Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Jan Kuijper – Albumblad voor Delphine Lecompte

Uit Aanmatigingen, een nieuwe bundel sonnetten van Jan Kuijper.

 

ALBUMBLAD VOOR DELPHINE LECOMPTE

Wekelijkse wortel van marsepein,
met aarzeling neem ik het mes ter hand
om het gevoel te leren: het verstand
is hier de baas, het doet maar even pijn,
en het zal lekker lekker lekker zijn
om te vertoeven in het wonderland
van luxe en kalmte. En aan de andere kant
houd ik de hinderlijke wellust klein,

zo klein dat hij haast niet meer zichtbaar is
en het net lijkt alsof niet hij mijn leven
van a tot z beheerst, alsof ik ooit
nog uit mijn levenslange hechtenis
ontsnappen kan. Toch was het heerlijk, even,
van jou te snoepen. Ach, ik leer het nooit.

Jan Kuijper (1947)
uit: Aanmatigingen (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Jacobus Bos – Zwijgend landschap

Uit de achtste bundel van Jacobus Bos.

 

ZWIJGEND LANDSCHAP

Daar staat hij dan ergens midden
in Frankrijk in de brandende zon
waar Van Gogh zijn verstand verloor.

De hemel een onmetelijk blauwe zee.
Koren dat daar roerloos onder golft.
Heerszuchtig boven dit alles de zon.
En de kraaien. De kraaien.
Stoer en luidruchtig als doden
die uit hun graven zijn opgestaan.

Daar staat hij in die verstikkende hitte.
Zwijgend landschap vol geheimen.
Oorlogen die hier werden gewonnen.
Vrouwen die naakt zonnen in het gras.
Een vesting op de top van een berg
die ooit met olifanten werd veroverd.

De trein in een flits verdwenen.
Het stationnetje ver achter hem.
Zijn reislust al bijna lachwekkend.

Jacobus Bos (1943)
uit: Alsof niemand hier onsterfelijk is (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Peggy Verzett – Klassiek gedicht

Dit gedicht mist de context van de rest van haar vliegstro, de nieuwe bundel van Peggy Verzett.

 

KLASSIEK GEDICHT

lichtdruk fluitwerpen regelt, ochtend is avondschemer
snavels open tegen licht afgestelde
snavels bewegen
ik beweeg de kamer in als een groet

een tijd geleden ben ik in haar kamer geweest
het leer van de bank komt tegemoet en neemt lamplicht mee
de avond zal in de morgen komen
als m’n moeder hier wordt gedregd waarin ze met haar vliegstro ligt

op de avond die haar ochtend
als ze achter zichzelf vandaan californië dreaming in
voor de laatste keer, haar lam klettert op het marmer van

de witte bungalow
al haar Lamsgekletter, het dichtste wit
aan de ton sur tons

Peggy Verzett (1958)
uit: haar vliegstro (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Jan van Beers — Maneschijn

MANESCHIJN

Stijf blies de winden koud: – iets als een klacht,
En onverspoosd geschrei rolde om mij heen;
Of al ’t gekerm der aerde in éen geween,
Een lang geween tot God klom. – Het was nacht;
De wolkgordijn schoof van het zuid naer ’t noord,
In woeste golving door ’t oneindig voort;
En, dwars door ’t jachtend dundoek, dat ’t orkaen
Met breeden vleugel zweepte, scheen de maen,
Beweegloos, wat ook onder haer bewoog.
Een killen glans, die, schoon hij blonk, geen licht
Verspreidde, en met het zwerk niet voorwaerts vloog,
Schoot ze op de wolken, als den blik van de oog
Eens onverschilligen op hem, dien ’t wicht
Des lijdens drukt. – Lees verder >>

Gedicht: Petronella Moens – De beproefde snoeplust

De beproefde snoeplust;
Of
Het goede Mietje.

