Auteur: Ton Harmsen

Vijfmaal Vasthi

Door Ton Harmsen

Er is alom belangstelling voor het Spaanse toneel dat in de zeventiende eeuw in de Nederlanden werd opgevoerd. Uitgeverij Verloren kondigt een boek aan van Frans Blom en Olga van Marion over Spaans theater in de Republiek. En dat is nog maar het begin van hun project over dat spectaculaire toneel, in Leiden staat Tim Vergeer in de startblokken om de emoties in de Spaanse stukken te analyseren. Een grote groep vrijwilligers heeft toegezegd de vele teksten die daarvoor digitaal beschikbaar moeten komen te transciberen; wie wil bijdragen kan zich melden bij ceneton@me.com. En nog actueler: Theater Kwast speelt volgende week Serwouters’ bijbelse tragedie Hester, oft verlossing der Jooden (Amsterdam, 1659) een vrije bewerking van Lope de Vega’s La hermosa Ester (1610). In Amsterdam werden stukken van Lope de Vega, Calderón de la Barca en anderen in het Spaans opgevoerd; het is hoogst waarschijnlijk dat Serwouters door zo een voorstelling geïnspireerd is.

Lees verder >>

Garmt Stuiveling redt Vondels Peter en Pauwels

Door Ton Harmsen

Vondels dertiende tragedie, Peter en Pauwels (1641), behandelt een huiveringwekkend thema: de executie van Petrus en Paulus, de apostelen die naar Rome waren gegaan om er het christendom te vestigen. Zoals dat gaat in martelaarsverhalen is hun dood de aanzet tot eeuwige bloei. Keizer Nero die hen ter dood veroordeelt gaat in waanzin ten onder, de pausen die Petrus opvolgen zijn eeuwenlang het symbool van de levende kerk. Het roet dat Luther in dit eten gooide is voor Vondel van geen enkel belang: hij is katholiek geworden en heeft alle protestante bedenkingen tegen de moederkerk afgeworpen.

Vondel weet deze inktzwarte gebeurtenis met galgehumor te beschrijven. Lees verder >>

Een tragische jonkvrouw in het Muiderslot

Door Ton Harmsen

In marionettentheaters op Sicilië worden nog altijd scènes uit de Razende Roeland, de Orlando Furioso (1516) van Ludovico Ariosto gespeeld. Dit fantastische ridder-epos is in 1998 door Ike Cialona in Nederlandse verzen vertaald; in 1649 verscheen al een prozavertaling door Jan Jacobsz Schipper. En nog eerder werd de tekst gebruikt door P.C. Hooft: hij zette een toneelstuk op, Isabella, dat hij niet voltooide. Samuel Coster maakte het af zodat prins Maurits het in 1618 in het Muiderslot kon zien; het jaar daarop werd het gedrukt. Lees verder >>

Antonides van der Goes en het feest van de metamorfose

Door Ton Harmsen

Het werk van Joannes Antonides van der Goes heeft een hoogdravende toon. Zijn vermakelijke Ystroom is een kruising tussen een aardrijkskundig en een mythologisch compendium, zijn indrukwekkende Trazil een impressie van duistere Chinese krachten die zich tegen de christelijke god verzetten, zijn vleiende lofdichten op boeken en personen zijn gespeend van humor en kritiek. Bellone aen band en De Teems in brant zijn ook geen vrolijke titels. Maar hij kan ook geestig en lichtvoetig zijn, zoals in zijn gedicht over een dokter die door zijn patiënt-in-nood als een god wordt gezien, maar wanneer het herstel intreedt als een engel, en zodra de patiënt weer op de been is als mens; totdat hij de rekening stuurt voor zijn helende werk:

.            Als doodelijke koorts en smart de lijders plagen,
.                Kome ik, gelijk een God, voor ’t Krankbed grootsch getreen:
.                Mijn artzeny wort als iet Hemelsch aengebeên,
.            En d’adem van mijn mont kan alle pijn verjagen.
.                Een kroon van stralen huld mijn hooft, in hun gezicht,
.                En alle schat valt voor mijn trouwe zorg te licht.

.            Zoo dra de dood wat van de lippen is geweken,
.                Het tintelende wee een weinig is verzacht,
.                Wort mijne Godheit ook een weinig min geächt.
.            Men hoort my in dien staet maer als een Engel spreken.
.                Noch worde ik evenwel met staetsie ingehaelt,
.                En met een rijkdom van beloften weer betaelt.

