Auteur: Ton Harmsen

Een klucht in meetkundige trant

Adriaan, , Geertruij, Hendrik, Lucia, Joost en Agniet op het frontispice van 1704

Door Ton Harmsen

Zoals ik in mijn vorige column schreef: in De wanhébbelyke liefde (1678) krijgt Hendrik te horen dat zijn meisje met zijn vader gaat trouwen en dat haar moeder op hem verliefd is. Hij is helemáál van zijn stuk als Agniet, de nicht van zijn meisje, hem aanraadt op de avances van zijn beoogde schoonmoeder in te gaan. Maar dat is een valstrik: 

[…] men zal niet toelaaten, dat een vader ’t kind
Van zyn zoons vrouw trouwt; men is niet ontzind,
Of dol in dit land, om dat te dulden: én veel minder
Dat een moeder haar schoonzoons zoon trouwt.
De wanhébbelyke liefde, vs. 387-390

En inderdaad, als de trouwplannen van het meisje met zijn vader en tegelijk die van de jongen met haar moeder bekend worden zijn de poppen aan het dansen: Lucia wordt de vrouw van Joost en daardoor de stiefmoeder van haar vrijer, die haar vader wordt, zodat zij ook zijn stiefdochter zal zijn. In spiegelbeeld gelden precies dezelfde complicaties voor Hendrik. Wie bedenkt zoiets? Deze duizelingwekkende constructie geeft meteen aanleiding tot heftige ruzie, die door Hendriks neef bezworen wordt:

Lees verder >>

Nil Volentibus Arduum: vijf huwelijken, zes getuigen

Door Ton Harmsen

Op het toneel is dramatische ironie een plezier voor de toeschouwer. Als Gysbreght denkt dat het hemelse gerecht zich heeft ontfermd over hem en zijn benauwde veste weten wij dat het Trojaanse turfschip voor de poort ligt te wachten. De toeschouwer heeft een voorsprong op het personage. Het omgekeerde is een spannende ervaring: een speler doet of zegt iets dat de toeschouwer absurd en krankzinnig voorkomt, maar het blijkt een geniale zet te zijn. Dit doet zich voor in De wanhébbelyke liefde, een originele klucht die het Amsterdamse kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum in 1678 op de planken bracht. Een bekend motief in kluchten is dat een jongen en een meisje op elkaar verliefd worden tot ontzetting van de wederzijdse ouders; zijn knecht en haar dienstmaagd bedenken dan een riskant plan dat goed uitpakt en tot slot treden niet alleen de geliefden maar ook de bediendes in het huwelijk. Er zijn allerlei varianten, maar in dit stuk gaat het anders.

Het begint zo gewoon: Hendrik en Lucia zijn verliefd, maar haar moeder (Geertruij, een weduwe) verbiedt Lucia met Hendrik te trouwen, anders onterft ze haar. Hendrik wil nu dat zijn vader (Joost, een weduwnaar) zijn zaak bij Geertruij gaat bepleiten. Als Hendrik uitlegt dat Lucia’s moeder haar niets wil meegeven, vat Joost dat onbekommerd op, maar als hij geïnformeerd is over Lucia’s vaderlijk erfdeel begint hij te steigeren. In zijn Hollandse zuinigheid is hij zeer op een bruidsschat gesteld, en tot zijn ontzetting blijkt dat de onwillige weduwe op huwelijkse voorwaarden met een arme knecht getrouwd was:

Lees verder >>

Salomon de dwaze koning

Door Ton Harmsen

Guilliam van Nieuwelandts conclusie over de eeuwige glorie van koning Salomon staat haaks op die van Vondels Salomon (1648). Deze tragedie behandelt de enige passage uit Salomons leven die Van Nieuwelandt buiten beschouwing laat: zijn oude dag, in de bijbel in besmuikte termen beschreven in het elfde hoofdstuk van I Koningen. ‘Quantum mutatus ab illo’, citeert Vondel Vergilius Aeneis 2, 274 op de titelpagina – ‘wat een verschil met vroeger’.

