Categorie: column

De Cours besproken: 100 jaar later

Door Jan Noordegraaf

In 1991 was het vijfenzeventig jaar geleden dat de Cours de linguistique générale van Ferdinand de Saussure (1857-1913) in druk verscheen. Naar aanleiding daarvan werd in november van dat jaar onder het motto ‘75 jaar Cours’ aan de Vrije Universiteit in Amsterdam een symposium gehouden waarin ‘Saussuriaanse concepties’ ter discussie werden gesteld (cf. Forum der Letteren 33 (1992), 3-34). Het Nederlandse eeuwfeest van de Cours heb ik eerlijk gezegd gemist. Honderd jaar geleden verscheen de eerste Nederlandse recensie van de Cours de linguistique générale. In april 1917 namelijk werd in het tijdschrift Museum. Maandblad voor philologie en geschiedenis een bespreking van de Cours gepubliceerd door de Groningse hoogleraar Albert Kluyver (1858-1938). Deze neerlandicus, een oud-leerling van Matthias de Vries (1820-1892) en voormalig redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal, schetste daarin een beeld van een ‘voorloopig ontwerp van een boek dat de Saussure misschien nooit zou hebben afgemaakt’ (Museum 24, kol. 153-156). Men moet niet vergeten, merkte Kluyver op, ‘dat dit boek niet een geheel uitgewerkt systeem is, maar dat het slechts ongeveer aangeeft wat de Saussure in zijne colleges heeft gezegd’. Lees verder >>

Vriendenboekjes in de zestiende eeuw: veel beter dan Facebook

Door Marc van Oostendorp

Mooi onderzoek gaat vaak over nietigheden. Een goede onderzoeker is vaak iemand die iets neemt dat op het eerste gezicht onooglijk en klein is, en laat dan zien dat er een hele wereld in verstopt zit. Mooi onderzoek ontleent zijn glans niet aan de voor iedereen evidente kwaliteiten van het object van studie, maar aan het zichtbaar maken van de onzichtbare.

Zoals het vriendenboekje dat Rutghera van Eck, een adellijke jongedame uit Zutphen, in 1598 begon. Dat album heeft volgens de literatuurwetenschapper Sophie Reinders “tot nu toe een schaduwbestaan geleid”: Lees verder >>

De onmogelijke relatie van de Vlaming met het Nederlands

Door Wim van Rooy

Het tijdschrift Onze Taal heeft zowat 33.000 abonnees, van wie een behoorlijk deel in België/Vlaanderen. Dat is erg veel voor een taalkundig tijdschrift dat zich o.m. ten doel stelt het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. De scholingsgraad van de Vlaamse bevolking ligt hoog en ook kranten besteden regelmatig aandacht aan het Nederlands, aan het nut van de Taalunie, aan de ondertiteling van Vlaamse films, aan de bastaardisering van onze taal, aan het feit dat we tot een middelgroot taalgebied behoren. In sommige kranten beschikte men tot een paar jaar geleden zelfs nog over een soort taaltuinier, maar dat werd postmoderngewijs algauw als oubollig gekwalificeerd. Het jaarlijks terugkerende taaldictee, zowel regionaal als binationaal, zowel kleinschalig als grootschalig, heeft een immens succes: degenen die anders alleen maar naar voze spelprogramma’s kijken, halen balpen en papier te voorschijn en beginnen frenetiek te noteren, alsof een correcte spelling het hoogste is wat men in een mensenleven kan bereiken. En dan is er de immer geestige weblog van de Taalprof, een anonymus die van taalkundige wanten weet en die door al zijn artikelen een soortement plezier jaagt dat aanstekelijk werkt. Er zijn verschillende taaltelefoons, en die worden gretig geconsulteerd. Er zijn de vele taalwebsites (taalpost@onzetaal.nl, taaldrop@milesgroup.be, taallink@vlaanderen.be, enzovoort).