.            De kranke, nu byna door mijne konst genezen,
.                Verlaet het bedde om zich te koestren aen het vier;
.                Maer die verlichting van zijn weedom staet my dier,
.            Dewijl mijn dienst maer wort als van een Mensch geprezen.
.                Mijne achting zinkt zoo veel als zijn gezontheit stijgt;
.                ’t Ondankbaer loon dat hier de weldaet meest verkrijgt.

.            De lijder ademt weêr met onbenaeude longen.
.                De koorts is op de vlucht. de wonden zijn geheelt.
.                Ik, die te voren heb de rol eens Gods gespeelt,
.            Toen ydle hoop van winst my steets wierde opgedrongen,
.                Worde als een Duivel uitgescholden en veracht,
.                Nu ik betaling van mijn groote konst verwacht.
.                                                   (Gedichten, ed. 1705 p. 352)

Lees verder >>

Vondel tussen de schuifdeuren van Hooft

Door Ton Harmsen

In 1627 schrijft Vondel voor het tweede huwelijk van de dichtende drost zijn Bruyloftbed voor Pieter Cornelisz. Hoofd en Helionora Hellemans. Dat bruiloftsbed is geen slaapkamermeubel, maar een sofa zoals de Romeinen gebruikten om aan te liggen bij een banket. Het is een toneelstukje, geschreven voor Hoofts bruiloftsmaal. Vondel geeft geen nadere aanduiding van het genre waar zijn tekst toe behoort, de Census Nederlands toneel duidt het aan als een tafelspel.

Een tafelspel is een toneelstuk dat tijdens een maaltijd werd opgevoerd. Dat kan een bijeenkomst van rederijkers en hun gasten zijn, een andere feestelijke gelegenheid zoals driekoningen, vastenavond, of een officiële plechtigheid. In de zeventiende eeuw is het vaak een bruiloft: Bruylofts tafel-spel, of een Tafelspelletje, op het trouwfeest van de Twee die ’t Paartje zijn. Sommige tafelspelen bevatten toespelingen op de maaltijd: de gasten worden toegesproken in het spel, of de spelers kondigen nieuwe spijzen en dranken aan.

Lees verder >>

Misdaad en straf bij Seneca en Spinoza

Door Ton Harmsen

Clytaemnestra op weg om Agamemnon te dodenRond 1640 ontdekte Vondel Sophocles, en daarmee was het afgelopen met zijn liefde voor Seneca. Maar dat betekende niet dat deze wijze woordkunstenaar verwaarloosd werd. Zijn briljante dialogen, zijn encyclopedische kennis van mythologie, zijn originele stijlfiguren en zeker de stoïcijnse levenslessen in zijn sententiae vonden alom bewondering en navolging. Bij auteurs die voor de schouwburg schreven was enig effectbejag daar niet vreemd aan: gruwelen op het toneel en luidruchtige donderpreken trekken meer publiek dan fijnzinnige redeneringen en uitingen van gevoelens. Maar de echte Seneca-liefhebber bekommerde zich niet om de uitvoering: Seneca werd een auteur van typische leesdrama’s, aangrijpend door de diepe wijsheid, de prachtige taal en de originele opbouw.

In de Nederlanden verschenen zijn Latijnse tragedies veelvuldig, maar slechts vier van de tien zijn in de zeventiende eeuw in het Nederlands vertaald. In 1661 publiceerde Gronovius de Tragoediae bij Elzevier in Leiden. Die geannoteerde editie bracht Lambert van den Bos in datzelfde jaar tot de vertaling van Agamemnon. Deze Dordtse conrector stelde een groot aantal historiewerken samen, en hij werkte enthousiast aan de verspreiding van klassieke literaire teksten. Hij sprak in zijn Wegh-wyser voor Italien over de kerken en de kastelen van Napels, en heeft nog bijna honderd andere boeken op zijn naam staan, waaronder veel vertalingen: Don Quichot van Cervantes, De volmaeckte hoveling van Castiglione, De Napelse beroerte van Giraffi, De Joodse historien van Flavius Josephus, enz.

