Categorie: artikel

Zijn natuurlijke talen groter dan verzamelingen?

Door K.P. Hart

Dit is de vierde in een korte serie blogposts naar aanleiding van een discussie op twitter over dit stuk op Neerlandistiek van Marc van Oostendorp dat zelf weer een reactie op dit artikel van Paul Postal was. In de eerste post kwalificeerde ik een opmerking uit het stuk van Postal als lariekoek. Daar gaat deze post over. Lees verder >>

Ik zocht reisgenoten!

 Kritische aantekeningen bij een themanummer van TNTL

Door Rien Rooker

Het recente themanummer van TNTL 2019, jaargang 135, nr. 2 bevat zes artikelen, met een daaraan voorafgaande inleiding, die de kwaliteit van het literatuuronderwijs in het middelbaar onderwijs, met name gym/vwo, beogen te bevorderen. Dat is op zich prijzenswaardig. Maar wat is nu de indruk die de lezing van de aflevering maakte op een sinds 2008 gepensioneerde docent-Nederlands, destijds afgestudeerd op historische letterkunde? 

Lees verder >>

Een heldenleven na een schurkendood

De romantisering van rovers in folklore en literatuur uit Nederland

Door Roderick Scheltinga

Terwijl de kronkelende landweg langzaam vorm krijgt in het licht van de opkomende zon, komt de koets stukje bij beetje dichterbij. Door de vele gaten in de weg hebben de paarden moeite om de koets vooruit te trekken. Toch zal het niet lang meer duren voordat de koets al schommelend de bocht bereikt waar de weg wordt omgeven door een groot struikgewas. Gebukt achter enkele doornstruiken wrijf ik een paar keer over mijn rug, die stijf en pijnlijk is van het lange wachten. Plotseling klinkt er achter mij een klaterend geluid, onmiddellijk gevolgd door een doordringende geur. Vanuit mijn ooghoek zie ik iemand haastig zijn broek optrekken.

Lees verder >>

De school van WPG

Waarom elke docent Nederlands schatplichtig is aan W.P. Gerritsen (1935-2019)

Dia uit colleges vakdidactiek Nederlands 1&2 op 28 en 29 oktober 2019 (GST UU, Erwin Mantingh).  

Door Erwin Mantingh

Als een vooraanstaande schrijver, dichter, cabaretier of liedjesschrijver een prijs ontvangt of overlijdt, als taalonderzoek de pers haalt, als er een onmisbaar naslagwerk verschijnt over de Nederlandse taal of literatuur: bij taal- en letterenactualiteiten stond ik als leraar, en sta ik als vakdidacticus, kort stil in mijn les of college. Maar wat vertel ik aan leraren-Nederlands-in-opleiding als een groot wetenschapper en neerlandicus overlijdt, wiens wetenschappelijke oeuvre bijna zestig jaar omspant, die ik een kleine twintig jaar van nabij heb meegemaakt als zijn student, student-assistent, promovendus en collega-docent? Een geleerde bovendien van wie de meeste van deze leraren-in-opleiding nog nooit hebben gehoord: op 24 oktober jl. overleed W.P. Gerritsen, de Utrechtse hoogleraar Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen van 1968 tot 2000 en daarna Scaliger hoogleraar in Leiden (2001-2007). 

Lees verder >>

Neerlandistiek: keer het tij

Door Yra van Dijk, Jet Louwerse, Marc van Oostendorp, Ted Sanders en Els Stronks

Achter de ogenschijnlijke eensgezindheid over het belang van het vak Nederlands gaat veel achterstallig onderhoud schuil in het onderwijs in onze taal en cultuur.

Het is tijd voor een noodkreet die harder klinkt dan alle toeterende tractors op het Malieveld bij elkaar. Kennis van de landstaal is fundamenteel voor iedere burger: individueel, maar ook voor het functioneren van de samenleving. De Nederlandse taal is daarin hét bindmiddel en de sleutel tot de kennis van een gemeenschappelijk verleden. Lees verder >>

Fuif: een woord van onbekende herkomst?

