Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Jacobus Bellamy – Kusje

Kusje

‘Gij zijt toch immer lastig!
Gij wilt gestadig kussen! –
Wat doet toch al dat kussen?
Wat wil dat toch beteeknen?’
Zo sprak mijn schone Fillis,
En keek met donkere ogen,
En wendde ’t hoofd ter zijde.

Ik greep haar lieve handjes,
En zei: mijn dierbaar meisje!
Mag ik u dan niet kussen!…
Zij schudde ’t hoofd en boog zich,
En drukte met haar lipjes
Mij zachtjes op de wangen.

Zij sloot mij in heur armen,
En zei: ‘wat is een kusje? –
Wat wil het toch beteeknen?’

Mijn allerliefste meisje,
Het is de taal der liefde.
Zo dikwerf onze lippen
Zich kussende verenen,
Dan denk ik: Liefste Fillis,
Gelijk ik met mijn lippen
Thans aan uw mondje kleve,
Zo, Liefste, is ook mijn leven
Verbonden aan het uwe.

Zo vaak ik u dan kusse,
Gevoel ik, meer dan immer,
De banden onzer liefde.
Dit alles, schone Fillis,
Dit alles zegt een kusje!

Jacobus Bellamy (1757-1786)
Gezangen mijner jeugd (1782)

Lees verder >>

Gedicht: J.P. Heije – Verdrinken

•• Vorig jaar verscheen de bloemlezing Gedichten die mannen aan het huilen maken, met daarin de favoriete gedichten van bekende Nederlandse mannen. ‘Verdrinken’ is de keuze van Henk Schiffmacher, die ooit zag hoe de eerste helft ervan werd getatoeëerd op de borst van een zeeman.

Verdrinken

ô Diepe zee, ô wijde plas!
Wat ligt er in uw golven
Al menig-een bedolven!…
Maar toch! – hoe groot het aantal was
Van hen, die in Uw’ afgrond zonken,
Toch zijn er vrij wat méer verdronken
In ’t klein jeneverglas.

ô Diepe zee, ô wijde plas!
Wie in Uw’ vloed moest sneven,
Weet, dat zijn dood en leven
Toch in de hand des Heeren was! –
Maar wie zegt, in Wiens hand zij zonken,
Die in het helsche vocht verdronken
Van ’t klein jeneverglas!

J.P. Heije (1809-1876)
uit: Al de volksdichten, deel 2 (1865)

Lees verder >>

Gedicht: Ellen Warmond – Changement de décor

Changement de décor

Zodra de dag als een dreigbrief
in mijn kamer wordt geschoven
worden de rode zegels van de droom
door snelle messen zonlicht losgebroken

huizen slaan traag hun bittere ogen op
en sterren vallen doodsbleek uit hun banen

terwijl de zwijgende schildwachten
nachtdroom en dagdroom haastig
elkaar hun plaatsen afstaan
legt het vuurpeloton van de twaalf
nieuwe uren bedaard op mij aan

Ellen Warmond (1930-2011

 

Lees verder >>

Gedicht: Bernard Verhoeven – Andante cantabile

Andante cantabile

Schepen hebben zich verkozen
om met zachtgeblazen zeilen
in een droomerig verpoozen
op het water te verwijlen.

En de luwgezinde winden
als zachtmoedige gespelen
komen om de welbeminde
witte lammeren te streelen,

lammeren die spelegrazen
in de zilte blanke zoomen
sidderende schuimen wazen
aan de rand der waterstroomen.

Aan zijn grijzen droom onttogen
is het eeuwige verlangen
zorgeloos met blauwe oogen
in dit aardsche spel gevangen.

Bernard Verhoeven (1897-1965)
uit: Maskers (1937)

Lees verder >>

Gedicht: J.H. Leopold – In tere schaduw zilverblauw

In tere schaduw zilverblauw
sloegen witte wieken en een gerucht
voer om; er werd een grote zucht
gewekt, een wensen, dat ver weg wou.

Gij en ik, o wij gaan wel trouw
samen, wij vliegen uit in éne vlucht
en laat het zijn naar het ver gehucht
van mijne ziel en gaan wij gauw.

Dat ligt in de bergen, men vindt het nauw,
wijkende in de lentelucht,
schuchter de huizen, zonder gerucht
in tere schaduw zilverblauw.

 

J.H. Leopold (1865-1925)
uit: Verzen (1913)

Lees verder >>

Gedicht: Maarten van der Graaff – Lijst met rituelen

• Maarten van der Graaff is een van de Nederlandstalige dichters op Poetry. Bezoek Poetry met korting.

