Categorie: column

Churchill, Bep van Klaveren, en de pratende hond Bob

Uit de geluidsarchieven van het Meertens Instituut

Door Marc van Oostendorp

Publiek bij de erepromotie van Winston Churchill, 10 mei 1946.
Publiek bij de erepromotie van Winston Churchill, 10 mei 1946.

Kees Grijpink is vrijwel klaar met zijn levenswerk. In de afgelopen decennia heeft hij in de geluidsstudio van het Meertens Instituut met eindeloos geduld duizenden uren geluidsopnamen van allerlei geluidsdragers – wasrollen, banden, glasplaten, zwaar beschadigde LP’s – gedigitaliseerd.

Het is gelukkig dat Grijpink bijna klaar is want over niet al te veel tijd wil hij met pensioen. Bovendien gaat het Meertens Instituut later dit jaar verhuizen naar een pand waar geen ruimte meer is voor zo’n geavanceerde geluidsstudio. (De originele geluidsdragers worden overigens wel allemaal zorgvuldig bewaard.)

Hoe dan ook resulteerde Grijpinks werk onder andere in de Nederlandse Dialectenbank, waar heel veel opnamen in zijn opgenomen, maar ook in allerlei curiosa. Daarvan presenteert Neerlandistiek er vandaag een paar.

Lees verder >>

De tien keer honderd vaakst gebruikte woorden van de taal

Door Marc van Oostendorp

Wie alleen 'aangenaam' kan zeggen, komt al een heel eind.Wat woorden in de krant NRC Handelsblad van dit weekend zeggen helaas veel over hoe boeken nu worden gemaakt. In het boek Dingenuitlegger, legt Randall Munroe allerlei moeilijke zaken uit: hoe een camera werkt, of het lichaam van een mens. Speciaal daarbij is dat Munroe daarbij alleen de 10 keer 100 vaakst geschreven woorden van zijn taal gebruikt.

De krant schrijft ook over hoe dat van Randalls taal naar de onze is gegaan. “Er was helaas geen tijd om het boek op een zo nerdy mogelijke manier te vertalen,” wordt daar gezegd. “Witteveen is niet begonnen met een lijst van de duizend meest gebruikte Nederlandse woorden en heeft ook niet achteraf gecheckt of hij onder de duizend gebruikte woorden is gebleven. AchterinDingenuitlegger staat een lijst met ‘de woorden die we het meest gebruiken’; dat is de lijst uit de Engelse editie, vertaald. Het zijn er 845. Witteveen vermoedt dat er geen woorden in de lijst staan die niet in het boek staan, en andersom, maar heel precies heeft hij dat niet gecheckt.”

Lees verder >>

Inburgeringscursus Shakespeare mislukt

Door Ton Harmsen

GesinaterBorchechtelijke_ruzie

Gemiste kans… Als Abraham Sybant op het titelblad had geschreven dat De dolle bruyloft zijn vertaling was van The taming of the shrew van William Shakespeare, was toneellievend Nederland in 1657 wel wakker geworden. Nu duurde het tot het eind van de achttiende eeuw voordat Shakespeare via Franse vertalingen zijn weg naar Nederland vond. En pas toen L.A.J. Burgersdijk rond 1880 in negen jaar tijd de complete ‘comedies, histories and tragedies’ vertaald had vielen de Nederlandse regisseurs de schellen van de ogen. Toen begon de zegetocht van Hamlet, Macbeth, King Lear, en De storm. En van De getemde feeks.

    Sybants aftrap was dus een schot in de lucht. Zijn komedie werd door twee vrienden (collega’s in het vak van rondreizend toneelspeler, vaak in samenwerking met Engelse toneelgezelschappen) voorzien van lofdichten waarin niet Shakespeare, maar… Plautus en Terentius als de inspiratoren van Sybant naar voren geschoven worden. Van Daalen moedigt aan:

.        Nu Sybant maak al voort, en wilt ons noch iets geven
.        Tot stichting voor ’t vermaak. Dit ’s alles dat ik wensch,
.        Nu dat de fiere geest van Plautus en Terens,
.        Na zoo veel jaren, komt in u weêr te herleven. (vs. 8-12)

Terwijl ze heel goed wisten dat het niet zo was: Lees verder >>

Tollens óf Bilderdijk

Door Marc van Oostendorp

De dichter als idoolRoem is een identiteitskwestie: het gaat over wie mensen willen zijn. Dat is een van de conclusies die je zou kunnen trekken uit Rick Honings’ nieuwe boek De dichter als idool, dat vorige week verscheen.