Door Renaat Gaspar

Woorden waarvan men de afkomst niet kent, kunnen je aandacht blijven trekken, ook al zijn ze inmiddels – in Noord-Nederland althans – betrekkelijk obsoleet geworden. Zo een woord is ‘fuif’: een niet-openbaar, besloten feest.

Het onderzoek tot nu toe

‘Fuif’ zou volgens Knuttel in het WNT s.v. ‘Fuif’ óf een Nederlands-Indisch óf een studentenwoord zijn. Het zou ontstaan zijn ca. 1850 of nog later. Raadpleging van de Etymologiebank.nl/trefwoord/fuif levert voorts op: alle etymologische woordenboeken zeggen kortweg: herkomst onbekend. Op twee na. De eerste is Vercoullie (1925); hij voegt eraan toe: ‘misschien wel uit het studentenduitsch Pfeiffe’. Dat is dus een blote veronderstelling, zonder enige nadere toelichting. De tweede is De Coster (1992); hij geeft een veel uitgebreidere verklaring. In M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands staat zijn betoog als volgt samengevat:

Lees verder >>

De vergeten luisterhoek van de literatuur

Verkorte voorpublicatie uit Lars Bernaerts & Siebe Bluijs (red.), Luisterrijk der letteren. Hoorspel en literatuur in Nederland en Vlaanderen, dat op 6 december verschijnt. Hier staat meer informatie over de presentatie. .

Door Lars Bernaerts en Siebe Bluijs

Een van de bekendste vernieuwingsbewegingen in de naoorlogse Nederlandse literatuur is ongetwijfeld de beweging van Vijftig. Vandaag wordt de Vijftigerspoëzie van Hans Andreus, Remco Campert, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Sybren Polet, Bert Schierbeek en Simon Vinkenoog literair-historisch en breed cultureel erkend als een mijlpaal in de literatuurgeschiedenis. Ook het proza en in sommige gevallen het toneel van die auteurs zijn het onderwerp van studies en brede interesse en er is veel aandacht geweest voor het beeldend werk van onder anderen Claus en Lucebert. 

Lees verder >>

Moord in het bronsgroen eikenhout

                                                                                                          Door Jos van Cann en Peter Winkels

Telefoon uit Maastricht is de titel van een detectiveroman uit 1955 van toenmalig televisiequizmaster Theo Eerdmans (1922-1977). Behalve in de herhaalde aankondiging van het gesprek, komt de Limburgse hoofdstad niet voor in dit boek. En ook de rest van de provincie niet. In onze speurtocht gingen we op zoek naar thrillers en detectives waarin dat wel het geval is. Dit overzicht belicht leven en werk van Limburgse auteurs en van schrijvers die in Limburg wonen, dan wel de provincie gebruiken als decor in hun werk. Maar ook misdaadromans van anderen die Limburg als achtergrond hebben. Daarnaast schenken we aandacht aan uitgeverijen en andere organisaties en personen die actief zijn of waren op het gebied van misdaadliteratuur. Bovendien bekijken we in dit kader ook het werk van ‘gevestigde’ literatoren op elementen uit de misdaadliteratuur.

Lees verder >>

De Rembrandt-Tutorials. Volledige uitgave, naar beste vermogen bezorgd

door Roland de Bonth & Dirk Geirnaert

Hieronder volgen de volledige teksten die ten grondslag hebben gelegen aan de serie van zes lessen waarin Rembrandt zelf zijn 21e-eeuwse leerlingen onderwijst hoe een portret moet schilderen.