Vondel draagt het stuk op aan Justus Baeck, wiens vader Laurens hem in 1625 een schuilplaats bood toen Vondels arrestatie dreigde op grond van de Palamedes. De opdrachtsvoorrede begint met een afbakening:

Ick brenge nu Koning Salomon op het heiligh tooneel; niet gelijck hy den beloofden Messias in zijne heerlijckheit uitbeelde, maer [zoals hij] uit zijnen geluckigen staet in den poel der afgoderye komt te verzincken.

(Vondels ellips van ‘gelijck hy’ is een stilistisch hoogstandje, maar voor het gemak vul ik hem even in.)

Lees verder >>

Salomon de wijze koning

Door Ton Harmsen

Eindeloos veel pastoors, dominees, leraren, kunstenaars, vaders en moeders hebben het verhaal van het salomonsoordeel verteld. Het is een van de meest aansprekende verhalen uit de Bijbel, een tikje gruwelijk en ook een beetje gewaagd omdat het over twee prostituées gaat. Maar ook als je dat er niet bij vertelt kan je er een spannend verhaal van maken.

Het gebeuren staat in I Koningen 3. De wijze koning Salomon beslist een twist tussen twee hoeren, samen in een huis en allebei pas moeder geworden. Als het kind van de ene sterft steelt zij dat van de andere, en dat leidt tot slaande ruzie. Ondervraging levert geen uitsluitsel. Salomon lost dit op door bevel te geven de baby met een zwaard doormidden te snijden en ieder van de ruziemaaksters de helft te geven.

Lees verder >>

Een goudmijn in de Kunstberg

Door Ton Harmsen

Het is de droom van iedere onderzoeker: spectaculair materiaal vinden dat nog door niemand bekeken is. Wat de zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde aangaat is dat niet eens zo moeilijk, maar als je een hele stapel toneelstukken vindt die nergens beschreven zijn is dat toch een groot feest.

Onlangs verscheen in de Koninklijke Bibliotheek Brussel, op de Kunstberg, de jongste aflevering van In monte artium. Dat tijdschrift, een schat aan artikelen over het rijke bezit van de Bibliothèque Royale de Bruxelles, is te koop bij Uitgeverij Brepols en in de winkel van de KBB, en bovendien stelt Brepols het via het internet in pdf-vorm aan iedereen kosteloos beschikbaar. Het veelzijdige jongste nummer staat vol met lezenswaardige artikelen; Michiel Verweij bespreekt vijftiende-eeuwse privécollecties die in de KB-Brussel terecht zijn gekomen, vanuit de vraag of zij nog laat-middeleeuws of reeds vroeg-humanistisch zijn. Voor neerlandici bijzonder relevant is de beschouwing van Johanna Ferket en Bram Caers over de toneelmanuscripten in de KB-Brussel. Ferket (Universiteit Antwerpen) is specialist op het gebied van toneelliteratuur, zij publiceerde onder andere over maatschappijkritiek in zeventiende-eeuwse kluchten. Caers (Universiteit Leiden) is codicoloog, hij doet onderzoek naar zestiende-eeuwse manuscripten over politieke gebeurtenissen.

Lees verder >>

Het oudste Sinterklaasverlanglijstje

Door Ton Harmsen

Jan Steen schildert voor ons een pakjesavond met vreugde en verdriet, maar Sinterklaasgedichten zoals wij die kennen, met grappige cadeau-aanbiedingen en plagerige opmerkingen waren er in de zeventiende eeuw nog niet. De zeer schaarse Sint-Nicolaasgedichten gaan niet over geschenken, maar over huwelijksaanzoeken. De heilige Nicolaus heeft ooit aan drie arme meisjes een bruidsschat gegeven – of eigenlijk: naar binnen gestrooid – om hen van de prostitutie te redden en daarom is de ‘koekvrijer’ een populaire speculaaspop. Aan de gegevens die Schotel daarover publiceerde in zijn Het Oud-Hollandsch huisgezin der zeventiende eeuw van 1867 valt weinig toe te voegen. Des te mooier is het dat er wel een soort verlanglijstje uit 1631 bewaard is. Een inventaris van Sinterklaasgeschenken, die een idee geeft van wat kinderen toen in hun schoen kregen — de Intertoysfolder van vier eeuwen geleden.

