Categorie: column

Column 91: het dieet van Karel de Grote

Vorige week woensdag, 30 januari 2013, presenteerde De Wereld Draait Door (DWDD) de herontdekking van een schild gesneden uit het gewei van een eland. Het curiosum was in 1952 door de Duits-Nederlandse bankier Mannheimer aan het Rijksmuseum cadeau gedaan, waar het sindsdien in de kelder bewaard werd. Aan het schild kleefde een verhaal: het zou afkomstig zijn uit de abdij van St. Arnould te Metz, waar Lodewijk de Vrome (778-840) begraven werd, de vierde zoon van Karel de Grote, die hem opvolgde als koning van Frankrijk. Blijkbaar werd dit verhaal destijds niet serieus genomen, want er werd niets mee gedaan. Ook was er geen ander, vergelijkbaar schild bekend. Men hield zelfs rekening met de mogelijkheid dat het om een vervalsing ging.
Lees verder >>

Verwantschapstermen in het Huizer dialect

door Viorica Van der Roest

Vorige week vertelde ik over dieren- en plantennamen in het Huizer dialect. Een andere interessante categorie woorden uit dit dialect wordt gevormd door de verwantschapstermen en de woorden voor man en vrouw. Een getrouwde man is in Huizen een ‘taatje’, en een getrouwde vrouw een ‘nenne’. Een tante is een ‘meutjen’ (maar een oom gewoon ‘oom’), een oudtante een ‘peutjen’, en grootvader en grootmoeder worden ‘ôta’ en ‘ôëtjen’ genoemd. Op het eerste gezicht een verzameling vreemde woorden, maar de meeste blijken wijdverbreid in Holland en zelfs (ver) daaromheen, zij het soms in een iets andere betekenis.

Om te beginnen ‘taatje’. Het WNT noemt ‘taat’, maar dan in de betekenis van grootvader. In een bijzonder boekje dat integraal herdrukt werd in TNTL 57 (in een artikel van G. Kloeke), staat een lange lijst met woorden uit het Haagse dialect van rond 1730. Hier betekende ‘taat’ blijkbaar vader. In TNTL 48 wordt, in een artikel van J.W. Muller, melding gemaakt van ‘teuta’ in de betekenis van vader. Ook al zo vroeg opgetekend, namelijk in het begin van de 17e eeuw, door de humanist Aernout van Buchel. Het woord heeft dus vooral vader betekend, maar heeft in Huizen blijkbaar gaandeweg de betekenis gekregen van getrouwde man . En het woord voor vader is in het Huizer dialect gewoon ‘vader’. Lees verder >>

De begintijd van internet is nu!

Opa, hoe zag het begin van het literaire internet eruit? Nou meisje, zoals het plaatje hierboven.

In 1994 ging de Digitale Stad Amsterdam van start, een initiatief dat het internet naar de Nederlandse (niet alleen de Amsterdamse) burger wilde brengen. In 1995 veranderde de Digitale Stad in een website, waar de metafoor van de stad verder werd uitgewerkt. Er kwamen pleinen voor allerlei thema’s, zoals gezondheid of nieuws, en zo was er ook een boekenplein. Zoals je kunt zien was er op zo’n plein ruimte voor een aantal huizen, waar geïnteresseerden — zowel bedrijven als particulieren — hun eigen website konden onderbrengen.

Het plaatje hierboven heb ik van de Facebook-pagina van Hans van der Kamp, de fotograaf en schrijver die het vakje van De Opkamer bezette, het eerste elektronische tijdschrift van Nederland.

Ik was zelf indertijd betrokken bij het Project Laurens Jz. Coster, waar vrijwilligers Nederlandse literatuur digitaliseerden, meestal door het over te tikken. Van der Kamp en ik waren dus buren op dat boekenplein en hoewel ik hem nooit ontmoet heb voelt het nog steeds zo, alsof we oude buren zijn. Tegenwoordig zijn we dus ook Facebook-vrienden.

Zoals dat op Facebook gaat, werd er wat gebabbeld over het plaatje. Iemand die toen voor De Digitale Stad werkte zei dat hij door nostalgie werd bevangen als hij dacht aan die begintijd, toen mensen met ‘naïef-kinderlijk enthousiasme’ probeerden wat ‘beschaving’ te brengen aan de ‘new frontier’.

Toen ik dat las, merkte ik dat de verleden tijd me bevreemdde. Volgens mij zijn we eigenlijk met het literaire internet helemaal niet zoveel verder dan toen. We zijn nog steeds pioniers, het is nog steeds de begintijd van het internet.

Natuurlijk, het Internet is gegroeid en de plaatjes hebben een hogere resolutie gekregen (al valt me tegelijk op hoe mooi die Digitale Stad eigenlijk was.) De taak van het Project Laurens Jz. Coster is grotendeels overgenomen door de veel professionelere Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.

Maar nog steeds weet niemand goed hoe je geld kunt verdienen met tijdschriften op het internet, of hoe een boekwinkel zich op internet moet presenteren (ik heb eerlijk gezegd geen idee hoe de website van Scheltema er indertijd uitzag) en nog steeds heeft De Groene de beste website van alle opinietijdschriften.

Nog steeds komen de échte leuke literaire activiteiten op het net van schrijvers en dichters die zonder al te veel ondersteuning hun eigen plekje op internet begonnen zijn. Nog steeds zijn vrijwilligers bezig om teksten te digitaliseren door ze over te typen (vooral Nicoline vam der Sijs is de laatste jaren actief geweest met het organiseren van dat werk).

Het leuke van het internet is nog steeds dat we niet weten waar het naartoe gaat. Het leuke is dat je nog steeds met nauwelijks enige investering en weinig moeite iets voor jezelf kunt beginnen, en dat dit een succes kan zijn. Het is allemaal nog maar net begonnen, er kan nog van alles gebeuren.

De taal van Youp van ’t Hek

Ik moet zo vreselijk lachen. Ruim vijfentwintig jaar schrijft de cabaretier Youp van ’t Hek al columns voor NRC Handelsblad. De krant stond er gisteren uitgebreid bij stil, met een viertal pagina’s waarin de columnist vrolijk onder meer zijn werkwijze uit de doeken deed. De columnist is belangrijk voor de krant, er schijnen veel mensen te zijn die hem op zaterdag kopen om zijn stukje te lezen. Zijn columnbundels zijn altijd beststellers.