Mietje zag een’ mand vol kersen,
O! zoo rijp, zoo lagchend rood.
Niemand ziet mij hier – sprak Mietje –
‘k Neem – schoon moeder ’t mij verbood –
Stil, toch zes of zeven kersjes;
Moeder merkt het zeker niet,
MIETJE telde ook zeven kersen,
Die zij, vol begeerte, ziet;
Doch vol angst klopt haar het hartje;
MIETJE voelt zich niet alleen;
GOD weet alles – denkt ze – Ach, Moeder!
‘k Mag …. Ik wil niet stout zijn! … Neen!

Angstig werpt zij nu de kersen
Uit haar lieve poez’le hand;
‘k Mag niet snoepen! – roept zij schreijend’; –
Waarom stond hier ook die mand?
Neen, ‘k wil hier niet langer blijven,
‘k Had bijna een’ kers geproefd;
Maar ik deed het niet … Neen, Moeder!
MIETJE heeft u niet bedroefd. Lees verder >>

Gedicht: Drs. P – Ank

Uit Troika hier, troika daar, een bloemlezing uit liedteksten, gedichten en proza van Drs. P.

ANK

Eens kende ik een meisje, en haar voornaam luidde Ank
Ze woonde heel geriefelijk, ze werkte op een bank
Haar uiterlijk was goed verzorgd, haar silhouet was rank
Haar tierenheid was goeder en haar moedigheid was lank
Toen kwam ze in contact met de gewoontedrinker Hank
Nu is ze uitgezakt en ze verspreidt een scherpe stank
Geen doel meer in het leven en geen brood meer op de plank
En mensen, dat komt alles ongetwijfeld van de drank
Lees verder >>

Gedicht: Guido Gezelle – Ik misse u

IK MISSE U
Aan eenen afwezenden vriend

Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
den morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
ik misse u neffens mij!

Zoo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen veugelken in ’t net;
zoo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn’ moeder noch zij het!
Lees verder >>

Gedicht: Karel van de Woestijne – ‘k Verzoek de zee

‘k Verzoek de zee, ‘k verzoek geen aarde en hare vruchten
dan als het donker zwerk vol donderend geruchten.
‘k Verzoek geen ongeziene ruimte, noch den tijd
dan, verre en vroom, gelijk een vrage in eeuwigheid.

Maar ‘k weet: ik schater aan de zee; ik ben de zegen
der plassende akkers aan den daver van den regen.
‘k Ben naauwelijks de blik die wemelt en die gaat;
maar ziet: ik draag den droom van allen op ’t gelaat.

Karel van de Woestijne (1878-1929)

Gedicht: Cornelis de Bie – Hekel-dicht

Nieuwe titels in de DBNL – van o.a. Cornelis de Bie.

Hekel-dicht
Op de Kinderen die hunnen Vader moeten onderhouden

ONnutte wisselingh, eylaes het comt soo spade
Het goedt te mangelen op sijn kinders ghenade,
Met hop’ van onder-houdt, en wel te sijn ghedient,
Als t’op is, vyanden in plaets van kinders vindt,
Het leven duert te lanck, men sou de uren tellen
Tot aen den lesten dagh, dat Godt soo wilde stellen.
Den ouderdom die valt hun al te ghemelijck
Dat hy begraven waer, de kinders waeren ryck.
O schendich schelmen stuck, boos en fenynich vleyen
Soo langh den Vader daer noch niet is uyt-ghescheyen
Soo streeltmen, maer wanneer hy niet en-sier meer heeft
Dan wenscht-men hem het graf, als hy niet meer en gheeft. Lees verder >>

Gedicht: John McCrae / Tom Lanoye – In Vlaamse velden

• Willy Vandeweghe over McCrae’s gedicht en over Lanoye’s vertaling (+ origineel).

IN VLAAMSE VELDEN

In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
Verstomd door het gebulder op de grond.

Wij zijn de Doden. Zo–even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.

Toe: trekt gij u ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houdt hem hoog. Weest gíj de helden. Laten de Doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.

John McCrae (1872-1918)
vertaling Tom Lanoye (1958)
uit: Niemandsland. Gedichten uit de Groote Oorlog (2002)

Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Achterberg – Zwerver

Marsman schrijft Achterberg.

