Auteur: Raymond Noë

Gedicht: P.C. Hooft – Sonnet

• Vandaag in 1647 overleed P.C. Hooft.

Sonnet

Wanneer, door ’s werelts licht, de blindtgebooren jongen
Gesicht vercreech, hij stondt verwondert en bedeest,
Beweging, verwe, stal van plant, van mensch, van beest
Verbluften sijn gedacht, en lieffelijck besprongen,
Voort Sloten, toorens schier ten hemel hooch gesprongen
Het tijt-verdrijf van ’s menschen onderwind-al-geest,
Maer den sienlijcken God de schoone Sonne meest;
Sijn tonge sweech, t gemoet dat riep om duisent tongen.
Even alleens, Mijn Licht, wanneer ghij mij verschijnt
En dat mijn Siel, ontdeckt v siels cieraden vijndt
Die ’t ooge mijns gemoets, dat t haerwaerts streckt, gemoeten,
Soo swelt mijn hart van vreucht en van verwondring diep
En dancke tegens v, en tegens die v schiep,
Tot dat het berst en valt gebroocken voor v voeten.

P.C. Hooft (1581-1647)

Lees verder >>

Gedicht: Ruth Lasters – Verder

Ruth Lasters is een van de dichters die optreden op Poetry, komende maand.

 

Verder

voor F.

Als verdergaan onmogelijk lijkt, kies dan één enkel
verdergaan, één heerlijke

hardnekkigheid, desnoods om drie uur elke nacht spuitwater
horen stukknappende bellen, een soort sterrenluisteren
in plaats van sterrenkijken. Als verdergaan onmogelijk

is, kies dan één teruggaan naar een toen dat alle ooits
die je beloofd waren plots nu werden, misschien wel naar
die ochtend dat ambitie och, wat willen groeien met

je was als grauwe schimmel doorheen
brood.

Ruth Lasters (1979)

Lees verder >>

Gedicht: Astrid Roemer — Twee gedichten

Vandaag krijgt Astrid Roemer de P.C. Hooft-prijs uitgereikt.

god!
Dan is er
jouw huid
die mij omwikkelt
om het ijs te weerstaan
in de heetste tijd als vragen
bijten verder dan mijn lijf een oorlog woedt:
{Hier Hamster Ik & Daar Honger Jij)
oergrond met aanraakbaarheid
her-inner, besnuif, oprisp
overvloed in-der-tijd! In die vloed vecht
vecht om Droog te zijn en Vaardig voor het brood
de vis, de mandarijn dagelijks worteldromen
mij niet laten, voetvrij
wentel-wentel kluisters
in en uit voorzichtig
mijn huid brandt
van licht: (De Zon Is Van Mij!)

Lees verder >>

Gedicht: Peter van Lier – Dit is de stad der dingen

 

Dit is de stad der dingen,

 

maar vergis je niet: soms is het hier een drukte vanjewelste,
wordt het hele blikveld ongegeneerd benut door leven, het bankje
weet ervan: deze week voelde het

een gewezen boer

aan een leven werken zonder vee: met de vaart voor ogen weer
karaktervol leren spugen ten teken dat het goed zat in de kop
en daarbuiten, terwijl

een troep spreeuwen

zich verwachtingsvol formeerde aan hun voeten, met in maten
en vormen omgeschoold kijken, weg van de natuur. En beleefde
er met

een administratief medewerkster

de volstrekte liefde: zonder cijfers in het hoofd absoluut
horizontaal, en dat mocht de hele omgeving weten, gelukkig
ook

de beleidsmaker

die aan de overkant met uitzicht woont om dragende
strategie te ontwikkelen voor nog jaren profijt, misschien
zelfs voor

de reu

die als laatste gebruiker wiebelig een lichte ontwrichting
deed voelen, met krak. En om de twee weken natuurlijk de
onderhoudsploeg weer: druk doende.