Les 1 – Van de voorbereijdinge ende tschetsen

Gij begeert van mij te verneemen hoe gij Rembrandts schilderij soudet konnen hanteeren? Ha! Voor-al seg ick u: niemant, behoudens mijselven, ken schilderen als Rembrandt. Maer het mach geen quaet u de secreeten ende den gront mijner schilder-konst te leeren. Ontwijfelick weet gij dat ick wtsteecke boven alle Hollantsche maelers. Maer wat niet ider een en weet, is dat ick oock seer wel lessen in de schilder-konst deed. Fraeije ende wtneemende konstenaers als Govert Flinck, Ferdinand Bol ende Willem Drost, ick hebbe die allen den wech geweesen. Beseft daeromme wel: een beeter leer-meester en sult gij niet vinden. Wellekom bij mijne eerste lesse sint 350 jaeren!

Lees verder >>

De grondwet als literatuur

Door F.G. Droste

Koningin Máxima. Bron: Wikipedia

In een interview met de Leidse hoogleraar staatsrecht Wim Voermans komt de essentie van zijn recente boek Het Verhaal van de Grondwet helder naar voren. Maar dat gebeurt ook al in de (dubbele) titel van dit verslag: “Een grondwet is literatuur” en “het is ook een verbeelde wereld”. Even, zij het in het voorbijgaan, roept dit de voordracht op van Koningin Máxima (of was het Mevrouw van Oranje?), die met “De Nederlander bestaat niet” in het jaar 2010 een storm in een glas water veroorzaakte. Bij die storm werd vergeten dat we hier te doen hebben met een paradox, die dicht aanleunt bij de onoplosbare tegenspraak binnen “Alle Kretenzers liegen altijd, zei de Kretenzer”. De spreker komt hier met zichzelf in tegenspraak en dat overkomt Máxima ook. Om de eigenschap “bestaat niet” toe te kennen aan “de Nederlander”, moet die wel bestaan, anders kun je niks zinnigs over hem zeggen. Al heel lang geleden heeft dat probleem een discussie losgemaakt tusen de filosofen Strawson en Russell, waarbij Strawson zeker aan het langste eind trok, door te stellen dat je voor het toekennen van een eigenschap wel een object nodig hebt. 

Lees verder >>

De grootste dijkbreukzanger van Nederland: Marco Borsato of Hendrik Tollens?

Door Lotte Jensen

In 1995 dreigden grote delen van Nederland te overstromen. In Limburg traden de rivieren buiten hun oevers en in Gelderland bestond er ook een groot risico op overstromingen. Uit voorzorg werden meer dan 250.000 mensen geëvacueerd, die onderdak vonden bij familie of in de Jaarbeurshallen van Utrecht. 

Er dreigde een enorme ramp en Nederland kwam in actie. Zo kon het gebeuren dat Henny Huisman en Linda de Mol op een avond in februari miljoenen Nederlands opriepen om te doneren aan de slachtoffers van Midden- en Zuid-Nederland. Tal van artiesten waren opgetrommeld. Marco Borsato was een van hen en zong een hartverscheurend lied, getiteld ‘Water waarom’. Hartstochtelijk zong hij: ‘Maar nu gaan de oude dijken / door de overlast bezwijken / Het water beukt met grote golven / En laat zich door geen mens beheersen’. Snikkend haalde hij uit. Wie kon onbewogen blijven bij deze stromen vluchtelingen? Machteloos moest iedereen toezien hoe, in typische Borsato-taal, ‘alles wat je liefhebt nat wordt’. 

Gaandeweg de avond werd duidelijk dat de dijken het zouden houden. Intussen hadden de Nederlanders ruimhartig de beurs getrokken: de totale opbrengst was maar liefst 66 miljoen gulden, een astronomisch bedrag! Maar de ramp bleef uit. Dat deerde echter weinigen. De bijna-ramp had een geweldige televisieshow opgeleverd én een nieuwe nationale dijkbreukzanger: Marco Borsato.  