In zijn boek bespreekt Honings hoe zeven negentiende-eeuwse Nederlandse dichters beroemd waren: Willem Bilderdijk, Isaac Da Costa, Elias Annes Borger, Hendrik Tollens, Nicolaas Beets, Piet Paaltjens en Multatuli. Allen werden zij door hun werk beroemde, en soms controversiële, figuren; allen kregen ze bewonderaars (door Honings ‘fans’ genoemd) en in sommige gevallen ook tegenstanders (‘antifans’). Er zat in de loop van de negentiende-eeuw ook wel enige ontwikkeling in de soort roem – al is het maar doordat er van Bilderdijk nog geen foto’s konden worden gemaakt –, maar je krijgt de indruk dat de voornaamste verschillen toch zaten in de verschillen in karakter tussen de dichters.

Honings verdeelt ieder van zijn hoofdstukken in tweeën. Lees verder >>

Regels voor de Gooise r

Door Marc van Oostendorp

retroflexe en propjes-r Vroeger kon je misschien nog wel beweren dat mensen die een Gooise r gebruikten, meelopers waren, maar inmiddels zijn er generaties van moedertaalsprekers die niet anders kunnen. Al van jongsaf aan maken ze de r op een bepaalde manier die de Gooise r wordt genoemd, of Kinderen-voor-Kinderen-r omdat de klank veel mensen bij de eerste afleveringen van dit programma op begon te vallen.

Mensen denken bovendien vaak dat die r zijn opgang heeft gemaakt vanwege dat tv-programma of, breder, omdat figuren op de tv die klank begonnen te maken. Waarschijnlijk is dat niet waar, maar natuurlijk nemen mensen wel klanken van elkaar over: kinderen van ouders en op latere leeftijd volwassenen van mensen tegen wie ze op de een of andere manier opkijken.

Nu is dat overnemen op zich al een wonder. Lees verder >>

Het omgekeerde van sarcasme bestaat niet

Door Marc van Oostendorp

omgekeerd sarcasmeWe hebben hier de afgelopen weken aan ons weblog getimmerd, en we zijn nog niet helemaal klaar, maar het moment is weldra aangebroken dat we jullie gaan vragen wat je ervan vindt. Dan zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen:

  • Ik vind het leuk. (1)

Maar dat zouden we al snel negatief kunnen interpreteren: misschien bedoel je met zin 1 wel dat je het helemaal niet zo leuk vindt. In plaats daarvan kun je daarom zeggen:

  • Ik vind het geweldig. (2)

Dat zou dan op zijn beurt juist weer kunnen betekenen dat je het alleen maar leuk vindt. De Duits-Canadese taalkundige Michael Wagner noemt dat in een recent artikel overstatement-conclusies:

Lees verder >>

Ik hoop mogen we erin mogen

Door Marc van Oostendorp

Soms komt er zomaar op een doordeweekse dag een nieuwe bevestiging binnen van een al lang bekende theorie. Dat gebeurde bijvoorbeeld vorige week, toen ik deze twee tweets kreeg:

Er is in het Nederlands een opvallend verschil tussen hoofd- en bijzinnen: in de eerste staat de persoonsvorm altijd op de tweede plaats in de zin, maar in de tweede staat hij achteraan in de zin. Lees verder >>

Wat zijn de gevolgen voor de Friese literatuur van het vrijwel ontbreken van structureel letterkundig onderzoek?

Onverwachte vragen aan de wetenschapsagenda (17)

Door Marc van Oostendorp

Olga van Marion
Olga van Marion

Begin dit jaar had ik me voorgenomen dat ik wat meer Friese literatuur wilde lezen en zie, meteen organiseert de Fryske Akademy later dit jaar een Dei fan ‘e Fryske letterkundeMisschien komt daar de volgende vraag dan ook wel aan de orde:

Lees verder >>

Funeraire poëzie: tekstbijlage P.C. Hooft

Door Ton Harmsen

    Heemskerck die dwars door’t ys en’t yser dorste streven
    Liet d’eer aen’t land, hier’t lyf, voor Gibraltar het leven.