ZWERVER

Dien avond kwam ik later dan gewoonlijk
naar boven. In de huiskamer was licht
zag ik door de gesloten deur. Een schicht
van vreugde maakte terstond persoonlijk,
al wat zich uit mij had ontsticht
in stad en menigte. Ik stond koninklijk
in het vernieuwde donker van den nacht,
binnen mijzelve opgericht.

‘Ik heb op je gewacht’, zei je aandoenlijk,
en kuste mij de dood van het gezicht.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Lees verder >>

Gedicht: Frederik Lucien De Laere – Het verbond

Uit In uiterste staat, de nieuwe bundel van Frederik Lucien De Laere.

HET VERBOND

Getraind als het geheugen is, het netwerk
Is de getrackte flashback, de herschikking van
Jeugdbelevenissen, het kader waarin het karakter
Zo goed als gevormd werd, en gelijk één
Uit de duizend de blueprint
Laat zien aan het publiek
Tien geboden op het lijf geschreven
Net als een tattoo die kenmerkt, net als
Ieder die het brandmerk draagt
En slaafsheid boven heerlijkheid verkiest
Tot elke prijs de vrijheid wegspoelt
Door de riolen van het staatsbestel
Onder het bevel van hogere machten
Die van deze wereld niet zijn
En vanuit glazen burelen
Nu de massa bespelen.

Frederik Lucien De Laere (1971)
uit: In uiterste staat (2016)

Lees verder >>

Gedicht: Hannah van Binsbergen – Vrij naakt op een oud hemd na

Uit Kwaad gesternte, de debuutbundel  van Hannah van Binsbergen.

VRIJ NAAKT OP EEN OUD HEMD NA

De laatste zinnen van het communistisch manifest
raken me nog evenveel als toen ik dertien was.
Ik houd die lucht graag in mijn kleren.
Het geroep waar jullie misschien geen aandacht aan besteden
waartegen je geleerd hebt je oren te beschermen
dat je misschien aan honden toeschrijft
houdt mij levend.

Een averechtse logica drijft je tot grote dingen in het donker.
Een uitspraak maakte je ontstellend populair:
‘Grijs pluis, vervilt papier en twintig cent, dat is de wereld’
In plichten, trouw, verveeld, ben je opnieuw geboren.
Dat je ooit in je vuurvaste huid geloofd hebt
niet vatbaar voor de tanden van een rat
niet vatbaar voor de ziektes van de open wereld

Ik mis een lichaam dat van jou alleen is
vrij naakt op een oud hemd na.

Hannah van Binsbergen
uit: Kwaad gesternte (2016)
Lees verder >>

Gedicht: John O’Mill – Sint Dracus en de joor

SINT DRACUS EN DE JOOR

A new Spoonerian Verse Tale
on an earlier written theme.

(`Pof knook loeder’ is gewoon het spoonerisme van
Knoflookpoeder.)

Sint Dracus op zijn redel os
reed moef te droe door ’t bomber sos;
van vorg verzuld door ’t loeve drot
eens nuizeklaars – een man van God,
die zak en zwiek en uitgeput
ter neer lag in zijn hamele schut.
Daar grijpt hij plots zijn slagbaard zweet,
geschrokken door een krauwe reet.
Stok staan raard en puiter stil,
verschamd lier door zo’n gauwe ril.
Is daar een mes in nervenstood?
Reeds in de dauwen van de kloot? Lees verder >>

Gedicht: Albert Verwey – Sint Joris en de draak

SINT JORIS EN DE DRAAK

Ik zag u eens, mijn koning, toen de muur
Spleet en in de enge cel, nu maatloos groot,
Stondt gij wiens diadeem om ’t voorhoofd sloot
En beide uw ogen waren sproeiend vuur.

En met uw lans troft gij den draak, ’t onguur
Gedrocht, karbonkel-ogig: door dien stoot
Sprong ’t bloed zwart-rood en spoot omhoog en vloot
Gelijk een stroom en daar ik staar en tuur

Windt hij door groene weiden en de stad
Rijst aan zijn boord en schepen wieglen er
Vol schat en volk naar de ondergaande zon.