Lees verder >>

De meertaligheid van ‘Undercover’

door Jan Stroop

Er is altijd wel wat met Nederlandse films die in een regio spelen en waarin de voertaal de taal van die regio moet zijn.  Zo herinner ik me de serie over Merijntje Gijzen, die in West-Brabant speelt, maar waarvan de taal een  West-Brabander  doet huiveren. Voorbeeld: den (h)emel of den (h)el moet zijn den (h)emel of del.

In de film over Michiel de Ruyter speelt Frank Lammers de hoofdrol, maar wat er uit z’n mond komt, zou De Ruyter niet verstaan: Lammers spreekt een mengtaaltje, dat allesbehalve Zeeuws is, eerder Brabants. Ik heb daar toen een stukje over geschreven.

Lees verder >>

Communicatie en cognitie in het taalgebruik

Door Flip G. Droste

Communicatie & Cognitie, hier tot een eenheid samengevoegd door het &-symbool, zijn als lichaam en brein: alleen in samenspel komen ze tot leven. Dat geldt zeker voor de natuurlijke menselijke taal: buitenkant-binnenkant, vorm-functie. Dat het in het taalgebruik om tekens en tekengeving gaat lijkt evident. Het taalteken in de theorie van De Saussure, schijnt echter aan de gedwongen samenhang te ontglippen. Voor hem is het taalteken een abstractie: “Le signe linguistique unit non une chose et un nom, mais un concept et une image acoustique”. Daarbij wordt echter uit het oog verloren dat dat ‘signe’, dat taalteken, alleen functioneert dankzij de lichamelijke realisatie. Het teken voltooit zich op de adem, zodat er volgens het Oude Testament pas licht is als de schepper licht zegt: longen, luchtpijp, mondholte.

Lees verder >>

De prostituée en de fatsoenlijke: Van Hulzens De twee zij’s (1901)

Door Sander Bink

Om voor de verandering eens niet Baudelaire maar Borges (Historia de la eternidad) kort door de bocht te parafraseren denk ik evenals deze dat de schoonheid overal te vinden is. En de proof is in de pudding want de hoeveelheid officieel tweederangs schrijvers en kunstenaars waarover ik elders publiceerde en die ik in het slechtste geval zelfs heruitgaf is schier eindeloos. Het is niet dat ík die mooi vind, want als je (zoals ik) bij de Kruidvat werkt doe je ook niet voor je lol des avonds nog lippenbalsem op, maar ik doe zoals u weet gewoon mijn vieze ondankbare kunst- en literair-historische graafwerk.

Heel soms kom je dingen tegen die je zelf best aardig vind, zoals onlangs de schets ‘De twee zij-s’ van Gerard van Hulzen. Het is gedateerd 1899 en verscheen eerstens in De Nieuwe Gids van begin 1901 en kort daarna in de eerste bundel (in 1906 volgde een tweede) Cinematograaf: trilbeelden.

Beide bundels zijn redelijk zeldzaam dus altijd kopen als u ze ziet. Van Hulzen kent u waarschijnlijk sowieso als u wel eens door tweedehands boekentroep struint want daar zitten zijn latere romans doorgaans wel tussen. Zelf ben ik daar nooit doorheen gekomen, die romans dus, die troep zit ik de hele dag tussen, maar zijn vroege schetsen, waarvan we er hier al eens een bespraken, zijn best aardig.

Lees verder >>

Bloemhofjes en Tijdverdrijvers: Schriftuurlijke Raadsels

Door Marti Roos

Naast boekjes met raadsels voor vermaak, zoals het Clucht boecxken, die sinds het midden van de 16e eeuw het licht zagen, verschenen er ook boekjes met zogenoemde schriftuurlijke of religieuze raadsels. Enerzijds sluiten deze aan bij catechismussen, waarin godsdienstige kennis met betrekking tot de bijbel en de geloofsleer werd overgebracht in de vorm van vraag en antwoord (eventueel voorzien van een vindplaats in de bijbel); anderzijds bevatten ze ook spitsvondige vragen over bijbelse curiosa afkomstig uit de kloostertraditie, die sinds de vroege middeleeuwen in verschillende handschriften zijn overgeleverd, en naar de titel van een aantal hiervan als Joca Monachorum (‘mopjes van monniken’) worden aangeduid. Zo werd in de schriftuurlijke raadselboekjes toch het leerzame met het aangename gecombineerd.