 Net als het lange gedicht van Daniel Heinsius op de dood van Jacob van Heemskerck, die in 1607 de slag bij Gibraltar won maar die overwinning betaalde met zijn leven, bevat dit distichon van P.C. Hooft vrijwel uitsluitend lof. Hij doet dat heel kunstig en opvallend: ‘ys’ en ‘yser’ zijn woorden die bij een grote overeenkomst in klank een heel verschillende betekenis hebben (wat de stijlleer paronomasia noemt); ‘eer’, ‘lyf’ en ‘leven’ zijn drie objecten van ‘Liet’ (een tricolon). Het allitererende ‘liet-land-lijf-leven’ maakt het tweede vers ook bijzonder welluidend. Met recht siert dit gedicht het grafmonument van de zeeheld.

Het lijkt of Hooft een vergissing maakt in het metrum, omdat in Gibraltar de eerste en de laatste lettergreep beklemtoond zijn. In de zeventiende eeuw sprak men het echter uit zoals in het Spaans en het Frans, zoals we ook zien in het gedicht van Vondel op het portret van Gerard Hulft. Die uitspraak is etymologisch beter verantwoord dan de onze: Gibraltar is een verspaansing van de Arabische naam Jabal Ṭāriq (جبل طارق), de Tariqberg. Een andere bijzonderheid is de trochee ‘Heemskerck’ – hier maakt Hooft gebruik van een vrijheid, die in het eerste woord van een jambisch vers niet ongebruikelijk is.

Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaarten ‘hooivork’ en ‘houten vork’

door Jan Stroop
Een van de aardigste bezigheden die ik op ’t Meertens instituut te doen had, was ’t tekenen van proefkaarten voor de Taalatlas. Je voelde je een beetje ambachtsman en bij dat tekenen kon je ook regelmatig verrast worden. Geen twee taalkaarten zijn namelijk ’tzelfde en terwijl je doende bent de symbooltjes een voor een op de invulkaart in te tekenen, nemen de verschillende woordgebieden hun unieke vorm aan. Lijkt een beetje op ’t ontwikkelen van een foto, waarbij de afbeelding ook langzaam tevoorschijn komt.

Lees verder >>

Hoe komt het dat de grammatica van oude talen ingewikkelder is dan die van moderne talen?

Onverwachte taalvragen aan de Nationale Wetenschapsagenda (13)

Door Marc van Oostendorp

<
Je kunt je best voorstellen dat iemand zich eens achter de oren krabt, zich het volgende afvraagt en dat dan instuurt naar de Nationale Wetenschapsagenda:

Sterker nog, er wordt door allerlei taalkundigen gewerkt aan iets wat uiteindelijk deze vragensteller zou moeten kunnen bevredigen. We zijn er alleen nog lang niet.

Lees verder >>

Had je maar nooit een gedicht gezien

Door Marc van Oostendorp

Ik loop al een week in een hoofd met een regel uit de nieuwe bundel van Menno Wigman, Slordig met geluk. Het gaat om de laatste regel van het eerste gedicht van de eerste afdeling, ‘Rien ne va plus‘. Voor de contekst geef ik er ook een paar eerdere regels bij:

En nu, haast zesendertig, ziek en mensenschuw,
door poëzie van alles om je heen vervreemd,
nu kijk je naar je hand en spuug je op je pen.
Is het walging? Onmacht? Zelfhaat misschien?
Had je maar nooit een gedicht gezien.

Ik geloof dat ik ook niet de enige lezer ben die het overkomt. Waarom blijft die regel – die uit een brief van Slauerhoff komt – hangen? Men kan van alles en nog wat van mij beweren, maar niet dat ik een poète maudit ben, en zesendertig ben ik ook al niet.

Er schuilt natuurlijk een paradox in zo’n regel, die je alleen kunt oppikken wanneer je niet alleen een gedicht ziet, maar het zelfs aan het lezen bent.
Lees verder >>

De bleke pornoster en de huilende moeder

Door Marc van Oostendorp


Wat is er gaande in de Vlaamse dichtkunst? Ik lees maar de hele tijd gedichten waarin uitdrukkingen staan die zijn gevormd op de malde/een X Y, waarbij X een bijvoeglijk naamwoord is en Y een zelfstandig naamwoord.

