Auteur: Ton Harmsen

Johan de Brune: Gesuyckert met goe tael, gekruydt met scherpe reden

057bruneemblema27Door Ton Harmsen

Constantijn Huygens is een Hagenaar, maar zijn hele leven lang heeft hij ook iets met Zeeland. Het begon toen hij nog jong, ambteloos en onbekend was: de Zeeuwse pensionaris Jacob Cats vroeg hem bij te dragen aan de gedichtenbundel Zeeuwse nachtegaal. Ook Johan de Brune de Oude, die Cats als pensionaris zou opvolgen, leverde werk voor de lyriekbundel die in 1623 de grote literaire gebeurtenis was. De twee gedichten die Huygens inzond waren te lang, maar geweigerd zijn ze niet: ze verschenen zelfs al een jaar eerder daar in Middelburg, bij Jan Pietersz. van de Venne. ’t Voor-hout en ’t Costelick Mal waren de eerste grote stappen van de Hagenaar in de wereld van de dichtkunst. De drie hebben altijd contact gehouden als diplomaten, dichters en vrienden.

Meer dan andere literatoren raakt dit drietal gefascineerd door spreekwoorden, die in die tijd in heel Europa de status hebben van een volwaardig literair genre. Spreekwoorden spreken het vernuft aan. Humanisten systematiseren, rubriceren, vertalen, variëren. Cats gebruikt duizenden spreekwoorden, alleen al in zijn Spiegel van den ouden en nieuwen tyt (1632) staan er 1600. De disticha en kwatrijnen die Huygens in 1658 als ‘Spaensche wysheit’ publiceert is de vertaling van 1309 Spaanse spreekwoorden. Een jaar eerder toont De Brune’s laatste boek Banket-werck van goede gedachten de onverminderde voorliefde voor spreekwoorden die vrijwel al zijn publicaties kenmerkt. Lees verder >>

Erasmus in Weerts dialect


056ErasmusRabus1697Door Ton Harmsen

Mijn wekelijkse column in Neerlandistiek.nl werpt vruchten af. Ik krijg opmerkingen van lezers over mijn data en mijn digitale edities, suggesties voor onderwerpen en complete teksten om te publiceren. Deze week stuurde Michiel de Vaan, aan de lezers van Neerlandistiek.nl welbekend, mij een bijzondere Erasmusvertaling toe, in een Nederlands dialect. Ik schreef hier al twee keer over Nederlandse Erasmusvertalingen. Mijn lijst van die vertalingen omvat ruim 500 uitgaven. De Lof der Zotheid is de kampioen, maar de enorme populariteit daarvan is van de laatste honderd jaar: daarvoor hebben de Colloquia altijd vóórgelegen. Eén daarvan staat dus pas sinds deze week in mijn lijst: de Weertse vertaling van het colloquium ‘Conjugium sive Uxor mempsigamos’, de vrouw die over haar huwelijk klaagt. Het is een gesprek tussen twee vriendinnen, Xantippe en Eulalia. Xantippe klaagt, scheldt en dreigt, terwijl Eulalia met psychologische middelen en verstandige raad naar oplossingen voor Xantippe’s huwelijksproblemen zoekt. Aan dat opvallende onderwerp dankte deze dialoog zijn reputatie. Er zijn veel vertalingen van gemaakt. Lees verder >>

Gods roede versus Ursula

055Attilla

Door Ton Harmsen

Voor zijn negende tragedie, Maeghden, haalt Vondel zijn stof uit de martelaarsverhalen. Hij kiest het levensverhaal van de heilige Ursula. Haar naamdag is 21 oktober, maar zelfs of zij bestaan heeft is de vraag. De veertienjarige Schotse koningsdochter maakt, om onder een huwelijk met een heidense prins uit te komen, met goedvinden van haar vader en in gezelschap van elfduizend maagden een bedevaart naar Rome. Op de terugweg stuit zij in Keulen op Attila, de gesel Gods. Vondel spreekt van ‘Gods roede’. Attila laat alle maagden vermoorden, maar dan is hij nog niet van ze af: de geesten van zijn slachtoffers drijven hem tot wanhoop en redden Vondels geboorteplaats. Vondel passeert hier de grenzen van het waarschijnlijke, maar dat vat hij op als licentia poetica: hij is geen historicus dus hij kan zich een ruime hoeveelheid dichterlijke vrijheid permitteren. Voor hem is Ursula niet de beschermster (zoals Olga van Marion heeft aangetoond dat pastoor Marius haar ziet), maar een verbeelding van het absolute geloof dat een rampzalig leven op aarde leidt tot eeuwige zaligheid in het hiernamaals. Vondel prijst geen zelfmoordterrorisme aan, zijn heldin is volkomen vredelievend. Door zijn doopsgezinde opvoeding is hij van jongs af aan vertrouwd geweest met verhalen over compromisloze zelfopoffering.