Lusthof

In 1679 verschijnt de Lusthof der goddelyke historien, of den christelijken tijdverdrijver, een lijvig boek om bijbelkennis op te doen door middel van vraag en antwoord. Het is een vertaling van het Duitstalige Christlicher Zeituertreiber, oder Geistlich Retzelbuch van de hand van Michael Sachs, een werk dat met zijn thematische indeling en quizachtige vragen bijzonder populair was. Het werk verscheen voor het eerst in 1593 (eerste deel) en 1597 (tweede deel) en werd meer dan twintig maal herdrukt. De Nederlandstalige Lusthof is vijfmaal herdrukt, voor het laatst in 1772.

Lees verder >>

Karel de Waele, letterkundige

Over Karel De Waele (1839-1914)

Door Renaat Gaspar

Het eerste deel van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (A – Ajuin) verscheen in 1882. Het werd voorafgegaan door een lijst van intekenaren, opgesteld in de jaren ’60 van die eeuw en ingedeeld naar land en provincie. In de lijst van ingetekende Oost-Vlamingen treffen we voor het dorp Sinaij aan: Karel de Waele, letterkundige. Als zodanig figureerde zijn naam naast die van Potgieter, Conscience en Gheselle [sic!]. Beslist geen mindere goden onder de toenmalige literatoren. Je zou denken: wat een eigenwaan van die De Waele uit het Waasland. Toch was het niet helemaal ten onrechte, dat De Waele zich als letterkundige afficheerde, want hij had enkele jaren eerder een dichtbundel gepubliceerd: Mijn eerste stap. Liederen en gedichten, Sint Nicolaas [=St. Niklaas] 1863.

En het was zeker niet allemaal broddelwerk in dat boekje; gelet op de inhoud waren er wel degelijk heel acceptabele verzen bij. Maar de vorm van al die 31 gedichten kwam sterk overeen met die in het werk van menige collega-dichter, in Vlaanderen en Nederland: veel bombast, cliché-taal en ontboezemingen als van een licht overspannen geest, en dat alles gelardeerd met een aantal uitroeptekens. Kortom: taalgebruik in de trant van Bilderdijk, de dichter die niet alleen in Nederland maar ook in Vlaanderen (bijvoorbeeld door de jonge Gezelle) zo bewonderd werd.

Lees verder >>

Dalend taalniveau bij jongeren: we kunnen het tij keren

Door Lieven Buysse, Lars Bernaert, Kristoffel Demoen, Elke D’hoker, Patrick Goethals, Liesbet Heyvaert, Alex Housen, Tanja Mortelmans, Paul Pauwels, Ann Peeters, Esli Struys, Erwin Snauwaert, An Vande Casteele, Kornee Van der Haven en Toon Van Hal.

De taalvaardigheid van instromende hogeschoolstudenten daalt: 18-jarigen weten niet meer wat woorden zoals empathie of impliceren betekenen, zo blijkt uit onderzoek van Odisee (DS 20/5). Het is maar een van de tekenen die erop wijzen dat de talenkennis van Vlaamse jongeren erop achteruit gaat. In 2016 bijvoorbeeld suggereerde het PIRLS-onderzoek – dat het niveau van begrijpend lezen in het vierde leerjaar peilt – dat de leesvaardigheid in Vlaanderen in vrije val is. Ook voor de vreemde talen werd al herhaaldelijk aangetoond dat het instroomniveau in het hoger onderwijs erop achteruitgaat. Het is tijd om in te grijpen.

