stervende, maar in leven

Vorig jaar augustus vond er op Aruba een prachtige bijeenkomst plaats. De Society for Caribbean Linguistics, de Society for Pidgin and Creole Linguistics en de Associação de Crioulos de Base Lexical Portuguesa e Espanhola confereerden samen over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek naar contacttalen.

Al aan het begin van de week sprak ik Ian Robertson. Deze Guyanese creolist, werkzaam aan de University of the West Indies op Trinidad, is de persoon die in oktober 1975 maar liefst twee aan het Nederlands gerelateerde talen heeft teruggevonden. ‘Ontdekt’ is een beetje een gek woord in deze context, al krijg je wel een licht Indiana Jones-gevoel als je hoort wat er precies gebeurd is.

De volgordelijkheid der dingen

Door Marc van Oostendorp

Er zijn mensen die een enorme hekel hebben aan vergaderingen, maar ik vind dat je er altijd wat van opsteekt. Gisteren, bijvoorbeeld, mocht ik urenlang luisteren naar een bestuurder die het ene achtervoegsel aan het andere hechtte en zo uiteindelijk kwam tot het woord volgordelijkheid.

Je kunt zo iemand natuurlijk verfoeien: waarom niet volgorde gezegd? Dat is toch veel korter? Blijkt hieruit niet de taalonmacht der vergaderende kaste?

Maar dat klopt toch ook niet helemaal. Dat blijkt bijvoorbeeld uit ordelijkheid.
Lees verder >>

De Indo-Europeanen hebben nooit bestaan

Die Indo-Europeanen waarover je vroeger zoveel hoorde, bestaan die eigenlijk nog wel? Niet volgens een dik boek van de archeoloog Jean-Paul Demoule dat de afgelopen weken furore maakte in Frankrijk.

Het leek mij altijd de grootste ontdekking van de taalwetenschap van de afgelopen eeuwen: dat de meeste talen uit Europa en Azië familie zijn van elkaar, en uiteindelijk afstammen van dezelfde taal, het Indo-Europees, die misschien in de Caucasus gesproken werd, of in het zuiden van Turkije. Vandaaruit zijn ze ooit, duizenden jaren geleden allerlei richtingen op getrokken en hebben de grondslag gelegd voor het Hindi, het Nederlands, het Bulgaars, het Galicisch en allerlei andere talen.

Maar waar zijn die Indo-Europeanen dan gebleven? vraagt Demoule. Er zijn geen archeologische bewijzen voor een verovering door een volk van zulke grote delen van Europa. Nergens is een spoor te vinden van de Het is onduidelijk waar ze eigenlijk vandaan zouden zijn gekomen: daar zijn allemaal theorieën over (Scandinavië, de Caucasus, Zuid-Turkije) maar die zijn geen van allen erg aannemelijk. We hebben als enige bewijs van hun bestaan het feit dat de Indo-Europese talen zoveel op elkaar lijken. En dat zou ook op een andere manier verklaard kunnen worden.

Lees verder >>

Mijn 1001e ochtend

Door Marc van Oostendorp

Het was mijn plan om duizend-en-een stukjes op Neder-L te schrijven: de Sheherazade van de neerlandistiek worden!

Dat doel is met dit stukje bereikt. Wat nu?

Een weblogger is een straatmuzikant. Je zit ergens op de hoek van een straat te spelen, de hele tijd komen mensen voorbij die niet om jou gevraagd hebben, die al dan niet kennisnemen van wat je doet, en die weer doorlopen. Soms begint er een puistige puber op zijn manier mee te fluiten, soms klapt een oude, wat verwarde, heer beleefd in zijn handen; meestal sta je te toeteren voor een hoed waar je zelf maar wat munten in hebt gegooid.

Maar de overeenkomst is vooral: je staat permanent op straat te kijk.
Lees verder >>

De innerlijke stem…

Door Marc van Oostendorp

Als ik wat mensen onder de hersenscanner zou mogen leggen, dan zou ik geloof ik proberen uit te vinden hoe het zit met de innerlijke stem. Hoe vaak klinkt hij in een mensenhoofd? En vooral: hoe?