Als hij de Maeghden schrijft is Vondel met allerlei soorten literatuur bezig, en de weerslag daarvan maakt deze tragedie een rijke tekst. Lees verder >>

Op de grens van literatuur en geschiedschrijving

054AbdicatieKarelVijfDoor Ton Harmsen

Geen enkel Nederlands toneelstuk is in de zeventiende en achtiende eeuw zo vaak gedrukt en opgevoerd als Belegering ende het ontset der stadt Leyden door Reynier Bontius. Dit blij-eindend treurspel, voor het eerst gedrukt in 1645, hield tot 1821 stand op het Nederlandse toneel. Daarna werd het spoedig vergeten, maar met 111 drukken had het een ware zegetocht achter de rug. Toneelstukken over contemporain-historische onderwerpen waren er toen al in overvloed. Een geschiedenisles op het toneel, natuurlijk niet zozeer om informatie te verstrekken als wel om saamhorigheid te kweken, is niet meer zo van deze tijd. Maar de Nederlanders van de zeventiende eeuw waren er zeer op gesteld. En voor de lezer van zeventiende-eeuws toneel zijn dergelijke spelen, met hun combinatie van poëtische vorm en historische inhoud, heel aantrekkelijk. Je kan er geschiedenisles en Nederlands mee geven in hetzelfde uur.

Een compleet overzicht van de gebeurtenissen tussen de abdicatie van Karel de Vijfde en de moord op Willem de Zwijger geeft De verkrachte Belgica (wat een titel, maar indertijd klonk dat anders) van Arent Roggeveen, gepubliceerd in het jaar waarin Nil Volentibus Arduum werd opgericht. Het vertoont de rampen die Nederland troffen ‘’t Sedert den 25. October 1555. tot den 10. July 1584. daer aan volgende’. Het is duidelijk dat toen niet iederéén aan de eenheid van tijd hechtte. Deze tekst toont duidelijk de bedoeling van historiespelen: de herinnering aan het verzet tegen de brute Spaanse overheerser levend te houden. Dat geldt al ruim een halve eeuw eerder voor Jacob Duym met zijn Gedenck-boeck, een verzameling historiespelen, van 1606:
Lees verder >>

Electra: Vondel nieuwe stijl

ElectraDoor Ton Harmsen

Met zijn vertaling van Sophocles’ Electra (1639) gaat voor Vondel een nieuwe zon op. In de opdracht aan Tesselschade Roemers bewondert hij de stijl van Sophocles: ‘Walgelijcke opgeblaezenheid, waer van Griecken en Latynen hoe aelouder, hoe vryer zijn, heeft hier nergens plaets.’ We zagen ook al dat de karakterontwikkeling in de dialoog tussen Electra en haar zuster Chrysothemis voor Vondel een ontdekking was; dergelijke psychologische momenten komen in zijn eerdere tragedies niet voor, maar in de latere past hij ze herhaaldelijk toe. Wat de indeling van reien in zang, tegenzang en toezang betreft, ook dit heeft Vondel bij Sophocles aangetroffen maar hij past de triadevorm pas toe in de Maeghden van hetzelfde jaar, misschien nadat Martinus van Vinckenroy hem op deze techniek gewezen had. Die indeling is niet alleen een formele kwestie, het leidt tot een nieuwe structuur van de reizangen. De zin over het ontbreken van ‘opgeblaezenheid’ is de derde vernieuwing in Vondels werk. Zijn kennismaking met de Griekse tragedie doet hem inzien dat bombast en effectbejag nergens toe leiden. De zuiverheid van de oudste Grieken (Homerus, Pindarus, de Griekse tragici) bekoort hem van nu af aan meer dan de senecaanse stijl van zijn vorige spelen.

Niet dat dit helemaal nieuw voor hem was. Vondel is altijd al helder en eenvoudig, zijn eerste toneelstuk (Het Pascha, 1612) begint met Mozes die op de berg Horeb zijn schapen toespreekt:

.        Weydt hier myn Beestiael, weydt hier myn tier’ghe Vee,
.        Golft hier om dit Gheberght myn wit-ghewolde Zee,
.        Scheert hier tgroen-hair’ghe loof, spaert kruydt, noch Bloemkens geurich,
.        T’lacht hier doch altemael, zoet-rokigh en couleurich,
.        Nu wauwelt zoo veel gras, zoo vet en graegh bedijt,
.        Tot ghy van Madian de schoonste kudde zijt. (Het Pascha, vs. 1-6) Lees verder >>

Wwww

052Olga3VIIIber

Door Ton Harmsen

Leonard Blussé klaagde in zijn valedictio dat in het groot-auditorium van de Leidse Academie geen gebruik gemaakt mag worden van powerpoint. Zijn afscheidsrede ging over de cultuurcentra die ontstaan aan de monding van grote rivieren, zoals Shanghai aan de Yangzi jiang en Leiden aan de Rijn. Leonard liet zich door de Leidse mores niet uit het veld slaan:

Maar voor mij links en rechts voor U hangt het pièce de résistance van deze zaal: het wandtapijt met een dromerige afbeelding van Leiden. Een breed uitgemeten landschap met een loos vissertje op de voorgrond. Of op zijn Leids gezegd, een peurder. […] Het wandtapijt blijkt door mevrouw Laman Trip te zijn vervaardigd naar een ontwerp van koningin Wilhelmina. Deze bood het aan in dank voor het eredoctoraat verleend aan haar twintigjarige dochter na het afleggen van drie tentamens. Dat waren nog eens tijden!

In diezelfde zaal werd afgelopen zondag voor de negentiende keer de ‘Historische lezing’ gehouden, onder auspiciën van de 3 October Vereeniging in samenwerking met de Universiteit. Natuurlijk is de drie-oktoberlezing niet onderworpen aan het protocol dat voor universitaire plechtigheden geldt, maar de stap van een lezing met één oud wandtapijt als illustratie naar die van Olga van Marion over Leidse liederen is groot: nu hingen boven het hoofd van de spreekster imposante diaschermen, naast haar hadden de zangeres Margot Kalse en de luitiste Elly van Munster plaatsgenomen, en daarnaast weer het complete zangkoor ‘Het Zingend Hart’. Beeldschermen, een zangeres en een koor waren niet genoeg multimediaspektakel: Olga verzocht de hele zaal op te staan en mee te zingen! En het klonk alsof het ingestudeerd was.