Lees verder >>

Anthonius Hambroek en het verwaarloosd Formosa

Door Ton Harmsen

In zijn toneelstuk Trazil laat Antonides van der Goes de Chinese aartspriester kritiek uiten op het optreden van de Spaanse missionarissen in Perù. Daarmee laat hij zien dat de Europese expansie een mondiaal probleem was. De gruwelen in Zuid-Amerika waren alom bekend – vooral door de in 1542 geschreven bestseller van de dominicaan Bartolomé de las Casas, Brevísima relación de la destrucción de las Indias (Seer cort verhael vande destructie van d’Indien) – en in Nederland was die kennis koren op de molen van de anti-Spaanse propaganda. Vondel schreef in de Zegesang ter eere van Frederick Hendrick de Peruviaanse koning postuum leedvermaak toe toen hij ‘vernam’ dat de Spanjaarden ’s-Hertogenbosch hadden verloren (1629):

.                                                De schim van Attabaliba
.                            Vernamt, en huppelde om uw’ scha.
(Zegesang vs. 541-542; vergelijk Antonides’ uitvoerige bewerking in de Ystroom boek 2 vs. 242-308)

De Spaanse missie is een aantrekkelijker doelwit dan de Nederlandse zending, maar als hij het gewild had zou Antonides veel dichter bij Peking ook een voorbeeld hebben kunnen vinden: Lees verder >>

Met Vondel naar Peking

Door Ton Harmsen

Zoals in Neerlandistiek.nl eerder deze week is aangekondigd speelt Theater Kwast op 2 juli in het Frans Halsmuseum Vondels laatste tragedie, Zungchin. Doe geen moeite om kaarten te krijgen, de voorstelling is al lang uitverkocht. Alles wat hij in 80 jaar had verworven aan poëzie, epiek (Vergilius), lyriek (Horatius) en dramatiek (Sophocles) balt Vondel in een ultieme krachtsinspanning samen in dit duistere meesterwerk. Met zijn onheilspellende nachtelijke uitstraling is Zungchin een fascinerend kunstwerk. Vondel beziet de gebeurtenissen in Peking vanuit de ogen van de katholieke missionarissen. Hij had contact met jezuïeten die de gebeurtenissen rond de missie op de voet volgden, en in Amsterdam verscheen in die jaren een aantal belangrijke publicaties over de actuele toestand in China.

De catalogus van de tentoonstelling in het Frans Halsmuseum, Barbaren & wijsgeren; het beeld van China in de Gouden Eeuw, onder redactie van Thijs Wetsteijn en Menno Jonker, geeft weer hoe goed men in Amsterdam geïnformeerd was. In 1665 verscheen een grote informatiebron: Het gezandtschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham. In dat boek beschrijft Joan Nieuhof de diplomatieke reis van VOC-ambtenaren naar Peking, tien jaar eerder. Nieuhof maakte deze reis mee, en onderweg noteerde hij alles wat hij kon vinden over de geschiedenis, de bevolking en het landschap. Hij maakte honderden tekeningen. De originele tekeningen, nu in Parijs, zijn in 1984 teruggevonden door Leonard Blussé. De 150 illustraties in het boek zijn aangepast aan de smaak van Amsterdam. Nieuhof tekende zonder veel artistieke pretentie bergen, pagodes, schepen en ambachtslieden; met geavanceerde graveertechniek werden die gecombineerd tot dramatische composities. Lees verder >>

Pieter Langendijk op weg naar de égalité

Door Ton Harmsen

Kan een klucht ook een ernstig onderwerp behandelen? De zwetser van Pieter Langendijk (1712) bewijst het. Het spel is vermakelijk genoeg om een klucht te heten, en bovendien kort, zonder ingewikkelde intrige, niet in een verheven stijl en zonder veel ontwikkeling in de karakters. Toch gaat deze klucht over een zaak van maatschappelijk belang, een ernstig onderwerp dat in de vroege achttiende eeuw heel actueel was. Toen moest de burgerij zijn plaats naast of zelfs boven de adel legitimeren, en daarvoor is de eenvoudige intrige van Langendijk heel geschikt.