 

Peter van Lier (1960)
uit: Laaglandse remedies (2016)

 

Lees verder >>

Gedicht: Ed. Hoornik – Ik ben de kleine dochter van Jaïrus

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is.

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee en twee te zamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

Ed. Hoornik (1910-1970)
uit: Het menselijk bestaan (1952)

Lees verder >>

Gedicht: Idylle – N.E.M. Pareau

Idylle

Een middag zag ik, d’ al te felle zon ontkomen
vanuit het bosch den neergelegen herdersjongen;
de lauwe zwoelte had in sluimering bedwongen
zijn jeugd. En op het weiland dansten reien gnomen
van dotterbloem bekranst. Hun zwakke stemmen zongen
veel liederen; soms slopen elfen door de boomen
en staarden op den knaap terneer, tot in zijn droomen
een zucht haar vluchten deed in ongemeten sprongen.

Plots zwijgen zij. Daar treedt van uit den waterstroom
de kleine beekgodin. Wit is heur kleed; zij ziet
den poveren knaap en nadert zacht den weidezoom.
Haar oogen lichten blauw, wanneer zij staat en loom
zich neerbuigt op de knie. De knaap verroert zich niet
wanneer zij ’t voorhoofd kust, en met een glimlach vliedt.

N.E.M. Pareau (1906-1981)
uit: XXVIII sonnetten

Lees verder >>

Gedicht: Nel Benschop – Pinksteren

Pinksteren

Het is een vreemd, ongrijpbaar feest:
de nederdaling van de Geest.

Wat vlammen en geruis van wind,
een taal, die nieuwe woorden vindt.

Nu dalen er geen eng’len neer,
ver lijkt de opgestane Heer.

Er is een wonder voor ons oog:
uit sintels rijst een vlam omhoog.

Er is een wonder voor ons oor:
Gods Geest vindt bij de mens gehoor.

Wie Hem verried getuigt van Hem,
wie Hem verliet spreekt met Zijn stem.

Het is een vreemd, onzegbaar feest:
de woord-geboorte van de Geest.

En in de Geest daalt onze Heer
voor eeuwig in ons midden neer!

 

Nel Benschop (1918-2005)

 

 

Lees verder >>

Gedicht: De vooruitgang – E. du Perron

Vandaag in 1940 overleden E. du Perron en Menno ter Braak

De vooruitgang

Zij komen los en niets zal hen weerstreven:
van de paleizen kraait hun rode haan,
uit alle krotten bloeit een rode vaan,
de burgers smelten en de goden beven!

Voor zoveel botten, spieren, zweet, ruim baan!
Dit is de mensheid, aan zichzelf ontheven;
wie nu niet sterft, ontvangt het nieuwste leven;
zij zijn de wereld, niets kan hen ontgaan!

En uit hun vrouwen met cementen kaken
komt (vide Marx) dan nog de Nieuwe Mens,
wel met een sexe, een soort van ziel, een pens –
maar gelijkvormig zullen zij hem maken!

Tot in de brij van ’t kollektief gedrens
de neo-burgers revolutie braken.

 

E. du Perron (1899-1940)

Lees verder >>

Gedicht: Horatius – De dichter als vakman

Uit Piet Schrijvers’ pas verschenen vertaling van het lange gedicht de De dichter als vakman van Horatius.

.

De dichter als vakman

[…]

De dichters dienen of het nut of het vermaak,
of willen stichten en vermaken tegelijk.
Wat ook je boodschap is, wees kort, zodat het publiek
je woord snel vat en trouw bewaart: een volle geest
is een vergiet voor elke overbodigheid.
Laat fictie, voor vermaak bestemd, waarschijnlijk zijn;
een drama moet geen credo eisen voor elk plot
en trekt uit Lamia’s volle buik geen levend kind.
Een niemendalletje irriteert de ouderen,
de jeunesse dorée verwerpt hautain een zwaar gedicht.
Wie het nut met het plezier verbindt, wint ieders stem
want hij vermaakt en hij vermaant het lezersvolk.
Zo’n boek maakt handelswinst, zo’n boek gaat overzee,
verlengt voor een bekend auteur de levensduur.