Lijst met rituelen
Voor CAConrad

Overgiet een grijze Kadett met cognac.
Ga in de grijze Kadett naar Umbrië.
Stap in Umbrië uit de Kadett.
Begraaf een gedicht van Pasolini
onder een kurkeik of een jeneverbes.

Er blijft iets ongezegd.
Vernietiging heeft ons gekozen,
vernietiging heeft zich geopend.

Overgiet de grijze Kadett met siroop.
Reis in de grijze Kadett naar een loofbos.
Voer daar de leer- of werkstraf uit
van een vreemde.
Begraaf een gedicht van Dickinson. Lees verder >>

Gedicht: Willem Wilmink – Kruidenier Niessink schepte met gemak

• Onlangs verschenen: Handig literatuurboek – voor mensen met meer verstand dan opleiding, een door Guus Middag bezorgde keuze uit de stukken die Willem Wilmink schreef – met veel liefde, enthousiasme en kennis van zaken – over boeken en schrijvers.

Kruidenier Niessink schepte met gemak
enorme slierten zuurkool in een zak.
Hij gaf mijn buurmeisje en mij een keer
plaatjes cadeau, doorzichtig en heel teer,
het ene rood, het andere groen. Of blauw?
Op beide plaatjes stond een boerenvrouw,
trots, in zowat dezelfde keuken, maar
legde je die plaatjes op elkaar,
dan werd het één tafereel, zo echt, zo diep,
alsof je zelf dwars door die keuken liep.

Geschiedschrijvers blijven datzelfde doen:
steeds een nieuw heden op het oude toen,
en het verleden wordt zo klaar als glas
en dieper dan toen ’t zelf nog heden was.
Men varieert de plaatjes eindeloos:
Romeinen, Grieken, ridders, farao’s,
of, ’t allermooiste toch, de eigen jeugd,
waarvan ons misschien nog wel veel meer heugt
dan er ooit was, in ’t wijde vergezicht
van de ene prent die op de andere ligt.

Willem Wilmink (1936-2003)
uit: Javastraat (1993)

Lees verder >>

Gedicht: Arthur van Schendel – De Nederlanden (fragment)

• Over de vreemde lijstjes van Arthur van Schendel.

 

De Nederlanden (fragment)

Aanschouw den grond gerezen uit het water
Door ongestuim der stroomen aangeslibd,
Teruggeworpen door de macht der baren,
In regens kil van grauwe kim tot kim,
Maar groenend reeds van het ontkiemend leven
En witte vogels staan er aan den rand
Der wijde vlakte onder wolkgevaarten.
De golven spoelden voort in wilde vlagen
Zandbank na zandbank op, het wakke strand,
De duinen smetteloos in hun gedaante,
De wolken voeren voort over moeras,
Verzinkend duister drasland, bar en schamel,
Getijden door van storm en stapels schots,
De vlakte bleef, herrezen uit het water,
En groende weer in stralen van de zon.
Een bot, een kikvorsch en een ooievaar,
Dat waren de eerste schepsels hier geschapen,
Wat wier en kroos en rusch, een dotterbloem
De voorboden van bloei die in de gaarden
En weiden eens vol weligheid zou staan,
Zoo lag die lage grond, eenzaam in nevel,
Geluidloos dag na nacht en jaar na jaar.

Arthur van Schendel (1874-1946)
uit: De Nederlanden (1945)

Lees verder >>

Gedicht: Froukje van der Ploeg – Opslagruimte

• Uit Dit is hoe het ging, de nieuwe bundel van Froukje van der Ploeg.

 

Opslagruimte

Je weet toch dat niemand zo’n hoeveelheid
geheimen aankan zonder dat er iets uit sijpelt
of een deel van je persoonlijkheid verandert
er is maar zo veel te verbergen achter
de bewegingen van elke dag, eerst zijn er berichten
of een gesprek dat je niet vertelt en later delen
van een dag, uren in een nacht, zijn stem blijft hangen
in je hoofd terwijl je een huis aanzet, voer in bakjes
melk in bekers, je went aan nieuwe waarheden, schuift
een filter over de feesten waar je danst, diners
waar je toch niet was, het geeft spierpijn
in je lichaam, maar ook dat went en zo schuift
het steeds meer, schuiven stapels polaroids
over elkaar tot je alleen het beeld onthoudt
dat op dat moment boven ligt.

 

Froukje van der Ploeg (1974)
uit: Dit is hoe het ging (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Piet Gerbrandy – Beginnen de dagen met misthoorns en vochtige kranten

In de nieuwe Meander een interview met Piet Gerbrandy, en drie gedichten.