Lees verder >>

Mercator sapiens, de wijze koopman en the wise merchant

Door Ton Harmsen

Onlangs verscheen bij AUP The wise merchant, een Engelse vertaling van de inaugurele rede die Caspar Barlaeus heeft uitgesproken op 9 januari 1632 toen hij hoogleraar werd aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. De vertaling is van Corinna Vermeulen en de inleiding van Anna-Luna Post. Het boek brengt de gebeurtenissen in Amsterdam in de winter van 1631/1632 in herinnering: Vossius en Barlaeus hielden in januari hun inaugurele redes voor het Athenaeum Illustre, Hugo de Groot zat in dezelfde maand ondergedoken in Amsterdam. Hij werd in april voor de tweede keer, en nu definitief, uit de Nederlanden verbannen.

Vossius, Barlaeus en Grotius kenden elkaar al jaren. Hun correspondentie toont dat zij vriendschap voor elkaar voelden, en grote waardering. Hoe verschillend zij ook waren, alle drie spanden zij zich in voor vrede en verdraagzaamheid; alle drie hadden zij een afkeer van de theologische betweterij die de Nederlanden in haar greep had. Barlaeus had last van de contraremonstranten; hoewel hij niet tot de remonstrantse partij behoorde was het duidelijk dat daar zijn sympathie lag, en daarom werd hem het leven in Leiden behoorlijk zuur gemaakt. Intussen was hij wel een geliefd feestredenaar en een begaafd Neolatijns dichter; toen hij in 1631 van Leiden naar Amsterdam verhuisde voelde hij zich onmiddellijk thuis in de Amsterdamse dichterskring van Hooft en Tesselschade. Vossius had minder te lijden van de calvinisten: hij was beter in staat zich in de ivoren toren van zijn studeerkamer te verschuilen. Zijn diepgaande studie van de antieke en moderne wereldgodsdiensten bracht hem tot het inzicht dat god op verschillende manieren kan worden gediend, en dat niet één godsdienst het alleenrecht kon hebben. Bovendien werd hem duidelijk dat god vele gezichten heeft. Hij ruilde een gezaghebbend professoraat in Leiden voor een avontuur in Amsterdam, om in een riante woning in het centrum over een enorme bibliotheek te beschikken. Na zijn vertrek werden in Leiden de hoogleraarssalarissen verhoogd om verdere leegloop te vermijden. Hugo de Groot had groot aanzien als jurist, en ook als dichter van Neolatijnse poëzie en toneelstukken. Alle drie hebben zij een stempel gedrukt op het oeuvre van Joost van den Vondel, Grotius door zijn toneel, Vossius door zijn kennis van de retorica en de poëtica en Barlaeus door zijn lyriek.

Lees verder >>

Hetgeen geen vers en is, dat moet nootsaeklick proos zijn

Door Ton Harmsen

Een toneelstuk lezen stimuleert de verbeelding. De lezer is zijn eigen regisseur: hij moet zich de situatie voorstellen, en de mimiek en intonatie waarmee een personage zijn woorden uitspreekt. Een goed geregisseerde toneelvoorstelling of een verfilming daarvan kan een uitstekende leeshulp zijn. In Nederland bestaat geen doorlopende traditie van opvoeringen van zeventiende-eeuws toneel maar in Frankrijk wel. Molière regisseerde zijn komedies zelf en speelde er vaak de hoofdrol in: zijn spelen werden opgevoerd voor Lodewijk XIV en zijn toneelgezelschap had een vaste positie aan het hof. Kort na Molière’s dood ontstond daaruit de Comédie Française die de succesvolle fakkel tot op de dag van vandaag doorgeeft. En die werd weer overgenomen, gevarieerd en aangevuld door andere gezelschappen.

Een van de geestigste stukken die in de zeventiende eeuw geproduceerd zijn is Le bourgeois gentilhomme (1670) van Molière, in samenwerking met zijn vriend de componist Jean-Baptiste Lully, een van de grondleggers van de opera. Het stuk zit vol met muzieklessen: het publiek krijgt allerlei soorten zang en dans voorgeschoteld. Als je alleen de gedrukte tekst leest, mis je met de gezongen en gespeelde muziek de helft van deze ‘comédie-ballet’.

