Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Inge Boulonois – Advent

Advent

Natuur maakt zich weer op, verft bruin
wat naar omlaag moet tussen bomen
die hun jas van hout weer dichtknopen
en traag naar binnen keren. Vallend blad

dat aan de tongen van de wind kleeft,
rochelt over het terras, rolt perken in,
het draaihek van de weken door
waarna het tot zichzelf verzacht.

Maar dennen, sparren houden hun groen
hoog alsof het vastgenageld is,
de bessen van de hulst zijn onderweg
naar koningsrood terwijl de Schoonvrucht
paarse trosjes aan zijn takken gordt.

De wind keert naar het oosten.
De stilte wacht en wacht
op wie verdween om weer te komen

Inge Boulonois (1945)

 

Gedicht: Jean-Pierre Rawie – Advent

Advent

In deze laatste week van de advent
zou het moeten gaan sneeuwen: ieder jaar
zijn het dezelfde dingen waar je naar
verlangt. Dus sneeuwt het niet; maar alles went.

Je steekt de kaarsen aan op het dressoir,
en denkt aan alle doden die je kent.
Terwijl je wacht op een gemist moment
schuiven de dagen naadloos in elkaar.

Je poogt je tegen beter weten in
iets te herinneren wat er niet was,
omdat wat weg is diepte heeft en zin.

Je draait muziek, drinkt thee, je leest een boek
dat je ook lang geleden al eens las.
Maar alles is onachterhaalbaar zoek.

Jean-Pierre Rawie (1951)

 

Gedicht: Max Greyson – Schrijverskoppel

Uit Waanzin went niet, de debuutbundel van Max Greyson.

 

Schrijverskoppel

Een woord als bitterzoet mag hier niet staan, zegt ze
terwijl ze thee zet met bouillonblokjes
en jongleert met haar oogbollen

Ze zegt darling, kill your darlings, darling
terwijl ze schaterlachend foto’s van de muren trekt
rondjes door de kamer rent, huilen juicht en andersom
en ik zeg ja mijn lief, maar enkel als

Ik zie hoe ze een gniffel in haar oksel houdt
de trap op holt, een boodschap in spiegelschrift
op de spiegel schrijft, de trap af treuzelt
en in het deurgat wacht tot ik met haar mee naar boven zal gaan

Woorden als vlechten of libel horen hier niet, zegt ze
terwijl ze wijst naar de kat die water uit de vissenkom likt
binnen een week liggen de guppy’s voor het rapen

Max Greyson (1988)
uit: Waanzin went niet (2016)

 

Gedicht: Hendrik de Vries – De kleine zigeunerprinses

De kleine zigeunerprinses

Ik ben de kleine zigeunerprinses.
Mijn vader heeft een gevaarlijk mes.
Mijn moeder had oorbellen, prachtig rood.
Nu draag ik ze zelf. Moeder is dood.

Haar kralen heb ik ook om de hals.
Ze schold mijn vader voor vuil en vals.
Mijn mooiste speelgoed heeft zij gebroken
En toen heeft vader haar doodgestoken.

Vader is wijs, en moeder was dom.
Ze komt soms weer, en ik weet waarom.
’t Is om haar kralen en om haar bellen.
Maar als ik iets vraag wil ze niets vertellen.

Haar oorbellen en haar kralensnoer
Berg ik goed op: onder de vloer.
Een kleed er over; een zwarte kast –
Voor vader is dat een lichte last.

Hij weet wel dat ze terug kan komen.
Anderen zeggen: het zijn maar dromen,
Het zijn maar schaduwen tegen ’t behang. –
De mensen zijn dom. De mensen zijn bang.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: Slingerpaden (1945)

 

Gedicht: Nicolaas Beets antwoordt Jacob Cats

Niet en kander beter passen,
als dat t’samen is gewassen.

Als van twee gepaarde schelpen
D’ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen
– Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest —
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’ oudste zijn de beste panden,
Niets en gaat voor d’ eerste trouw;
D’eerste trouw, die leert het minnen,
D’eerste trouw is enkel vreugd,
D’eerste trouw, die bindt de zinnen,
Zy is ’t bloem’tje van de jeugd.
Naar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie-maal, kan niet als berouwen,
Want hoe kander liefde zijn?
Houdt uw eerste lief in waarde,
Eert ze met een volle zin;
’t Is een Hemel op de aarde,
Zo je paart uit rechte min.

Jacob Cats (1577-1660) Lees verder >>

Gedicht: Joke van Leeuwen – Nest

Uit Het moet nog ergens liggen, de nieuwe bundel van Joke van Leeuwen.

Nest

Een klein geluk was uit zijn nest gevallen
het piepte nog, het paste in één hand
ik gaf het brood en water, mondjesmaat

en allen wisten beter wat ik moest
alleen iets geven als het erom vroeg
en elke morgen even ermee praten

het scharrelde wat op een oude krant
water genoeg, en brood – voor zoiets kleins
leek het van dichtbij veel te groot.