[…]

Lees verder >>

Gedicht: Karel van de Woestijne – De bruid zegt

De bruid zegt:

Hoe wordt mijn lippe week
van honig-smaak?
– ’t Is of ‘k met tanden-reek
uw tanden raak…

Hoe zijn uw ogen klaar
van vreemde schijn!
‘k Zie er me lévens-waar
spieglend in zijn…

‘k Hou mijne leden, als
ware ik beschaamd…
– Uw adem, om mijn hals,
die zoelig aêmt…

…’k Voel me zo vreemd, – zo vreemd
bevángen zijn…
Uw stille stemme fleemt
als zoete wijn.

Karel van de Woestijne (1878-1929)

Lees verder >>

Gedicht: Aly Freije – Zij vervoegt de klei

Zij vervoegt de klei*

Scheuren trekt ze in de klei, demonteert haar meisjesjaren
onderzoekt gedachtekieren, kneedt woorden, bergt
geheimen op, kan er zomaar tussen vallen

diep zijn de sporen die de vader met rechte hand
haar jeugd in ploegt, hij wijst haar het eerste groen
van wintertarwe, bij God, over de dijk komen alle lijnen samen

hij legt haar languit in de voren, van dichtbij ziet ze
barsten, lieveheersbeestjes ontvouwen vleugeltjes
van glas, zij wil op blote voeten over stoppelvelden rennen

bij schemer is zij soms te zien met wilde eenden, ze glijden
samen door de klei, glippen sloten in, zoeken bodems af in kopstand

waar de boer onafgebroken zijn lijnen trekt, waggelt
ze achter hem aan, vindt koppig zijn grote hand terug
kneedt de klei in nieuwe vormen.

* Bij boerderij in de Hoekse Waard, voor G.B.

Aly Freije (1944)
uit: Door het vanggat (2016)

 

Lees verder >>

Gedicht: Paul van Ostaijen – Vergelding

Honderd jaar geleden verscheen Paul van Ostaijens Music Hall.

Vergelding

Ik ben gelukkig wijl ik mezelf ’n ander mens heb gevonden
Die mij tot nog toe als een onbekende was;
Hij heeft geleefd ver weg en komt nu ongeschonden
Te voren in de Herfst, die voor mij als de schoonste Lente is.

Niet lang geleden
Was ’n volmaakt septies man te worden, mijn ideaal;
Alle hartstocht vergeten,
Het leven kalmpjes wegen en meten,
Zijn enkel serebraal,
En als ’n oud man, geheel bewust,
Doden elke woeste levenslust.

Dikwels heb ik tot mezelf gezegd:
Paul, je weet, het leven is niet goed, het is niet slecht,
Het is slechts gewoon, gewoon door en door,
Als het werk op je kantoor.

Lees verder >>

Gedicht: Willem de Mérode – De nieuwe knecht

De nieuwe knecht

Zwijgend taxeert de boer den knecht!
Armen en beenen lang en pezig;
Groothandig; borstkas iets te vleezig;
De schouders knoestig; scherp en recht
De kop, met, als een vrieslucht fel,
Blauwe oogen; neus smal; haren hel;
Ooren ver van het hoofd gebogen;
En door de lippen, dun en rood,
Wordt zoo wild adem ingezogen,
Dat ’t bloed hem naar de wangen schoot.

Hij wees het span, en zeide: ploeg!
De jongen, met een kort zacht tjoeken*,
’t Was of hij streelde en of hij sloeg,
Bedwong de ruinen èn het veld.
En ziende dit gerecht geweld,
Begon de boer voldaan te roepen.
En vreugdevol en vastbesloten
Klapten hun handen in elkaar.
En eensgezind heeft ’t zwoegend paar
Het moeizaam akkerwerk genòten.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Tusschen ploeg en sikkel (1936)

Lees verder >>

Gedicht: Freek van Leeuwen – De moeder

 

De moeder

Ik heb je niet gewild, aan mij heeft ’t niet gelegen
Dat je gestalte en vorm en ’t leven hebt gekregen.