Op het eerste gezicht is De zwetser een kluchtje over de liefde, een vader koppelt zijn dochter aan een vreselijke man en hij schuift haar charmante geliefde terzijde; geholpen door zijn knecht zet deze de situatie naar zijn hand. Izabelle, een jongedame uit een adellijke familie, wil trouwen met Karel, een burgerjongen. Ernst, haar vader, is daar faliekant tegen: het adellijk geslacht moet in stand gehouden worden. Die vader is niet dom, maar hij zit vastgebakken aan een oud vooroordeel. Karel, de geliefde van Izabelle, wil bewijzen dat hij ondanks zijn burgerlijke afkomst een goede schoonzoon zal zijn. Een schijnbaar onmogelijke taak, maar als blessing in disguise komt er nu een afzichtelijke Duitser op het toneel, kapitein Hans, die naar de hand van Izabelle dingt. Ernst steunt deze snoevende militair ten volle. Lees verder >>

Bloedwraak leidt tot ellende in het schooltoneel

Door Ton Harmsen

Na al die voorspellingen voor 2042 toch maar weer iets over een toneelstuk uit 1742: koning Baasa roeit de familie van zijn voorganger uit. De Nederlandse literatuur is rijk aan Latijnse toneelstukken. Behalve tweehonderd complete, gedrukte teksten zijn er ook zo’n tweeduizend programmaboekjes met een synopsis van een toneelstuk bewaard. Een klein deel van die spelen is geschreven door humanistische literatoren: Daniel Heinsius en Hugo de Groot zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Het overgrote deel van het Latijnstalige toneel is van de hand van schoolmeesters. Op de Latijnse scholen van de zestiende tot de achttiende eeuw was toneel een populair didactisch middel om de leerlingen vertrouwd te maken met conversatie in het Latijn. Er waren Latijnse toneelstukken genoeg om op te voeren: de antieke spelen van Plautus waren niet zo stichtelijk, maar die van Terentius waren, met enige aanpassing, bruikbaar. Wie de kinderziel niet wilde confronteren met bedrog en overspel moest echter zelf aan de slag om een spel te schrijven.
Lees verder >>

Ton Harmsen: Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen wedijveren

Door Ton Harmsen

Neerlandistiek.nl in 2042? Dat zal er heel anders uitzien dan vandaag. De computer heeft dan geen beeldscherm en geen toetsenbord meer, en de schijfopslag zweeft in een satelliet boven de aarde. Toch hoop ik dat er dan veel hetzelfde is gebleven.

In ieder geval de formule van dit blog: een gezonde mengeling van artikelen over uiteenlopende onderwerpen die voor de studie van Nederlandse taal- en letterkunde van belang zijn. Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen wedijveren. Het verruimt de blik: wie de woordvolgorde in het Nederlands bestudeert kan zijn voordeel doen met waarnemingen over het Katwijks dialect, en wie Vondel analyseert ook. Elke dag een gedicht te lezen krijgen is een gestage verrijking. Ik hoop ook dat de gevarieerde toon waarop de auteurs over al die dingen spreken niet verandert: naast academisch proza ook af en toe een kwinkslag en naast een briljante gedachte een roekeloze overweging. Lees verder >>

Bloedwraak loont in Vondels Gebroeders (1640)

Door Ton Harmsen

Hugo de Groot is voor Vondel een grote steun geweest. Zij waren verbonden in hun gemeenschappelijke afkeer van de gerechtelijke moord op Oldenbarnevelt en in hun verzet tegen iedereen die deze misdaad goedkeurde. En met zijn Latijnse tragedies en met zijn commentaren op de Griekse tragici wees Grotius Vondel de weg van Seneca naar Sophocles. Voor de literatuurgeschiedenis is dat van enorme betekenis geweest. Toch is het contact met Grotius steeds minder geworden: de diplomaat in Parijs, en de lakenkoopman stonden te ver van elkaar. Het zal voor Vondel een geschenk uit de hemel zijn geweest dat in 1631 Gerardus Joannes Vossius op tien minuten lopen van hem vandaan kwam wonen: een belezen man met heldere ideeën over de geschiedenis van de tragedie, een kenner van de theorie en de praktijk van de antieke poëzie. Vossius verloor geen tijd aan andere zaken dan zijn onderzoek, en als er een gast in zijn studeerkamer binnenkwam draaide hij een zandloper om, om de bezoeker erop te wijzen dat hij de kortste keren weg moest wezen. En Vondel was ook niet iemand die vrienden zocht: zijn zeer omvangrijke werk is maar zelden van een lofdicht voorzien, in dat opzicht is hij absoluut een tegenpool van Constantijn Huygens. Maar Vossius en Vondel zullen elkaar van meet af aan interessant hebben gevonden, de grote literatuurhistoricus en de grote literator. Om hem te helpen bij de vertaling van Sophocles’ Electra in 1639 stuurde Vossius zijn zoon Isaac naar Vondel. Jarenlang bleef er contact tussen de dichter en de professor bestaan: het beroemde uitleenboekje van Vossius, een katerntje waarin hij noteerde wat hij aan wie uitleende, toont het aan. Lees verder >>