Lees verder >>

Vondels Zege-zang voor Gillis van Vinckenroy: spotdichter wordt sportdichter

051KruisboogDoor Ton Harmsen

Sportprestaties leiden tot lyrische taal. Je hoeft niet van hockey te houden om te genieten van het proza van Hugo Camps en Maarten Scholten. Zelfs de oudste Griekse poëzie is geïnspireerd door sportieve prestaties. Rond 450 voor Chr. bezingt Pindarus in zijn Olympische, Pythische, Nemeïsche en Isthmische oden de atleten die gouden medailles verdienen. Hij bezingt wagenrenners, hardlopers, worstelaars en speerwerpers.

Welke neerlandicus heeft een atleet als voorouder? Flor van Vinckenroye (7 augustus 1920 – 29 augustus 2005), onder andere editeur van De vier wterste van Houwaert (en ook nog eens de schoonvader van onze Antwerpse collega Hubert Meeus), die de e achter zijn naam eraan te danken of te wijten heeft dat in 1920 de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn kantoor hield in het café tegenover de kerk van Kortessem bij Hasselt. Een schrijffout is in de kroeg gemakkelijk gemaakt en in de papieren van de burgerlijke stand moeilijk te herstellen. Hij stamt rechtstreeks af van de familie Van Vinckenroy die al sinds de middeleeuwen een rol speelt in Hasselt. Eén van hen, de burgemeester en herbergier Gillis van Vinckenroy, was zelfs ‘keizer’ bij het boogschieten in 1637 en dat feit inspireerde Vondel tot een zegezang van 128 verzen. Lees verder >>

Vondels achtste tragedie: vertaling van Sophocles’ Electra

050VondelElektra

Door Ton Harmsen

Met de nare smaak van de Gysbreght nog in zijn mond is Vondel toe aan iets heel nieuws. Gelukkig wordt hij onder anderen door Hugo de Groot, die in 1630 Euripides’ Phoenissae vertaald had, gewezen op een voorbeeld dat een radicale verandering inhoudt: de Griekse tragedie. De sfeer die hij daarin vond bood betere mogelijkheden dan de pathetische horreur van Seneca. Hij wordt getroffen door de psychologische ontwikkeling in de dialoog waarmee Sophocles zijn botsende personages tot nieuwe inzichten brengt: de statische personages van zijn eerdere tragedies konden ineens in beweging worden gezet. In de zangerige lyriek van Sophocles voelt hij zich helemaal thuis – de superieure reien van de Gysbreght tonen aan dat Vondel een groot lyricus was. In 1639 publiceert hij zijn vertaling van Sophocles’ Electra. Gerardus Johannes Vossius had zijn twintigjarige zoon Isaac naar Vondel gestuurd om de tekst met hem samen te bestuderen. Er was een keur aan Griekse edities met Latijnse vertaling. Vondel vertaalde uit het Latijn en Isaac wees hem de weg in de Griekse teksten. Vondel heeft zich met deze vertaling een nieuw soort poëzie eigen gemaakt. Zijn grote prestatie is de adequate weergave van het zangerige Grieks, via de soms wat houterige Latijnse vertalingen naar een sonore tekst van meesterlijke kwaliteit. Lees verder >>

Aan de wieg van het web

Door Ton Harmsen

049OlivettiEerder deze week schetste Frits van Oostrom in de vijfentwintigste Bert van Selmlezing, getiteld Van geletterd naar gepixeld, de ontwikkelingen in de digitale neerlandistiek sinds het overlijden van Van Selm in 1991. Van Oostrom heeft gelijk als hij zegt dat het initiatief voor het digitaliseren van Nederlandse literatuur van de universiteiten (de leerstoelen Nederlands) moet uitgaan: daar zit de motivatie en de expertise. Het is prachtig dat deze mening nu in het openbaar gezegd is door een neerlandicus naar wie geluisterd wordt. Laten de academische neerlandici er wat mee doen: data verzamelen en op een handzame en aantrekkelijke manier publiek maken. Daarvoor zijn ideeën en technieken nodig, die in samenspraak tussen de neerlandici ontwikkeld worden en vervolgens komt het aan op facta non verba. We zijn te weinig zichtbaar, zegt Van Oostrom. Ik denk dat er een academisch digitaal literatuurplein moet komen, waar we in één oogopslag kunnen zien wat er aan neerlandistiek in Nijmegen, Groningen en Utrecht gebeurt.

Voor de studie van de zeventiende eeuw zou het een zegen zijn. Teksten zijn op die manier gemakkelijk te vinden, kosteloos in te zien en zo nodig eenvoudig te corrigeren. Zo moet het gaan: redacties met frisse ideeën en heel veel medewerkers, veel studenten, die aanvullingen en verbeteringen aandragen. Een internet dat van ons allemaal is, waaraan wij allemaal ons steentje bijdragen en waarvoor wij onze verantwoordelijkheid nemen.