Vermoedelijk is Delphine Lecompte ermee begonnen, of in ieder geval heeft zij het genre tot grote hoogte opgezweept. Jaar in jaar uit doet ze daarin verslag van haar avonturen met de oude kruisboogschutter, zoals ze haar geliefde voortdurend noemt, en haar vorig jaar verschenen bundel Dichter, bokser, koningsdochter opent met een gedicht Je kunt niet alleen zijn met een paard dat als volgt begint:

Je kunt alleen zijn met een bleke pornoster
Hij scheert zijn handrug en denkt aan zijn eikelring
Je kunt alleen zijn met een uitgewaaierde pauw
Hij toont zijn staart en denkt aan zijn hoogtepunt


Lees verder >>

Krijn Onverstant: k.o. in acht klappen

017Onverstant1659

Door Ton Harmsen

Van de kluchten die in de zeventiende en achttiende eeuw geschreven zijn, is ongetwijfeld veel verloren gegaan. Kluchten die in de Amsterdamse Schouwburg vertoond zijn hebben een behoorlijke overlevingskans, maar veel dat op de markt in Deventer of in een schuur in Hoogmade werd gespeeld, is er gewoon niet meer. Toch zijn er nog ruim 500 bewaard. Gemiddeld zijn die net iets meer dan één keer herdrukt: in Ceneton staan naast 506 eerste drukken 550 herdrukken. Daarnaast is er nog een aantal handschriften, plus wat vermeldingen en korte samenvattingen.

Reden te meer om de overgebleven kluchten te koesteren, en het is verheugend dat daar ook veel aan gedaan wordt. Bij de DBNL, books.google en Ceneton is alles bij elkaar ongeveer de helft te lezen. Dat betekent wel dat er nog 250 op de verlanglijst staan; zonder hulp van vrijwilligers zal dit aantal maar langzaam slinken.

Gelukkig zijn er allerlei gezelschappen die zich met de klucht bezighouden. In Rotterdam werd een tijd geleden de klucht van de molenaar in het Turks gespeeld door een professioneel Turks gezelschap dat voor een gedistingeerd Turks publiek een prachtige voorstelling gaf. Het kan dus wel! Ook de Leydse KluchtenCompagnie (binnenkort tijdens de Hanzefeesten in Doesburg te zien) en Theatergroep De Kale hebben grote verdienste voor het instandhouden van het genre. De Kale speelt op 14 februari de klucht van Krijn Onverstant of Vrouwen Parlement door Jelis Noozeman, met een inleiding van Olga van Marion. Voor leesclubs is het een goed idee samen een toneelstuk te lezen. Het Leidse Renaissancedispuut Proteus organiseert al vele jaren een succesvolle kluchtlezing: enkele leden komen bijeen, verdelen de rollen en lezen een klucht, onder veel gelach en versnaperingen; met het resultaat dat de deelnemers de klucht beter lezen, begrijpen en waarderen dan wanneer zij het bij hun eigen haardvuur hadden gedaan.

Lees verder >>

Twintigzestien

Door Marc van Oostendorp


Als de fotostripblogger Ype het zegt, tijgt de redactie van Neder-L aan het werk. En afgelopen woensdag zei hij het: hij verklaarde de uitspraak ‘twintig zestien’ tot hip.

Nu hadden wij vier jaar geleden al voorspeld dat “twintig twaalf” de dominante uitspraak zou worden <hier> . Daar is het toen niet van gekomen. Zou het nu dan eindelijk?

Dus toog ik naar mijn Amstelveense nichtje uit de brugklas, maar die keek me alleen maar vreemd aan. ‘Niemand’ zegt zoiets, beweerde ze. Maar misschien heeft de brugklas in Amstelveen een ander idee van hip dan een Amsterdamse dertiger.

