Auteur: Ton Harmsen

Misdaad en straf bij Seneca en Spinoza

Door Ton Harmsen

Clytaemnestra op weg om Agamemnon te dodenRond 1640 ontdekte Vondel Sophocles, en daarmee was het afgelopen met zijn liefde voor Seneca. Maar dat betekende niet dat deze wijze woordkunstenaar verwaarloosd werd. Zijn briljante dialogen, zijn encyclopedische kennis van mythologie, zijn originele stijlfiguren en zeker de stoïcijnse levenslessen in zijn sententiae vonden alom bewondering en navolging. Bij auteurs die voor de schouwburg schreven was enig effectbejag daar niet vreemd aan: gruwelen op het toneel en luidruchtige donderpreken trekken meer publiek dan fijnzinnige redeneringen en uitingen van gevoelens. Maar de echte Seneca-liefhebber bekommerde zich niet om de uitvoering: Seneca werd een auteur van typische leesdrama’s, aangrijpend door de diepe wijsheid, de prachtige taal en de originele opbouw.

In de Nederlanden verschenen zijn Latijnse tragedies veelvuldig, maar slechts vier van de tien zijn in de zeventiende eeuw in het Nederlands vertaald. In 1661 publiceerde Gronovius de Tragoediae bij Elzevier in Leiden. Die geannoteerde editie bracht Lambert van den Bos in datzelfde jaar tot de vertaling van Agamemnon. Deze Dordtse conrector stelde een groot aantal historiewerken samen, en hij werkte enthousiast aan de verspreiding van klassieke literaire teksten. Hij sprak in zijn Wegh-wyser voor Italien over de kerken en de kastelen van Napels, en heeft nog bijna honderd andere boeken op zijn naam staan, waaronder veel vertalingen: Don Quichot van Cervantes, De volmaeckte hoveling van Castiglione, De Napelse beroerte van Giraffi, De Joodse historien van Flavius Josephus, enz.

Lees verder >>

Anthonius Hambroek en het verwaarloosd Formosa

Door Ton Harmsen

In zijn toneelstuk Trazil laat Antonides van der Goes de Chinese aartspriester kritiek uiten op het optreden van de Spaanse missionarissen in Perù. Daarmee laat hij zien dat de Europese expansie een mondiaal probleem was. De gruwelen in Zuid-Amerika waren alom bekend – vooral door de in 1542 geschreven bestseller van de dominicaan Bartolomé de las Casas, Brevísima relación de la destrucción de las Indias (Seer cort verhael vande destructie van d’Indien) – en in Nederland was die kennis koren op de molen van de anti-Spaanse propaganda. Vondel schreef in de Zegesang ter eere van Frederick Hendrick de Peruviaanse koning postuum leedvermaak toe toen hij ‘vernam’ dat de Spanjaarden ’s-Hertogenbosch hadden verloren (1629):

.                                                De schim van Attabaliba
.                            Vernamt, en huppelde om uw’ scha.
(Zegesang vs. 541-542; vergelijk Antonides’ uitvoerige bewerking in de Ystroom boek 2 vs. 242-308)

De Spaanse missie is een aantrekkelijker doelwit dan de Nederlandse zending, maar als hij het gewild had zou Antonides veel dichter bij Peking ook een voorbeeld hebben kunnen vinden: Lees verder >>

Met Vondel naar Peking

Door Ton Harmsen

Zoals in Neerlandistiek.nl eerder deze week is aangekondigd speelt Theater Kwast op 2 juli in het Frans Halsmuseum Vondels laatste tragedie, Zungchin. Doe geen moeite om kaarten te krijgen, de voorstelling is al lang uitverkocht. Alles wat hij in 80 jaar had verworven aan poëzie, epiek (Vergilius), lyriek (Horatius) en dramatiek (Sophocles) balt Vondel in een ultieme krachtsinspanning samen in dit duistere meesterwerk. Met zijn onheilspellende nachtelijke uitstraling is Zungchin een fascinerend kunstwerk. Vondel beziet de gebeurtenissen in Peking vanuit de ogen van de katholieke missionarissen. Hij had contact met jezuïeten die de gebeurtenissen rond de missie op de voet volgden, en in Amsterdam verscheen in die jaren een aantal belangrijke publicaties over de actuele toestand in China.

