Auteur: Ton Harmsen

Erasmus’ strijd tegen de oorlog

Door Ton Harmsen

Benlliurs CharonIn het derde hoofdstuk van zijn autobiografie (La vita scritta da lui medesimo) staat Benvenuto Cellini tegenover een dreigende groep mensen. Onvervaard zwaait hij met een mes, terwijl hij zelfverzekerd uitroept: ‘als iemand mij aanvalt, haal dan snel de biechtvader, want de dokter zal niets meer voor hem kunnen doen’ (corra per il confessoro, perchè il medico non ci avrà che fare). Het is grootspraak, het is spotten met de dood. Ik moet eraan denken bij de wrange grap die Erasmus in zijn colloquium ‘Charon’ maakt over de dood van de Vrede.

Erasmus was geen politicus; hij heeft niet bijgedragen aan het oorlogsrecht of aan supranationale instituties zoals Hugo de Groot deed. Maar vrede is een enorm belangrijk thema in al zijn werken, en het denken over oorlog en vrede heeft hij ingrijpend beïnvloed. Sommige werken zijn er zelfs geheel aan gewijd, zoals Klacht van de Vrede (Querela Pacis van 1517) en het overbekende adagium ‘Oorlog lijkt mooi voor wie geen oorlog hebben meegemaakt’ (Dulce bellum inexpertis). Ook in de Colloquia spreken burgers vaak vol afschuw over hun oorlogszuchtige vorsten. In Charon verplaatst Erasmus de dialoog naar de absurdistische situatie van de onderwereld.

Lees verder >>

Vondels vijfde tragedie: de rampzalige kuisheid van Hippolytus

Vondel Hippolytus Opdracht

Door Ton Harmsen

Geeraerdt Brandt, niet in alle opzichten een vriend van Vondel want hij was afkerig van diens katholicisme, bewonderde de oude meester zeer en bezocht hem geregeld. De grote hoeveelheid bijzonderheden die hij daardoor over zijn leven en zijn werk kende stelde hem in staat een biografie te schrijven vol feiten die anders niet bewaard zouden zijn. In 1682, drie jaar na Vondels dood, redigeerde hij diens verzamelde poëzie waaraan hij zijn ‘Leven van Vondel’ vooraf liet gaan. Hier schrijft hij het volgende over Vondels vertaling van Seneca’s Phaedra:

Hy braght ook in dit jaar Senekaas Treurspel van Hippolytus, door hem in dicht vertaalt, aan den dagh. In dit werk werdt de groote voorganger gelukkig gevolght. ’T was den getrouwen Hollander, (een omschryving daar de Heer Hugo de Groot, toen balling ’s landts, meê gemeent werdt) opgedraagen: maar men maakte zwaarigheit om den Hippolytus met d’ opdraght, een klinkdicht ’t welk van de Groot en Oldenbarneveldt als van onschuldigen, sprak, uit te geven. Men vreesde voor haaperinge, en vondt geraaden dat klinkdicht uit al de gedrukte bladen te snyden. Maar toen de tydt wat veranderde, werdt het in zyn Poëzye, en ook by den tweeden druk van ’t Treurspel, in ’t licht gegeven. Lees verder >>

Inburgeringscursus Shakespeare mislukt

Door Ton Harmsen

GesinaterBorchechtelijke_ruzie

Gemiste kans… Als Abraham Sybant op het titelblad had geschreven dat De dolle bruyloft zijn vertaling was van The taming of the shrew van William Shakespeare, was toneellievend Nederland in 1657 wel wakker geworden. Nu duurde het tot het eind van de achttiende eeuw voordat Shakespeare via Franse vertalingen zijn weg naar Nederland vond. En pas toen L.A.J. Burgersdijk rond 1880 in negen jaar tijd de complete ‘comedies, histories and tragedies’ vertaald had vielen de Nederlandse regisseurs de schellen van de ogen. Toen begon de zegetocht van Hamlet, Macbeth, King Lear, en De storm. En van De getemde feeks.