Dat spel is ook in Nederland populair geweest, getuige de zes uitgaves die er zijn van de vertaling door Adriaan Peys. Twee daarvan zijn bij Ceneton te lezen, en die tekst is op eigen kracht vermakelijk genoeg. Monsieur Jourdain, de burger die zich in zijn hoofd haalt dat hij edelman moet worden, leeft in het stuk voortdurend in een waanwereld. Dat maakt hem niet alleen belachelijk, maar ook gevaarlijk voor zijn directe omgeving.

Lees verder >>

Een Godt, ô Melibé, verleende ons deze rust. Vondel over vluchtelingen

Door Ton Harmsen

Hoe veilig je als Romein ook was, je kon wel van je land verdreven worden. Het overkwam boeren en herders in 42 voor Chr., toen Octavianus (de latere keizer Augustus) na de slag bij Philippi zijn legers moest afdanken. Om de veteranen te vriend en bij de hand te houden gaf hij hen land in de Povlakte, waarvoor honderden grote en kleine boeren hun bezit moesten verlaten. Het is een zwarte bladzijde in de biografie van de keizer.
De reactie van Vergilius op deze kwestie, in zijn eerste herdersdicht (ecloga of bucolicum), is gecompliceerd door zijn eigen situatie. Ook hij is van zijn land, in de buurt van Mantua, verdreven. Hij wist dus wat het was, slachtoffer te zijn van de confiscatie.

De hardhandig onteigende boeren waren machteloos, maar Vergilius zag in zijn faam als beginnende dichter een mogelijkheid om zich te redden. Hij reisde naar Rome om zijn zaak te bepleiten bij zijn mecenas Maecenas, en door diens interventie slaagde hij erin zijn grondgebied met speciale toestemming van Octavianus te behouden. Dankbaarheid (voor zijn eigen situatie) en verontwaardiging (over het onrecht dat zijn streekgenoten werd aangedaan) zijn het onderwerp van zijn eerste ecloga, een dialoog tussen twee herders. Tityrus heeft in Rome toestemming gekregen zijn vee en zijn land te behouden; Meliboeus is met alle anderen verbannen.

Lees verder >>

Cats vergeet de moraal van het verhaal

Door Ton Harmsen

Den Haag in rep en roer

Een merkwaardig verhaal in de Trou-ringh van Jacob Cats is ‘Liefdes vosse-vel’. Het is pas in of na 1657, dus minstens twintig jaar na de eerste druk, toegevoegd en dan ook nog op een apart katern – mogelijk zelfs na de dood van Cats in 1660. De Trouwring (zoals de uitgever Jan Jacobz Schipper het dan spelt) verscheen als onderdeel van de Alle de wercken van 1658, en een los katern kan gemakkelijk achtergehouden worden; als Cats het niet gewenst heeft kan Schipper het na diens dood toch publiceren. Het is de vraag of Cats er zo blij mee was, en het is zeker dat hij goede redenen had om het verhaal achter te houden: het beschrijft een werkelijke gebeurtenis, kort geleden in Den Haag voorgevallen. De uitgever leidt het voorzichtig in:

Dit volgende Trou-geval is uyt den voorgaenden Druck gelaten om redenen, den Schrijver daer toe bewegende; maer nu by sekere gelegentheydt my ter handen zijnde gekomen, hebbe van ’t selve onse lants-luyden mede goet gevonden deelachtigh te maken. Datter goet in is mach nagevolght worden, het andere dient daer gelaten. Siet vorder de bedenckingen daer in steeckende, die achter het voorsz. Trou-geval zijn te vinden.

Lees verder >>

De Leeuwendalers: Vondel imiteert Vergilius

Door Ton Harmsen

In 1646, een jaar voor het pastorale toneelstuk Leeuwendalers, publiceert Vondel zijn vertaling in proza van de verzamelde werken van Vergilius. De Herdersdichten voorop, dan de Lantgedichten en tenslotte de Aeneis. Die volgorde is de gebruikelijke, en Vondel zal hem gewaardeerd hebben: zijn interesse gaat in die periode uit naar de irenische en idyllische poëzie. Het frontispice van Jan Matham toont bovenaan keizer Augustus tronend op zijn adelaar, daaronder het portret van Vergilius, links de personificatie van het boerenbedrijf met vee, vruchten en bijen, rechts Calliope, de muze van het heldendicht met leeuw, klaroen en penaten, en onderaan de Mantuaanse zwaan als personificatie van Vergilius. Vondel draagt het werk op aan Constantijn Huygens, die hij aanspreekt als secretaris, rechterhand van Frederik Hendrik. Niet om geld te krijgen van de dichter of van de prins, zo naïef is Vondel niet. Met zijn herhaalde afwijzing van de bellicose politiek van de stadhouder heeft hij alle sympathie in Den Haag verloren.
Lees verder >>