Woestijnvisacteur Bruno Vanden Broecke stelt zich in een interview de vraag wat écht belangrijk is. Naast gezin en vrienden, noemt hij taal, en terecht – maar ondertussen spreekt hij wel over ‘ingangsexamen’ en ‘theatermiddens’. Die alomtegenwoordige belangstelling voor taal heeft er intussen meestal niet toe geleid dat de zogenaamde aandacht die de Vlaming heeft voor taal, van een dusdanige oprechtheid en kwaliteit is dat hij die ook zou verzorgen. Taaltuiniers: dat is immers iets van vroeger, dat was modern, uit de stal van de volksverheffing. Nu zijn we postmodern bezig en dan mag alles, ook in taal. Er was een tijd dat de onverwoestbare politiek columnist van de NRC, Jerôme Heldring, elke week opmerkte hoeveel taalfouten er in de krant hadden gestaan. Die tijd is voorbij: nu maalt men niet meer om een taalfoutje meer of minder. De correctoren had men al gedefenestreerd, de taaltuiniers werden als frikkerige schoolmeesters gelabeld.

Lees verder

 

Hoe ik een 8,2 voor Nederlands haalde

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-23Sinds gisteren weet ik wat ik als lezer waard ben: 8,2 op de schaal van het College voor Toetsen en Examens (CvTE), die namens de overheid de eindexamens overziet. Het is geloof ik zo’n beetje de gemiddelde score van leraren Nederlands. Het is, zou je zeggen, een beetje laag voor iemand die van dat vak zijn beroep heeft gemaakt en al jarenlang oefent.

Daaruit kun je verschillende conclusies trekken, zoals dat ik eigenlijk niet geschikt ben voor mijn vak en beter druiven kan gaan pletten. Of dat er misschien toch iets mis is met de examens.

Mijn examen is geheel vrijwillig nagekeken door twee leraren die mijn examen gewoon meenamen in de grote stapel: Randy Middendorp (geen familie) trad op als eerste, en Herma van den Brand als tweede corrector. Ze gaven me ook inzicht in hun overleg. Ze waren in eerste instantie op nogal verschillende beoordelingen gekomen: Herma gaf niet meer dan een 7,8; maar na enig overleg kwamen ze – ondanks aanpassingen aan beide zijden in de beoordeling van individuele vragen gezamelijk uit op het punt dat ik dus voor dit jaar op mijn rapport heb – die acht plus. Lees verder >>

Willem Frederik Hermans was een slecht filosoof. Nou en?

Door Marc van Oostendorp

Ik ben oud genoeg om even ‘oei!’ te denken als ik lees dat iemand beweert dat Willem Frederik Hermans iets ‘volstrekt verkeerd begrepen’ heeft. Als de meester het maar niet hoort! Tot ik besef dat de meester natuurlijk al enige tijd dood is en dat hij de schrijver van zulke krasse woorden niets meer kan maken.

Met een gerust hart kunnen we dus het essay lezen dat de Oostenrijkse neerlandicus, typograaf en filosoof Rainer Erich Scheichelbauer onlangs publiceerde met de eenvoudige titel Willem Frederik Hermans als filosoof. Er blijft in dat boekje niet veel over van de schrijver als denker. Hij blijkt te hooi en te gras bij een aantal wijsgeren wat ideeën te hebben opgedaan zonder ze echt goed begrepen te hebben en zonder dat de samenvoeging van die ideeën een coherent geheel opleverde.
Lees verder >>

Perplexiteit als venster op de taal

Door Marc van Oostendorp

Een zin is een meerdimensionaal object. Hij bestaat uit woorden, die op hun beurt minstens twee dimensies hebben: een klankvorm (‘spruitje’) en een betekenis (‘klein groen koolachtig bolletje met een bittere smaak’). En die woorden staan ook nog eens in een bepaalde syntactische relatie tot elkaar. Als je naar een zin, een willekeurige zin, luistert, moeten je hersenen op al die verschillende niveaus – klank, betekenis, zinsbouw – aan de slag.

Daarover gaat een onderzoek van een groep Nijmeegse onderzoekers (full disclosure: een ervan is onze directeur op het Meertens Instituut) in het tijdschrift PLOS One.  De onderzoekers zeggen zelf in hun conclusie dat ze in dit artikel nieuwe bewijzen willen hebben laten zien voor een driedeling, maar in mijn ogen is dat helemaal het punt niet.  Dat die verschillende niveaus er zijn is nogal zó wiedes en al zo vaak gedemonstreerd dat het nauwelijks bewijs behoeft. Het artikel lijkt me vooral belangrijk als een demonstratie van een nieuw soort methode, waarin computermodellen en hersenscans worden gecombineerd.