‘Maar zie ik sta op mijn respekt’: een zeventiende-eeuwse rapper

Door Ton Harmsen

Persoonlijk ben ik geen liefhebber van het genre, maar ik heb wel een duidelijk beeld van wat ‘rap’ is. Het is wat eentonig gezang dat tegelijk opgewonden en treurig klinkt, maar zich gunstig onderscheidt door een enorme taalrijkdom: een vocabulaire waar noch Ilja Pfeiffer noch Louis Couperus zich (kwantitatief!) voor zou schamen, en een gevarieerd taalgebruik waar de taalkundigen helemaal gelukkig van worden. Ik geef toe dat ik dit pas sinds kort weet, nu eerder deze maand in Neerlandistiek.nl door Alex Reuneker, Vivien Waszink en Ton van der Wouden gerapporteerd werd over hun onderzoek naar het lexicon van het Nederhops. Hun bevindingen had ik voor kennisgeving aangenomen, maar nu Feike Dietz de ‘rap’ in verband brengt met zeventiende-eeuwse poëzie ben ik er toch even over gaan nadenken. Feike Dietz legt verband tussen de taal der rappers en de grammaticale diversiteit van Vondel en Hooft, die zich in hun proza inhouden maar in hun poëzie graag goochelen met negatiepartikels en naast ‘zo een mooi’ gedicht ook ‘een zo mooi’ gedicht schreven; mij lijkt dat niet verwonderlijk omdat hun (meestal jambische) metriek een zekere ritmische variatie uitlokt. Vondel en Hooft lijken mij verder niet goed te vergelijken met De Jeugd van Tegenwoordig; het is misschien aardig eens te zoeken naar zeventiende-eeuwse poëzie die dichter bij de rap staat dan de Baeto en de Lucifer. Lees verder >>

François van Hoogstraten, van mystiek naar humanisme

Door Ton Harmsen

Van mystiek naar humanisme – hoe groot is die stap? In ieder geval klein genoeg om door één auteur genomen te worden. François van Hoogstraten (1632-1696) is (behalve als lid van een familie van boekhandelaars, kunstschilders en literatoren) vooral bekend omdat hij in 1676 de Lof der Zotheid in het Nederlands vertaalde, en een jaar daarna Erasmus’ Handboexken van den christelijken ridder en de Utopia van Erasmus’ vriend Thomas More. Maar deze humanist is begonnen als vertaler en bewerker van mystieke werken. In 1659 werd hij (naar eigen zeggen) gegrepen door het Libro de la vanidad del mundo (1562) van Diego de Estella, dat hij vertaalde als De versmading der wereltsche ydelheden (door hemzelf uitgegeven in 1659). Deze mystieke, katholieke literatuur fascineerde hem lange tijd. In 1668 inspireerde het leven voor God hem tot een bijzondere embleembundel onder de titel Het voorhof der ziele, waarin hij Estella herhaaldelijk citeert. Lees verder >>

Arlekyn Hulla: een oosters huwelijksritueel in een westerse klucht

Door Ton Harmsen

De rijke cultuur van het oosten inspireerde tal van toneelschrijvers in de zeventiende en de achttiende eeuw. Sultans en imams waren bekende verschijningen op het toneel. Aan de universiteiten werd arabistiek beoefend, en ook bij het grote publiek bestond veel belangstelling voor de landen van de tulpen en de tulbanden. In 1657 verscheen een vertaling van de Koran door Jan Hendrik Glazemaker, naar de Franse vertaling van André du Ryer. Deze tekst is verschillende malen herdrukt. Kennis van de Koran was dus voorhanden, maar niemand  nam het een kluchtschrijver kwalijk als hij hier en daar een loopje nam met de mohammedaanse leer. In het spel Arlekyn Hulla is de leer van de sharia ondergeschikt gemaakt aan de vaart van de komische intrige. In de Koran staat het volgende over echtscheiding gevolgd door een nieuw huwelijk tussen dezelfde man en vrouw:

.        Degeen, die sijn gemalin driemaal verstoten heeft, mach haar niet weerneemen, tot dat zy aan een ander gehuwt heeft geweest, van de welk zy ook verstoten is; dan mogen zy weer te samen keren, en sonder sonden weer trouwen, zo zy achten dat zy in de palen, van God voorgeschreven, die hy aan de wysen en voorsichtigen openbaart, konnen blyven. (Mahomets Alkoran, naar de vertaling van J.H. Glazemaker, Leiden 1721, p. 27)