Ik heb je weggevloekt en in gedacht
Zag ‘k jou en mij al drijven in de gracht.

Maar toen je losbrak in een roode vloed van pijnen
Voelde ik ál haat en bitterheid verdwijnen.

Je was zoo klein — en in een felle dorst
Stak je je armpjes uit en tastte naar mijn borst.

Nu lig ik moe en ‘k ben zoo stil en trotsch
Alsof jij Jezus was en ik de Moeder Gods

Freek van Leeuwen (1905-1968)

Lees verder >>

Gedicht: Gerrie Knetemann – Masseurs

Masseurs

Hij wrijft ze zachtjes aan, de benen
Glijdt iets harder langs glad geschoren schenen
Even knijpen hier, even schudden daar
Aandacht geven doet wonderen, echt waar

Het hoofd zit aan het lichaam vast
Voor renners vaak een ondraaglijke last
Even schudden hier, even knijpen daar
Zo snel ben je met het hoofd niet klaar

Wrijven, kneden en masseren
Dat is allemaal te leren
Het hoofd dat moet je eens proberen

Er zijn hele slechte, en ook hele goede benen
Komt dat nou echt allemaal vanuit hun tenen?

De echte macht zit tussen de oren
Als je bij de winnaars wil behoren

 

Gerrie Knetemann (1951-2004)

Lees verder >>

Gedicht: Michael Tedja – Waarde

Waarde

Het bewijs, het tegendeel
dat tot leven kwam reisde.
Ik was er een mee, een geheel
dat ik zelf neerzetten kon.

Toen zag ik de groep staan.
Die was wat het was: zij
die terug wilden naar hoe het was.
Ik dacht dat die op zich stond.

Het beste dat er was voordat het
een en al kern werd. Ooit, ja.
Ik was er solitair mee, totdat
de regen tegen het raam kletterde.

Op de achtergrond
waren kinderen bewegingen
aan het tellen. Basketballers
sprongen naar een hoop.

Het water was vloeibaar.
Door de kou werd het ijs.
Door de zon weer vloeibaar.

Michael Tedja (1971)
uit: Regen (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Komrij – De demon

‘De demon’ werd 4 mei 2001 door Gerrit Komrij (toen Dichter des vaderlands) voorgedragen tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.

De demon

Het is een sport om met gestrekte vinger
Te wijzen naar de goeden en de kwaden.
Ik houd het liever bij de binnendringer
Die in mij zelf verlangt naar euveldaden.

Twee zielen huizen in ons en ze heten
Ons meestal-kwade en soms-betere ik.
Ik hoor ze altijd. In mij woedt hun vete.
Straks klopt de demon weer. Vrees ik zijn tik?

De vrede om ons is maar schijn van vrede.
Ons eerste ik voert oorlog met ons tweede,
Ik word zó weer de ander die ik ben.

Zolang ik mijn gehate ik maar kén
En in de gaten houd ben ik niet bang.
Elk uur van lauwheid is een uur te lang.

Gerrit Komrij (1944-2012)
Lees verder >>

Gedicht: Eric van Loo – De lege stad

De lege stad

Toen de laatste razzia door Rotterdam
raasde was mijn vader zestien jaar
en vijf maanden. Nog net te jong
voor de Arbeidseinsatz.

Ik stel me de lege straat voor,
het geluid van laarzen in de kamer.
Een soldaat spuugt op zijn persoonsbewijs,
Steh’ auf! Je ziet er jong en sterk uit.