Het probleem van hersenen is dat er sowieso de hele tijd van alles in gebeurt. Lees verder >>

De verleden tijd van lijken blijft De verleden tijd van lijken

De focalisator blijkt de boel te professionaliseren in ons managershorrorfeuilleton De verleden tijd van lijken.

Door Marc van Oostendorp

Er is veel gebeurd sinds de vorige aflevering, beste lezer. Zoals u zich herinnert is toen de focalisator van uw geliefkoosde horrorfeuilleton De verleden tijd van lijken in een manager veranderd. Even voor de duidelijkheid: die focalisator ben ik, maar het lijkt me voor iedereen beter als ik ook naar mezelf in de derde persoon verwijs.

Sinds ik in een manager ben veranderd, zijn mij de ogen geopend over de volkomen onverantwoorde manier waarop tot nu toe in dit verhaal met geld is omgesprongen. Dat zijn per slot van rekening wel uw en mijn belastingcentjes!  Lees verder >>

Komrij op Kreta

Door Marc van Oostendorp

Arie Pos presenteerde deze week zijn reconstructie van de nooit eerder gepubliceerde eerste roman van Gerrit Komrij (1944-2012), ‘De lange oren van Midas’. Een gesprek in een rumoerige Rotterdamse Mauritsstraat.
(Excuses voor de geluidskwaliteit; ik heb een nieuwe camera – de beeldkwaliteit is daarom wel een stuk hoger, maar ik had die niet meteen in een drukke straat moeten gaan testen.)

Taal en haar functie

Door Lucas Seuren

Recent werd ik gewezen op een blogje van de Schotse taalkundige Geoffrey Pullum waarin hij probeert duidelijk te maken dat er een onderscheid is tussen de structuur van taal en de functie van taal. Pullum legt uit dat veel grammaticaboeken geen adequaat onderscheid maken tussen syntaxis en semantiek, en daardoor verwarring zaaien over termen als beweringen vis-a-vis declarativen en vragen vis-a-vis interrogatieven. Bij de eerste termen gaat het om taalhandelingen, bij de tweede om taalstructuren.

Pullum legt het probleem helder uit, en hij laat goed zien wat het verschil is tussen grammaticale zinstypen en de taalhandelingen waar die zinstypen normaliter voor worden gebruikt. Zo benoemt hij de vier zinstypen van het Engels, legt uit hoe ze gevormd worden, en beschrijft de handelingen die sprekers er veelal mee doen.

Maar ook Pullum slaagt niet volledig in een onderscheid maken tussen vorm en functie. Lees verder >>

De neerlandistiek als netwerk

Onderstaand bericht kon door omstandigheden niet in tijdens onze jubeldag (donderdag) geplaatst worden. 

Door Fred Weerman

Ik weet niet wat we ervan moeten denken dat wij ons bij elk jubileum afvragen hoe we er over tweemaal jubileum (Neder-L in 2042?) voorstaan. Met jubilea in de persoonlijke sfeer doe ik dat in ieder geval toch maar niet. In het laatste geval is de evidentie voor de eindigheid zo overtuigend dat we daar geen woorden aan vuil maken. Met de neerlandistiek is dat kennelijk anders. Ik vermoed dat het eigenlijk zo zit: we veronderstellen dat vakgebieden in het algemeen de tand des tijds doorstaan en we aarzelen of dat wel opgaat voor de neerlandistiek.

Dus daarom nog maar eens: Er is niets mis met het Nederlands, dat over 25 jaar ook nog volop zal worden gesproken en geschreven, schat ik zo. Er is niets mis met de vele onderdelen van de neerlandistiek, die volgens mij allemaal hun partij prima meeblazen. Zeker, in de ene discipline levert dat misschien meer geluid op dan in de andere discipline, maar als dat zo is ligt dat volgens mij niet, of in ieder geval niet alleen, aan de betreffende neerlandici, maar eerder aan het verschijnsel dat soms de ene instrumentengroep nu eenmaal wat meer een opvallende solo kan spelen en soms de andere groep. Zeker, het is niet altijd makkelijk om fondsen te werven voor onderzoek, er is veel competitie, die vooral voor jonge wetenschappers grote persoonlijke gevolgen kan hebben, de werkdruk is groot, de bezuinigingen idem, maar ik geloof niet dat positie van neerlandici wat dat betreft slechter is dan die van andere geesteswetenschappers. (Eerder beter, eerlijk gezegd). Lees verder >>

Mijn de makkelijke en onbenepen wellende sprakingen (of niet)

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (127)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

‘Bewust moeizaam geformuleerd’ noemde de literatuurhistoricus Jacqueline Bel de beginregels van dit sonnet van Henriëtte Roland Holst – Van der Schalk, aan het begin van haar debuut Sonneten en gedichten in terzinen geschreven. Ze wilde er volgens Bel mee laten weten dat ze genoeg had van “de gemakkelijke taal” van Kloos en Van Deyssel, maar “moeizaam geformuleerde [alweer], naar binnen gekeerde verzen.”