Wat verklaart het succes van Van ’t Heks proza?

Lees verder >>

Ik, je en hij bij Gerrit Komrij

Door Marc van Oostendorp

Als ik jou was, en jij was een student letterkunde en die zocht een scriptieonderwerp, zou ik me buigen over Boemerang en andere gedichten, de postume bundel van Gerrit Komrij.

Het eerste gedicht is, heel onkarakteristiek, geschreven zonder hoofdletters en zonder punten. Het heet psalm en begint als volgt:

de avond vrees je en het grote krimpen
de dingen in de kamer hebben pijn
er lopen dwars door door je geraamte schimmen
en in de tuin dieren die angstig zijn

Lees verder >>

Geschiedenis van de woordfrequentie

Frequentie is in de taalwetenschap al een tijdje een toverwoord. Woorden die vaak voorkomen, die hoogfrequent zijn, zijn bijzonder. Ze zijn bijvoorbeeld gemiddeld korter dan laagfrequente woorden volgens een van de bekendste wetten van de taalwetenschap, de Wet van Zipf. Ook spreken sprekers dit soort woorden vaak wat achtelozer uit: omdat ze zo vaak voorkomen, voegen ze minder informatie toe. De luisteraar kan zelf wel min of meer raden dat je de zegt, of wil, en dus hoef je als spreker wat minder je best te doen om zo’n woord duidelijk uit te spreken.

Om dat soort verbanden goed te onderzoeken heb je natuurlijk een goede maat nodig. Wat is de precieze rangordening van Nederlandse woorden volgens hun frequentie? Dat is nog niet zo heel eenvoudig vast te stellen.
Lees verder >>

Het leven van een ploert

Door Marc van Oostendorp

Mijn collega-blogger hier op Neder-L, Gert de Jager, is de wandelende indolentie en een ploert en hij kan beter voor zijn tante een colibri gaan kopen. Hij heeft zich immers een paar weken geleden op dit weblog uitgesproken tegen de biografie.  “Met wetenschap heeft het niets te maken en met literatuur evenmin,” schrijft Gert. “Al die levens: ze zijn slaapverwekkend. ”

Nu heb ik net de biografie van Willem Kloos gelezen die Bart Slijper vorige maand publiceerde, waarin hij onder andere beschrijft hoe Kloos in een jarenlang aanhoudende bui van alcoholistische autodestructie al zijn collega’s ongenadig uitscheldt, aldus hun gezamelijke tijdschrift De nieuwe gids volkomen de vernieling inhelpend. Dat wilde ik, minus de alcohol, nu ook maar eens proberen.

Lees verder >>

De geheimen van de Leidse [ɻ]

Het is vandaag drie oktober, de dag van een groot volksfeest in Leiden.  In de stad zelf zeggen ze [dɻi ɔktoʷbəɻ], met een ‘Amerikaanse’ [ɻ] die je verder in geen enkel Nederlands dialect hoort, zeker niet voor een klinker (u kunt hem hier beluisteren).

Waar die [ɻ] vandaan komt, weet niemand. De Leidse taalgeleerde Hans Heestermans heeft wel geopperd dat het komt doordat in de 17e eeuw een groot aantal Vlaamse tekstielarbeiders naar de stad gekomen zijn – terwijl ze daarvoor een tijd in Engeland gewoond hadden. Maar bewijzen dat er in Engeland toen al zo’n uitspraak van [ɻ] bestond zijn er niet, en het is ook niet zo waarschijnlijk dat je binnen een paar jaar zo’n klank oppikt en die vervolgens naar elders meeneemt.

Lees verder >>

Hoe reëel is meer dan reëel?

Wat betekent reëel? Dat vroeg ik me gisterenavond ineens af toen ik een stukje van de historicus Han van der Horst las op het weblog Joop.nl. Daar stond:

Let wel: dat hoeft niet te gebeuren maar de kans dat het wel die kant op gaat, is meer dan reëel.

Die uitdrukking meer dan reëel moet ik al heel vaak hebben gehoord, hij klinkt me vertrouwd in de oren. Hij was me alleen nooit eerder als vreemd opgevallen. Het komt misschien vooral doordat in deze zin zo expliciet wordt gezegd dat de kans op een gebeurtenis meer dan reëel is en dat het toch niet hoeft te gebeuren, dat het me opviel.
Lees verder >>

Jac. van Ginneken: Jodenhaat of plagiaat?

Wanneer ik oud en der dagen zat ben, trek ik me terug en schrijf een biografie over Jac. van Ginneken S.J. (1877-1945), de kleurrijkste taalkundige die Nederland gekend heeft: iemand die in zijn tijd zo ongeveer alle vormen van taalwetenschap beoefende, vooral als ze nieuw en uitdagend waren – die fonetische experimenten uitvoerde door menselijke spraak met roetwalmen op papier vast te leggen, persoonlijk contact onderhield met de beroemdste geleerden uit zijn vak, maar er ook nog allerlei bizarre ideeën op nahield die geen van hen deelden, en die in zijn vrije tijd ook nog katholieke vrouwenverenigingen oprichtte. (Ik heb af en toe over hem geschreven; dit jaar nog in Onze Taal en in Neder-L.)

Nu verscheen vorige maand een proefschrift van Gerrold van der Stroom, een van de Van Ginneken-kenners die er in Nederland zijn. Het boek heet Jac. van Ginneken onder vuur. Over eigentijdse en naoorlogse kritiek op de taalkundige J.J.A. van Ginneken (1877-1945). 


De titel is dubbelzinnig. Volgens Van der Stroom heeft Van Ginneken na de oorlog om de verkeerde redenen ‘onder vuur’ gelegen.
Lees verder >>

Liever een business school dan Sanskriet in 1913

De beroemde Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure (1857-1913) zou het in onze tijd niet makkelijk hebben gehad: hij publiceerde de laatste dertig jaar van zijn leven maar heel sporadisch, en dan nog vooral korte artikeltjes in obscure feestbundels als een andere taalkundige jarig was, en had meestal niet meer dan een stuk of drie studenten in de collegezaal. Hij had het daarmee zwaar gekregen tijdens zijn functioneringsgesprekken.