Lees verder >>

De dreigende drogreden

Door Ton Harmsen

048ZaleucusHoeveel nieuwe stukken er ook verschenen, voor het repertoire van de Amsterdamse Schouwburg greep men graag naar oude succesnummers. Op een bewaard gebleven affiche uit 1760 staat de klucht Broershart uit 1668 op het programma, als naspel bij De dood van Sultan Selim, een tragedie uit 1717 door Willem van der Hoeven. Hij was een gevierd acteur die meer dan tien toneelstukken publiceerde. Broershart is een wrede klucht vol onwaarschijnlijkheden, en deze tragedie is niet minder wreed en vol onwaarschijnlijkheden. Aan het Turkse hof is een mensenleven niets waard, zeker niet wanneer het gaat om het hooghouden van de eer van hovelingen. En Van der Hoeven bedeelt in de door hemzelf bedachte intrige het toeval wel een hele grote rol toe. Het verhaal is absurd, maar niet ingewikkeld:

Mustafa, de zoon van de Turkse sultan Selim, is verliefd op prinses Saide, die door de sultan aan zijn generaal is toebedacht. De verliefde prins beledigt de generaal en daarom veroordeelt zijn vader Selim hem ter dood. Iedereen noemt dit onmenselijk, maar de wrede sultan zet door en de kroonprins wordt onthoofd. Saide is ontroostbaar, haar slaaf Emanuel (een christen) biedt haar aan samen te vluchten en te trouwen. Dit voorstel vindt zij niet acceptabel gezien zijn lage status, maar die houding verandert als hij de hertog van Ferrara blijkt te zijn. Juist op deze cruciale dag is een delegatie uit Italië naar Istanboel gekomen om hem te zeggen dat zijn vader is overleden en dat hij zijn hertogdom op zich moet nemen. De twee vluchten, terwijl ze en passant de Turkse vloot (waarop de sultan zich heeft teruggetrokken om over de emotie van zijn kindermoord heen te komen) in brand steken. Voordat zij het paleis verlaat bevestigt de prinses een brief aan een pilaar, waarin zij haar vlucht naar Ferrara aankondigt. Sultan Selim, aan de dood in zijn brandende galjoen ontsnapt, vindt en leest de brief; de inhoud grijpt hem zo aan dat hij sterft.

Lees verder >>

Broershert, de duëllerende huisknecht

047Affiche19Door Ton Harmsen

Laat je een paar keer keihard plat op het toneel vallen, maak je belachelijk door angstig weg te lopen voor een duel. Of beraam uit woede over een futiliteit een dubbele moord. Als je dat in 1668 in een Nederlandse klucht doet – zoals Adriaan Bastiaensz de Leeuw in Broershert – is je succes een eeuw lang verzekerd.

Adriaan Bastiaensz. Leeuw was toneelspeler en vertaalde zelf zeven spelen uit het Frans, Spaans en Duits. Zijn Broershert (naar een onbekende Franse bron) beleefde acht drukken, de laatste in 1727. In 1748 werd in Hamburg nog een Duitse vertaling gedrukt: Der Hausknecht oder der lächerliche Zwey-Kampf: ein Lustspiel in Versen. Tot 1768 staat het op de toneelaffiches als nastuk bij tragedies, deze klucht heeft het dus een volle eeuw op het toneel uitgehouden. Ook in tijden waarin de literaire smaak radicaal veranderd was, wat bewijst dat de tekst dramaturgische kwaliteit heeft.

Broershert heet na de eerste druk soms ook Broershart. De klemtoon valt op de tweede lettergreep, Broershért en Broershárt, het metrum van viervoetige jambes wijst dat duidelijk aan. Het spel is opgedragen aan Y.V., dat kan niemand anders zijn dan Ysbrand Vincent, in 1669 een van de oprichters van Nil Volentibus Arduum. Vijftig jaar later, als Nil Volentibus Arduum al bijna vergeten is, keert hij terug uit Frankrijk waar hij rijk geworden is met zijn papiermolen. Hij geeft dan het verzameld werk van Nil uit in een luxe-editie, met gravures door kunstenaars als Romeyn de Hooghe en Bernard Picart. Deze weldaad deed hij weer te niet door ongevraagd werk van anderen in het oeuvre van Nil op te nemen; hij staat nu bekend als ‘de zeventiende-eeuwse letterdief.’ Maar dat kon De Leeuw in 1668 natuurlijk niet weten, noch dat Vincent mede-oprichter zou zijn van een kunstgenootschap dat dergelijke sadistische kluchten zou verfoeien, noch dat hij zou eindigen als plagiateur: voor hem is er geen bezwaar om zijn Broershert op te dragen aan Vincent, die zelf ook een klucht uit het Frans vertaald had. De Leeuw geeft in de opdracht een enigszins cryptische omschrijving van de inhoud: Lees verder >>

Met Lambert van den Bos naar de kastelen van Napels

Door Ton Harmsen

046CastelDellOvoItalië is het land waar de oudheid en de renaissance nog altijd het straatbeeld bepalen. Een reisgids uit de zeventiende eeuw laat zien hoeveel er in de loop der eeuwen toch veranderd is. In de Wegh-wyser door Italien (1657) geeft Lambert van de Bos een beeld van Napels zoals het er uitzag toen het tot het Spaanse koninkrijk van Filips de Tweede, de Derde en de Vierde behoorde. Je kan je afvragen of een reisgids tot de ‘belles lettres’ mag worden gerekend: het is immers niet meer dan een gebruiksaanwijzing, een opsomming van bezienswaardigheden al dan niet voorzien van beoordelingen (vaut le détour) en raadgevingen (attenta a la borsa, signora). Aan de andere kant is het buiten kijf dat een groot deel van het oeuvre van Lambert van den Bos tot de Nederlandse literatuur gerekend wordt. Kan men zijn tragedie Rampzalige liefde ofte Bianca Capellis als letterkundig werk behandelen, en zijn Wegh-wyser door Italien aan de vergetelheid overlaten? De literaire vaardigheid van Van den Bos, zijn soepele prozastijl en de fraaie stijlfiguren waarmee hij Italië aanprijst zijn genoeg om dit niet te willen. Lees verder >>