Niet mijn de makkelijke en onbenepen
wellende sprakingen, niet d’ongestoorde
gebaren die glijen gelinde door de
ruime atmosfeer: lustig zeilende schepen.

Niet mijn van joelende en brood-dronken woorden
frazig gepraal, als wapperende reepen
feestelijk doek – en niet mijn de gegrepen
handen, de heftige oogen, de verstoorde

gedragingen, alle die òn-bereiklijk.
Maar mijn de magistrale en als kalmatie
werkende aandacht, mijn het heusch bejegene’
en volge’ in willige overgang – en rijklijk
mijn ’t straffe tegenstribb’le’ en stugge tegen-
houden van ’t ongewilde in serieuse statie.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), 2

door Jan Stroop

 

 

Mijn eerste werkdag, 15 augustus 1966, begon ik met een rondgang langs de drie afdelingen om me aan iedereen voor te stellen.  In ’t eerste lokaal zetelde de administratie. De drie meest rechtse ramen op de foto bij mijn vorige stukje waren dus die van de administratie. Er werkten daar zo’n drie of vier personen. In ’t lokaal ernaast, dat zijn de volgende drie ramen, zat ’t Dialectenbureau.

 

Lees verder >>

Bloedwraak leidt tot ellende in het schooltoneel

Door Ton Harmsen

Na al die voorspellingen voor 2042 toch maar weer iets over een toneelstuk uit 1742: koning Baasa roeit de familie van zijn voorganger uit. De Nederlandse literatuur is rijk aan Latijnse toneelstukken. Behalve tweehonderd complete, gedrukte teksten zijn er ook zo’n tweeduizend programmaboekjes met een synopsis van een toneelstuk bewaard. Een klein deel van die spelen is geschreven door humanistische literatoren: Daniel Heinsius en Hugo de Groot zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Het overgrote deel van het Latijnstalige toneel is van de hand van schoolmeesters. Op de Latijnse scholen van de zestiende tot de achttiende eeuw was toneel een populair didactisch middel om de leerlingen vertrouwd te maken met conversatie in het Latijn. Er waren Latijnse toneelstukken genoeg om op te voeren: de antieke spelen van Plautus waren niet zo stichtelijk, maar die van Terentius waren, met enige aanpassing, bruikbaar. Wie de kinderziel niet wilde confronteren met bedrog en overspel moest echter zelf aan de slag om een spel te schrijven.
Lees verder >>

Drie winnaars voor deze race: mogelijkheden tellen

Door Marc van Oostendorp

Er is een interessant verschil tussen boeken en winnaars, merkte de Amerikaanse taalkundige Itamar Francez onlangs op in een nieuw artikel. Je kunt dat verschil zien als je zinnen zoals de volgende twee met elkaar vergelijkt:

  • Op dit moment kunnen er drie winnaars van deze race zijn.
  • Op dit moment kunnen er drie boeken op tafel liggen.

De eerste zin is dubbelzinnig. Lees verder >>

Marieke Winkler: Een voetnoot bij de toekomst van de letterkundige neerlandistiek

Door Marieke Winkler
‘we gaan vooruit. We ontwennen, spelen vroegertje’
uit: Anne Vegter, Wat helpt is een wonder (2017)