Al te vaak wordt talenkennis verengd tot het louter instrumentele doel van een boodschap kunnen verstaan en zelf produceren. Uiteraard is dat een basisvereiste, maar belangrijker nog is dat taal de toegangspoort vormt naar de meest essentiële vaardigheden voor de samenleving van vandaag: kennis, inzicht en kritisch en probleemoplossend denken. Om die vaardigheden te ontwikkelen, is talenonderwijs nodig dat voorbijgaat aan het of/of-verhaal dat hetzij bijna uitsluitend inzet op communicatieve competenties hetzij op lexicale en grammaticale kennis. Uiteraard moet een mondige burger in de 21ste eeuw zich perfect kunnen uitdrukken in zijn of haar moedertaal en verschillende vreemde talen, maar dat lukt enkel met het stevige fundament van taalinzicht.

Lees verder >>

Woorden zijn geen oorden

Door Flip G. Droste

[Oud Vlaams spreekwoord: Op woorden kun je niet bouwen; Woorden zijn onbetrouwbaar; Taal dekt niet de werkelijkheid]

.I.

Dat taal er niet altijd in slaagt de werkelijkheid vast te leggen, is een vaak terugkerend thema in de filosofie. Zo betoogt ook Verhoeven dat taal een barrière kan vormen als zaken die onze verwondering wekken onder woorden gebracht moeten worden. Hetgeen veelal eerder te wijten is aan een teveel dan aan een tekort aan woorden [1]. Als Wittgenstein zijn vermaarde Tractatus besluit met het wat treurige adagium “Waarvan je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen” [2] lijkt dat ook aan een tekort van de  taal te wijten. En Chomsky meent “hoewel taal machtig en creatief is, hebben de kracht en de creativiteit ervan hun grenzen” [3]. Ook hier blijkbaar een grens waar de woorden niet overheen kunnen.

Waar het hier in essentie om draait is betekenis, de relatie tussen de talige representatie en datgene wat er door wordt aangeduid. Tekortschieten van het betekenisproces dus. Dat is geen kleinigheid: wij blijken immers niet buiten dat proces om te kunnen, op welk geestelijk niveau dan ook. Niet lang geleden vloog een rotsblok uit de ruimte onze dampkring binnen: een groot, sigaarvormig object dat met een snelheid van 40 km/sec fel brandend voortvloog. Onmiddellijk barstten speculaties los over de mogelijke interpretatie van dit verschijnsel. Was het een verkenner uit de ruimte? Een ruimteschip met een kapotte motor? Een spion of, erger nog, de aankondiging van een aanstaande apocalyps? Eén ding: het moest wel een betekenis hebben, immers “we kunnen niet tegen betekenisloosheid” [4]. Lees verder >>

Reynaert door de ogen van een oorlogskind : Een portret van G.-H. Arendt

Door Jan de Putter

In 1965 verdedigde Arendt zijn Inaugural-Dissertation Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos Van den vos Reynaerde. De vragen die Arendt stelde waren geheel nieuw voor de Nederlandse reynaerdistiek en door zijn onderzoek verschoof de aandacht van de auteursvraag naar de boodschap van de tekst. Dat zijn grensverleggende dissertatie niet los gezien mag worden van de wonden die de oorlog had geslagen, is geheel onopgemerkt gebleven. Vanuit dit perspectief had hij de moed vragen te stellen aan een literaire tekst. Een portret van een man die als kind getekend werd door de oorlog en in de wetenschap een vluchtweg vond.

Foto bij artikel in NRC. Fotograaf onbekend, copyright niet vermeld. Heeft iemand het origineel?