De colleges over bijvoorbeeld vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap begonnen soms wel met twintig studenten, maar die jaagde Saussure allemaal weg met zijn eisen dat ze allemaal eigenlijk wel Grieks én Latijn én Sanskriet én Oudgermaans moesten kennen. Desalniettemin zou hij uitgroeien tot de vader van het structuralisme, een manier van denken die niet alleen de taalwetenschap maar zo’n beetje alle geesteswetenschappen in de loop van de twintigste eeuw zouden schokken en veranderen.

Lees verder >>

Alsnog

Om de Nederlandse taal te kunnen bijhouden in haar voortdurende onstuimige ontwikkeling, moet een geleerde heden ten dage Facebook lezen. Wat mij in ieder geval nog niet was opgevallen: dat jongeren alsnog op een andere manier gebruiken. Mijn Utrechtse collega Jacomine Nortier kwam er echter mee in haar laatste statusupdate:

Het valt mij bij het lezen van scripties en […] het praten met studenten op dat het woord ‘alsnog’ onder die groep steeds vaker wordt gebruikt. De betekenis is uitgebreid naar ‘toch’. […] In ‘alsnog’ zit iets temporeels, dacht ik, maar in de verander(en)de betekenis valt dat aspect weg.

Even zoeken op Twitter – je hebt Facebook voor de aanwijzingen en Twitter voor de gegevens – levert inderdaad meteen een hele lijst met vindplaatsen van alsnog op die mij vreemd in de oren klinken: Lees verder >>

Burushaski

Plotseling kwam het gesprek gisterenavond op de Russische wetenschap. De Leidse Indo-europeanist Sasha Lubotsky, zelf een Rus, vertelde dat Russische academici voor hun communicatie veel meer gebruik maken van het internet en sociale media dan Nederlanders. Waarom dat? Omdat ze de bestaande media niet vertrouwen! zei Lubotsky.

Maar wat valt er dan niet te vertrouwen aan de bestaande wetenschappelijke tijdschriften, vroeg iemand. Wat de macht van Poetin soms ook al doorgedrongen tot de Russische tegenhanger van Nederlandse Taalkunde?

Lees verder >>

Ouderwets en suf

Jongeren vinden het Nederlands ‘ouderwets’ en ‘suf’. Dat blijkt uit het gisteren gepresenteerde rapport Jongeren, de Nederlandse taal & participatie in opdracht van de Nederlandse Taalunie, waarin de resultaten staan van gesprekken met honderd jongeren uit Nederland, België, Suriname en Aruba in de afgelopen drie maanden. Hoe nuttig vinden zij het Nederlands? Hoe moeilijk? Houden ze van lezen? Of van woordgrapjes? Hoeveel waarde hechten zij aan correctheid?

Uit het rapport komt een interessant beeld naar voren. Lees verder >>

De koning van Frankrijk onderzoeken

De filosoof Bertrand Russell (1872-1970) dacht zo’n honderd jaar geleden jarenlang na over een zin, maar had misschien niet voorzien dat er aan het begin van deze eeuw nog steeds over zou word nagedacht. Toch zag ik onlangs op een congres een presentatie van twee Hongaarse collega’s die er helemaal gewijd aan was en waar ik sindsdien over nadenk:

– De huidige koning van Frankrijk is kaal.

De vraag is: is deze zin nu waar of onwaar? Hij kan niet waar zijn, want er is nu eenmaal geen koning van Frankrijk. Maar als een zin onwaar is, verwacht je dat de ontkenning van die zin waar is (De huidige koning van Frankrijk is niet kaal), maar ook dat lijkt niet juist.

Russell dacht dat iedere zin waar of onwaar moet zijn, en probeerde daarom te bewijzen dat alle zinnen over de Franse koning onwaar zijn, omdat ze niet met de werkelijkheid corresponderen. Latere denkers vonden dat het beter is om verschil te maken tussen Russells zin en écht onware zinnen, zoals De koningin van Nederland is kaal. Russels zin is waar noch onwaar.

De volgende stap was dat bleek dat niet iedere zin over de koning dat ongemakkelijke gevoel geeft halverwege de waarheid te zitten. Sommige zijn veel duidelijker onwaar:

– De huidige koning van Frankrijk zit op deze stoel in de hoek van de kamer.
– De huidige koning van Frankrijk is deze week op staatsbezoek in Australië geweest.

Waarom is bijvoorbeeld die laatste zin nu duidelijker onwaar dan die van Russell, zelfs als je toevallig niet het staatsbezoekenschema van Australië in je hoofd hebt zitten? Volgens de filosofen had het er iets mee te maken dat we in deze zinnen een apart zelfstandig naamwoord hebben dat een welomschreven object in de echte wereld aanduidt (deze stoel, staatsbezoek in Australië deze week), aan de hand waarvan je de waarheid van de zin kunt controleren. Zelfs als je niet precies weet wie er allemaal ‘down under’ geweest is, kun je het uitzoeken en je weet dan eigenlijk wel zeker dat die koning daar niet bij was. De Russel-zin zegt alleen iets over iemand die niet bestaat, de andere zinnen ook over dingen die makkelijk te controleren zijn. Daarom horen die laatste zinnen meer tot ‘onze wereld’ en geven ze een duidelijker gevoel van onwaarheid.

Hopeloze filosofische haarkloverij? In de tijd van Russell zou je dat misschien kunnen zeggen, maar in deze tijd, waarin het steeds belangrijker wordt dat computers ook mensentaal begrijpen (bijvoorbeeld om razendsnel en met enig begrip voor ons in teksten te zoeken en zin en onzin te onderscheiden) kun je dat eigenlijk niet meer zeggen.