Google lijkt Ype in eerste instantie wel gelijk te geven:

Lees verder >>

Kluchten van Jan Zoet en Jan Vos bij Ceneton

Door Ton Harmsen 

008ZoetJoolEen appel en een ei lopen door de Kalverstraat. Hoe is het nu, vraagt het ei gemeen, om geplukt te worden? Nou, zegt de appel, wacht jij maar tot je een kip bent. Net zo als de mop speelt de klucht een spelletje met aristotelische waarschijnlijkheid en logica. Het is een fictioneel genre, een gestileerde weergave van de realiteit, dus we moeten ons erbij neerleggen dat de werkelijkheid niet getrouw wordt weergegeven. Maar we moeten de klucht wel serieus nemen, en hoge eisen stellen aan opbouw en stijl. In de zeventiende eeuw verschenen er meer dan 200 kluchten in de Nederlanden, de achttiende eeuw produceerde er nog eens ruim 300. Twee kluchtspelen zijn onlangs bij Ceneton uitgegeven: de klucht van Jochem Jool (1637) door Jan Zoet en de eerste druk van de klucht van Oene door Jan Vos (1642). W.J.C. Buitendijk heeft verschillende latere edities uitgegeven – ook te vinden bij de DBNL.
Lees verder >>

Gesmoort in hooploos leidt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (45)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

In zijn boek De vergeten wetenschappen beschrijft Rens Bod hoe de geschiedenis van de muziek en de musicologie een voortdurend heen en weer is van theorie en praktijk. Er worden fraaie wiskundige modellen ontwikkeld die beschrijven wat goede harmonieën moeten zijn. Op basis van die modellen maakt men muziek, maar niet iedere harmonie blijkt even goed te werken. Daarom wordt de theorie aangepast, en dan weer opnieuw uitgeprobeerd.

Zo ging het, in ieder geval tussen de zestiende en de achttiende eeuw ook met metriek, zo leren we uit het onvolprezen Leidse proefschrift Nederlandsch Versrhythme (1922) van Friedrich Kossmann.  De theorie was oorspronkelijk dat je gedichten moest schrijven zoals ze in de klassieke oudheid had gedaan, maar daar bleken de moderne Europese talen niet geschikt voor. Dus moest de theorie worden aangepast – maar hoe?

Daar is decennialang mee geworsteld. Men wilde bijvoorbeeld een jambische hexameter (een alexandrijn) schrijven. Jambes waren in de klassieke oudheid groepjes van twee lettergrepen: de eerste kort en de tweede lang. Maar wat is dat precies voor het Nederlands, een lange lettergreep of een korte?

Het probleem doet zich bijvoorbeeld al prangend voor in de eerste regel van dit sonnet van P.C. Hooft:

Lees verder >>

De taalkunde wordt gratis!

Door Marc van Oostendorp

Het zoemde al een tijdje rond, maar later vandaag – aan het begin van de internationale open access week – wordt het openbaar gemaakt: er komt meer gratis taalkunde! De resultaten van taalkundig onderzoek wordt in ieder geval fysiek toegankelijk voor iedereen die dat wil.

Een aantal belangrijke internationale taalkundige tijdschriften vertrekt vandaag of heel binnenkort – op Nederlands initiatief – bij hun oorspronkelijke commerciële uitgever en gaat de informatie voortaan gratis aanbieden via het internet. Het plan is dat in ieder geval de komende vijf jaar noch lezers noch auteurs hoeven te betalen voor de publicaties. En er is gerede hoop dat er ook daarna een oplossing komt, bij de mooie, door universiteitsbibliotheken over de hele wereld betaalde Open Library of Humanities.

Er is blijdschap alom. De Vereniging voor Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, de KNAW, NWO en allerlei andere partners staan achter deze stap naar zogenoemde open access – ongetwijfeld in de hoop dat ook andere (geestes)wetenschappen zullen volgen. De informatie die wetenschappers, betaald met belastinggeld, maken, moet gratis zijn. Dit initiatief wil dat bereiken. De komende jaren zal de universiteitsbibliotheek van de Radboud Universiteit in Nijmegen de technische ondersteuning bieden; geld komt vooral van een Europese subsidie.