Wat satire vermag, was een onderwerp dat in de jaren zestig hoog op de onderzoeksagenda van Duitse literatuuronderzoekers stond. Ook in Keulen, waar Arendt promoveerde, was het een thema. De belangstelling van literatuurhistorici voor het onderwerp kan niet losgezien worden van het recente verleden. Onder de nazi’s werd satire op de machthebbers niet geduld. Aan satire in de stijl van Karl Kraus had het ontbroken. Het werk en de redevoeringen van de rattenvanger Hitler waren echter op zich al zo belachelijk dat ze niet geschikt waren voor een parodie, zo vond Arendt (p. 52-53). The Great Dictator van Chaplin bewijst het ongelijk van Arendt, al parodieerde Chaplin niet de woorden maar alleen de vorm van Hitlers redevoeringen. Lees verder >>

Het geduld van Griselda

Door Viorica Van der Roest 

De middeleeuwse heldin Griselda zou geen punten scoren bij hedendaagse feministen, maar in de periode van de vroege boekdrukkunst was ze mateloos populair. In het nieuwe nummer van het Journal of Dutch Literature (2019, 1; via open access in te zien) staat een artikel van Rita Schlusemann over de vorm waarin dit verhaal in de Nederlanden en Engeland in druk verscheen. Er blijken aanzienlijke verschillen tussen de Nederlandse en Engelse situatie te zijn; Schlusemann oppert dat deze misschien vooral te maken hebben met het feit dat de Nederlandse drukken anoniem waren, terwijl de verschillende Engelse drukken steeds een weergave zijn van het werk van een (bekende) auteur.

Waar ging dat verhaal van Griselda nu precies over? Griselda is een jonge vrouw van eenvoudige afkomst, maar ze trouwt desondanks met de markies van Saluce, die haar vervolgens schandalig behandelt. Hij laat haar geloven dat hij hun kinderen heeft vermoord en verstoot haar daarna van zijn hof. Volgzaam en met engelengeduld ondergaat Griselda dit alles. Haar beloning: aan het eind van het verhaal wordt ze herenigd met haar dood gewaande kinderen en met haar man. De moraal: een geduldige en volgzame vrouw wint altijd.

Het verhaal werd voor het eerst door Boccaccio opgeschreven, als het honderdste verhaal in zijn Decamerone (1349-1353). Lees verder >>

‘Dan deed ze het werk van een man’

Moraal, politiek en emancipatie bij Haitskemoei

Door Abe de Vries

Een niet-geïnterpreteerde tekst uit het verleden is als een onuitgepakt cadeau.
Marita Mathijsen

Buste van Waling Dijkstra in Holwerd. Keunstwurk

Tussen de memorabele vrouwenfiguren in de literatuur in Nederland zou ook makkelijk de Friese Haitskemoei van Waling Dijkstra kunnen staan. Als voorbeeld van emancipatie verschijnt in de Friese literatuur al in het midden van de negentiende eeuw, twintig jaar voor het begin van de Eerste Feministische Golf, een maatschappelijk onafhankelijke en zelf denkende en handelende vrouwenfiguur op het toneel. Dat is Haitskemoei, Haitske Klaversma zoals ze voluit heet.

Haitskemoei is zonder twijfel een van de interessantste karakters in het werk van schrijver, dichter en voordrager Waling Dijkstra (1821-1914). Tussen 1855 en 1878 heeft hij aan haar belevenissen en overdenkingen vier lange, al dan niet ingeleide en in boekvorm gepubliceerde gedichten gewijd, plus een publicatie met samenspraken van haar kinderen, en dan nog twee ‘brieven’ in de tweemaandelijkse periodiek De Fryske Húsfreon [De Friese Huisvriend] en een in het weekblad De Fryske Nysbode. Hij heeft van haar zelfs de centrale figuur van een literaire familie gemaakt. Haitskemoei is weduwe, haar man is rond 1835 overleden, en ze krijgt vaak bezoek. Boer Seakeleboer, met wie ze correspondeert, moet tante tegen haar zeggen. Schrijver Japik Japiks, die ook in de Húsfreon publiceert, wordt gepresenteerd als een halfbroer van Haitskemoei. En Eabele Trochnoasker [doorneuzer], die in 1854 Twa tekeningen út it Fryske folkslibben publiceert, is haar volle neef. Onnodig te zeggen dat dat allemaal alter ego’s van Dijkstra zijn. Lees verder >>

‘Kon ik mijn binnenwereld maar fotograferen!’ Het beeldend werk van Willem Frederik Hermans

Door Peter Kegel, Bram Oostveen, Daan Rutten en Marc van Zoggel

Afbeelding uit Fotobiografie met de bijbehorende tekst van Hermans: ‘Er werd een statieportret van de nieuwe wereldburger gemaakt, zoals het hoort.’