Alleen volstaat dan de methode niet meer die de filosofen sinds Russell gebruikten: ze bedachten een zin en gingen bij hun eigen gevoel te rade of hij nu wel of niet waar kon worden genoemd. Mijn Hongaarse collega’s hadden daarom in een experiment een groot aantal beweringen over de Franse koning voorgelegd aan gewone (Engelse) taalgebruikers. Hoewel de verschillen heel subtiel zijn, bleken de gevoelens van die proefpersonen zeer nauw aan te sluiten bij die van de filosofen. Ze bleken zelfs nog wat subtieler: er bleek een verschil te ontstaan tussen de volgende twee zinnnen:

– Over Sarkozy gesproken, de huidige koning van Frankrijk kwam onlangs bij hem eten.
– Over de huidige koning van Frankrijk gesproken, Sarkozy kwam onlangs bij hem eten.

De eerste zin is onwaarder dan de tweede; de tweede is ongemakkelijker dan de eerste. Dat klopt met wat de filosofen bedachten: de eerste zin gaat echt over Sarkozy en kan dus getoetst worden, met de tweede betreden we onmiddellijk het domein van de fantasie en is ‘waar’ of ‘onwaar’ niet meer van toepassing.

Roetstrookjes

Voor het meinummer van Onze Taal heb ik een artikel geschreven over Jac. van Ginneken (1877-1945), de kleurrijkste Nederlandse taalwetenschapper ooit. Ik heb vaker over Van Ginneken gepubliceerd, bijvoorbeeld in het boek Fonologie. Uitnodiging tot de klankleer van het Nederlands dat ik in 2002 samen met Jan Kooij publiceerde (dat stukje staat hier).

Maar ik ben nog lang niet klaar met oom Jac. Lees verder >>

Of het nou hij is.

Waarom zijn Litouwers Europees kampioen doorfluisteren? En hebben Italianen zoveel woorden om vrouwen te verkleinen, liefkozen en minachten? Hoe zet je een nies op papier? Het zijn maar een paar van de vele, vele vragen die Gaston Dorren beantwoordt in zijn verukkelijke boek Taaltoerisme. Feiten en verhalen over 53 Europese talen.

Het is een vrolijk boek geworden, in zekere zin vooral een verzameling columns van iemand die verzot is op taal en op talen (of twee iemanden, want de Leidse taalkundige Jenny Audring heeft ook een paar hoofdstukken geschreven), een boek dat je cadeau kunt doen aan mensen die ook zo verzot zijn. Of beter: aan mensen van wie je hoopt dat ze zo verzot worden, want dat wordt een mens zeker door de aanstekelijke stijl van dit boek.

Lees verder >>

De nalatenschap van Harmen Siezen

Door Marc van Oostendorp

Toen enkele weken geleden bekend werd dat het journaal voortaan ‘richting spreektaal’ zou ‘opschuiven’, bleef het opvallend stil in Nederland. Terwijl dit misschien weleens een van de belangrijkste taalgebeurtenissen van 2012 zal blijken te zijn, een teken van een ingrijpende, langdurige verandering van onze opvatting over taal. Jan Kuitenbrouwer mopperde in de NRC, maar dat ging uiteindelijk meer over het beleid van de publieke omroep. Taalschrift, het elektronische tijdschrift van de Taalunie, plaatste gisteren een schreeuwerig stukje van de Vlaamse columnist Patrick De Witte, dat vooral opvalt door het volstrekte gebrek aan argumenten en de voorkeur voor bizarre beeldspraak. Maar serieuze aandacht voor de kwestie is er bij mijn weten tot nu toe niet geweest. Lees verder >>

Wiki-vertaling

Af en toe was de bas gisteren wat opstandig, bij de wereldpremière van de Nederlandse vertaling van Bachs Johannespassie in het Concertgebouw in Amsterdam. Waar bijna iedereen zich aan de tekst uit het boekje hield, week Joost Schouten, want zo heette de bas, af en toe af van de tekst waar de dirigent, Marcel den Dulk, naar eigen zeggen tien jaar aan had gewerkt. Dat gezwoeg had aria’s opgeleverd als de volgende: Lees verder >>

Argumentum ad phantasmam

Soms komt er opeens uit het niets een geheel nieuw soort onzinnig argument bij.

Drogredenen – argumenten die in een discussie naar voren worden gebracht zonder dat ze de stelling van de spreker ondersteunen – bestaan al sinds onheugelijke tijden. Er zijn ook hele lijsten van met indrukwekkende, vaak Latijnse namen: het argumentum ad hominem (jij zegt het en jij bent een leugenaar, dus is het onwaar), het argumentum ad autoritatem (ik zeg het en ik ben de baas, dus is het waar) en het post hoc ergo propter hoc (A gebeurde na B, dus is B de oorzaak van A), enzovoort.

Je zou denken dat er niets meer aan zo’n klassieke lijst kan worden toegevoegd, maar soms komt er toch ineens weer een drogreden bij die zo absurd is dat hij de tegenstander alleen al daarom alle argumenten uit handen slaat.

NRC Handelsblad presenteerde gisteren een gloednieuwe drogreden, het spookargument (argumentum ad phantasmam). Het gaat hier om een variant van het argumentum ad hominem met een interessante draai: omdat je niets weet over je tegenstander, bedenk je allerlei eigenschappen die deze zou kunnen hebben en die hem in dat geval verdacht zouden maken. Dat je die eigenschappen ter plekke verzint, daar maak je vooral geen geheim van.

Drie karakteristieken

Het argumentum ad phantasmam is een uitkomst voor iedere polemist die geen zin heeft om iets uit te zoeken. Je zegt bijvoorbeeld: ‘ja, maar ik denk dat je daarnet lelijk op de korrel bent genomen door een gnoe, dus kun je niet zo helder meer denken’. Of: ‘in mijn dromen maak jij deel uit van een wereldwijd complot van in een boerenkiel gehulde verkopers van ratelslangen’. Of: ‘ik heb zojuist bedacht dat jouw goeroe vanachter zijn morsige paarse baard jou de opdracht heeft gegeven de beschaving te vernietigen’.

Gerrit Komrij liet gisteren enkele voorbeelden zien van de nieuwe techniek in zijn column over Francisco van Jole. (Hier staat een reactie van Francisco van Jole op Komrijs stuk. ) Van Jole had Komrijs wrevel gewekt omdat hij het bestaan had om in een artikel op Joop.nl te beweren dat het papieren boek binnenkort zou verdwijnen ten gunste van het e-boek en dat hijzelf alvast tachtig procent van zijn boeken de deur had uitgedaan.