Lees verder >>

Arme rijkdom bij Jacques Japin en Jean François Cammaert

Door Ton Harmsen

Cammaert
Volgende week speelt Theater Kwast Arlekyn Hulla (1747), een klucht over de mazen in het Turkse huwelijksrecht door Jacques Japin. Er zijn nog twee spelen aan hem toegeschreven: De lastigheid der rykdommen van 1739 en De woekeraar edelman uit 1740. Japins naam staat bij geen van de drie op de titelpagina, maar aan het eind van de achttiende eeuw verschenen catalogi die het mogelijk maken anoniem drukwerk aan bepaalde auteurs toe te schrijven. Deze drie stukken zijn vertaald uit het Frans; Arlequin Hulla en L’embarras des richesses worden toegeschreven aan l’Abbé Leonor Jean Christine Soulas d’Allainval. Diens toneelwerk werd zowel in Noord- als in Zuid-Nederland  vertaald: Joannes Franciscus Cammaert bewerkte zijn komedie L’embarras des richesses in Brussel, onder de titel De onrust door den ryckdom (1754).

Lees verder >>

Nieuwjaar met Thomasvaer

065gysbreghtschmidt1951Door Ton Harmsen

Kerstmis heeft iets pastoraals. Het Weihnachtsoratorium van Johann Sebastian Bach bevat Hirtenmusik, Nederlanders zingen ‘De herdertjes lagen bij nachte’ en tijdens het kerstoffensief in de Gysbreght, de massamoord in de kerstnacht, spreekt de ‘Rey van Edelingen’ over de aanbidding door de herders:

.            De doecken daer dit kint in leit
.            Is ’t purper van zijn majesteit,
.            Waer in de harders hem aenschouwen,
.            Dien God de zielen komt vertrouwen;
.            Gelijck van ouds was toegezeit.
.            Dat God zijn kudde weiden zal,
.            En hoên voor ramp en ongeval,
.            En na’et verdwaelde schaepken vraegen,
.            En dat op zijne schouders draegen
.            Met vreughd by ’t overigh getal.
.                                    (vs. 725-734)

Het zal niemand verbazen dat het publiek na dit gewelddadige stuk behoefte had aan een suikerzoet dessert, en toen iemand bedacht in aansluiting op de voorstelling van de Gysbreght een idyllisch tafereeltje te vertonen ontstond een opvoeringstraditie die ruim tweeëneenhalve eeuw stand zou houden. Dat gebeurde in het begin van de achttiende eeuw, toen Het boere-operaatje, of de bruyloft Kloris en Roosje (1706) als naspel gebruikt werd; de combinatie van Gysbreght en Kloris en Roosje was van meet af aan een succes. Lees verder >>

Mithridate van Racine: psychologisch raffinement en coups de théâtre

Door Ton Harmsen

064mithridates
Racine’s Mithridate is onweerstaanbaar, niet alleen door de welluidende stijl maar vooral door de vele hartstochten die haarfijn tegen elkaar uitgespeeld worden. De structuur van een toneelstuk is voor de smaak van het classicisme pas goed als alle handelingen regelrecht uit elkaar voortvloeien, als er een logisch verband bestaat tussen alle scènes. Dat betekent niet dat er geen verrassingen op het toneel mogelijk zijn. Als die verrassingen maar achteraf verklaard kunnen worden, dan zijn de critici van de zeventiende eeuw tevreden. Een toneelstuk vol verrassingen is Mithridate, roi de Ponte (1673) door Jean Racine, een intrige die nu goeddeels vergeten is maar die in de zeventiende eeuw, althans dat zegt Racine in zijn voorwoord, bij het schouwburgpubliek alom bekend was. Het spel heeft vier hoofdpersonen, een vrouw en drie mannen (de koning en twee zonen); zij is uitgehuwelijkt aan de vader, maar alle drie zijn ze verliefd op haar, natuurlijk slechts één met succes. Lees verder >>

Dag lieve leermeester… In memoriam Karel Bostoen (27 december 1943 – 15 december 2016)

Door Ingrid de Bonth-Weekhout
Voorzitter Proteus, Leidse Vereniging van Renaissancisten

karelbostoenAmper zeventien jaar oud was ik, toen ik in 1990 in Leiden begon aan de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde. De keuze voor deze studie kende een welhaast ‘klassiek’ te noemen basis: het kwam allemaal door mijn fantastische lerares Nederlands, Elly Groenenboom. Zij had mij in aanraking gebracht met de historische letterkunde en vanaf dat moment werd ik gegrepen en wilde ik meer. En verder. Ik kon toen nog niet vermoeden dat zij daarmee ook zorgde voor mijn kennismaking met Karel, die voor mij één van mijn grootste leermeesters zou gaan worden.