Willem Frederik Hermans was lector in de fysische geografie en bovenal literair auteur, maar minder bekend is dat hij aan het eind van de jaren vijftig ook een carrière als professioneel fotograaf ambieerde. Hij schreef zich onder de naam ‘Persfotobedrijf W.F. Hermans’ zelfs in bij de Kamer van Koophandel en ging lessen volgen aan de Fotovakschool in Den Haag om het benodigde diploma te halen. Het werd geen succes. Hermans zakte voor het examen, maar niet ‘doordat ik een slecht fotograaf ben’, zo schreef hij aan zijn Vlaamse collega Gust Gils, maar omdat hij de ‘zeer dure en belachelijk slechte schriftelijke cursus’ niet had gevolgd.[1] Die was in zijn ogen dan ook vooral bedoeld voor ‘de doordouwers die, hoewel van elk artistiek geweten gespeend, toch de kost willen verdienen door op een knopje te drukken’.[2] Uiteindelijk schreef Hermans zich in 1962 weer bij de Kamer van Koophandel uit. Lees verder >>

Er was eens een sprookje en dat heette Stadsfries

Over het misleidende van een zeventiende-eeuwse naam.

Door Reitze Jonkman en Arjen Versloot

Begin november is op de ‘Dach fan ut Stadsfries’ het boek Sprookjes fan Grimm in ut Stadsfrys verschenen met daarin 50 sprookjes in zeven verschillende stadsdialecten van Fryslân. De naam Stad(s)fries is echter erg misleidend, want het is geen Fries, maar een dialect van het Nederlands. Er wordt ook wel gedacht dat het een mengtaal is van Fries en Nederlands, maar dat is een sprookje. In dit artikel wordt verslag gedaan van een (taal)historisch onderzoek naar de achtergronden van de naam en het dialect.

Historisch onderzoek naar het ontstaan van naam en dialect

Eind zeventiende eeuw gebruikte Johannes Hilarides als eerste de term StadfriesenStadtaal, de taal die in de Friese steden wordt gesproken. Over de taalkundige inhoud van die taal laat Hilarides geen misverstand bestaan: Lees verder >>

Uitzicht op de grond

C.O. Jellema’s herinnering aan de Nationale synode van Dordrecht (1618-1619)

Door Louisa van der Pol

Aanstaande zaterdag, 10 november 2018, is in de Augustijnenkerk te Dordrecht de officiële opening en start van ‘Ode aan de Synode’: de herdenking van de “eerste en enige internationale protestantse kerkvergadering in de vroegmoderne tijd”, die op 13 november 1618 begon. Mr. J. P. H. Donner houdt een “verzoeningsrede” en koning Willem-Alexander zal een “bij de gelegenheid passende passage” voorlezen uit de Statenbijbel, als “eerbetoon aan dit belangrijke erfgoed”. De herdenking zal net zo lang duren als de synode toen, 180 dagen. Aan het eind van die periode zal een verbond tussen de kerken gesloten worden in de Grote Kerk van Dordrecht (op 29 mei 2019), waarmee gestreefd wordt naar eenheid in alle verscheidenheid.

Te veronderstellen dat de dichter C.O. Jellema (1936-2003) de Dordste synode herdacht heeft – zoals de titel van dit artikel suggereert – ligt niet voor de hand. Lees verder >>