Als ik het goed zie, heeft Komrij twee argumenten tegen Van Jole en allebei zijn ze expliciet gebaseerd op gefantaseerde eigenschappen van zijn tegenstander. De eerste is dat Komrij vermoedt dat zijn tegenstander niet veel boeken leest:

Ik zou met gemak drie karakterschetsen van Francisco van Jole kunnen geven. Maar nooit, nee nooit heb ik hem geassocieerd met iets wat naar boeken zweemde of met enige liefde voor de literatuur. (…) Het wegdoen van een bibliotheek door iemand die duidelijk nooit iets van belang heeft gelezen (…) is een loos gebaar

Met andere woorden, alleen mensen die door Komrij ‘geassocieerd’ worden met ‘iets wat naar boeken zweemt’ hebben het recht zich te uiten over deze kwestie. Het argument is effectief omdat het een gelaagde drogreden is. In de eerste plaats zou het argument een argumentum ad hominem zijn om iemand buiten te sluiten omdat hij ‘duidelijk nooit iets van belang gelezen heeft’, maar in de tweede plaats wordt er geen enkele poging gedaan om dat laatste aan te tonen. Komrij denkt alleen maar dat het zo is. Misschien leest de internetjournalist in zijn vrije tijd wel iedere avond een smaakvolle dichtbundel, maar dat doet niet terzake. (Interessant is natuurlijk ook dat zinnetje over die ‘drie karakterschetsen’ dat verder volkomen in de lucht blijft hangen: waar zou Komrij die schetsen, ongetwijfeld alle drie volkomen verschillend, op baseren?)

Inwendig gelukspeil

Vervolgens dicht Komrij zijn tegenstander ook een oneigenlijk motief voor om zijn boeken naar de antiquaar te brengen. En ook dat motief is geheel en al verzonnen:

Hoe oud zou Francisco van Jole zijn? Er bestaan, gezien zijn indrukwekkende internetverleden, slechts twee mogelijkheden. Hij is op de leeftijd dat zijn vrouw al flink is veraardappeld of hij is op de leeftijd dat hij met een jongere meid heeft aangepapt. In het eerste geval is hij eindelijk gezwicht, moegebeukt door het huiselijk gezeur dat die boekvormige stofnesten de deur uit moeten. In het tweede geval heeft het jonge gansje in de Viva gelezen dat urenlang turen naar een witte wand leidt tot een drastische verhoging van haar inwendige gelukspeil. Wie is Francisco om zijn gansje een kale muur te misgunnen?

Met andere woorden: geen idee wat Van Joles privé-situatie is, maar het zal zijn vrouw wel zijn geweest (en een vriendin van Van Jole zal wel de Viva lezen). Ook daar geldt weer: zelfs al had Van Jole zich door zijn vrouw laten verleiden, dan was het nog irrelevant; maar het kan Komrij niet eens schelen of Van Jole een vrouw heeft.

Volgens Komrij is er sprake van een ‘oorlog van lezers tegen niet-lezers’. In die oorlog zijn kennelijk alle middelen geoorloofd — inclusief voor het gemak maar even aannemen dat je tegenstander wel een vriendin zal hebben die de Viva leest.

Er is enige discussie over deze column op de website De Contrabas.

Col: De ontdekking van de Limburgse korte i

Dit jaar was een klein beetje een Willy Dols-jaar. Dit jaar vierden we de honderdste geboortedag van deze Limburgse taalgeleerde, die zelf overigens maar 33 keer zijn verjaardag heeft mogen vieren voor hij in 1944 omkwam in een Duits kamp. Dols’ streekgenoot Lei Limpens publiceerde dit jaar een heel aardige biografie over Dols, die u overigens nog steeds kunt bestellen. Ik vatte dat in mijn eigen woorden samen in een artikel voor Onze Taal.

Deze week stuurde Limpens me op de valreep van het Dols-jaar nog een aardig nagekomen bericht: een onlangs teruggevonden brief die Dols in 1940 schreef aan de Leidse hoogleraar Nicolaas van Wijk. Met Limpens’ toestemming publiceer ik die brief nu als een pdf-bestand.

De Limburgse dialectologie is het onderzoeksgebied bij uitstek waar iedereen het permanent van harte met iedereen oneens is. Je bent geen goede kenner van het Limburgs als je niet denkt dat alle andere (‘zogenaamde’) kenners volstrekte idioten zijn. Het was dan voor mij ook even slikken om te merken dat ik het in de in deze brief aangeroerde kwestie volkomen met Dols eens ben.

Kort gezegd komt het op het volgende neer. Het standaard-Nederlands en de Nederlandse dialecten onderscheiden klinkers die ‘kort’ zijn van klinkers die ‘lang’ zijn. Je kunt dat onderscheid op twee manieren maken: door te meten hoeveel milliseconden de klinkers duren, of door te kijken naar in wat voor lettergrepen ze voorkomen. Korte klinkers kunnen door veel meer rijtjes medeklinkers gevolgd worden dan lange: je kunt wel arm, storm, kerm zeggen, maar geen aarm, stoorm, keerm.

Het gekke is dat die twee criteria niet altijd in overeenstemming zijn. Met name geldt dat voor zogenaamd ‘hoge’ klinkers zoals de ie. Als je die gaat meten is hij bijzonder kort, korter zelfs dan de juist genoemde ah, oh, eh; in het Limburgs bestaat er bovendien een lange versie van die ie-klinker. Tegelijkertijd kan die heel korte ie helemaal niet in zo’n ingewikkelde lettergreep staan.

In zijn brief schetst Dols een oplossing: de twee criteria gaan feitelijk over verschillende dingen. Je meet lengte, maar de mogelijkheid om er medeklinkers achter te plaatsen heeft te maken met iets wat Dols, in navolging van de invloedrijke structuralist Troebetskoj Silbenschnittkorrelation noemt. Precies diezelfde oplossing heb ik vijfenvijftig jaar later uitgewerkt in mijn proefschrift.