We weten inmiddels iets over de innerlijke stem tijdens het lezen, bijvoorbeeld uit Amerikaans onderzoek van een paar jaar geleden. Bij lezen is het natuurlijk het makkelijkst te onderzoeken: je weet welke zin er iemands hoofd binnenkomt en dus waar je naar moet zoeken. Dan blijkt dat tijdens het lezen inderdaad een specifiek hersengebied actief wordt: het gebied dat bedoeld is voor de verwerking van geluid, en nog specifieker dat van spraakgeluid.

Het is natuurlijk heel fijn dat we dat nu alvast weten, maar ik zou verder willen gaan.
Lees verder >>

Vroeger spraken wij Latijn voor in de mond

Door Marc van Oostendorp

In de vroege middeleeuwen moet een grote groep mensen in het westen van ons taalgebied een (verbasterde) vorm van Latijn hebben gesproken. Dat beweert in ieder geval de Utrechtse hoogleraar Peter Schrijver in een nieuw boek. Pas toen daar in de loop van de tijd de stam van de Franken steeds machtiger werd, schakelden die mensen over op de taal van de machthebbers – en legden zo, omdat de westelijke dialecten heel belangrijk werden, de basis van het Nederlands. Met enige overdrijving kun je dus zeggen: het Nederlands is Germaans in Latijnse mond.

Schrijvers argumentatie is gebaseerd op een nauwkeurige vergelijking van de Nederlandse dialecten en hun Waalse tegenhangers net over de taalgrens. Die lijken volgens Schrijver meer op elkaar dan toevallig kan zijn. De talen moeten elkaar over en weer beïnvloed hebben – en dat diepgaander dan dat men aan weerszijden van de taalgrens eens wat van elkaar heeft overgenomen. De aanwijzingen zijn dat mensen hier vanuit hun Romaanse moedertaal dingen hebben meegenomen naar het Nederlands dialecten.

Een belangrijke stap in de argumentatie spelen woorden als step, zeug en vul.
Lees verder >>

Column 99: Occasio of Fortuna?

Door Willem Kuiper

Onlangs heeft u in Neder-L een even enthousiaste als welwillende recensie kunnen lezen van Kennis in beeld van de hand van Ine Kiekens. Toen dat boek nog op de tekentafel stond, zou ik daaraan meewerken. Maar ik werd ziek en kon mijn afspraak niet nakomen. Gelukkig won de medische wetenschap het van mijn ziekte, en duurde het productieproces van het boek zo lang dat ik, nog maar net hersteld van mijn behandeling, alsnog mijn bijdrage kon leveren: ‘Luna en Fortuna’.
Eigenlijk had ik iets anders in dat boek willen publiceren: een exegese van de satirische voorstelling die deze miniatuur m.i. verbeeldde.

De Maan in De natuurkunde van het geheelal, Utrecht, 1465-1470.
Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, Cod. Guelf. 18.2 Aug. 4°,
fol. 123r. Copyright: Herzog August Bibliothek,Wolfenbüttel.

Het rad van fortuin wordt immers niet door mensen bevolkt, maar door dieren, en Fortuna draait niet zélf aan het rad, maar het wordt voortbewogen door een ezel die daarin loopt als ware het rad een tredmolen. Zo te zien voert zij de ezel aan een touw mee.
Ik moest denken aan de vroeg veertiende-eeuwse Roman de Fauvel, een ‘musical’ die naar men denkt als vorstenspiegel geschreven werd voor de Franse koning Philips de Schone (1268-1314), en probeerde de dieren op het rad in te passen in de hoofdzonden die de naam van de roodharige ezel spellen: Flatterie, Avarice, Vilenie, Variété, Envie en Lâcheté. Maar daar dachten de kunsthistorica’s die mijn tekst redigeerden, heel anders over. Niet het woord maar het beeld stond centraal in dit boek. Mijn bijdrage moest worden ingepast in het grotere geheel van Kennis in beeld. En zo geschiedde.
Maar bij alle verschil van mening, over één ding waren wij het allen roerend met elkaar eens: de vrouw op de miniatuur was een voorstelling van ‘Fortuna’. Nooit heeft iemand een vinger opgestoken en gezegd: “Maar is dat wel Fortuna?”

Lees verder >>

Zo’n grote fles bier

Door Marc van Oostendorp

Langzaam ontdekken de taalkundigen hun lichaam. Het is een langdurig proces: net als iedereen in de westerse cultuur – en vermoedelijk ook bijvoorbeeld de Chinese of de Japanse – zijn we geneigd om aan taal te denken als een rij letters op een blad papier of een beeldscherm. Terwijl de meeste taal natuurlijk gesproken wordt en vluchtig is als lachgas.