    Sybants aftrap was dus een schot in de lucht. Zijn komedie werd door twee vrienden (collega’s in het vak van rondreizend toneelspeler, vaak in samenwerking met Engelse toneelgezelschappen) voorzien van lofdichten waarin niet Shakespeare, maar… Plautus en Terentius als de inspiratoren van Sybant naar voren geschoven worden. Van Daalen moedigt aan:

.        Nu Sybant maak al voort, en wilt ons noch iets geven
.        Tot stichting voor ’t vermaak. Dit ’s alles dat ik wensch,
.        Nu dat de fiere geest van Plautus en Terens,
.        Na zoo veel jaren, komt in u weêr te herleven. (vs. 8-12)

Terwijl ze heel goed wisten dat het niet zo was: Lees verder >>

Een schouwburgdirecteur in Roozendaal

Door Ton Harmsen

Joan Pluimer was ongeveer 25 jaar oud toen het Rampjaar de Amsterdamse Schouwburg stil legde. Kort na de heropening, vijf jaar later, werd hij er tot directeur benoemd. Behalve manager was hij ook dichter – het is niet de ideale combinatie. Hij zag zichzelf als een leerling van Vondel, schreef toneelstukken en gedichten, voornamelijk gelegenheidspoëzie,verder mythologische gedichten, een heldinnenbrief en heel veel gedichten op koning-stadhouder Willem III. Die gedichten zijn op het kruiperige af, de spinozistische geest van Nil Volentibus Arduum (het Frans-classicisme vierde in die dagen hoogtij op de Schouwburg) is in Pluimers poëzie ver te zoeken. Blijkbaar vond men het opportuun de Schouwburg te laten bestieren door een royalist: iedere verdenking van nieuwlichterij was daarmee weggenomen.

Het heeft hem geen windeieren gelegd: in alle kringen werd hij gevierd als een cultuurpaus van jewelste. Bij de privé-voorstellingen voor de burgemeesters en hun genodigden sprong hij op het toneel om de gasten met gedichten te verwelkomen. Tot kort voor zijn overlijden in 1718 handhaafde hij zijn positie als directeur, bijna veertig jaar lang maakte hij (met enkele anderen) uit wie op de Schouwburg gespeeld werd en wie niet. En zijn serviele lippendienst aan Willem de Derde gaf hem toegang tot de hoogste kringen.

Lees verder >>

Drie nieuwe heldinnenbrieven: Croesus, Scipio en Montigny

Door Ton Harmsen

In Leiden verzamelen we heldinnenbrieven. Dat is nog spannender dan postzegels sparen, en het plezier is hetzelfde: altijd weer een feest als je er een bij hebt. Maar niemand kan je vertellen of je verzameling compleet is. Een catalogus zoals die van de filatelist is er niet. Natuurlijk hebben we onder leiding van Olga van Marion systematisch gezocht, maar toch wordt je nog af en toe een verrassing in de schoot geworpen.

Afgelopen zaterdag besprak Marc van Oostendorp een sonnet van het Utrechtse genootschap Dulces ante omnia Musae, genoeglijk boven al zijn de muzen, dat tweemaal, in 1775 en 1782, een bundel essays en gedichten uitgaf. Maandag nam ik die bundels voor het eerst door in de UB-Leiden, en kijk: drie nieuwe heldinnenbrieven. Alle drie geschreven door helden, maar omdat Ovidius het genre begonnen is met vijftien brieven van vrouwen, noemen we het de heldinnenbrief.

Met deze drie aanwinsten bevat de lijst van heldinnenbrieven op de internetsite van de Opleiding Nederlands in Leiden 843 titels. Soms komt er een bij, soms valt er een af. Sommige titels wijzen in de richting van een brief, maar blijken dat bij nader inzien niet te zijn. Een heldinnenbrief moet namelijk wel een formulering bevatten die erop wijst dat de adressant en de adressaat zich niet in elkaars nabijheid bevinden: ‘Lees deze brief’, ‘ik leg mijn pen neer’ of ‘dit wilde ik u schrijven’ zijn dergelijke formuleringen. Als zulke indicatoren ontbreken kan de tekst ook een toespraak zijn of een monoloog.