Helden in de hemel van Nassau

Door Ton Harmsen

045ZegewagenBruneDe meest lucratieve verovering in de opstand tegen Spanje was die van de Zilvervloot. ‘Zijn naam is klein, zijn daden bennen groot’ klinkt het nog eeuwenlang in de klaslokalen. Ook militair heeft Piet Heyn de republiek veel goed gedaan: ineens was er geld voor het onbetaalbare initiatief van Frederik Hendrik om ’s-Hertogenbosch te veroveren. Hij had daarvoor een strategisch plan klaarliggen: de toegangswegen tussen Brussel en ’s-Hertogenbosch zouden worden afgesneden, en de waterpartijen die de stad rondom een natuurlijke bescherming boden drooggelegd. Op 14 september 1629 kwam dit plan tot een succesvol einde en dat  bracht in het hele land de dichterspennen in beweging. Een omvangrijk epos van Caspar Barlaeus, een geschiedkundig overzicht door Daniel Heinsius, een zegelied van ruim 600 verzen door Vondel, een eindeloze reeks heldinnenbrieven die uitdrukking gaven aan de angsten en de opluchting van prinses Amalia van Solms, een gedicht van Johan de Brune de Oude bij een gravure van Johannes Looff, en een honderdtal juichende oorlogsverzen was het resultaat. Zelfs zonder veel regie uit Den Haag draaide de propagandamachine op volle toeren. De Amsterdamse boekhandelaar Jacob Pietersz Wachter verzamelde niet minder dan 43 bijdragen in zijn bundel Lof-dichten, ter eeren den doorluchtighsten vorst Frederic Henric over de twee voortreffelijcke victoryen der stercke steden Wesel, ende het on-winbaer geachte ’sHertogen-bosch. Teksten van uiteenlopende soort en kwaliteit, liederen, vermaningen, toneelvertoningen, redevoeringen, gebeden, en zelfs een persiflage op een katholiek gebed.

Lees verder >>

Het estafettestokje van de Carthaagse spelen

Door Ton Harmsen

044Estafette‘Eindelijk! De Lairesse’: Rijksmuseum Twenthe bereidt onder die titel een overzichtstentoonstelling over Gerard de Lairesse voor. Daar zullen ongetwijfeld de zes gravures te zien zijn die hij in 1668 maakte voor de toneelstukken Didoos doot en Julfus van Andries Pels. Aan elk bedrijf gaat een toepasselijke gravure vooraf van deze kunstschilder en graveur uit Luik die zich in 1665 in Amsterdam vestigde. Hij ontwierp het vignet van Nil Volentibus Arduum, het kunstgenootschap had een tijd lang zijn bijeenkomsten in Lairesses atelier. Later maakte hij naam met de colleges die hij tegen betaling aan huis gaf; de dictaten daarvan leidden tot het handboek van de classicistische schilderkunst, het Groot schilderboek (1707). Toen hij de zes gravures voor het werk van Pels maakte was hij al een gevierd kunstenaar.

De gravures tonen drie scènes uit Didoos doot en drie uit Julfus. Bij de klucht staan spreekwoorden in het Latijn en het Nederlands, de onderschriften bij het treurspel beschrijven de afbeelding in Nederlandse disticha.

Lees verder >>

Andries Pels op de drempel van het Frans-Klassicisme

Door Ton Harmsen

043DidoIn 1669 is Andries Pels een van de oprichters van Nil Volentibus Arduum. Maar in 1668 was het Frans-Klassicisme nog ver weg. Zonder zich te bekommeren over ‘eenheid van handeling’ of ‘waarschijnlijkheid’ schrijft Pels in dat jaar twee stukken waarin kunst- en vliegwerken, godenverschijningen, lange monologen en verdeling in drie bedrijven nog een heel andere sfeer oproepen. Beide stukken ontlenen hun stof aan de lotgevallen van Aeneas in Carthago. De opbouw van de voorstelling is bijzonder: om en om speelt men één bedrijf van het treurspel en één van het blijspel, zoals Pels aangeeft:

Dit Blyspel speelt bequamelijk met zijne dry deelen, achter ieder deel der zelve orde van Didoos doot. (Julfus, fol. *6v)

Om die twee-eenheid te bezegelen draagt Pels in 1668 het treurspel op aan burgemeester Cornelis van Vlooswyk (geboren in 1601), en het blijspel aan diens zoon Nicolaes (1638), de jonge drost van Muiden. Nicolaes van Vlooswijk was tien jaar eerder door Vondel bezongen als hoofdrolspeler in de Philedonius van Van den Ende (1658).