Dat je tijdens het spreken met je handen beweegt, daar hoor je taalkundigen bijvoorbeeld pas zeer kort over. Terwijl het van alles kan betekenen.

Deze week verscheen bijvoorbeeld op het internet een heel kort artikeltje over het gebaar dat je met je handen maakt om aan te geven dat iets heel groot is, of juist heel klein. Wat voegt zo’n gebaar toe aan de betekenis van de zin?

Lees verder >>

Poffertjes bij Arnon Grunberg

Door Marc van Oostendorp

In de mooie, deze maand verschenen Italiaanse vertaling van Arnon Grunbergs roman Huid en haar blijft één Nederlands woord onvertaald: poffertjes. Dat zegt heel veel over dat boek, en over Grunberg, en over de Nederlandse cultuur.

Eten maken – samen eten maken, eten maken voor iemand anders, samen eten maken voor iemand anders – speelt een belangrijke rol in Grunbergs roman, zoals de Leidse hoogleraar Yra van Dijk vorig jaar al liet zien. Ik geloof trouwens dat het niet alleen voor dit boek geldt, in vrijwel heel het werk is een aandacht voor eten en eten maken die je on-Nederlands zou kunnen noemen – misschien zelfs wel een internationaal elementje in het werk.

Die poffertjes zijn tegelijk natuurlijk Nederlands tot en met.

Lees verder >>

Toch weer problemen bij het eindexamen Nederlands

Door Marc van Oostendorp

 
Ergens, hoog in een ivoren toren, zit het College voor Examens, de instelling die in Nederland verantwoordelijk is voor de centrale eindexamens. Wie het waagt om kritiek op die instelling te hebben, wordt arrogant en met minachting toegesproken. De zogeheten vakdeskundigen van die commissie weten alles beter, en zien neer op hun collega’s en op de schrijvers van de stukken over wie ze vragen stellen.

Ik dacht: ik ga me dit jaar niet met het eindexamen Nederlands bemoeien. Dat eindexamen deugt volgens mij en een groot aantal hoogleraren Nederlands om een aantal redenen niet – het toetst vooral hoe goed je eindexamen Nederlands kunt doen, en daarbij komt nauwelijks enige kennis kijken die je buiten de muren van het eindexamenlokaal kunt gebruiken –, maar volgend jaar komt er een nieuw eindexamen. Dat wachten we maar even af. Dacht ik.
Lees verder >>

De wereld zou nog best wat filologie kunnen gebruiken

Door Marc van Oostendorp

 

De Westerse geesteswetenschappen begonnen allemaal met verbazing over hoe verschillend de mensen zijn. De Grieken hadden twee boeken die ze enorm bewonderden en dagelijks lazen, de Ilias en de Odyssee. Die waren echter in een wonderlijke mengeling van Griekse dialecten geschreven – een mengeling die, net als de inhoud van de boeken, bovendien in de loop der eeuwen natuurlijk steeds ouderwetser werd. De Romeinen werden machtig in het rijk waarin minstens één andere taal en cultuur een belangrijke rol speelde: de Griekse, en ze moesten dus een manier vinden om met al die verschillende soorten Grieks die je alleen al in Homeros vond om te gaan, én een manier om de verschillen tussen het Latijn en het Grieks te begrijpen.

In zijn boek Philology. The forgotten origins of the humanities laat de Amerikaanse historicus James Turner zien hoe de filologie ontstond uit verbazing over die variatie, en pogingen om dat andere begrijpelijk maken, en hoe de traditionele geesteswetenschappen – taalkunde, letterkunde, geschiedenis – uit die filologie ontstonden.

De verandering van filologie van één taal naar filologie van meer talen werd in de Renaissance nog eens overgedaan.
Lees verder >>

Nu ga ik een ijsje voor je kopen

Zullen en gaan in het werk van Lieke Marsman

Door Marc van Oostendorp


Een jaar geleden dacht ik na over het werkwoord gaan; dat je best kunt zeggen ‘het gaat regenen’ terwijl de druppels al vallen, zolang dat maar de eerste druppels zijn. En ‘ik ga dit boek lezen!’ als je de eerste bladzijden tot je genomen hebt – zolang die eerste bladzijden alleen maar op proef waren. Dat is anders dan ‘ik zal dat boek lezen’: dan heb je echt nog geen letter gelezen.