Wat is toekomst anders dan de uitdrukking van een verlangen naar een nieuw begin, het uitproberen van een andere loop der dingen? ‘De moderne tijd zet zijn kaarten (…) uitdrukkelijk op vernieuwing in plaats van herhaling’, schrijft Rüdiger Safranski in Tijd (2014), ‘dit is de tijd van beginnen.’ Aan die tijd is volgens Hans Ulrich Gumbrecht (en hij bouwt daarbij voort op Kosellecks historisering van het historisch bewustzijn) een einde gekomen. ‘For us the future no longer presents itself as an open horizon of possibilities; instead it is a dimension increasingly closed to all prognoses – and which, at the same time, seems to draw near as a menace’. Tussen het verleden dat ons overspoelt, en dat we als een malle proberen te conserveren en annexeren, en de bedreigende toekomst (het ijs op Antarctica smelt nú), is het heden getransformeerd tot een (in beide richtingen) uitdijend landschap, tot iets wat Gumbrecht our broad present noemt. Hoe in dit expansieve heden iets over de toekomst te zeggen zonder al te naïef een nieuw begin af te roepen? Misschien dat het graven in het niet al te verre verleden mij daarom zo vruchtbaar overkomt, namelijk als een handeling die wel degelijk nieuwe scenario’s mogelijk maakt… Lees verder >>

Reinhild Vandekerckhove: Neerlandistiek van de open grenzen

Door Reinhild Vandekerckhove

In de neerlandistiek van de toekomst zijn ‘variatie’ en ‘contact’ de codewoorden: de neerlandistiek honoreert de vele duizenden mensen die het Nederlands als tweede, derde, vierde… taal verwerven en zich dat Nederlands toe-eigenen, ze bestudeert het Nederlands in contact met andere talen en culturen, en het Nederlands dat zijn weg vindt in, alweer andere, nieuwe media. Neerlandici verwerven complexe talige en liefst ook heel wat relevante niet-talige skills. Dat betekent echter vooral niet dat reflectie de plaats moet ruimen: docenten en onderzoekers maken studenten (nog altijd) warm voor taalsystematiek, taalvariatie, en de systematiek van taalvariatie. Maar finaal hangt de survival van de neerlandistiek m.i. af van haar interdisciplinariteit: ze haalt haar vitaliteit uit de interactie met taaltechnologie, psychologie, sociologie, antropologie, neurologie…

Een neerlandistiek van de open grenzen dus.

Thomas Vaessens: Vijfentwintig jaar is een eeuwigheid

Door Thomas Vaessens

Als we praten over de toekomst van de neerlandistiek, hebben we het over de toekomst van een opleiding. Een discipline is de neerlandistiek beslist óók geweest, maar het is de vraag hoeveel mensen ‘het vak’ vandaag nog als een discipline zien. Vroeger, in de tijd van de nationale filologieën, spraken we over letterkunde en taalkunde als ‘vertakkingen’ van de neerlandistieke stam. Nu is het veeleer zo dat de verschillende ‘neerlandici’ zich hebben verspreid over het hele bos. Al decennialang zijn sommige van de interessantste neerlandici werkzaam (en ook institutioneel ingebed) in andere velden: gender, media, postkolonial studies, erfgoed… Ook werken er her en der door hun collega’s zeer gewaardeerde mensen ‘bij neerlandistiek’ die binnen andere disciplines zijn opgeleid.

Maar discipline of niet, de opleiding Nederlandse taal en cultuur is er nog steeds. Ik zal het dus over die opleiding hebben, en dan vooral (zoals aan mijn voorbeelden al te merken was) de cultuurkant ervan. Lees verder >>

Michiel de Vaan: De Neerlandistiek over 25 jaar

Door Michiel de Vaan

Over vijfentwintig jaar heb ik bijna de dan geldende pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Als lichaam en geest nog meedoen, breekt dan de productiefste periode van mijn wetenschappelijk leven aan. Tenzij de supercomputer tegen die tijd mijn kennis en creativiteit heeft ingehaald, wat niet denkbeeldig is. Hoe ‘de Neerlandistiek’ er dan in zijn geheel uitziet, weet ik niet, maar ik kan wel een verlanglijstje neerleggen.

Op dat lijstje staat maar een ding, maar wel iets groots: dat alle teksten die we als Nederlands beschouwen (eigenlijk dekt de tot in de tweede helft van de negentiende eeuw gangbare term Nederduytsch de lading beter) uitgegeven en doorzoekbaar zijn. Allemaal. Thuis aan mijn bureau. En vooral: in hun originele spelling en opmaak. Op dit moment is dat slechts voor de teksten tot 1300 het geval. Ik weet het, de hoeveelheid literaire en vooral niet-literaire teksten van na 1300 is onvoorstelbaar groot. Inderdaad, het opsnorren, lezen, begrijpen, transcriberen en diplomatiek uitgeven van alle charters, stadsrekeningen, cijnsregisters, gerechtsprotocollen, dagboeken, annalen, zeemansbrieven, vondelingbriefjes en andere handgeschreven teksten, uit alle gewesten, dat is een onnoemelijk grote hoeveelheid werk. Niemand zal al die teksten in een leven gaan lezen. Maar een computer kan ze doorzoeken, taalkundigen en historici kunnen er nieuwe ideeën door krijgen, en cineasten kunnen er muziek onder zetten. Lees verder >>