De samenhang van Didoos doot en Julfus is snel in vergetelheid geraakt: na 1668 verschenen enkele herdrukken maar altijd los van elkaar. De exemplaren die in bibliotheken zijn overgeleverd zijn zelfs nooit samen in één band gebonden. Het is niet duidelijk waarom de bedoeling van Pels zo slecht begrepen is, er bestond toch een lange traditie van afwisseling van ernst en vrolijkheid. Lees verder >>

Catharina Questiers vondelt zonder het te zeggen

042BenHur

Door Ton Harmsen

Hoe belangrijk Horatius voor Vondel ook was, slechts tweemaal heeft hij een van diens odes metrisch vertaald. Maar in 1654 verscheen zijn prozavertaling van alle ‘Odes’, het ‘Carmen saeculare’ en de ‘Ars poetica’. Horatius compleet, behalve de satiren en de brieven. Vondels vertaling van de eerste ode heeft zijn buurvrouw Catharina Questiers geïnspireerd tot een bewerking in dichtvorm.

Uit de bewerking van Questiers, verschenen in de Lauwer-stryt tusschen Catharina Questiers, en Cornelia van der Veer (Amsterdam 1665) blijkt zonneklaar dat zij uitsluitend naar de vertaling van Vondel gewerkt heeft, zonder gebruik te maken van het Latijnse origineel. Zoals bekend is de kennis van Latijn bij vrouwen in de zeventiende eeuw zeer beperkt, maar zij had te rade kunnen gaan bij een latinist in haar omgeving om te vragen wat er precies in de tekst staat. Vergelijking van beide vertalingen maakt duidelijk dat zij dat niet gedaan heeft.

Lees verder >>

Scheele Griet grijpt haar kans

Door Ton Harmsen

041AntoniusAbtHet gaat goed met de zeventiende-eeuwse klucht. Er zijn opvoeringen door het hele land, het ouderwetse vermaak vindt waardering. Ceneton merkt dat ook: steeds vaker sturen lezers uit alle windstreken door hen gedigitaliseerde kluchten toe. Hoe meer handen, hoe lichter het werk.

De jongste aanwinst is De klucht van Scheele Griet of gestrafte wellust door Pieter Elzevier uit 1662. De auteur wordt soms – en met goede argumenten – vereenzelvigd met de Utrechtse uitgever Pieter Elzevier, die leefde van 1643 tot 1696. Voor een negentienjarige is het een gewaagde tekst. De Utrechter woonde in 1662 nog in Amsterdam, waar de klucht verscheen bij Jacob Lescailje, de huisdrukker van de Schouwburg. In de jaren daarna drukte Lescaille nog drie kluchten van Pieter Elzevier: De gestoorde vreught (1664), De broekdragende vrouw (1666) en De springende dokter (1666). Veel laat hij niet los over zijn poëticale opvattingen: de meeste opdrachten, berichten aan de lezer en lofdichten vermelden niets meer dan dat men zich niet moet storen aan de platte onderwerpen die hij kiest. Heel vaak is het temmen van een Xantippe het onderwerp van een klucht. Des te opmerkelijker is dat in het geval van Scheele Griet juist de vrouw aan het langste eind trekt door kordaat en moedig optreden. Lees verder >>

Gysbreght voor Grotius: Vondels zevende tragedie

040Gysbreght

Door Ton Harmsen

Vondel draagt zijn Gysbreght van Aemstel (1637) op aan Hugo de Groot. Die was in 1631 en 1632 enige tijd in Amsterdam geweest in de hoop amnestie te krijgen en zich weer blijvend in Holland te kunnen vestigen. Amsterdam had een sterke arminiaanse factie met burgemeesters als Andries Bicker en Jacob Dircksz de Graeff, maar dat wil niet zeggen dat Grotius er erg hartelijk is ontvangen. Hij kon zich beperkt bewegen, het was zelfs te riskant voor hem om de redevoeringen van Vossius en Barlaeus te bezoeken waarmee in januari 1632 het Athenaeum illustre werd ingeluid. De stad zou voor hem pleiten bij de Staten-Generaal, maar van Den Haag kreeg De Groot de opdracht binnen tien dagen de stad te verlaten, waarop hij eieren voor zijn geld koos. Voor Vondel heeft die ene Amsterdamse winter van de balling veel betekend. Hij zocht De Groot op, die juist in die periode nieuwe ideeën ontwikkelde over de imitatie van de Griekse tragedie: ze zullen diepgaande gesprekken hebben gevoerd over de onderwerpen, de hartstochten en de structuur van het treurspel. In 1635 vertaalde hij Grotius’spel over Jozef, de Sophompaneas, later zou hij nog zijn Adamus exul en Phoenissae bewerken. Vondel keek enorm op tegen De Groot en draagt hem daarom eerbiedig zijn Gysbreght op. Namens Amsterdam kan hij dat moeilijk doen: het bestuur van de stad had sympathie voor de arminianen, maar het heeft Grotius niet in bescherming kunnen nemen.

Lees verder >>

Jacob Cats als rechtbankverslaggever

Door Ton Harmsen

039SeneCats
Behalve haar proefschrift over funeraire poëzie schreef Sonja Witstein ook twaalf artikelen, die gebundeld zijn in Een wett-steen van de ieught. Die titel verwijst naar de woorden waarmee Huygens de professor omschrijft in zijn Zedeprinten; het is ook een verwijzing naar de Wetsteen der vernuften, wat een van Witsteins lievelingsboeken was. Over Jacob Cats was zij minder te spreken: te plat, te vlak, te saai; zijn eindeloze alexandrijnen stromen niet als een rivier maar ze kabbelen voort als een kaarsrecht kanaal. Eeuwenlang genoot hij een enorme populariteit met zijn hersenspoelende dreun, die de Nederlandse literatuur meer kwaad dan goed heeft gedaan. Ja, Barlaeus vertaalde grote delen van zijn Trou-ringh in het Latijn, maar die moest daar door Cats wel heel dringend om verzocht worden, en hij paste de tekst grondig aan naar zijn eigen smaak. De monotone catsiaanse alexandrijnen werden welluidende hexameters, en weg waren de dodelijke stoplappen en de anaforische zinnen.