Inmiddels is er ook een dichtbundel van, en die laat zien dat er nog meer aan de hand is. De jonge dichteres Lieke Marsman gebruikt de constructie in een paar van haar gedichten uit haar onlangs verschenen bundel De eerste letter. Bijvoorbeeld in het gedicht Ruimte:

nu ga ik een ijsje voor je kopen
en moet je met me meelopen naar mijn huis
nu gaan we samen een volkstuintje beginnen
nu gaan we zeshonderd kilometer reizen
(…)

en dan gaan we nu luisteren naar de koperblazers
(intrat koperblazers)
en dan ga je nu mijn hand vasthouden omdat je doorhebt
dat ik banger ben dan ik beweer

Lees verder >>

De geboorte van de jambe

Door Marc van Oostendorp


Het sonnet was het weblog van de zestiende en de zeventiende eeuw. Ineens kwam er een geheel nieuw genre op, en jonge mannen en vrouwen konden er mee experimenteren, om die buitenlandse vorm in te passen in de eigen cultuur en aan te passen aan de eigen taal.

Ik schreef een paar maanden geleden over de manier waarop Roemer Visscher het aanpakte: hij maakte sonnetten met de oude ritmes die dichters in de lage landen eeuwenlang hadden gebruikt.

Dat maakte hem niet populair. De jeugd had behoefte aan iets anders, iets beters, iets nieuws: imitatie van de Grieken en de Romeinen! Zoals de klassieke dichters dichtten, zo wilden zij het eigenlijk ook.
Lees verder >>

Hoe ik een dialoog leerde schrijven

Door Marc van Oostendorp


Hoe gaat het inmiddels met mijn goede voornemens? Ik ging toch beter leren schrijven dit jaar? Waarom merken jullie daar dan zo weinig van?

Het kwam, mijn leraar is Ilja Pfeijffer is veel te aardig voor mijn medecursist die haar opdrachten steeds veel te laat inlevert. Affijn, ik heb dus sinds de vorige keer ook heel lang moeten wachten, maar inmiddels ben ik toch echt wel een stapje verder. Want inmiddels kan ik ook een dialoog schrijven, waar je bij staat.

De tweede opdracht luidde:
Lees verder >>

Voer voor volkstaalkundigen

Door Marc van Oostendorp

Er zijn in Nederland jammer genoeg geen beoefenaren van de folk linguistics. Dat (volkstaalkunde) is, net als folk physics of folk biology, een tak van de psychologie. In de eerste twee vakken bestudeer je de intuïtieve ideeën die mensen in het dagelijks leven blijken te hebben over de natuur: dat mijn glas melk op de grond valt als ik hem loslaat, dat de zon ’s ochtends opkomt, dat de muis de kater niet zal opeten.

Ieder mens heeft een heleboel ‘kennis’ over de wereld om hem heen. Ik schrijf dat ‘kennis’ nu met aanhalingstekens omdat deze soms in tegenspraak is met wat de wetenschap inmiddels heeft achterhaald. Toch blijft ook de knapste astronoom op een bepaalde manier ‘weten’ dat de zon in het oosten opkomt: je kunt theoretisch hebben vastgesteld dat het anders is, gevoelsmatig blijft de zon draaien en niet de aarde.

Zo is het ook met taal – een trouwer metgezel van de mens dan het paard en de hond, een grotere bron van dagelijkse verwondering dan de flonkerende sterren of het groeien van de olijfbomen.
Lees verder >>

Dirk van Bastelaere tegen Belgische Dichter des Vaderlands

Vlaams Belang voor Dirk van Bastelaere

door Bart FM Droog
© foto’s Bert Bevers

Op 17 januari 2014 publiceerde essayist Dirk van Bastelaere in dagblad De Standaard het artikel ‘De Vaderlandse dichter als splijtzwam’ – dit kort na de bekendmaking dat de Nederlandstalige Charles Ducal de eerste Belgische Dichter des Vaderlands wordt.