 

Beginnen de dagen met misthoorns en vochtige kranten.

Fietsen de zonen stug vlakke landschappen in
     door felle regens beregend.
Hangen de naakten blauw op zolders van instituten
     tieten omfloerst ongeharst in maanlicht hun flanken.

Drogen op schappen van muffe depots
     prijsbanden door spinnen omsponnen.
Trekken krom in hun hoezen de stelen van onbespeelde
     bouzouki’s hun snaren geroest en bestoven.
Winnen in afgelegen chateaux grand cru’s ongeopend
     oneindig aan geest en mysterie.

Boven ijsland krult zich een depressie.
In ver noordwest verzamelen wolken massa.
Baren denken vlokken schuim te scheppen.

Vangen de schotels hun baaierd aan nimmer te lezen berichten.
Frezen de aannemers gleuven voor koperen buizen
     in huizen om krimpende kernen.
Nietsen de meisjes verveeld en op afroep beschikbaar.

Lezen de vaders voorbarig zich in
     in dementie grafrechten erfpacht.
Zogen de moeders hun doden.

Dekken de nevels nog zaadloze voren in denkbare droogmakerijen.

 

Piet Gerbrandy (1958)

Lees verder >>

Gedicht: P.C. Hooft – Sonnet

• Vandaag in 1647 overleed P.C. Hooft.

Sonnet

Wanneer, door ’s werelts licht, de blindtgebooren jongen
Gesicht vercreech, hij stondt verwondert en bedeest,
Beweging, verwe, stal van plant, van mensch, van beest
Verbluften sijn gedacht, en lieffelijck besprongen,
Voort Sloten, toorens schier ten hemel hooch gesprongen
Het tijt-verdrijf van ’s menschen onderwind-al-geest,
Maer den sienlijcken God de schoone Sonne meest;
Sijn tonge sweech, t gemoet dat riep om duisent tongen.
Even alleens, Mijn Licht, wanneer ghij mij verschijnt
En dat mijn Siel, ontdeckt v siels cieraden vijndt
Die ’t ooge mijns gemoets, dat t haerwaerts streckt, gemoeten,
Soo swelt mijn hart van vreucht en van verwondring diep
En dancke tegens v, en tegens die v schiep,
Tot dat het berst en valt gebroocken voor v voeten.

P.C. Hooft (1581-1647)

Lees verder >>

Gedicht: Ruth Lasters – Verder

Ruth Lasters is een van de dichters die optreden op Poetry, komende maand.

 

Verder

voor F.

Als verdergaan onmogelijk lijkt, kies dan één enkel
verdergaan, één heerlijke

hardnekkigheid, desnoods om drie uur elke nacht spuitwater
horen stukknappende bellen, een soort sterrenluisteren
in plaats van sterrenkijken. Als verdergaan onmogelijk

is, kies dan één teruggaan naar een toen dat alle ooits
die je beloofd waren plots nu werden, misschien wel naar
die ochtend dat ambitie och, wat willen groeien met

je was als grauwe schimmel doorheen
brood.

Ruth Lasters (1979)

Lees verder >>

Gedicht: Astrid Roemer — Twee gedichten

Vandaag krijgt Astrid Roemer de P.C. Hooft-prijs uitgereikt.

god!
Dan is er
jouw huid
die mij omwikkelt
om het ijs te weerstaan
in de heetste tijd als vragen
bijten verder dan mijn lijf een oorlog woedt:
{Hier Hamster Ik & Daar Honger Jij)
oergrond met aanraakbaarheid
her-inner, besnuif, oprisp
overvloed in-der-tijd! In die vloed vecht
vecht om Droog te zijn en Vaardig voor het brood
de vis, de mandarijn dagelijks worteldromen
mij niet laten, voetvrij
wentel-wentel kluisters
in en uit voorzichtig
mijn huid brandt
van licht: (De Zon Is Van Mij!)

Lees verder >>

Gedicht: Peter van Lier – Dit is de stad der dingen

 

Dit is de stad der dingen,

 

maar vergis je niet: soms is het hier een drukte vanjewelste,
wordt het hele blikveld ongegeneerd benut door leven, het bankje
weet ervan: deze week voelde het

een gewezen boer

aan een leven werken zonder vee: met de vaart voor ogen weer
karaktervol leren spugen ten teken dat het goed zat in de kop
en daarbuiten, terwijl

een troep spreeuwen

zich verwachtingsvol formeerde aan hun voeten, met in maten
en vormen omgeschoold kijken, weg van de natuur. En beleefde
er met

een administratief medewerkster

de volstrekte liefde: zonder cijfers in het hoofd absoluut
horizontaal, en dat mocht de hele omgeving weten, gelukkig
ook

de beleidsmaker

die aan de overkant met uitzicht woont om dragende
strategie te ontwikkelen voor nog jaren profijt, misschien
zelfs voor

de reu

die als laatste gebruiker wiebelig een lichte ontwrichting
deed voelen, met krak. En om de twee weken natuurlijk de
onderhoudsploeg weer: druk doende.