In mijn eerste jaar genoot ik van alle vakgebieden – er ging een wereld open van taal en literatuur, zo mooi dat er soms geen woorden voor waren. En bovenal waren daar de hoorcolleges en werkgroepen van Karel. Hoewel de diverse richtingen streden om mijn aandacht, wist Karel met zijn manier van overbrengen, met zijn aandacht en zijn begeestering, voorgoed mijn hoofd en hart te winnen voor de letterkunde van de Renaissance. Lees verder >>

Het toppunt van retorica: Sophocles’ Philoctetes

Door Ton Harmsen

063philoctetesHoe meesterlijk de Griekse tragedieschrijver Sophocles ook is, in de Nederlandse renaissance is hij een ondergeschoven kindje. Cornelis van Ghistele, die ook Ovidius en Terentius vertaalde, zette Sophocles’ Antigone over uit een Latijnse versie (1556). Verder bracht de zestiende eeuw niets voort, behalve de vertaling van Ajax in het Latijn door Josephus Justus Scaliger (1574). In de zeventiende eeuw had Sophocles minder te klagen. Vondel vertaalde drie van zijn zeven tragedies: Elektra (1639), Koning Edipus (1660) en Herkules in Trachin (1668). Pas negentig jaar later volgde Philoctetes, vertaald uit het Frans door Jacobus Stamhorst. Die Franse bewerking door Chateaubrun had van het originele stuk van de Griek geen spaan heel gelaten. Het Franse classicisme met zijn galante gesprekken, zijn strijd tussen liefde en eer en zijn afkeer van onwaarschijnlijke, en vooral van bovennatuurlijke zaken heeft geen enkel begrip voor de rauwe werkelijkheid die Sophocles in zijn treurspelen schildert. En de Nederlandse pendant, het Frans-klassicisme, was in dit opzicht nog erger.

Lees verder >>

Tomas Morus als verjaardagsgeschenk voor Jacob Cats

Door Ton Harmsen

62morusVan Leuven tot Bredevoort, overal in Nederland en België zijn lezingen, congressen, tentoonstellingen, snapshots en boekpresentaties rond de Utopia van Thomas Morus, die precies vijfhonderd jaar geleden in Leuven voor het eerst gedrukt werd. Morus was een rijk en vooraanstaand jurist, humanist en raadsman van Hendrik VIII. Zoals Erasmus zijn Lof der Zotheid aan hem opdroeg, droeg Morus zijn maatschappijkritische fantasie in 1516 op aan Pieter Gillis, de Antwerpse drukker en stadssecretaris met wie hij, net als Erasmus, zeer goed bevriend was. Gillis heeft aan het bedenken van Utopia meegewerkt en speelt een rol in het boek. In Utopia beschrijft een reiziger de wetten en de taal van de ideale staat die hij bezocht heeft, en levert daarmee impliciet forse kritiek op de actuele maatschappij waarin willekeur en winstbejag het leven voor veel mensen tot een hel maken.

Lees verder >>

Hugo de Groot op de zeilwagen van Simon Stevin

Door Ton Harmsen

061stevinzeilwagenIn de winter van 1601 nodigde prins Maurits een gezelschap van 28 man uit om hem te vergezellen op het uitstapje van de eeuw. De reis in de zeilwagen die Simon Stevin voor hem had gebouwd ging in razende snelheid over het strand van Scheveningen naar Petten. Onder de genodigden waren de Franse gezant Paul Choart de Buzanval, de Spaanse admiraal Francisco Mendoza (een half jaar eerder krijgsgevangen gemaakt in de slag bij Nieuwpoort) en de grote belofte Hugo de Groot, toen nog een jongen van vijftien. Een half jaar later werd Mendoza uitgewisseld voor 400 krijgsgevangen zeelieden, onder wie Piet Hein. De arme admiraal die de slag bij Nieuwpoort had verloren verloor daarmee, indirect en een kwart eeuw later, ook de Zilvervloot.