Voor wie het niet weet: Ducals ’s landsverzen worden ook in Franse en Duitse vertaling gepubliceerd. Over twee jaar zal Ducal zijn stokje overgeven aan een Waalse collega, wiens of wier verzen dan ook in Nederlandse en Duitse vertaling verschijnen. Na nog eens twee jaar zal dan een Duitstalige dichter de vaderlandsdichterlijke rol vervullen.

Van Bastelaere, die abusievelijk meent dat men in Nederland een Dichter des Vaderlands middels een volksraadpleging benoemt, stelt:

“Een zandzakje dat een gammele dijk moet versterken, dat is een ‘vaderlandertje’. (…) Samen met andere vaderlandertjes, vol geschoffeld door voetbalwereld, muziekindustrie en Open VLD, moet de nationale dichter de mensen achter de dijk inprenten dat ze meer delen dan het grondgebied alleen.” (…)

“Tweede vergissing is dat het om import uit Nederland gaat waar, anders dan in het politieke mijnenveld België, blijkbaar nog een vaderlandgevoel bloeit. Als wij al iets moeten importeren, dan misschien het idee van een poet laureate voor het hele Nederlandse taalgebied, los van onze aftandse koninkrijken.” (…)
Dirk van Bastelaere

Schrijfles van Pfeijffer: begin uw zinnen met ‘hoewel’

Het jaar van de stijl

Door Marc van Oostendorp

Beter leren schrijven – dat was mijn voornemen aan het begin van dit jaar. Dus meldde ik me bij mijn eerste privé-leraar: de gelauwerde Italiaans-Nederlandse schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Hij accepteerde me na enige onderhandelingen als leerling in een schriftelijke cursus die bestaat uit een aantal opdrachten die door de meester van commentaar worden voorzien. Er is ook een andere cursist die ik niet ken maar die volgens Pfeijffer “wel heel slim is”, en die dezelfde opdrachten uitvoert.

Op 8 januari kregen we ons eerste huiswerk:

Je eerste opdracht is om een grote kerststal te beschrijven. Je weet wel. Met honderden poppetjes in papier-maché-bergen die elektrisch zijn aangedreven. Kort. Een alinea. 100/200 woorden.

Lees verder >>

Hoe misdadig is zelfplagiaat?

Door Marc van Oostendorp

Je kunt zoals bekend van alles en nog wat tellen en meten, en zo kun je dus ook bepalen welke econoom op deze wereld de meeste pagina’s in tijdschriften heeft gepubliceerd en hoeveel pagina’s dat precies waren.

De antwoorden op deze prangende vragen blijken te zijn: Peter Nijkamp van de VU Amsterdam, met 5.398 pagina’s, verdeeld over 1000 artikelen (dat zijn dus niet zulke lange artikelen, maar dit terzijde).

Althans, er is nu enige verwarring over deze getallen. Zoals gisteren op de voorpagina van NRC Handelsblad stond, is Nijkamp de nieuwe grote boze wetenschappelijke wolf. De reden: hij heeft zelfplagiaat gepleegd.

Ik ben niet erg onder de indruk.
Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (41 en slot): [ʘ]

Door Marc van Oostendorp 

 [ʘ] De [ʘ] maak je door je lippen te tuiten, ze in het midden tegen elkaar aan te zuigen, en ze los te laten.

Die klank wordt doorgaans niet tot het Nederlands gerekend, al maken vrijwel alle Nederlandstaligen hem vermoedelijk wel af en toe (drie keer achter elkaar, wanneer ze elkaar begroeten), en wordt hij zelfs wel geschreven, namelijk als mensen onder een brief xxx schrijven.

Waarom hoort die klank dan toch niet tot het Nederlands?
Lees verder >>

Onderzoeker in de crisis

Door Marc van Oostendorp

We leven in een tijd van afbraak. Het is een rare zin om neer te schrijven, het klinkt zo pathetisch dat het moeilijk is om te geloven. Maar het is geloof ik wel waar. Waar je om je heen kijkt, wordt van alles en nog wat gesloopt. Vanwege de crisis, ja, en vanwege een weerzin tegen een heleboel monumenten die er staan.

Misschien is het omdat ik deze maanden in een wat andere omgeving ben – op de KB in Den Haag en het NIAS in Wassenaar – dat het me meer opvalt. Overal is de afbraak, maar je ziet hem minder makkelijk in je eigen omgeving. Maar misschien gaat het allemaal ook wel steeds sneller.