Yves T’Sjoen en Piet Gerbrandy: De smalle mens van morgen

Door Yves T’Sjoen en Piet Gerbrandy

Yves T’Sjoen

Instellingen voor hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen voeren een taalbeleid dat almaar meer in de kaart speelt van het “globish”. Volgens criticasters rolt niet zozeer een golf van verengelsing door de universitaire auditoria. Het Engels wordt vooral verbasterd tot een weeskind van die prachtige Angelsaksische dichterstaal.

Aan Nederlandse universiteiten worden bacheloropleidingen en in toenemende mate masterspecialisaties aangeboden in de wetenschappelijke lingua franca van de wereld van vandaag. De Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) maakte enkele maanden geleden een advies bekend en bepleit daarin de taalvaardigheid van studenten. Voor bestuurders is dit een aanmoediging om binnen de bestaande taalwetgeving méér academisch onderwijs in dat “globish” te voorzien.

Een van de misvattingen van bestuursleden en opleidingsverantwoordelijken is dat taal een medium is. Niets meer dan een vehikel om kennis over te dragen en met elkaar te praten. Bijgevolg is taal een nuttig instrument om meer buitenlandse studenten aan te trekken en een hogere plek te veroveren in de Shanghai Ranking. Lees verder >>

Jan Stroop: Neerlandistiek in de gloria

door Jan Stroop

Toen de Landelijke Vereniging van Neerlandici (de LVVN) in 2001 actie voerde onder ’t motto ‘Zorg om het schoolvak Nederlands’, lees mijn congrestoespraak, hadden we te maken met politici, die wel commissies instelden om te komen tot een vernieuwing van het examenprogramma Nederlands, maar die de rapporten van die commissies naast zich neerlegden of zelfs beleid bedachten dat inging tegen de aanbevelingen van de eigen commissies. Minister Netelenbos orakelde: ”Als je naar leraren luistert, verandert er nooit iets.”

Waaruit bleek dat ze naar niemand wilde luisteren. Net als haar opvolgster, minister Van der Hoeven. Toen de LVVN ’t resultaat van de actie, een pakket handtekeningen van leraren die veranderingen wilden, aan de minister mocht aanbieden, zei de minister vooraf, dus zonder dat ze kennis genomen had van ’t doel van actie, dat ze er zich niets van aan zou trekken. Lees verder >>

René van Stipriaan: Tijd voor een tussenjaar

Door René van Stipriaan

Mijn dochter zit aan het einde van een tussenjaar. In augustus begint ze aan haar studie biologie. Waar weet ze nog niet. Ze twijfelt nog. Twijfelen is een goede eigenschap voor een aankomende wetenschapper. Zo twijfelde ze een jaar geleden nog of het wel biologie moest worden. Zodra haar eindexamens waren afgelopen schreef ze zich in voor een aantal matchingsdagen. Bij Italiaans, bij kunstgeschiedenis, bij biologie, en zelfs bij Nederlands. Volgens stemmen in mijn omgeving om haar pappie een plezier te doen.

Ik wist niet of ik er blij mee moest zijn. Gemengde gevoelens. Een mooi vak, maar zit er wel toekomst in, leeft de neerlandistiek eigenlijk nog wel? Is het nog mogelijk om een goed neerlandicus te worden, na jaren gestage, van bovenaf opgelegde, afkalving van het curriculum? Want dit vak is pas echt aantrekkelijk als je het op een hoog niveau kunt beoefenen. En als je gebieden kunt binnengaan die nog nooit door anderen zijn betreden, als je ergens een heel dikke laag stof kunt afblazen, als je kunt aantonen dat twee zaken die mijlenver uit elkaar lijken te liggen toch bij elkaar horen. Die wonderen geschieden nooit op de eerste dag van de studie – ten minste, ik heb daar nog nooit van gehoord. Het gebeurt na eindeloze uren studie. Honderden, duizenden uren waarin je niet verder komt dan het herkauwen van de ideeën van anderen. Het is het langzaam beklimmen van een berg. Aan de voet ben je nog in de bewoonde wereld, er rijden nog auto’s en bussen, maar uiteindelijk kom je op de wandelpaden, en die worden ook telkens wat smaller, terwijl je klimt probeer je op de been te blijven tussen het rulle grind en de wegrollende keien, maar als je omkijkt zie je dat de uitzichten steeds mooier worden. Lees verder >>