 

Peter van Lier (1960)
uit: Laaglandse remedies (2016)

 

Lees verder >>

Gedicht: Ed. Hoornik – Ik ben de kleine dochter van Jaïrus

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is.

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee en twee te zamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

Ed. Hoornik (1910-1970)
uit: Het menselijk bestaan (1952)

Lees verder >>

Gedicht: Idylle – N.E.M. Pareau

Idylle

Een middag zag ik, d’ al te felle zon ontkomen
vanuit het bosch den neergelegen herdersjongen;
de lauwe zwoelte had in sluimering bedwongen
zijn jeugd. En op het weiland dansten reien gnomen
van dotterbloem bekranst. Hun zwakke stemmen zongen
veel liederen; soms slopen elfen door de boomen
en staarden op den knaap terneer, tot in zijn droomen
een zucht haar vluchten deed in ongemeten sprongen.

Plots zwijgen zij. Daar treedt van uit den waterstroom
de kleine beekgodin. Wit is heur kleed; zij ziet
den poveren knaap en nadert zacht den weidezoom.
Haar oogen lichten blauw, wanneer zij staat en loom
zich neerbuigt op de knie. De knaap verroert zich niet
wanneer zij ’t voorhoofd kust, en met een glimlach vliedt.

N.E.M. Pareau (1906-1981)
uit: XXVIII sonnetten

Lees verder >>

Gedicht: Nel Benschop – Pinksteren

Pinksteren

Het is een vreemd, ongrijpbaar feest:
de nederdaling van de Geest.

Wat vlammen en geruis van wind,
een taal, die nieuwe woorden vindt.

Nu dalen er geen eng’len neer,
ver lijkt de opgestane Heer.

Er is een wonder voor ons oog:
uit sintels rijst een vlam omhoog.

Er is een wonder voor ons oor:
Gods Geest vindt bij de mens gehoor.

Wie Hem verried getuigt van Hem,
wie Hem verliet spreekt met Zijn stem.

Het is een vreemd, onzegbaar feest:
de woord-geboorte van de Geest.

En in de Geest daalt onze Heer
voor eeuwig in ons midden neer!

 

Nel Benschop (1918-2005)

 

 

Lees verder >>

Gedicht: De vooruitgang – E. du Perron

Vandaag in 1940 overleden E. du Perron en Menno ter Braak

De vooruitgang

Zij komen los en niets zal hen weerstreven:
van de paleizen kraait hun rode haan,
uit alle krotten bloeit een rode vaan,
de burgers smelten en de goden beven!

Voor zoveel botten, spieren, zweet, ruim baan!
Dit is de mensheid, aan zichzelf ontheven;
wie nu niet sterft, ontvangt het nieuwste leven;
zij zijn de wereld, niets kan hen ontgaan!

En uit hun vrouwen met cementen kaken
komt (vide Marx) dan nog de Nieuwe Mens,
wel met een sexe, een soort van ziel, een pens –
maar gelijkvormig zullen zij hem maken!

Tot in de brij van ’t kollektief gedrens
de neo-burgers revolutie braken.

 

E. du Perron (1899-1940)

Lees verder >>

Gedicht: Horatius – De dichter als vakman

Uit Piet Schrijvers’ pas verschenen vertaling van het lange gedicht de De dichter als vakman van Horatius.

.

De dichter als vakman

[…]

De dichters dienen of het nut of het vermaak,
of willen stichten en vermaken tegelijk.
Wat ook je boodschap is, wees kort, zodat het publiek
je woord snel vat en trouw bewaart: een volle geest
is een vergiet voor elke overbodigheid.
Laat fictie, voor vermaak bestemd, waarschijnlijk zijn;
een drama moet geen credo eisen voor elk plot
en trekt uit Lamia’s volle buik geen levend kind.
Een niemendalletje irriteert de ouderen,
de jeunesse dorée verwerpt hautain een zwaar gedicht.
Wie het nut met het plezier verbindt, wint ieders stem
want hij vermaakt en hij vermaant het lezersvolk.
Zo’n boek maakt handelswinst, zo’n boek gaat overzee,
verlengt voor een bekend auteur de levensduur.