Joke van Leeuwen (1952)
uit: Het moet nog ergens liggen (2016)

 

Gedicht: Pierre Kemp – Afscheid van het leven

Het Literatuurmuseum over Pierre Kemp en (onder meer) onderstaand gedicht.

 

Afscheid van het leven

Ver van de wereld speel ik zacht
piano en luister na, hoe ik dat doe.
Ik ken geen morgen meer, ik ken geen nacht,
ik ga naar boven en word dat niet moe.

Toch is hier niets meer van een romantiek,
geen stad met spitse gevels, oude torens,
geen oude wouden vol weemoedige muziek
om dode herten op vergulde horens.

Ik speel mijn eenzaamheid tot bundels van pilaren,
waarachter ik van ’t sprookje in laatst geluk
de zon zie vingeren door gouden haren.
Ik grijp en trek ook deze betovering stuk.

Want ik moet stil gaan leven zonder vrouwen.
Waarom nog hechten aan bedriegend haar,
mijn vingers laten zoeken in satijnen vouwen
naar alles wat zo schoon schijnt als niet waar?

Speel, Pierre, speel zacht hoog boven de valleien
en luister in de rusten, hoe het klinkt,
eer voor een laatst geliefd paar dijen
voorgoed de nacht van ’t ander leven zinkt.

Pierre Kemp (1886-1967)

 

Gedicht: Pieter G. Bukinx – Advent

Advent

Soms staat er een muur tussen u en mij,
hij klimt als een ring van mist
langs de decemberschimmel van de winterslaap.

Dan worden de uren trager en kouder,
wij kunnen elkander niet raken,
er huilt iets in ons, de vleermuis
van het verdriet hangt aan de dakgoot
van het huis waarin wij heen en weer gaan
als blinden, met tastende handen.
De honden klagen aan het tuinhek
in de doodskou van december.

O Morgenster, breek door het donker
en graas de schimmel van de winterakker,
begraaf de twijfelkoorts. Klokken en vogels,
roep mij wakker.

Pieter G. Buckinx (1903-1987)

 

Gedicht: Jac. van Looy – Bij eene fotografie uit de Hongersnood in Engelsch-Indië

Bij eene fotografie
Uit de Hongersnood in Engelsch-Indië.

Als telhout liggen ze op een hoop gesmeten,
Als knuppel-takken, stronken, knoesten, staken;
Lijf-knekels, lang, met vingers; riffen, kaken,
Het grist en spalkt en blijft nog grimmen om eten.
Van zoo’n bos lijken heeft elk lid vervreten
Al wat om een geraamte een lijf helpt maken:
’t Vleesch, vet misschien, durig, tot ’t stel ging kraken
En ’t vel als schors was vol gescheur en beten…
Het leven bundelt wat de dood maakt klaar…
O eeuwige Ouden, eeuwgen pas geteeld…
Mummies, o mummies in dit bloedrijk jaar…
Bij heel deez’ stramme bende is éen hoofd maar,
Dat onderst-boven op dit heilig licht-beeld,
Schaterend schrompt uit haar verschriklijk hair.

1900

Jac. van Looy (1855-1930)
uit: Gedichten (1932)

 

Gedicht: Toon Tellegen – Daar komen zij die niemand dank verschuldigd zijn

De optocht, de in 2012 verschenen en destijds zeer goed ontvangen bundel van Toon Tellegen, is ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag opnieuw uitgegeven in een uitgebreide versie, met tekeningen van Annemarie van Haeringen. Bovendien is dit “magnum opus” op muziek gezet.

 

Daar komen zij die niemand dank verschuldigd zijn, de achtelozen van
geest, die neerzien op medeleven en zelfverwijten, die afzien van euforie
en verzachtende omstandigheden en die hun illusies links laten liggen in
de gierput van hun herinnering, waar mislukte kinderen – de gier tot hun
lippen – schreeuwen om hulp of wat dan ook: genade, God, geluk, gezag,
goedertierenheid, geestverwanten, grootspraak, geld.
Pats!
En daar, die mannen in imitatieleren jassen, een wellustige blik op hun
uitgeloogde gezichten, dat zijn de opsporingsambtenaren van de
verbeelding, de omstreden aanstichters van de geleide middelmaat, de
onbedreigde alleenheersers over het imperium van de
proefondervindelijke volgzaamheid, zij hebben dwangbevelen bij zich, zij
komen wegmaken, neerhalen, dichtslaan, afschrijven, uitsluiten,
ontkennen, onderdrukken en verzieken.
Pats!
Daar komen de bedrieglijken, de bedroefden en de benarden, die hun
hoop hebben gevestigd op een klein, maar gestroomlijnd, waardevast en
esthetisch verantwoord bloedbad, dat zij eigenhandig een halt zullen
toeroepen, een beate grimas op hun gelaat, zij die zich verslikken in
onbesuisde wanorde en onberedeneerde bezetenheid, gladde
sluipmoordenaars, zelfrijzende betweters, lasterlijke ratten, luister, dit is
hun woord:
Pats!