De catalogus van de tentoonstelling in het Frans Halsmuseum, Barbaren & wijsgeren; het beeld van China in de Gouden Eeuw, onder redactie van Thijs Wetsteijn en Menno Jonker, geeft weer hoe goed men in Amsterdam geïnformeerd was. In 1665 verscheen een grote informatiebron: Het gezandtschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham. In dat boek beschrijft Joan Nieuhof de diplomatieke reis van VOC-ambtenaren naar Peking, tien jaar eerder. Nieuhof maakte deze reis mee, en onderweg noteerde hij alles wat hij kon vinden over de geschiedenis, de bevolking en het landschap. Hij maakte honderden tekeningen. De originele tekeningen, nu in Parijs, zijn in 1984 teruggevonden door Leonard Blussé. De 150 illustraties in het boek zijn aangepast aan de smaak van Amsterdam. Nieuhof tekende zonder veel artistieke pretentie bergen, pagodes, schepen en ambachtslieden; met geavanceerde graveertechniek werden die gecombineerd tot dramatische composities. Lees verder >>

Pieter Langendijk op weg naar de égalité

Door Ton Harmsen

Kan een klucht ook een ernstig onderwerp behandelen? De zwetser van Pieter Langendijk (1712) bewijst het. Het spel is vermakelijk genoeg om een klucht te heten, en bovendien kort, zonder ingewikkelde intrige, niet in een verheven stijl en zonder veel ontwikkeling in de karakters. Toch gaat deze klucht over een zaak van maatschappelijk belang, een ernstig onderwerp dat in de vroege achttiende eeuw heel actueel was. Toen moest de burgerij zijn plaats naast of zelfs boven de adel legitimeren, en daarvoor is de eenvoudige intrige van Langendijk heel geschikt.

Op het eerste gezicht is De zwetser een kluchtje over de liefde, een vader koppelt zijn dochter aan een vreselijke man en hij schuift haar charmante geliefde terzijde; geholpen door zijn knecht zet deze de situatie naar zijn hand. Izabelle, een jongedame uit een adellijke familie, wil trouwen met Karel, een burgerjongen. Ernst, haar vader, is daar faliekant tegen: het adellijk geslacht moet in stand gehouden worden. Die vader is niet dom, maar hij zit vastgebakken aan een oud vooroordeel. Karel, de geliefde van Izabelle, wil bewijzen dat hij ondanks zijn burgerlijke afkomst een goede schoonzoon zal zijn. Een schijnbaar onmogelijke taak, maar als blessing in disguise komt er nu een afzichtelijke Duitser op het toneel, kapitein Hans, die naar de hand van Izabelle dingt. Ernst steunt deze snoevende militair ten volle. Lees verder >>

Bloedwraak leidt tot ellende in het schooltoneel

Door Ton Harmsen

Na al die voorspellingen voor 2042 toch maar weer iets over een toneelstuk uit 1742: koning Baasa roeit de familie van zijn voorganger uit. De Nederlandse literatuur is rijk aan Latijnse toneelstukken. Behalve tweehonderd complete, gedrukte teksten zijn er ook zo’n tweeduizend programmaboekjes met een synopsis van een toneelstuk bewaard. Een klein deel van die spelen is geschreven door humanistische literatoren: Daniel Heinsius en Hugo de Groot zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Het overgrote deel van het Latijnstalige toneel is van de hand van schoolmeesters. Op de Latijnse scholen van de zestiende tot de achttiende eeuw was toneel een populair didactisch middel om de leerlingen vertrouwd te maken met conversatie in het Latijn. Er waren Latijnse toneelstukken genoeg om op te voeren: de antieke spelen van Plautus waren niet zo stichtelijk, maar die van Terentius waren, met enige aanpassing, bruikbaar. Wie de kinderziel niet wilde confronteren met bedrog en overspel moest echter zelf aan de slag om een spel te schrijven.
Lees verder >>