Lees verder >>

Wieringa’s vertaling van Rabelais gedigitaliseerd

Door Ton Harmsen

001Rabelais1682FrontGargantua en Pantagruel. Het is een van de meest komische en filosofische boeken die ooit geschreven zijn. Rabelais gebruikt een unieke denktrant, een fascinerend jargon en een fantasie die alleen in de eigen tijd helemaal begrepen kan zijn. Levenswijsheid en absurdisme gaan naadloos in elkaar over. De lof der zotheid speelt met de waan der wijsheid. Voor vertalers is het een uitdaging die een enorm inlevingsgevoel, een feilloos vocabularium en een peilloze diepgang vereist.
Zo een vertaler vond Rabelais, ruim een eeuw na zijn dood, in Nicolaas Jarichides Wieringa, een van de grote vertalers uit de zeventiende eeuw. Zijn stijl is adembenemend, net zoals de capriolen op een paardenrug die hij beschrijft:

Dit alles nam Gymnastes wel naau in acht; derhalven veinsde hy van ’t paard te treeden: en terwijl hy ter zijden op den stijgbeugel bukte, draaijde hy daar op zich behendelijk om, met sijn pookjen op zy, slingerde zich van om laag in de lucht, en quam staan met sijn voeten op de Zadel, sijn gat gewend na de kop van ’t paard: en sprak; mijn geluk loopt verkeert: daar op deed hy soo staande een trillsprong en daalde op’t een been, en draijende zich slinks-om op sijn hiel, zette zich effen zoo hy d’ eerstemaal zat weder in de Zadel.

Lees verder >>

Topneerlandici

Door Marc van Oostendorp


De financieel geograaf Ewald Engelen haalde deze week in zijn Socrateslezing (en vorig weekeinde in NRC Handelsblad) fel uit naar de discipline als wetenschap: die zou nog steeds te zelfvoldaan zijn en te weinig aandacht hebben voor alternatieve opinies, in eigen kring of in aanpalende disciplines.

Op zeker moment haalt Engelen er ook een taalkundig argument bij, wanneer hij wil illustreren dat de media te veel ontzag hebben voor de economen:

Sinds 1980 hebben Nederlandse media volgens LexisNexis zo’n duizend maal het adjectief ‘topeconoom’ gebruikt. Tot aan de crisis een ruime driehonderd keer, daarna heeft een Nederlandse journalist meer dan zevenhonderd keer een econoom ‘top’ genoemd. Ter vergelijking: in diezelfde periode overkwam dat maar vijf sociologen, geen politicoloog, geen antropoloog, vijf historici, zes filosofen (waaronder Cruijff) en geen enkele geograaf.

De observaties kloppen (al moet je wel verdisconteren dat er ook meer niet top-economen werden genoemd dan geografen, dus dat de kans op een topper groter was). Topneerlandici komen in LexisNexis trouwens ook niet voor; op het internet worden Kees Fens en Tjeerd Gunning (winnaar van het Groot Dictee 1998) zo benoemd. Maar dat haalt het dus allemaal niet bij de topeconomen.

Engelens gegevens kloppen dus. Geldt dat ook voor zijn duiding? Ik denk dat daar nog wel wat meer over te zeggen valt.
Lees verder >>

We publiceren te weinig

Door Marc van Oostendorp

Jullie wisten het natuurlijk allang, want het artikel verscheen al in maart op internet, maar ik was er maar steeds niet aan toegekomen omdat ik zoveel andere dingen te doen had: het einde van de wetenschap is nabij omdat er teveel artikelen verschijnen.

In een nauwkeurige kwantitatieve studie gebaseerd op een groot aantal publicaties in de biologie en de natuurkunde laten de auteurs zien dat er steeds meer artikelen verschijnen, maar dat die artikelen daardoor ook steeds sneller uit de aandacht verdwijnen. De ‘halfwaardetijd’ van de citatiecijfers neemt almaar af: binnen steeds kortere tijd wordt er nooit meer naar een artikel in een ander artikel verwezen.

Lees verder >>

Een lekker grillige canon

Door Marc van Oostendorp

De leeslijst is het soort boek waardoor je zin krijgt je baan op te geven. Wie het uit heeft, wil niets anders dan onderdak vinden bij een weldoener en dan alleen nog maar lezen: middeleeuwse kluchten, zeventiende-eeuwse klassiekers, achttiende-eeuwse toneelstukken, negentiende-eeuwse realistische romans, twintigste-eeuwse dichtbundels.