Lees verder >>

Funeraire poëzie: tekstbijlage Daniel Heinsius

Door Ton Harmsen

026DanielHeinsiusPoëzie over de dood is nog altijd levend:

.        Ik hoef geen harp, ik wil alleen een bal
.        En vleugels had ik bij mijn leven al

Met deze woorden meldt Johan Cruyff zich bij Petrus, nadat hij onmiddellijk bij aankomst in Cruyfftaal kritiek heeft geleverd op de plaatsing en de omvang van de hemelpoort. Alleen al dat dit gedicht van FF Negmeijer een monoloog van de overledene zelf is maakt het bijzonder. Troost, rouwbeklag en het gemis voor de nabestaanden ontbreken: helden hoeven geen rouw, helden willen eer. Negmeijer neemt een loopje met Cruyff: hij parodieert de lichtelijk paradoxale zinnetjes waarmee hij de wereld probeerde te verbeteren. Bijzonder serieuze funeraire poëzie is het dus niet, maar het past zonder moeite in het aloude genre.

Neerlandici kennen dit kleine genre uit het grote proefschrift van Sonja Witstein, Funeraire poëzie in de Nederlandse Renaissance (1969). Zij maakte voor het eerst systematisch gebruik van retorica en poëtica bij het analyseren van gedichten. Nieuw was dat zeker niet: het was al lang duidelijk, ook in de neerlandistiek, dat de poëzie gevormd is door technieken die de dichters op school geleerd hadden, en dat allerlei verschijnselen in toneelstukken voortkomen uit ideeën van Horatius en Corneille. Maar zo consequent als in deze studie had nog niemand gebruik gemaakt van de theorie uit de oudheid en de renaissance. Als eerste formuleerde Sonja Witstein het nauwe verband tussen retorica en poëtica: de opbouw van literaire teksten is verwant aan de dispositio van de redevoering; de logica erin vergelijkt zij met de argumentatio van politici en juristen, en schoonheid in de poëtische taal komt overeen met de elocutio, het zoeken van de juiste woorden in een betoog.

Lees verder >>

Krijn Onverstant: k.o. in acht klappen

017Onverstant1659

Door Ton Harmsen

Van de kluchten die in de zeventiende en achttiende eeuw geschreven zijn, is ongetwijfeld veel verloren gegaan. Kluchten die in de Amsterdamse Schouwburg vertoond zijn hebben een behoorlijke overlevingskans, maar veel dat op de markt in Deventer of in een schuur in Hoogmade werd gespeeld, is er gewoon niet meer. Toch zijn er nog ruim 500 bewaard. Gemiddeld zijn die net iets meer dan één keer herdrukt: in Ceneton staan naast 506 eerste drukken 550 herdrukken. Daarnaast is er nog een aantal handschriften, plus wat vermeldingen en korte samenvattingen.

Reden te meer om de overgebleven kluchten te koesteren, en het is verheugend dat daar ook veel aan gedaan wordt. Bij de DBNL, books.google en Ceneton is alles bij elkaar ongeveer de helft te lezen. Dat betekent wel dat er nog 250 op de verlanglijst staan; zonder hulp van vrijwilligers zal dit aantal maar langzaam slinken.