Vondel helpt de Oranje snoeren vlechten

Door Ton Harmsen

In 1647, een jaar na Maria Stuart verscheen Vondels vijftiende drama: Leeuwendalers. In allerlei opzichten een bijzonder spel: van de 32 toneelstukken die Vondel voltooide is dit het enige dat geen tragedie is. Op de titelpagina staat als genre-aanduiding ‘Lantspel’, een verwijzing naar de pastorale traditie. De personages zijn eerder Hollandse boeren dan Arcadische herders. Dat neemt niet weg dat dit spel met beide benen in de pastorale traditie staat. Vondel was door zijn vertaling van Torquato Tasso’s epos Gerusalemme liberata ook vertrouwd met diens pastorale spel Aminta, en de andere invloedrijke Italiaanse pastorale, Il pastor fido van Battista Guarini was al enkele malen in het Nederlands vertaald. Pastorale poëzie mag minder aanzien hebben dan epiek en ernstig toneel, de herdersspelen van Tasso en Guarini werden alom met bewondering gelezen en besproken. En nog meer was Vondels aandacht voor dit genre getrokken door Vergilius, van wiens complete werken hij in 1646 een vertaling in proza publiceerde: niet alleen van de Aeneïs, maar ook de Bucolica en de Georgica. De keuze voor een landspel was dus een uitvloeisel van zijn literaire bezigheden.

Lees verder >>

Was dat Caspar Barlaeus die daar van zijn paard viel?

Door Ton Harmsen

Een mooie brief schrijven is een kunst. In een gesprek kan je nog bijsturen als je ziet dat je woorden niet in goede aarde vallen, in een brief moet je van meet af aan de juiste toon treffen. Ook als het over een delicate kwestie gaat. Je ontvangt een uitnodiging voor een feestelijke bijeenkomt; je bent zeer gesteld op een ontmoeting van een van de gemeenschappelijke kennissen, maar je weet niet zeker of die is uitgenodigd. Wat kan je doen? Je kan moeilijk schrijven ‘ik kom alleen als je die schitterende schoonheid met haar warmbloedige kunstenaarsnatuur uitnodigt’. Maar Barlaeus kan het! Briljant, in de juiste hoofse termen en met bescheidenheid, vriendschappelijkheid en vooral humor.

Zijn brief van 12 juni 1640 gaat als volgt. Het Latijn geef ik erbij omdat de stijl van het origineel in mijn Nederlands geen recht kan worden gedaan. Net als Tesselschade Roemers was Barlaeus al enkele jaren weduwnaar; hij heeft een reden om zijn weduwnaarschap expliciet te vermelden.
Lees verder >>

De klucht van Olef Brom, het plezier van de ambiguïteit

Door Ton Harmsen

Ik ken geen mooiere bezigheid dan annoteren, maar ik houd niet van geannoteerde uitgaven. Ooit heb ik zelf met Ben Beenen twee uit Plautus’ Menaechmi vertaalde toneelstukken van verklarende aantekeningen voorzien. Toen dat meer haken en ogen bleek te hebben dan wij op onze schouders konden nemen riepen we de professionele steun in van de Leidse hoogleraar B.C. (Kees) Damsteegt. In zijn studeerkamer nam hij de complete teksten met me door, hij trok uit zijn boekenkast naslagwerken waarvan ik het bestaan niet vermoed had. We kregen nooit ruzie maar we werden het ook niet altijd eens. Ik leerde toen dat niet alle woorden één vaststaande betekenis hebben, en dat die Mehrdeutigkeit juist de charme van de lectuur vormt. Lezen is de aangename taak van de lezer, en juist daarom is het mateloos irritant als iemand je voorschrijft hoe je de woorden moet interpreteren en appreciëren

De lezer wil zijn eigen eruditie meebrengen en niet schoolmeesterlijk toegesproken worden. Bij de annotatie ‘Aristoteles: Grieks filosoof 384-322 v.Chr.’ vraag je je af wat je daar wijzer van wordt. Er bestaat een moderne editie van een toneelstuk waarin ‘leer-suchtige’ wordt verklaard als ‘leergierige’; ik hoopte vergeefs dat ‘leergierig’ verderop in de tekst zou voorkomen om daar als ‘leerzuchtig’ te worden geannoteerd.