Lees verder >>

Een slaef wil my verkrachten: Josef in Egypte

Door Ton Harmsen

060rembrandtjosefBij de held breekt inzicht door, en daarmee kantelt de toestand op het toneel. De agnitio en de peripetie vormen de kern van de aristotelische toneeltheorie. De kunst is die ommekeer niet te presenteren als weer een nieuw hoofdstuk in het verhaal, maar als een dramatische psychologische climax. Een tragedie over Josef en de vrouw van Potifar moet dus niet eindigen met het knarsen van de kerkerdeur, maar met de hysterische reactie van de afgewezen dame. Joseph in Egypten is het middendeel van de Joseftrilogie, die Vondel begon met het derde deel, Sophompaneas (Josef als vergevingsgezinde onderkoning van Egypte) en had voortgezet met Joseph in Dothan (de jonge Josef door zijn jaloerse broers verkocht). Tevens is het een verchristelijkte imitatie van de Phaedra van Seneca, door Vondel in 1628 vertaald onder de titel Hippolytus of rampsalige kuyscheyd. In zijn opdracht aan Johan Vechters benadrukt Vondel vooral de verschillen: Hippolytus was afkerig van vrouwenliefde, dus de afwijzing van zijn stiefmoeder was voor hem geen offer; Josef, ‘stock nochte block’ en later vader van twee zoons, had wel degelijk te vechten tegen de verleiding door Jempsar, zoals Vondel Potifars vrouw noemt. Het gevecht van Josef wordt door Vondel verder nauwelijks uitgewerkt: van meet af aan is hij vastbesloten niet te zwichten voor de avances van de vrouw van zijn heer. Lees verder >>

Een berooide student en een zingende molenaar

Door Ton Harmsen

059noosemanstudent164601

Het leven van een filoloog is met het internet in korte tijd wel een stuk gemakkelijker geworden. Natuurlijk was het twaalf jaar geleden veel avontuurlijker: als je iets wilde weten bracht je uren door in studiezalen en je was dolgelukkig als je vond wat je zocht, of iets wat erop leek. Nu tik je bij google drie woorden in en daar is het resultaat. De romantiek is eraf, maar het is wel praktisch.

Ineke Grootegoed, Arjan van Leuvensteijn en Marielle Rebel, die in 2004 De beroyde student (1646) van Jelis Noozeman uitgaven (inmiddels met hun inleiding en broodnodige annotaties zowel bij de DBNL als bij Ceneton te vinden) moesten het nog doen zonder de elektronische Nederlandse liederenbank. In vers 212 zingt Volckert de molenaar het lied van ‘Moy Niesje, en Rosbaertje’. Zij wisten dit te koppelen aan het lied ‘Van Plompaard en zen Wijvetje’, maar die tekst komt niet helemaal overeen met wat de molenaar in de klucht zingt. De ‘Liederenbank’ toont nu meteen de oplossing: het lied van Rosbeyertje en Mooy Niesje. Lees verder >>

In reprise: Josef in Dothan, Vondels tiende tragedie

Door Ton Harmsen

058josefverkocht Het was al lang aangekondigd, en nu is het zover: www.inreprise.org is gelanceerd. Op de website staat een lijst van honderd spelen waaruit theatermakers kunnen kiezen, en er zal van alles gebeuren om het zover te krijgen dat ze op enig niveau – van simpele leesvoorstelling tot gecostumeerde avondvulling – iets daarvan opvoeren. Gelukkig is ongeveer een kwart van de lijst van ‘InReprise’ gevuld met titels uit de zeventiende eeuw, de gouden eeuw van het toneel. Op de videoboodschap bij de opening (te zien en te lezen) van Gijs Scholten van Aschat spreekt hij naar aanleiding van de website ‘Ceneton’ zijn verbazing uit over de rijkdom van onze oudere letterkunde. Ja, het is een wonder dat toneel vier eeuwen geleden zo in de belangstelling stond. Dat heeft zoveel betekend voor onze cultuur! Klassiek toneel heeft een eigen waarde die de televisie en de musical niet kunnen overnemen. Nederland is een van de rijkste landen van de wereld. Waarom moest het Theater Instituut Nederland dicht? Waarom kan er niet een beetje subsidie af voor Toneelgroep De Appel? En dat is nog maar het topje van de ijsberg van kaalslag die het toneel treft. Moge ‘In Reprise’ leiden tot meer historisch besef, en een aanmoediging zijn voor de productie van goede klassieke voorstellingen. Lees verder >>