Ton Harmsen: Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen wedijveren

Door Ton Harmsen

Neerlandistiek.nl in 2042? Dat zal er heel anders uitzien dan vandaag. De computer heeft dan geen beeldscherm en geen toetsenbord meer, en de schijfopslag zweeft in een satelliet boven de aarde. Toch hoop ik dat er dan veel hetzelfde is gebleven.

In ieder geval de formule van dit blog: een gezonde mengeling van artikelen over uiteenlopende onderwerpen die voor de studie van Nederlandse taal- en letterkunde van belang zijn. Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen wedijveren. Het verruimt de blik: wie de woordvolgorde in het Nederlands bestudeert kan zijn voordeel doen met waarnemingen over het Katwijks dialect, en wie Vondel analyseert ook. Elke dag een gedicht te lezen krijgen is een gestage verrijking. Ik hoop ook dat de gevarieerde toon waarop de auteurs over al die dingen spreken niet verandert: naast academisch proza ook af en toe een kwinkslag en naast een briljante gedachte een roekeloze overweging. Lees verder >>

Bloedwraak loont in Vondels Gebroeders (1640)

Door Ton Harmsen

Hugo de Groot is voor Vondel een grote steun geweest. Zij waren verbonden in hun gemeenschappelijke afkeer van de gerechtelijke moord op Oldenbarnevelt en in hun verzet tegen iedereen die deze misdaad goedkeurde. En met zijn Latijnse tragedies en met zijn commentaren op de Griekse tragici wees Grotius Vondel de weg van Seneca naar Sophocles. Voor de literatuurgeschiedenis is dat van enorme betekenis geweest. Toch is het contact met Grotius steeds minder geworden: de diplomaat in Parijs, en de lakenkoopman stonden te ver van elkaar. Het zal voor Vondel een geschenk uit de hemel zijn geweest dat in 1631 Gerardus Joannes Vossius op tien minuten lopen van hem vandaan kwam wonen: een belezen man met heldere ideeën over de geschiedenis van de tragedie, een kenner van de theorie en de praktijk van de antieke poëzie. Vossius verloor geen tijd aan andere zaken dan zijn onderzoek, en als er een gast in zijn studeerkamer binnenkwam draaide hij een zandloper om, om de bezoeker erop te wijzen dat hij de kortste keren weg moest wezen. En Vondel was ook niet iemand die vrienden zocht: zijn zeer omvangrijke werk is maar zelden van een lofdicht voorzien, in dat opzicht is hij absoluut een tegenpool van Constantijn Huygens. Maar Vossius en Vondel zullen elkaar van meet af aan interessant hebben gevonden, de grote literatuurhistoricus en de grote literator. Om hem te helpen bij de vertaling van Sophocles’ Electra in 1639 stuurde Vossius zijn zoon Isaac naar Vondel. Jarenlang bleef er contact tussen de dichter en de professor bestaan: het beroemde uitleenboekje van Vossius, een katerntje waarin hij noteerde wat hij aan wie uitleende, toont het aan. Lees verder >>