Natuurlijk valt over Cats ook veel goeds te zeggen: hij was een briljant jurist, opgeklommen tot raadpensionaris (brave ja-knikker tegen Frederik Hendrik); hij kende de klassieke literatuur op zijn duimpje en beheerste – als jurist en als schrijver – de kneepjes van de retorica. Als hij dan ook nog blijkt een prachtig inkijkje te geven in de didactiek van de retorica, heeft hij het hart van Sonja Witstein helemaal gestolen.
Lees verder >>

Met Lambert van den Bos naar de kerken van Napels

Door Ton Harmsen

SpaccanapoliWie naar het buitenland gaat koopt een reisgids. In de zeventiende eeuw was dat niet anders. Er waren gidsen voor allerlei landen, variërend van praktische handleidingen (type Lonely Planet) tot beschrijving van kunst en cultuur (Agon cultuurgids). Italiëgangers – handelaars, studenten, geleerden, geestelijken en militairen – reisden over de Alpen of per boot, en bezochten Milaan, Florence, Venetië en Rome. Napels was veel minder in trek, misschien vond men het te ver of te onveilig. Het was niet zo dat men geen belangstelling had voor de oude en rijke hoofdstad van het koninkrijk Napels, want de gidsen bevatten vaak een uitvoerige en euforische beschrijving van de schoonheden ervan. In ieder geval geldt dit voor de Wegh-wyser door Italien, die voor het eerst verscheen in 1657. Vier jaar later kwam een vermeerderde en geïllustreerde editie uit, en weer vier jaar later de derde druk van dit werk van Lambert van den Bos, de orangistische Dordtse conrector die een van de meest productieve auteurs van zijn tijd was. Zijn boeken, veelal vertalingen en compilatiewerken, maken allerlei kennis toegankelijk voor het Nederlandse publiek. Hij vertaalde als eerste Don Quichotte in het Nederlands, hij schreef lofdichten op de Oranjes en hun veldheren, en schreef of redigeerde talrijke historiewerken. Hij was goed thuis in de contemporaine geschiedenis van Napels: zijn vertaling van Giraffi’s Napelsche beroerte (1652) over de opstand van Mas Anjello (1647) bracht Thomas Asselijn in 1668 tot het treurspel Op- en ondergang van Mas Anjello, of Napelse beroerte. Zelf schreef Van den Bosch ook zeven treurspelen, waarvan er enkele door Ceneton zijn uitgegeven.

Lees verder >>

Een schilderijententoonstelling in Vondels zesde toneelstuk

Door Ton Harmsen

037SofompaneasHet is een beetje verwarrend dat het woord ‘treurspeler’ bij Vondel twee betekenissen heeft: het is zowel een personage uit een treurspel als een treurspelschrijver. De laatste betekenis heeft het woord in de voorrede van Huigh de Groots Iosef of Sofompaneas, waar Vondel schrijft: ‘Ick hier mede vast in ’t vertolcken en rijmen bezigh en verruckt zijnde, liet my zomtijds voorstaen, dat Iosef, of in den treurspeelder verrezen was, of dat de treurspeelder Iosefs spoor moest bewandelt hebben.’ Vondel ziet Jozef als prefiguratie van Hugo de Groot, en hij vindt dat Hugo de Groot in de voetsporen van Jozef treedt. Het zou voor de lezer niet noodzakelijk zijn die wederzijdse parallel te zien, als Vondel er zelf niet zo nadrukkelijk melding van had gemaakt, en als de historische gegevens niet zo duidelijk in die richting zouden wijzen. Vondel had namelijk in 1628 zijn Hippolytus (waarin de parallel met Jozef overduidelijk is) aan Hugo de Groot opgedragen; de ballingschap en het aanzien in het buitenland die Jozef en De Groot gemeen hebben zal toen al door zijn hoofd hebben gespeeld. Lees verder >>

Nederlandse poëzie van Caspar Barlaeus

Door Ton Harmsen

KleinPoelgeest1730Funeraire gedichten, met lof en rouw, verliesverwerking en troost, kunnen heel erg persoonlijk zijn. Dat leert het proefschrift van Sonja Witstein ons. Vondel over zijn dochtertje, Huygens over zijn vrouw, Hooft over zijn jeugdvriendin: het onderwerp staat heel dicht bij de dichter, en daar kan emotionele en indrukwekkende poëzie uit voortkomen. Een dichter die beschrijft wat er door hem heengaat als hij bij het dode lichaam van een bekende staat is wel bijzonder persoonlijk. Zo’n gedicht schrijft Caspar Barlaeus op de dood van een vrouw op wie hij zeer gesteld was: hij staat bij het lijk van Catharina van Overbeeck en droefheid en bewondering wellen in hem op. De situatie maakt het gedicht dat hij voor haar schrijft zo indrukwekkend, niet de obligate woorden van troost en de beschrijving van haar kwaliteiten. We zien Barlaeus naar het lijk staren, hij laat ons voelen wat er door hem heen gaat.