Lees verder >>

De ironische zachte g

Door Marc van Oostendorp

Jolanda Joppe, De zachte g

De afgelopen week viel het me ineens bij twee mensen op: een ironische zachte g. Iemand die verder met een harde g praat, zegt ineens één woord of woordgroep met een zachte.

Eerst was het een collega, een retoricus, die mij om een gunst kwam vragen.  Althans als ik de harde g even schrijf als /χ/ en de zachte als /ɣ/ (dat is niet precies, maar wel duidelijk), zei hij:

– Ma/χ/ ik jou om een /ɣ/unst vra/χ/en?

De collega is een Zuid-Hollander en heeft bij wijze van spreke nog nooit een voet gezet in Breda of Roermond. Hij nam een korte pauze voor de /ɣ/.
Lees verder >>

Hè hoort niet bij de Nederlandse taal

Maar wel bij de Nederlandse cultuur

Door Marc van Oostendorp

Is  een woord? Dat vraag ik me sinds gisterenmiddag ineens af. Ik was bij een bijeenkomst waar Engels werd gesproken en ook een paar Nederlanders aan het woord kwamen. Sommige van hen doorspekten hun lezingen, met Engels:

– If we do this, hè, we will not succeed.

De praatjes waren allemaal in grammaticaal correct Engels en je kunt je niet voorstellen dat een van de sprekers er ineens een echt Nederlands woord tussen zou hebben gegooid (If we do this, we will not slagen.) Bovendien, toen ik eraan terugdacht, herinnerde ik me veel meer Nederlanders die  zeggen als ze Engels praten. Zelfs andere tussenwerpsels zou je denk ik niet zo snel verwachten (If we do this, tjonge, we will not succeed.) Vandaar dat ik dacht dat voor die sprekers misschien wel geen woord is.

Maar wat is het dan wel?

Lees verder >>

Je tik ertegen en het zing

Rijmen zonder t

Door Marc van Oostendorp

De [t] is het wegwerpartikel onder de medeklinkers. Hij is zo goedkoop, zo makkelijk te maken, dat je hem als het nodig is, er makkelijk even tussen frommelt (gozert op een brommert), en zo weinig waard dat je hem makkelijk weglaat als hij niet nodig is (da is nie leuk). Voor andere medeklinkers geldt dat niet: niemand zegt gozerk, niemand laat de k aan het eind van leuk zomaar weg.

Ook de dichters voelen dat, bedacht ik gisteren. Er zijn dichters waarbij de woorden eigenlijk alleen rijmen als je de t’s niet meetelt. Gerrit Achterberg (1905-1962) was zo iemand:

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt
Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden, in ene teug.

Vleug en teug rijmen op heugt en deugt, zoals kijk rijmt op bereikt en later in het gedicht zingt rijmt op fluistering, zoals in een ander beroemd gedicht lig rijmt op dicht. En terwijl je in het eerste geval nog zou kunnen denken dat er iets Haags klinkt in het weglaten van die t (Katadreuffe die zijn doel bereik), gaat dat voor het tweede niet op. Dat heeft niets met Den Haag te maken. 

En Achterberg was niet de enige of de eerste. Een bekend lied van E.J. Potgieter (1808-1875, dus honderd jaar ouder dan Achterberg) begint met de regels:

Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,

Ook hier geldt weer: andere medeklinkers worden niet zo gemakkelijk weggelaten. Kijk rijmt niet op blij zoals het op bereikt rijmt.

Rijm lijkt een alledaags en simpel verschijnsel – iets wat Sinterklaas en de middenstand (een goede wenk, eet vis van Henk) zo uit hun mouw schudden. Maar het is in veel opzichten ook raadselachtig: hoezo moet alles vanaf de beklemtoonde klinker tot het eind van de regel hetzelfde zijn? En waarom mag de medeklinker die eraan voorafgaat dan juist weer niet hetzelfde zijn (waarom rijmt leiden niet op lijden?)

Juist de ‘slordige’ dichters zijn daarbij het interessantst. Alle dichters die nauwgezet de regels volgen lijken op elkaar, maar alle slordigheden roepen vragen op: waarom slordig op precies deze manier?

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuig raak dat in dat rijm een heleboel gevoel voor taal verborgen zit. Zoals het gevoel dat die [t] er nauwelijks toe doet. dat het de wegwerpklank is van het Nederlans.