Ik stel me voor, nee dat lukt me niet,
dat deze regels niet door mij –
zoals zoveel bladzijden onbeschreven,
zoveel levens afgebroken

Eric van Loo (1957)
uit: De regels van het spel (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Hans Warren — Liggend in de zon

Liggend in de zon

De liefste sluimert naast mij in het kruid.
Onder mijn arm door lig ik naar haar te staren.
Soms laat de wind haar zachte lange haren
strelen over mijn rug, mijn naakte huid.

Ik luister naar het ijl ruisend geluid
– mijn adem gaat in rythme met de hare –
naar het verre doffe bruisen van de baren
en naar een wulp, die schor, weemoedig fluit.

Er ligt een wijding over het ongerepte land.
Het is te stil om veel en snel te praten,
enkel een zoen, heel vluchtig op haar hand.

De zilte schorren en het wijde zand
zijn aan ons twee alleen overgelaten.
Er is geen einder en geen overkant.

 

Hans Warren (1921-2001)

 

Lees verder >>

Gedicht: Henriette Roland Holst – O socialisme, nu moet ge weer leeren

In 1942 probeerden de Nederlands nationaalsocialisten zich onderstaand gedicht ‘toe te eigenen’. Uiteraard zeer tegen de zin van Roland Holst. Lees er hier meer over.

O socialisme, nu moet ge weer leeren
te buigen voor een innerlijke macht
en thuis te raken ook in andre sferen
dan die, waarin g’uw groot werk hebt volbracht.

Nu moet g’u gaan bezinnen op de jaren
toen ge nog enkel een gedachte waart,
terugvinden den toon en de gebaren
van toen ge zwierft, een balling, over d’aard.

Lees verder >>

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema – De rooden roepen!

[Op de wijs van De Internationale?]

De rooden roepen!

Marschlied.

Komt tot ons, kindren dezer dagen,
Komt tot ons, die in donker lijdt,
Helpt ons het menschenlot te dragen
In ’t licht van beter menschlijkheid!
Wij zijn haar opgestane knechten,
Wij zijn haar daverende roep,
Wij zijn die voor haar toekomst vechten,
Wij zijn haar oude roode troep!
Voort voort dan kameraden!
Omhoog de wapperende vaan,
Omhoog uw hart, uw drang tot daden –
Breekt baan! breekt baan! Lees verder >>

Gedicht: August Vermeylen – In den nacht

In den nacht

Mensjes, ik weet hoe leêg zijn mensgebaren,
‘k Weet dat de woorden door den mens gezeid
In ’t ijle slaan, en ‘k praat en lijk verblijd
Of droef, mijn vrienden en beminden, maar en

Haat noch bemin. En geen van wie daar staren
Met doden blik, o ziel, weet wie gij zijt,
En dat rond uw geheimen wonderbare
Elk mijner woorden strekt een eenzaamheid.

‘k Ben liefdeleêg… Maar geen weet, als te loor is
Gezonken ’t rijk van ’t menselijk ‘bijna’,
Wat me in de keel daar brandt, wat dol verlangen

Dat schreiend uitslaan wil in gloed van zangen,
En hoe ‘k in stralenkrans van duiz’ling ga
Door eenzaamheid, het hoofd vol duistre glories.

August Vermeylen (1872-1945)

Lees verder >>

Gedicht: Ed. Hoornik – Pogrom

 

Pogrom

Is dat de maan, die naar het laatst kwartier gaat,
of een gelaat, omgord door walm en vlam?
Waar is Berlijn, en waar de Grenadierstraat?
– Vluchtte de jongen, toen de bende kwam?

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,
is dit het water dat hem langzaam nam,
is dit de Spree, en dat de Grenadierstraat?
– Het is de Amstelstroom, ’t is Amsterdam.

Op ’t Rembrandtsplein gaan de lantarens branden,
over de daken sproeit een lichtfontein.
– Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen.

De Jodenbreestraat is een diep ravijn;
ik zie mijn schaduw dansen op de wanden.
– Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.

1938

Ed. Hoornik (1910-1970)

 

Lees verder >>