[…]

Lees verder >>

Gedicht: Karel van de Woestijne – De bruid zegt

De bruid zegt:

Hoe wordt mijn lippe week
van honig-smaak?
– ’t Is of ‘k met tanden-reek
uw tanden raak…

Hoe zijn uw ogen klaar
van vreemde schijn!
‘k Zie er me lévens-waar
spieglend in zijn…

‘k Hou mijne leden, als
ware ik beschaamd…
– Uw adem, om mijn hals,
die zoelig aêmt…

…’k Voel me zo vreemd, – zo vreemd
bevángen zijn…
Uw stille stemme fleemt
als zoete wijn.

Karel van de Woestijne (1878-1929)

Lees verder >>

Gedicht: Aly Freije – Zij vervoegt de klei

Zij vervoegt de klei*

Scheuren trekt ze in de klei, demonteert haar meisjesjaren
onderzoekt gedachtekieren, kneedt woorden, bergt
geheimen op, kan er zomaar tussen vallen

diep zijn de sporen die de vader met rechte hand
haar jeugd in ploegt, hij wijst haar het eerste groen
van wintertarwe, bij God, over de dijk komen alle lijnen samen

hij legt haar languit in de voren, van dichtbij ziet ze
barsten, lieveheersbeestjes ontvouwen vleugeltjes
van glas, zij wil op blote voeten over stoppelvelden rennen

bij schemer is zij soms te zien met wilde eenden, ze glijden
samen door de klei, glippen sloten in, zoeken bodems af in kopstand

waar de boer onafgebroken zijn lijnen trekt, waggelt
ze achter hem aan, vindt koppig zijn grote hand terug
kneedt de klei in nieuwe vormen.

* Bij boerderij in de Hoekse Waard, voor G.B.

Aly Freije (1944)
uit: Door het vanggat (2016)

 

Lees verder >>

Gedicht: Paul van Ostaijen – Vergelding

Honderd jaar geleden verscheen Paul van Ostaijens Music Hall.

Vergelding

Ik ben gelukkig wijl ik mezelf ’n ander mens heb gevonden
Die mij tot nog toe als een onbekende was;
Hij heeft geleefd ver weg en komt nu ongeschonden
Te voren in de Herfst, die voor mij als de schoonste Lente is.

Niet lang geleden
Was ’n volmaakt septies man te worden, mijn ideaal;
Alle hartstocht vergeten,
Het leven kalmpjes wegen en meten,
Zijn enkel serebraal,
En als ’n oud man, geheel bewust,
Doden elke woeste levenslust.

Dikwels heb ik tot mezelf gezegd:
Paul, je weet, het leven is niet goed, het is niet slecht,
Het is slechts gewoon, gewoon door en door,
Als het werk op je kantoor.

Lees verder >>

Gedicht: Willem de Mérode – De nieuwe knecht

De nieuwe knecht

Zwijgend taxeert de boer den knecht!
Armen en beenen lang en pezig;
Groothandig; borstkas iets te vleezig;
De schouders knoestig; scherp en recht
De kop, met, als een vrieslucht fel,
Blauwe oogen; neus smal; haren hel;
Ooren ver van het hoofd gebogen;
En door de lippen, dun en rood,
Wordt zoo wild adem ingezogen,
Dat ’t bloed hem naar de wangen schoot.

Hij wees het span, en zeide: ploeg!
De jongen, met een kort zacht tjoeken*,
’t Was of hij streelde en of hij sloeg,
Bedwong de ruinen èn het veld.
En ziende dit gerecht geweld,
Begon de boer voldaan te roepen.
En vreugdevol en vastbesloten
Klapten hun handen in elkaar.
En eensgezind heeft ’t zwoegend paar
Het moeizaam akkerwerk genòten.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Tusschen ploeg en sikkel (1936)

Lees verder >>

Gedicht: Freek van Leeuwen – De moeder

 

De moeder

Ik heb je niet gewild, aan mij heeft ’t niet gelegen
Dat je gestalte en vorm en ’t leven hebt gekregen.

Ik heb je weggevloekt en in gedacht
Zag ‘k jou en mij al drijven in de gracht.

Maar toen je losbrak in een roode vloed van pijnen
Voelde ik ál haat en bitterheid verdwijnen.

Je was zoo klein — en in een felle dorst
Stak je je armpjes uit en tastte naar mijn borst.

Nu lig ik moe en ‘k ben zoo stil en trotsch
Alsof jij Jezus was en ik de Moeder Gods

Freek van Leeuwen (1905-1968)

Lees verder >>