In het boek zetten Nijmeegse letterkundigen 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur op een rij. Het 1e werk is een fragmentarisch overleverde vertaling (de Wachtendonckse psalmen), het 222e is De leeslijst zelf. Daarin melden de samenstellers dat de lijst “enkel en alleen [is] samengesteld op basis van de voorkeuren en prioriteiten van Nijmeegse docenten en onderzoekers” en dat de oorspronkelijke opzet was dat de medewerkers “ook met literaire werken [konden] verpozen uit andere perioden dan die van het eigen specialisme”.

Lees verder >>

Linguïstisch Miniatuurtje CLXIII: Mensen moeten zich hier niet aan ergeren heb ik zoiets

Door Peter-Arno Coppen
 

Kenny B: “heb ik zoiets”

Ik ben een verklaard liefhebber van de constructie Ik heb zoiets van. Wat mij betreft is er geen mooiere aanwending van eenvoudige middelen om een subtiel communicatief resultaat te krijgen. De constructie bevat een aantal oeroude elementen die samen een betekenis creëren die aangeeft dat het navolgende citaat, of de navolgende uitspraak, iemands “innerlijke stem” representeert. Als je zegt Hij had zoiets van “Geef de appelmoes eens door,” dan heeft de persoon waarover je het hebt niet werkelijk gezegd “Geef de appelmoes eens door,” of zelfs maar een uitspraak gedaan die daarop lijkt. Nee, je geeft daarmee aan dat je uit allerlei signalen opmaakt dat hij graag wil dat de appelmoes doorgegeven wordt. Ook als je zegt Ik had zoiets van “Geef de appelmoes eens door,” dan rapporteer je je eigen innerlijke stem. Het is subtiel anders dan Ik dacht: “Geef de appelmoes eens door.” De constructie met ik had zoiets van impliceert dat je in je gedragingen wel iets laat merken, wat bij ik dacht niet noodzakelijk het geval is.

Als liefhebber word ik zelden verrast door een nieuwe gebruikswijze van Ik heb zoiets van. Maar gisteren overkwam me dat toch, toen ik luisterde naar een interview met de bekende zanger Kenny B.
Lees verder >>

Hoe kan de Nederlandse taal aangepast worden aan de hedendaagse gender-realiteit?

Onverwachte taalvragen in de Nationale Wetenschapsagenda (1)

Door Marc van Oostendorp

In deze zomerserie ga ik in op voor taalkundigen onverwachte vragen die ‘het publiek’ gesteld heeft aan de Nationale Wetenschapsagenda. Een van de ideeën achter die agenda is dat de wetenschap onverwachte vragen uit het publiek krijgt aangereikt. Vervolgens zijn wetenschappers zelf ook en masse vragen gaan indienen omdat ze het idee hadden dat minstens een deel van de onderzoeksgelden weleens naar de vragen van de wetenschapsagenda zijn gegaan. Ik vermoed dat die vragen uiteindelijk ook de meeste kans hebben, maar ik wil me nu richten op de onverwachtere vragen.

Waarom zal de taalwetenschap bijvoorbeeld vermoedelijk niets doen met de volgende vraag? Hij snijdt een maatschappelijk probleem aan dat te maken heeft met taal, dat mogelijk alleen kan worden opgelost door iets te doen met de taal en dat daarom niet door enige andere wetenschapper zal worden aangepakt:

Berbice Dutch stervende, maar in leven

Vorig jaar augustus vond er op Aruba een prachtige bijeenkomst plaats. De Society for Caribbean Linguistics, de Society for Pidgin and Creole Linguistics en de Associação de Crioulos de Base Lexical Portuguesa e Espanhola confereerden samen over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van onderzoek naar contacttalen.

Al aan het begin van de week sprak ik Ian Robertson. Deze Guyanese creolist, werkzaam aan de University of the West Indies op Trinidad, is de persoon die in oktober 1975 maar liefst twee aan het Nederlands gerelateerde talen heeft teruggevonden. ‘Ontdekt’ is een beetje een gek woord in deze context, al krijg je wel een licht Indiana Jones-gevoel als je hoort wat er precies gebeurd is.