Wilbert Spooren: Profielkeuze Cultuur & Gezondheid

Door Wilbert Spooren

Toen ik bij het vorige jublieum van neerlandistiek.nl over de toestand van de neerlandistiek blogde, had ik het over de professionalisering van het vak. Die ontwikkeling heeft zich ongetwijfeld voortgezet: de methodologische grenzen tussen de deelgebieden letterkunde en taalkunde/taalbeheersing zijn scherper geworden, het gebruik van big data en geavanceerde experimentele technieken zijn vaste onderdelen van de gereedschapskist van de empirisch georiënteerde taalonderzoeker en letterkundige onderzoekers dingen succesvol mee naar prestigieuze onderzoeksbeurzen in competitie met bèta- en gammawetenschappers.

Maar er is ook slecht nieuws. De belangstelling voor de studie Nederlands neemt zorgwekkend snel af. De oorzaken zijn divers en voor het merendeel bekend. Zo heeft het profiel ‘Cultuur & Maatschappij’, vanouds de natuurlijke instroom voor de talenstudies, een vreselijk slecht imago, met als gevolg dat het het afvoerputje van de middelbare school dreigt te worden. Nog steeds hoor je over schooldecanen die scholieren verwijzen naar een ‘echt vak’ in plaats van zo’n studie over een taal die je toch al kent. Het schoolvak Nederlands is ook nog eens een verplicht vak, dat door veel leerlingen als een corvee wordt beschouwd. Ze hebben het gevoel vooral getraind te worden in het maken van het centraal eindexamen, dat bovenmatig veel aandacht besteedt aan leesvaardigheid (analyseren, interpreteren, beoordelen, samenvatten) en argumenteren (betogen analyseren en beoordelen).  Lees verder >>

Nicoline van der Sijs: Een mooie toekomst tegemoet

Door Nicoline van der Sijs

Maatschappelijke veranderingen gaan niet ononderbroken in dezelfde richting voorwaarts. Integendeel, ze maken een voortdurende pendelbeweging. In het verleden fuseerden kleine middelbare scholen tot grote scholengemeenschappen, zodat ze meer bestand waren tegen schommelingen in personeel en financiën. Die grote scholengemeenschappen leidden tot anonimiteit van leerlingen en leraren, en werden weer opgebroken in kleinere middelbare scholen. Dezelfde slingerbeweging verwacht ik voor de neerlandistiek. Dat betekent dat we naar het verleden moeten kijken om de toekomst te kunnen voorspellen.

In het verleden was de neerlandistiek een eenheid: onderzoekers en docenten publiceerden en doceerden over zowel taalkunde als letterkunde en taalbeheersing, zij het dat sommige voor één van de disciplines een persoonlijke voorkeur tentoonspreidden. Daarna kwam de specialisatie voor een discipline, en vervolgens kwam er superspecialisatie: een neerlandicus legde zich binnen een bepaalde discipline toe op een specifieke tijdsperiode, theorie, onderwerp. En zo kwamen er steeds meer specialisten op steeds kleinere gebiedjes. Lees verder >>

Lucas Seuren: Toevallig Neerlandicus

Door Lucas Seuren

Ik ben geen Neerlandicus—om John F. Kennedy maar wat te parafraseren. Op de middelbare school was Nederlands niet bepaald mijn favoriete vak. Ik heb me door mijn leeslijst gebluft door, net als veel van mijn medescholieren, een stapel samenvattingen te lezen. Ongetwijfeld had mijn docent het door—hij was absoluut een Neerlandicus—maar liet hij me ermee wegkomen.  Eenmaal aan de universiteit had ik zelfs niks meer met de Neerlandistiek te maken: ik was sterrenkunde gaan studeren. In plaats van Vondel  en de Tachtigers wilde ik Newton en Einstein lezen en begrijpen.

Ook toen ik na vier jaar mijn astronomische ambities opgaf kwam ik niet bij Nederlands terecht. Lees verder >>