Ik ben het dus eens met een andere kenner van het Limburgs. Ik moet deze kerst maar eens goed nadenken wat er mis is met mij.

Pleidooi voor een jaarwisseling

Door Marc van Oostendorp

Wanneer wordt het eindelijk 2001? Wie de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren  bezoekt, en daar eind 2009 de ‘korte toelichting op de website’ naslaat, vindt daar onder andere de volgende tekst: “In de loop van 2001 zal in de dbnl een downloadfunctie beschikbaar komen. Teksten kunnen dan worden binnengehaald in verschillende bestandsformaten als HTML, ASCII en in een aantal gevallen ook als PDF. Op verzoek zal ook een SGML-file met bijbehorende DTD geleverd kunnen worden.”

Helaas is die functionaliteit nog niet voorhanden. Van sommige bestanden worden wel pdfs aangeboden, maar ik weet eigenlijk maar één manier om dat uit te vinden – door de uitgang .html te veranderen in .pdf en dan maar te hopen dat het goedkomt. Een standaardknop bij iedere pagina die pdf geeft, of ascii of ‘schone’ (opmaakvrije) html ontbreekt.

Feitelijk is aan de opmaak van de dbnl in de bijna tien jaar dat de site bestaat niets veranderd. De teksten worden nog steeds gepresenteerd op een manier die het moeilijk maakt om ze elektronisch te bewerken en te doorzoeken, of gebruik te maken van alle verrijking die er achter de schermen gedaan moet zijn. Voor allerlei vormen van wetenschappelijk onderzoek is de exclusieve vorm waarin de dbnl nu al die tijd haar rijkdommen aanbiedt, minder geschikt.

Ook om een en ander prettig te kunnen lezen, zou de redactie de bezoeker met wat eenvoudige handgrepen veel beter tegemoet kunnen komen. Sinds een paar weken heb ik nu een e-boekenlezer in huis, zo’n apparaat dat je in je zak kunt stoppen, waar je honderden boeken op kunt zetten die je vervolgens kunt lezen op een rustig beeldscherm – een schermpje dat geen licht uitstraalt zoals de beeldschermen van de computer, maar alleen licht reflecteert, zoals de bladzijden van een traditioneel boek.

Sinds ik dit apparaat heb, ben ik gaan geloven dat mijn boeken en tijdschriften over twintig jaar dezelfde weg op zullen gaan als mijn cd’s. Ik gebruik hooguit de exemplaren die ik toch al heb omdat ik er geen afstand van kan doen. De huidige leesapparaten zijn nog niet volmaakt – de resolutie is nog laag, de bediening primitief, en het scherm is nog te grijs – maar dat gaat vast veranderen. En nu al lees ik mijn krant en veel boeken het liefst van het scherm.

Het probleem is vooralsnog om aan voldoende materiaal te komen. Veel Nederlandse uitgevers verkopen inmiddels hun uitgaven ook in een elektronisch formaat, maar ze vragen daar veel geld voor: zo’n elektronisch boek kost maar een paar euro minder dan de papieren tegenhanger, en het voelt aan als groot onrecht om dat te betalen voor iets waarvoor opslag en distributie zoveel goedkoper zijn. Dus houd ik het vooral op oude boeken.

De dbnl heeft een mooie collectie, de zogenoemde basisbibliotheek, met 1000 boeken uit de afgelopen eeuw die volgens de redactie sleutelteksten zijn tot onze cultuurgeschiedenis. Al die boeken staan onder andere als pdf op de site, al kon ik ze alleen via de zojuist beschreven truc vinden. Nu zijn pdfs niet zo prettig voor een e-boekenlezer, omdat hun hele vormgeving al vaststaat: zo kun je niet zelf de lettergrootte bepalen (je kunt natuurlijk wel het plaatje van de pagina groter maken, maar er blijven evenveel woorden op een regel staan, zodat je bij grote letters heen en weer moet scrollen, en bij kleine letters de marges heel groot worden). Mijn boekenlezer is groot genoeg om de hele basisbibliotheek te bevatten, maar goed leesbaar zijn ze daarmee niet.

Het zou veel handiger zijn als de dbnl haar bestanden ook aanbood in een van de formaten die e-boekenlezers goed kunnen weergeven: epub, dat nu wordt gebruikt door de Nederlandse uitgevers, of eventueel de concurrent Mobipocket. Het grote internationale vrijwilligersarchief Gutenberg biedt allebei die bestandsformaten wel aan. Voor de dbnl moet het een fluitje van een cent zijn om al hun teksten automatisch om te zetten: epub en Mobipocket zijn allebei vormen van sgml, net als de moederbestanden van de dbnl.

Van een pdf kun je met gratis via internet verkrijgbare software ook automatisch e-boekbestanden maken, en dat heb ik met enkele tientallen titels uit de basisbibliotheek ook gedaan. Helaas komt er dan van allerlei overbodigs mee die de dbnl aan de pdf heeft toegevoegd: paginanummers en paginakopjes bijvoorbeeld. Het zou veel makkelijker zijn als je als gebruiker die omweg niet zou hoeven te kiezen.

Tien jaar geleden was de website van de dbnl prachtig – al liep hij ook op dat moment nog niet voorop in technologische verfijning. Inmiddels wordt het tijd dat er een modernere versie komt, een waarbij de gebruikers ofwel voor onderzoek ofwel om te kunnen lezen veel kalere versies van alle bestanden kunnen krijgen, waar de letters niet langer schreefloos zijn en wit op een donkerblauwe achtergrond, maar iedere zelfgekozen vorm en kleur kunnen hebben. De dbnl zou langzaam maar zeker de gratis bibliotheek van het Nederlands erfgoed kunnen worden – als het de stap naar 2001 zou durven zetten.

Hoe streektaalfunctionarissen alles kapot maken

Ziet er één kiezer nu al reikhalzend uit naar de provinciale verkiezingen op 7 maart om de bestuurders in de eigen provinciehoofdstad eindelijk uitbundig op de schouders te kunnen slaan vanwege het heilzame werk van de afgelopen vier jaar? Het is vast nuttige arbeid, gemeentebesturen coördineren en supervisie uitvoeren over de aanleg van provinciale wegen, maar warme gevoelens maakt het doorgaans niet los.