Lees verder >>

Vondels gevecht met de zetduivel

Door Ton Harmsen

Een boek zonder fouten bestaat niet – en aan gedrukte fouten valt ook niets meer te verhelpen. Wie op het internet publiceert kan zijn fouten verbeteren en nieuwe informatie toevoegen. Zo verdwijnen de gênante spel- en grammaticafouten die het plezier voor de welopgevoede lezer vergallen. Als auteur van een gedrukt boek heb je het productieproces niet altijd goed onder controle, het zetduiveltje kan dan ongestoord zijn gang gaan. Vondel zal geregeld gemopperd hebben op zatte zetters en dronken drukkers, en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zelf een oogje in het zeil hield als het om spannend drukwerk ging. Bij zijn tragedie Maria Stuart, waarin de protestante Elisabeth van Engeland de katholieke Maria van Schotland laat onthoofden, realiseerde hij zich heel goed dat hij de grenzen van de religieuze tolerantie ruimschoots overschreed. Omdat hij kon voorzien dat de calvinisten spinnijdig zouden zijn is het niet verbazingwekkend dat hij persoonlijk naar de drukkerij van Dominicus van der Stichel ging om de drukproef te corrigeren. Maar we zullen zien dat dat niet was om de calvinisten naar de mond te praten. Lees verder >>

In memoriam Chris Heesakkers

Door Ton Harmsen

Afgelopen woensdag overleed Christianus Lambertus Heesakkers (Berlicum 24 mei 1935 – Leiden 28 november 2018). Een beminnelijk mens, die zijn grote kennis van het Nederlandse humanisme graag overbracht. Hij werkte bij de Leidse universiteitsbibliotheek, en aan de Universiteit van Amsterdam bij het Instituut voor Neolatijn en dat voor neerlandstiek; in 1989 werd hij benoemd tot hoogleraar Neolatijn vanwege het Leids Universiteits Fonds. Aan zijn colleges over humanistenlatijn heb ik veel te danken. Lang geleden namen wij, op zomerdagen gezeten in zijn tuin,  mijn vertaling van Barlaeus’ Obsidio Sylvae-Ducis door; hij wees me niet alleen op mijn fouten en misverstanden maar legde ook uit hoe ik die in de toekomst kon voorkomen. Samen begeleidden wij de proefschriften van Frans Blom over de autobiografie van Constantijn Huygens en van Olga van Marion over de sporen die Ovidius’ Heroides in de Nederlandse literatuur hebben nagelaten, in talrijke gesprekken waarbij Chris onvermoeibaar kon uitweiden over alle mogelijke zeventiende-eeuwse literatoren en geleerden. Lees verder >>

Een toneelstuk van Erasmus

095Rabus1684Door Ton Harmsen

Het indelen van de letterkundige werken is niet altijd even gemakkelijk. Bij het opstellen van mijn Census Nederlands Toneel, indertijd opgezet zonder andere pretentie dan een lijst te maken van alle oude Nederlandse toneelstukken in openbare bibliotheken, heb ik soms gordiaanse knopen doorgehakt. Niet uit iedere titel is duidelijk of het om een toneelstuk gaat, en vaak heb ik teleurgesteld een prachtig boek van mijn lijst gehaald toen ik het eenmaal in handen kreeg. Maar ernstiger is dat de definitie van een toneelstuk niet zo eenvoudig te geven is. Waar ligt de grens met de dialoog?