Ik zat als op een heuvel en ik kon
Den schemer zien die oprees, vaag en ver –
En ’t was alsof ik in uw schaduw zat.

Albert Verwey (1865-1937)
Lees verder >>

Gedicht: Mustafa Kör – Café Flanders

Ben jij liefde is de debuutbundel van Mustafa Kör.

 

CAFE FLANDERS

Een stoffige biljaar omzoomd
door een dozijn kraaien van mannen

Tattoos schreeuwen om het hardst
geuzennamen, zwevend als trillende
gedachten ballonnetjes door een waas
van rook en bier

Hoegaardens wit op spiegels
vol gefermenteerde vliegen feces
Vlaams grijs op wegdek
in mijn hoofd bezingt
Raymond twee meisjes

Opklaringen en buien tongen
dat het een levenslust is als ik
tegen een plataan ingeblikt
sterf voor het gloort in mijn land

Mustafa Kör (1976)
uit: Ben jij liefde (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Gilles Boeuf – Boom

Verschijnt binnenkort: Oog Arm Geit, met foto’s en gedichten van Gilles Boeuf. Bestellen kan tot 6 juli met een mail naar post@halverwegechapbooks.nl.

BOOM

We zeggen wortels als we
in het weiland staan
maar volgen de takken

We weten al: boom en onze mond
verlangt boom
We kennen de vorming van de varens

De bloemen rond onze voeten zijn troost
voor het staan

en we proberen een inkeer in de boom

Gilles Boeuf (1970)
uit: Oog Arm Geit (2016)
Lees verder >>

Gedicht: Kitty de Josselin de Jong – Mal du siècle

 

MAL DU SIECLE

Het Hier en Nu is essentieel en goed,
Wat gister bloeide is reeds lang vervlogen;
Voor toekomst zonder perspectief hoort moed,
Houd hart en hersens koel en onbewogen.

Vergeet de lieflijkheid van jonge hoop,
De wilde roes van onvoldragen leuzen;
De heele wereld is voor geld te koop,
Leef hard of niet – er is geen andere keuze.

Vertrouw geen mensch … geen risico’s om niet,
Geen Koninkrijk valt waár ook te beërven;
En wie van goeden wille is, hij ziet
Dat hij van weerloosheid zal moeten sterven.

Wij zijn gepantserd door beton en staal,
En snikken niet meer om de geur van rozen;
Wij zijn vervreemd van maan en nachtegaal,
En wat eens droomen waren heet psychose.

Misschien is er behoeden voor een lot,
Dat spelend ons slechts wanhoop kan onthullen;
Misschien verstaat Gij onzen hartskreet, God:
Een afgrond-diepe leegte weer te vullen …

Kitty de Josselin de Jong (1903-1991)
uit: Het witte schip (1948)

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik Marsman – De zee

Vandaag in 1940 overleed Hendrik Marsman.

DE ZEE

Wie schrijft, schrijv’ in den geest van deze zee
of schrijve niet; hier ligt het maansteenrif
dat stand houdt als de vloed ons overvalt
en de cultuur gelijk Atlantis zinkt;
hier alleen scheert de wiekslag van het licht
de kim van het drievoudig continent
dat aan ons lied den blanken weerschijn schenkt
van zacht ivoor en koolzwart ebbenhout,
en in den dronk den geur der rozen mengt
met de extasen van den wingerdrank.
Hier golft de nacht van ’t dionysisch schip
dat van de Zuilen naar den Hellespont
en van Damascus naar den Etna zwierf;
hier de fontein die naar het zenith sprong
en regenbogen naar de kusten wierp
van de moskee, de tempel en het kruis.
Hier heeft het hart de hoge stem gehoord
waardoor Odysseus zich bekoren liet
en ’t woord dat Solon te Athene sprak;
en in de branding dezer kusten brak
de trots van Rome en van Babylon.

Zolang de europese wereld leeft
en, bloedend, droomt den roekelozen droom
waarin het kruishout als een wijnstok rankt,
ruist hier de bron, zweeft boven déze zee
het lichten van den creatieven geest.

Hendrik Marsman (1899-1940) Lees verder >>