De provinciebesturen hebben er de afgelopen jaren een oplossing op gevonden: iedere provincie, zo lijkt het wel, heeft plots zijn eigen streektaal en zijn eigen streekcultuur. En een regio die een eigen taal heeft, zo’n regio moet volgens de geijkte negentiende-eeuwse formule van ‘één taal = één natie’ wel een eigen bestuur hebben. Dat bestuur moet dan wel iets doen ter bescherming van de eigen taal en cultuur, en dus zijn er de afgelopen jaren in alle provincies buiten de Randstad streektaalfunctionarissen aangesteld – mensen die rechtstreeks of iets minder rechtstreeks door de provincie worden betaald om activiteiten voor het dialect te ontplooien.

Voor zover ik het kan overzien, doen die streektaalfunctionarissen geen slecht werk. Ze helpen individuen en groepjes die dialectwoordenboeken maken of een dialectfestival willen organiseren, ze geven praatjes op de regionale radio, ze stellen lespakketten samen waarmee kinderen op school iets wordt geleerd over de geschiedenis en de achtergrond van hun dialect.

Misschien zijn er mensen die over dat soort werk hun schouders ophalen; maar zouden er ook mensen zijn die het schadelijk vinden?

Ja, zulke mensen zijn er. Dat blijkt uit het boekje Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland, dat Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard samenstelden naar aanleiding van de ‘eerste nationale streektaalconferentie’ die vorig jaar juni plaatshad in Maastricht. In het boekje komen allerlei mensen aan het woord die op de een of andere manier met het dialectbeleid te maken hebben: politici en wetenschappers, hoewel opvallend genoeg de streektaalfunctionarissen zwegen.

De interessantste bijdrage vind ik die van Koen Jaspaert en Sjaak Kroon, twee gevestigde sociolinguïstische onderzoekers die bovendien de afgelopen jaren een forse stempel hebben kunnen drukken op het streektaalbeleid in ons taalgebied – Jaspaert onder andere als Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie en Kroon onder andere als lid van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Ze zijn dus onderzoekers die hebben laten zien dat ze vuile handen durven maken in het beleid, en uit hun essay ‘Dialectbeleid: meer antwoorden dan vragen?’ blijkt dat ze niet bang waren om tijdens de streektaalconferentie op de tenen van de meeste aanwezigen te gaan staan. Verderop in de bundel staat een verslag van de discussie waaruit blijkt dat slechts één persoon het met Jaspaert en Kroon eens was.

Het is dan ook een prikkelend betoog dat de twee houden. Ze vinden streektaalbeleid niet alleen zinloos, ze betogen dat het zelfs kwaad doet. Ze nemen daarbij twee concrete beleidsinstrumenten in het visier: de instelling van streektaalfunctionarissen en het Europese Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden. Het laatste is een begin jaren negentig door de Nederlandse overheid getekend document. In eerste instantie werd het van toepassing verklaard op het Fries, inclusief een pakket aan maatregelen op het gebied van onder andere het onderwijs en de omroep. Na politieke druk werden twee streektalen – het Limburgs en het in de noordoostelijke provincies gesproken Nedersaksisch – op een wat lichtere manier erkend. Zonder het pakket aan overheidsmaatregelen en dus feitelijk op een nagenoeg symbolische wijze. Ook het Jiddisch en het Roma-Sinti zijn in die lichtere vorm erkend. Een aanvraag van de provincie Zeeland voor erkenning van het Zeeuws is enkele jaren geleden, na een negatief advies van de Nederlandse Taalunie, door minister Remkes van Binnenlandse Zaken afgewezen.

Waarom keren Jaspaert en Kroon zich tegen het streektaalbeleid? Samengevat beweren ze dat het niet nodig is en dat het zelfs verkeerd uit kan pakken. Het is niet nodig: aan de hand van cijfers laten de auteurs zien dat het met de Nederlandse dialecten helemaal niet per se rampzalig slecht gaat, en dat de erkenning en de aanstelling van streektaalfunctionarissen weinig meetbaar effect hebben gehad.

De schadelijkheid zit hen er volgens Jaspaert en Kroon in dat officiële erkenning en officieel beleid een wankel evenwicht in de relatie tussen standaardtaal en dialect kan verstoren. In een gezonde situatie gebruiken mensen de standaardtaal voor hun officiële en formele communicatie en het dialect in informele contacten. Allebei de talen hebben daarmee hun eigen waarde: ze laten elkaar ongemoeid. Wanneer we nu de streektaal een semi-officiële functie geven, haar gaan onderwijzen op de scholen, gebruiken in vergaderingen van de Gedeputeerde Staten of op straatnaambordjes schrijven, creëren we wel concurrentie en die verliest het dialect geheid. Bovendien creëren we zo ineens twee groepen dialectsprekers: zij die het ‘correcte’, ‘officiële’ dialect spreken, en zij die dat niet doen. Een maatregel die bedoeld is om discriminatie tegen te gaan, verkeert zo in zijn tegendeel.

Dat klinkt op het eerste gehoor redelijk, en toch klopt het niet. In de eerste plaats zijn de zorgen van Jaspaert en Kroon wel erg vanuit de studeerkamer geformuleerd. De erkenning voor het Nedersaksisch en het Limburgs is nu ongeveer een decennium een feit: zijn de door de geleerden gevreesde effecten ook opgetreden in die regio’s? Niemand heeft het onderzocht, maar ik durf te voorspellen dat dit niet het geval is. Dialectsprekers zijn hun Limburgs of Twents heus niet minder gezellig gaan vinden omdat het af en toe in een raadszaal gebruikt wordt, of omdat er boeken in geschreven worden. Van discriminatie van mensen die een ‘verkeerd’ dialect zouden spreken, heb ik ook nog nooit gehoord. Jaspaert en Kroon wijzen op de onverkwikkelijke discussie over wat ‘de regels van het Algemeen Geschreven Limburgs’ zijn, maar ze vergeten erop te wijzen dat die discussie gevoerd is door een zo marginaal groepje, dat zelfs de lezers van Lang leve de dialecten niet zullen weten over wie het gaat.