Het Leger-praetjen tusschen ses persoonen uit 1672 is een leerzame tekst voor wie wil onderzoeken hoe het rampjaar door de Nederlandse bevolking ervaren werd. Je zou het kunnen opvoeren,  net zoals het Oost-Indisch-praetjen van 1663, een gesprek over geldstromen en corruptie in Batavia. Niet alles met personages is een toneelstuk. Nog lastiger is de Opkomst der Oostindische Compagnie, met de voornaamste land- en zeegevegten (1711) door de Rotterdamse stadsbeschrijver Gerrit van Spaan. Volgens de titelpagina is dit opgevoerd in Batavia, maar de personages hebben geen eigen karakter: zij vertellen beurtelings een episode uit de geschiedenis van de VOC. Zo een stuk staat met één been in Ceneton.
Lees verder >>

De harteloze Kackadoris en het argeloze dove wijf

Door Ton Harmsen

Harde kritiek op de maatschappij is de rederijkers niet vreemd. Vooral in hun toneel keren zij zich tegen misdaad en bedrog door politieke intriganten, religieuze fanatici, niets-ontziende speculanten en roekeloze militairen. Zij doen onthullingen die vaak verrassend actueel zijn, en dat geldt zeker voor het toneelstuk waarin een dokter zonder diploma net zo hard wordt aangepakt als zijn patiënt zonder verstand: Een tafel spel van Meester Kackadoris, ende een doof-wijf met ayeren. Dit tafelspel is gemaakt door rederijkers van Voorne, althans zij duiden zichzelf aan als ‘de gheesten uyten Lande van Voren’. Het verscheen in 1596 in een eenvoudig, mooi vormgegeven boekje in Amsterdam voor de uitgever ‘Jacob Pieter Paedts, woonende in de Warmoes-straet, int vergulden A, B, C.’ Lees verder >>

Een nieuw stukje in de puzzel van Bredero’s ridder Rodderick

Door Ton Harmsen

Er is nog altijd veel te doen over Bredero’s Rodd’rick ende Alphonsus. De stof van dit treurspel is ontleend aan een hoofdstuk van de ridderroman Palmerijn van Olijve. Willem Kuiper deed de verrassende ontdekking dat deze passage in de Nederlandse roman niet voorkomt in de Franse Palmerin d’Olive, en ook niet in de Spaanse Palmerín de Oliva. Het is dus een inlassing van de Nederlandse vertaler. Onlangs heeft Annemieke Houben de bron ervan heeft gevonden: deze interpolatie is ontleend aan Le quatriesme Livre des Bergeries de Iuliette (1595) van Nicolas de Montreux. Dat was nog eens een speld in een hooiberg.

Lees verder >>

Frick in ’t Veurhuys: een kluchtpersonage bestelt een bruiloftslied

Door Ton Harmsen

Geeft Mattheus Gansneb Tengnagel echt de werkelijkheid weer, of maakt hij zo maar wat reclame voor zijn eigen winkel en die van zijn collega’s? In elk geval gaat de titelheld in zijn klucht Frick in ’t Veurhuys bij een zekere Meester Jan een huwelijksgedicht bestellen, en hij beweert dat dat voor hem een onmisbaar onderdeel van een bruiloft is. Hij bereidt zijn trouwdag voor, en dan ga je nu eenmaal naar een gerenommeerde dichter. In de zeventiende eeuw werden inderdaad massaal epithalamia gedrukt, in kleine oplagen, als herinnering voor de bruiloftsgasten aan het voorgedragen vers en ook om de tekst met het hele gezelschap te zingen.

Lees verder >>

Vondels Maria Stuart (1646) en de vrijheid van meningsuiting

Door Ton Harmsen

Geloof is niet rationeel, en dat geldt zeker voor het katholieke geloof. Gerard Kornelis van het Reve brengt dat onder woorden in Een eigen huis (1979):

.            Apologie

.            Toen ik rooms-katholiek werd,
.            werd mijn haar, dat grijs begon te worden,
.            opeens weer donkerblond.
.            Mijn bloeddruk daalde,
.            terwijl mijn jaarinkomen van die dag af fors bleef stijgen.
.            Er blijven wel bezwaren,
.            maar bij zoveel genade moet ik wel erkennen:
.            de Kerk van Rome is de Ware Kerk.