Gelukkig zijn er allerlei gezelschappen die zich met de klucht bezighouden. In Rotterdam werd een tijd geleden de klucht van de molenaar in het Turks gespeeld door een professioneel Turks gezelschap dat voor een gedistingeerd Turks publiek een prachtige voorstelling gaf. Het kan dus wel! Ook de Leydse KluchtenCompagnie (binnenkort tijdens de Hanzefeesten in Doesburg te zien) en Theatergroep De Kale hebben grote verdienste voor het instandhouden van het genre. De Kale speelt op 14 februari de klucht van Krijn Onverstant of Vrouwen Parlement door Jelis Noozeman, met een inleiding van Olga van Marion. Voor leesclubs is het een goed idee samen een toneelstuk te lezen. Het Leidse Renaissancedispuut Proteus organiseert al vele jaren een succesvolle kluchtlezing: enkele leden komen bijeen, verdelen de rollen en lezen een klucht, onder veel gelach en versnaperingen; met het resultaat dat de deelnemers de klucht beter lezen, begrijpen en waarderen dan wanneer zij het bij hun eigen haardvuur hadden gedaan.

Lees verder >>

Plautus in Leiden: Jupiter verwekt Hercules

Door Ton Harmsen

013DammeAmphitruo161749De Thebaanse koning Amphitruo laat zijn hoogzwangere vrouw Alcumena thuis achter als hij ten strijde trekt tegen de Theleboërs, niet wetend dat Jupiter verliefd op haar is:

.        Dees’ stadt sal Theben sijn, Amphitruo woont daer
.        De welck’ ghelaten is van Griecksche ouders naer.
.        Hy heeft sich tot een vrou Alcmenam corts becomen;
.        Die is nu opperste van heel volck aenghenomen:
.        Want het Thebaensche volck heeft in een corten tijt
.        Ghecreghen met een volck (de Theleboen) strijt.
.        Hy liet sijn vrouwe swaer eer dat hy is vertrocken:
.        Mijn Vader siende haer, liet door haer schoont sich locken
.        (Om dat sy hem seer wel beviel) tot hare min;
.        Ghelijck ghy al wel weet hoe dat hy is van sin.
.        Hy heeft haer lijf ghebruyckt, en haer oock swaer ghelaten. (vs. 71-81)

Zo vertaalt de negentienjarige Isaacus van Damme in 1617 de woorden van Mercurius in de proloog van Plautus’ komedie Amphitruo. De renaissance brengt ook de wedergeboorte van de humor.
Lees verder >>

Handschrift van Spinoza’s klasgenoot ternauwernood gered

Door Ton Harmsen

011VlooswykDat je negen jaar later de opvolger van P.C. Hooft zal zijn als drost van Muiden, kan in 1657 niemand voorspellen. Maar voorspellen dat een burgemeesterszoon uit een van de rijkste families van Amsterdam, die als leerling van een privégymnasium in de schouwburg de hoofdrol speelt in een Latijns toneelstuk – voorspellen dat die jongen een flitsende carrière tegemoet gaat, is niet zo moeilijk. Vondel riskeert dus niets als hij schrijft:

.   O Vlooswyck, die van Bloemwijck naer ’t Latijn
.       Uw’ naem ontleent, hoe hebt ghy, in den schijn
.   Van Filedoon, ons met Latijnsche vaerzen
.   Gesticht, daar ’t volck in d’overoude laerzen
.       U heene en weêr zagh treên op ’t hoogh tooneel!

Dit is het begin van een lofdicht op Nicolaes van Vlooswyck, en daarmee op de uitvoering van de Philedonius (1657) van Franciscus van den Enden, die een Latijnse school bestierde op het Singel in Amsterdam. In welk pand precies is niet zeker; in ieder geval was het niet ver van Singel 267, iets voorbij (voor de ov-reizigers die van het Centraal Station af redeneren) de huidige UB. Die school werd niet alleen door kinderen van lichtelijk katholieke burgemeesters bezocht, maar ook door de latere dichters Joannes Antonides van der Goes en Pieter Rixtel. De meest opvallende leerling moet wel de inmiddels 25-jarige Baruch (voor Van den Enden Benedictus) de Spinoza zijn geweest, die Latijn nodig had voor zijn filosofische carrière.