Geen enkel van de nare effecten van het streektaalbeleid heeft zich dus feitelijk voorgedaan. Daarbij komt dat Jaspaert en Kroon niet erg duidelijk maken waar ze precies de grens leggen. Volgens dezelfde redenering zou je het ook als een vergissing kunnen zien om het Fries te erkennen of te stimuleren: schadelijk voor de wendbaarheid voor het Fries! In het betoog zou je zelfs een argument kunnen vinden om de Nederlandse standaardtaal op te geven. We worden in bepaalde (internationale, formele) situaties toch al gedwongen om Engels te gebruiken – waarom zouden we het verschil in functie tussen de twee talen dan niet duidelijk markeren door het Nederlands – in de praktijk voor de meeste Nederlands de omgangstaal, omdat zij helemaal geen streektaal meer spreken – alleen nog informeel te gebruiken? Ik vermoed dat Jaspaert en Kroon niet zo ver zouden willen gaan; maar ik begrijp niet wat daarvoor de argumenten zijn.

De schadelijkheid van het streektaalbeleid lijkt me dus vooral theoretisch. Maar is het werk van die streektaalfunctionarissen en de erkenning van de streektalen dan niet toch in ieder geval zinloos? Ook dat geloof ik niet. In de praktijk zijn de Nederlandse streektaalfunctionarissen redelijke mensen die hun functie vooral gebruiken om hun provinciegenoten – dialectsprekers, schoolkinderen, bestuurders – te laten nadenken over taalvariatie. Ze nemen misverstanden weg, zoals dat je dom bent als je plat praat, ze geven inzicht in de microverschillen die zich in iedere regio voordoen, ze geven een inkijkje in de geschiedenis. Helaas zijn de meeste mensen op dit soort gebieden totaal onwetend, en het kan dan ook geen kwaad als er wat geld wordt gestoken in het kweken van wat meer kennis en begrip voor zoiets cruciaal menselijks als de taal – ook niet als politici dat doen uit oneigenlijke motieven.

Helaas bieden Jaspaert en Kroon geen alternatieven en het is ook moeilijk om te bedenken wat deze zouden moeten zijn. Als het gaat om regionale variatie, is de provincie misschien wel de meest aangewezen bestuurslaag om een en ander goed te regelen: dicht genoeg bij de inwoners om inzicht te kunnen bieden in de reikwijdte van de taalvariatie in het eigen gebied en groot genoeg om er ook iets aan te kunnen doen. Misschien moeten de provincies in de Randstad ook maar zo snel mogelijk een taalvariatiefunctionaris instellen. De bestuurder die dat voorstelt, ga ik op 7 maart uitbundig op de schouders slaan.

Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard. Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland. Maastricht: Uitgeverij TIC, 2006.

De tussen-n in het Concertgebouw

Door Marc van Oostendorp

Taalkundigen zijn lieden die groot belang hechten aan een correcte, uniforme en duidelijke spelling. Taalkundigen zijn lieden die de volgende vraag stellen: ‘Hoe moet een leerkracht straks in de klas de leerlingen motiveren voor goed spellen als het er allemaal niet meer toe doet?’ Taalkundigen zijn lieden die vinden dat het er ‘allemaal’ wel zeker toe doet, reken maar.

Dat is in ieder geval het beeld dat zes hoogleraren in de taalwetenschap gezamelijk schetsen in een artikeltje in het oktobernummer van Onze Taal – een artikel waarvan ik alleen kan hopen dat niemand die het leest, weet dat ik ook taalkundige ben. Jarenlang heb ik mijn vrienden en kennissen proberen uit te leggen dat taalkundigen géén schoolmeesters zijn, die zich ergeren aan iedere spelfout en die vinden dat correctheid ‘ertoe doet’. Ik heb ze geprobeerd wijs te maken dat wij een wetenschap bedrijven, dat we ons zo enthousiast storten op de talloze wonderen van de menselijke taal te bieden dat we geen tijd hebben voor muizenissen. En dat de spelling zo ongeveer het oninteressantste is dat er bestaat. Lees verder >>

Sluit de universiteiten

Door Marc van Oostendorp

Als ik een wens mocht doen, zou ik vragen dat de bureaucraten hun werk snel afmaakten en de universiteiten definitief afbraken en ontdeden van alles wat onderzoek en onderwijs prettig kan maken. Dat het eindelijk zo ver was dat er alléén nog beleidsmedewerkers en managers zouden zijn, elke dag van 9 tot 17:30 bezig met bedenken volgens wat voor criteria hun organisatie nu weer tot de internationale top behoort, en hoe de zaken nóg efficiënter gereorganiseerd kunnen worden. Het gaat er toch een keer van komen, dus waarom moet de marteling dan nog twintig, hooguit dertig jaar duren?

In de achttien jaar dat ik het universitair bedrijf min of meer van buiten beschouw — als student, aio, postdoc, collega-onderzoeker, maar zonder er ooit in vaste dienst te zijn geweest — is er sprake van bezuinigingen, reorganisaties, veranderingen in het studieprogramma, veranderingen in de organisatie van het onderzoek. Alleen al in ons hoekje van het wetenschappelijk bedrijf moeten er duizenden manjaren zijn heengegaan aan vergaderen over hoe alles strak gepland kan worden, zonder nodeloos tijdverlies. Ik heb heel goede mensen zien vertrekken van de universiteit omdat er geen werk voor ze was. Ik zie dat er nu weer uitstekende collega’s ontslagen dreigen te worden. Maar altijd gaat het in discussies over de vraag: waarom zij wel, en niet een andere onderzoeker, of een andere docent? Nooit over: waarom niet al die personen die zogenaamd het onderzoek ondersteunen, maar van wie iedereen weet dat ze alleen maar tot last zijn, dat ze nog nooit enig onderzoeker bureaucratisch werk uit handen hebben genomen, maar er in tegendeel voor zorgen dat er almaar meer formulieren moeten worden ingevuld, meer beleidsnota’s moeten worden geschreven, meer verantwoording moet worden afgelegd? Lees verder >>