Dat dalen en stijgen van bloeddruk en jaarinkomen leidt, via de verder ongenoemde bezwaren, tot een niet echt onderbouwde rotsvaste conclusie. Dit motief is al oud, er is nog wel een krasser voorbeeld: het tweede verhaal van de Decamerone, over een jood die naar Rome reist. De decadentie, de corruptie en de blasfemie die hij daar aantreft dwingt hem wel te erkennen: de Kerk van Rome is de Ware Kerk.
Als Vondel een tragedie schrijft over Maria Stuart, in zijn ogen martelares voor het katholieke geloof, kunnen we maar beter meevaren op Vondels kompas en alle bedenkingen van logica en historische juistheid thuislaten. Lees verder >>

Eva Roch krijgt Bredero’s Lied-boeck met een supplement

Door Ton Harmsen

Toen ik vorige maand in de rijke Collection Frits Lugt in Parijs de kluchten van Noozeman voor Ceneton ging fotograferen maakte ik van de gelegenheid gebruik om nog een paar topstukken aan te vragen. Hij verzamelde voornamelijk tekeningen, schilderijen en kunstenaarsbrieven, maar verwierf ook een rijke collectie meestal geïllustreerde boeken; Daphne Wouts beschreef voor de STCN de boeken die voor 1800 gedrukt zijn: 1706 stuks. Het is dit jaar Bredero wat de klok slaat, dus ik liet niet na zijn Groot lied-boeck in te zien. Dat Frits Lugt er een exemplaar van bezat is niet verwonderlijk: het is een boek met prachtige illustraties, Bredero was immers schilder. Ik publiceer op het internet al twintig jaar elke dag een gedicht; voor 2018 had ik mij voorgenomen er dagelijks één van Bredero te kiezen, maar dat bleek te veel van het goede te zijn, en in de loop van februari  kwamen de lezers in opstand. Ik heb de productie gehalveerd. Het Lied-boeck bevat naast geweldige lyriek ook lopende-bandwerk dat Van der Plasse beter had kunnen weggooien. Lees verder >>

Slimme slaven en knullige knechten

Door Ton Harmsen

De Romeinse komedie (waarvan Plautus en Terentius de belangrijkste auteurs zijn) beschikt over een vast arsenaal aan personages. De oude man (senex) is vaak  knorrig, vermogend en gierig. Zijn zoon is meestal onbezonnen, onstuimig en verliefd. Het arme meisje, de geliefde van de zoon, blijkt later een uitstekende schoondochter te zijn. De oude dokter stelt vaak een verkeerde diagnose, en de klaploper praat iedereen naar de mond die hem mee wil laten eten. De meest bijzondere rol is weggelegd voor de slaaf: in zijn optreden toont hij niet de minste serviliteit. Hij is intelligent en ad rem. In komedies over gedwarsboomde liefdes staat hij aan de kant van de zoon en lost hij diens moeilijkheden op door zijn brutale, sluwe en doortastende optreden.

Lees verder >>

Laarzen op het toneel

Door Ton Harmsen

‘Het vers sta wacker op zijne voeten’, schrijft Vondel in de Aenleidinge – een prachtige personificatie die leidt tot overwegingen over het schoeisel van het vers, de dichter en de toneelspeler. Vorige week schreef Roland de Bonth over de hooggekurkte laarzen, die naar toneelteksten verwijzen; hij wijst erop dat Balthasar Huydeoper dit woord gebruikt met de opmerking dat het vroeger een gunstige, maar nu in zijn ogen een ongunstige betekenis heeft. Voor Huydecoper duidt het niet meer de verhevenheid, maar juist de onnatuurlijkheid van het toneelspel in zijn dagen aan.

Lees verder >>

Paris en Helene: Pieter Bernagie imiteert Hooft

Door Ton Harmsen

De titel van het treurspel dat Pieter Bernagie in 1685 schreef is al bijzonder: Helena van Troje, eigenlijk Helena van Sparta en nog preciezer Helena de dochter van Zeus en Leda, de vrouw die ab ovo geboren is, heet hier Helene. Bernagie zal het wel op z’n Frans uitgesproken hebben. In ieder geval was hij trots op zijn Paris en Helene: in zijn voorrede weerlegt hij de bekende kritiek op Frans-klassiek toneel dat het niet oorspronkelijk is. Dat is geen eis die men aan de literatuur kan stellen, tenzij men grote werken uit de wereldliteratuur af wil keuren: Lees verder >>