Lees verder >>

Vondels vertaling van Barlaeus’ Blyde inkomst van Maria de Medicis gedigitaliseerd

Door Ton Harmsen

004VondelBlydeInkomst1639

 In 1638 werd Maria de Medicis, de moeder van Lodewijk de Dertiende, met grote eer en staatsie door de burgemeesters van  Amsterdam verwelkomd. Hoewel de vorstin ruzie had met haar zoon en vooral met Richelieu, had zij groot aanzien. Zij was opgegroeid in het Palazzo Pitti in Florence, en bouwde in Parijs het Palais du Luxembourg. Zij was de moeder van de Franse koning, en van de Engelse en de Spaanse koningin. Met een groot gevolg was zij een week in Amsterdam, op doorreis (via Haarlem en Leiden) naar Den Haag. Daar wilde zij, tegen de zin van de Staten Generaal, met Frederik Hendrik het huwelijk bedisselen tussen de toekomstige stadhouder Willem II en haar kleindochter, de Engelse prinses Mary Stuart. Het bezoek van de koningin-moeder aan Amsterdam is opgeluisterd zoals dat bij een blijde inkomst van een groot vorst betaamt: toneelstellages werden opgericht, redevoeringen gehouden, een groot en feestelijk banket aangerecht; de stad toonde graag de rijkdom die uit alle werelddelen werd aangesleept en de geleerdheid en kunstzinnigheid die voorhanden was. En dat alles terwijl de Staten Generaal hadden aangedrongen op een sobere en zuinige ontvangst. Amsterdam greep de kans om zich te profileren als metropool! Zelf leverde Maria de Medicis een mooie bijdrage aan de feestvreugde door in het laatste uur van haar bezoek grootmoeder te worden van de nieuwe Franse kroonprins, Lodewijk de Veertiende. Dat konden de burgemeesters zo snel niet weten, maar het is een prachtige uitsmijter in de Medicea hospes, het officiële verslag door Caspar Barlaeus, dat ook in het Nederlands en het Frans verscheen bij Johan en Cornelis Blaeu: drie boeken in folio-formaat, voorzien van een portret van de vorstin – met haar in Amsterdam verworven rozenkrans van Franciscus Xaverius – naar het schilderij van Gerard van Honthorst, een groepsportret van de burgemeesters, en zestien grote gravures waar veel belangrijke prentkunstenaars aan meegewerkt hebben: Jan Martsen, Thomas de Keyser, Simon de Vlieger, Nicolaes Moeyaert; de prenten werden gegraveerd door Pieter Nolpe, Jonas Suyderhoef en Roeland en Salomon Savery.

Lees verder >>

Wieringa’s vertaling van Rabelais gedigitaliseerd

Door Ton Harmsen

001Rabelais1682FrontGargantua en Pantagruel. Het is een van de meest komische en filosofische boeken die ooit geschreven zijn. Rabelais gebruikt een unieke denktrant, een fascinerend jargon en een fantasie die alleen in de eigen tijd helemaal begrepen kan zijn. Levenswijsheid en absurdisme gaan naadloos in elkaar over. De lof der zotheid speelt met de waan der wijsheid. Voor vertalers is het een uitdaging die een enorm inlevingsgevoel, een feilloos vocabularium en een peilloze diepgang vereist.
Zo een vertaler vond Rabelais, ruim een eeuw na zijn dood, in Nicolaas Jarichides Wieringa, een van de grote vertalers uit de zeventiende eeuw. Zijn stijl is adembenemend, net zoals de capriolen op een paardenrug die hij beschrijft:

Dit alles nam Gymnastes wel naau in acht; derhalven veinsde hy van ’t paard te treeden: en terwijl hy ter zijden op den stijgbeugel bukte, draaijde hy daar op zich behendelijk om, met sijn pookjen op zy, slingerde zich van om laag in de lucht, en quam staan met sijn voeten op de Zadel, sijn gat gewend na de kop van ’t paard: en sprak; mijn geluk loopt verkeert: daar op deed hy soo staande een trillsprong en daalde op’t een been, en draijende zich slinks-om op sijn hiel, zette zich effen zoo hy d’ eerstemaal zat weder in de Zadel.

Lees verder >>