Een groot deel van de Nederlandse literatuur is in het Latijn geschreven. Sommige auteurs zijn twee- of meertalig, Constantijn Huygens is daar het sprekende voorbeeld van. Onder de Nederlandse neolatinisten zijn er een paar wereldberoemd geworden, Neolatijn wordt nu eenmaal door meer mensen gelezen dan zeventiende-eeuws Nederlands. Bekende auteurs zijn Janus Secundus, Desiderius Erasmus, Janus Dousa, Justus Lipsius, Hugo Grotius, Daniel Heinsius, Anna Maria van Schuurman, Gerardus Johannes Vossius en Petrus Burmannus. En dan heb ik Caspar Barlaeus nog niet eens genoemd.

Lees verder >>

De kluchten van Joan van Paffenrode

Door Ton Harmsen

035HopmanUlrich1663Gelukkig beschikt de mens over een flinke dosis leedvermaak, anders zouden we maar weinig plezier beleven aan het zien of lezen van een zeventiende-eeuwse klucht. In die kluchten leren we de mens van zijn slechtste en ongelukkigste kant kennen. In blijspelen wil de hoofdpersoon nog wel eens iets goeds doen, daar helpen de personages elkaar om uit de moeilijkheden of tot een bepaald doel te komen. Bedrog, gierigheid, zelfvoldaanheid en begeerte spelen daarbij een rol, maar aan het eind komt alles goed: het sympatieke stel trouwt met elkaar, de vrek wordt van zijn gierigheid genezen of de bedrieger wordt ontmaskerd en weggejaagd. In een klucht zegeviert juist vaak de ondeugd; de hoofdpersoon vindt geen sympathie bij het publiek, maar trapt voor hun lering en vermaak in een valkuil van ondeugd en domheid. In dat opzicht zijn kluchten vaak triest: de personages zijn de dupe van hun eigen slechtheid en zelfgenoegzaamheid.

Misschien is dit geen wet van Meden en Perzen, maar het gaat wel op voor de twee kluchten van kapitein Joan van Paffenrode. Lees verder >>

Paffenrode’s treurspel over Willem van Arkel

Door Ton Harmsen

Veldslagen, belegeringen van steden en strooptochten van legers: de literatuur staat er vol mee. Het beleg van Maastricht van 1673 (de stad is vaker ingenomen) is op minstens twee plaatsen terug te vinden in de literatuurgeschiedenis. Op 24 juni 1673 sneuvelde daar de graaf van Artagnan, die eeuwig voortleeft in De drie musketiers van Alexandre Dumas. Franse troepen namen daarna de stad met grof geweld in. Het standbeeld van d’Artagnan is een literaire bedevaartplaats voor toeristen uit de hele wereld. Eén dag eerder sneuvelde aan de andere zijde jonkheer Joan van Paffenrode – misschien als laatste geveld door een musketkogel van d’Artagnan. Ook hij neemt een voorname plaats in in de literatuurgeschiedenis, maar omdat hij geen standbeeld heeft kan hij helaas niets betekenen voor de Maastrichtse horeca. De vernieuwde belangstelling voor zeventiende-eeuws toneel zal hier wellicht verandering in brengen.

Paffenrode werd in 1618 in Gorcum geboren als zoon van jonkheer Jacob van Paffenrode, de lokale drost, en Wilhelmina van Arkel, die uit een oud adellijk geslacht stamde. Hij zette zijn titel ‘Vrijheer van Gussigny’ luister bij door carrière te maken in het leger: hij nam deel aan veldtochten van Frederik Hendrik, en legde de eed van kapitein af; in 1652 werd hij benoemd tot commandeur van het garnizoen van Arkel, en hij eindigde (letterlijk) zijn loopbaan als commandant van een regiment. Maar hij is vooral beroemd gebleven als letterkundige: alle literatuurgeschiedenissen behandelen zijn werk. Lees verder >>

Erasmus’ strijd tegen de oorlog

Door Ton Harmsen

Benlliurs CharonIn het derde hoofdstuk van zijn autobiografie (La vita scritta da lui medesimo) staat Benvenuto Cellini tegenover een dreigende groep mensen. Onvervaard zwaait hij met een mes, terwijl hij zelfverzekerd uitroept: ‘als iemand mij aanvalt, haal dan snel de biechtvader, want de dokter zal niets meer voor hem kunnen doen’ (corra per il confessoro, perchè il medico non ci avrà che fare). Het is grootspraak, het is spotten met de dood. Ik moet eraan denken bij de wrange grap die Erasmus in zijn colloquium ‘Charon’ maakt over de dood van de Vrede.

Erasmus was geen politicus; hij heeft niet bijgedragen aan het oorlogsrecht of aan supranationale instituties zoals Hugo de Groot deed. Maar vrede is een enorm belangrijk thema in al zijn werken, en het denken over oorlog en vrede heeft hij ingrijpend beïnvloed. Sommige werken zijn er zelfs geheel aan gewijd, zoals Klacht van de Vrede (Querela Pacis van 1517) en het overbekende adagium ‘Oorlog lijkt mooi voor wie geen oorlog hebben meegemaakt’ (Dulce bellum inexpertis). Ook in de Colloquia spreken burgers vaak vol afschuw over hun oorlogszuchtige vorsten. In Charon verplaatst Erasmus de dialoog naar de absurdistische situatie van de onderwereld.

Lees verder >>