‘Maar zie ik sta op mijn respekt’: een zeventiende-eeuwse rapper

Door Ton Harmsen

Persoonlijk ben ik geen liefhebber van het genre, maar ik heb wel een duidelijk beeld van wat ‘rap’ is. Het is wat eentonig gezang dat tegelijk opgewonden en treurig klinkt, maar zich gunstig onderscheidt door een enorme taalrijkdom: een vocabulaire waar noch Ilja Pfeiffer noch Louis Couperus zich (kwantitatief!) voor zou schamen, en een gevarieerd taalgebruik waar de taalkundigen helemaal gelukkig van worden. Ik geef toe dat ik dit pas sinds kort weet, nu eerder deze maand in Neerlandistiek.nl door Alex Reuneker, Vivien Waszink en Ton van der Wouden gerapporteerd werd over hun onderzoek naar het lexicon van het Nederhops. Hun bevindingen had ik voor kennisgeving aangenomen, maar nu Feike Dietz de ‘rap’ in verband brengt met zeventiende-eeuwse poëzie ben ik er toch even over gaan nadenken. Feike Dietz legt verband tussen de taal der rappers en de grammaticale diversiteit van Vondel en Hooft, die zich in hun proza inhouden maar in hun poëzie graag goochelen met negatiepartikels en naast ‘zo een mooi’ gedicht ook ‘een zo mooi’ gedicht schreven; mij lijkt dat niet verwonderlijk omdat hun (meestal jambische) metriek een zekere ritmische variatie uitlokt. Vondel en Hooft lijken mij verder niet goed te vergelijken met De Jeugd van Tegenwoordig; het is misschien aardig eens te zoeken naar zeventiende-eeuwse poëzie die dichter bij de rap staat dan de Baeto en de Lucifer. Lees verder >>

François van Hoogstraten, van mystiek naar humanisme

Door Ton Harmsen

Van mystiek naar humanisme – hoe groot is die stap? In ieder geval klein genoeg om door één auteur genomen te worden. François van Hoogstraten (1632-1696) is (behalve als lid van een familie van boekhandelaars, kunstschilders en literatoren) vooral bekend omdat hij in 1676 de Lof der Zotheid in het Nederlands vertaalde, en een jaar daarna Erasmus’ Handboexken van den christelijken ridder en de Utopia van Erasmus’ vriend Thomas More. Maar deze humanist is begonnen als vertaler en bewerker van mystieke werken. In 1659 werd hij (naar eigen zeggen) gegrepen door het Libro de la vanidad del mundo (1562) van Diego de Estella, dat hij vertaalde als De versmading der wereltsche ydelheden (door hemzelf uitgegeven in 1659). Deze mystieke, katholieke literatuur fascineerde hem lange tijd. In 1668 inspireerde het leven voor God hem tot een bijzondere embleembundel onder de titel Het voorhof der ziele, waarin hij Estella herhaaldelijk citeert. Lees verder >>

Arlekyn Hulla: een oosters huwelijksritueel in een westerse klucht

Door Ton Harmsen

De rijke cultuur van het oosten inspireerde tal van toneelschrijvers in de zeventiende en de achttiende eeuw. Sultans en imams waren bekende verschijningen op het toneel. Aan de universiteiten werd arabistiek beoefend, en ook bij het grote publiek bestond veel belangstelling voor de landen van de tulpen en de tulbanden. In 1657 verscheen een vertaling van de Koran door Jan Hendrik Glazemaker, naar de Franse vertaling van André du Ryer. Deze tekst is verschillende malen herdrukt. Kennis van de Koran was dus voorhanden, maar niemand  nam het een kluchtschrijver kwalijk als hij hier en daar een loopje nam met de mohammedaanse leer. In het spel Arlekyn Hulla is de leer van de sharia ondergeschikt gemaakt aan de vaart van de komische intrige. In de Koran staat het volgende over echtscheiding gevolgd door een nieuw huwelijk tussen dezelfde man en vrouw:

.        Degeen, die sijn gemalin driemaal verstoten heeft, mach haar niet weerneemen, tot dat zy aan een ander gehuwt heeft geweest, van de welk zy ook verstoten is; dan mogen zy weer te samen keren, en sonder sonden weer trouwen, zo zy achten dat zy in de palen, van God voorgeschreven, die hy aan de wysen en voorsichtigen openbaart, konnen blyven. (Mahomets Alkoran, naar de vertaling van J.H. Glazemaker, Leiden 1721, p. 27)

Lees verder >>