Toon Tellegen (1941)
uit: De optocht (2016)

 

Gedicht: Hélène Swarth – Schemering

Schemering

In ’t slepend grijs fluweel, in ’t grijs vertrek,
De voetjes diep in ’t blank der berevacht,
Leunt ze in den hooggerugden stoel en tracht
Een droom te ontkomen, die haar liefde wekk’.

Bleekrose en gele rozen geuren zacht,
Op ’t blanke haardkleed, aan haar voetenpaar.
Wie bracht die hulde en lei die bloemen daar?
Door al de glazen vloeit de grijze nacht.

Het boek ligt open, waar ze in droomde en las.
Haar luchtgrijze oogen staren in ’t verschiet.
En ’t kwijnend vuur verblijdt de kamer niet;
De vlam smeult weg in grijs fluweel van asch.

Nu bukt ze en beurt de bloemen, éen voor éen,
En werpt ze in ’t vuur, met tragisch kalm gebaar.
Grijs vlokt het licht op ’t zilverblonde haar…
Dan wordt het donker – en ze is heel alleen.

Hélène Swarth (1859-1941)

 

Gedicht: J.P. Hasebroek – Sint Nikolaas

Sint Nikolaas

Sint Nikolaas, o Bisschop, die onsterfelijk,
Uw kromstaf nog na eeuwen zwaait,
En ’t zaad der weldaân onverderfelijk,
Als in uw heilig leven, zaait.

Ik prijs u dat gij, nimmermeer des gevens,
Des weldoens en des zeegnens moê,
De vreugde blijft des kinderlevens,
En breng daarvoor mijn dank u toe.

Maar vind ik u altijd denzelfde weder,
Gij zijt dezelfde niet geheel.
Waar strooidet ge eens uw gave neder?
Zij viel den armen meest ten deel. Lees verder >>

Gedicht: Willem Brandt – Aalgrondels

Aalgrondels

Tussen de rhizophoren van het kustmoeras
leven de slijkvissen, halfzwemmend, schuivend
over en onder het water van sumatra’s vloedbos,
en in het slik der bruine kali-monden
aalgrondels, somtijds even afdrijvend naar zee.
Vaak stikken zij onder steltwortels, modder
of taaie slijmplanten in’t vochtig moer,
halfblind, altijd in de schemering.
Chinese vissers vangen hen als varkensvoer.

Men kent veel soorten; soms heb ik ’t idee
dat ze steeds verder westwaarts zijn gedreven
tot op grootsteedse pleinen, of rondzwerven
in het aquariumlicht van de teevee.

Willem Brandt (1905-1981)
uit: De keerkringvogel (1980)

 

Gedicht: D. Hillenius – De buffels van Roemenië

De buffels van Roemenië
liggen als gepensioneerde
landarbeiders in de zon
herkauwend traag gebed
van dankbaarheid

De directeur komt elke maand
vragen naar schurft en wormen.
Als alles veilig is, krabt hij hun oren
veegt zijn hand weer af en denkt:
de buffels van Roemenië hebben het goed
hun brede snoet is nat zoals het moet.

D. Hillenius (1927-1987)
uit: Tegen het vegetarisme (1961)

 

Gedicht: Dop Bles – Zie de maan

Zie de maan

Zie de maan schijnt door de boomen
en de boomen naast elkaar
staan met lusteloos gebaar,
wachten of geen mensch zal komen
met een touw
om zich gauw
aan een tak wat op te hangen;
zulk een maannacht geeft ’t verlangen
om wat hooger stil te droomen:
’t Heerlijk avondje is gekomen.

Zie daar gaan langs stille wegen
hand aan hand een ‘hij’ en ‘zij’
in een zoete minnarij,
hij vol hoop en zij verlegen.
O de min,
in ’t begin,
is zoo vol van zoet gefluister
in’t, ’t zij maanverlichte duister,
als ’t geluk stroomt economisch
om verlangens anatomisch.

Zie de maan schijnt door de boomen
en de boomen zuchten: ‘zoo’
als doodsbleek verschijnt Pierrot
die hen tegen was gekomen!
– ‘Dierbaar touw,
wees geen vrouw,
blijf mij trouw in ’t uur van sterven
‘k ga haar stemming wreed bederven,
nu zij ’t hart mij heeft ontnomen’:
’t heerlijk avondje is gekomen.

Dop Bles (1883-1940)
uit: Parijsche verzen (1923)

 

Gedicht: Hans Wap – Als een jonge god

Uit De man zonder haast, de nieuwe bundel van Hans Wap.

 

Als een jonge god

als een jonge god met een hoog cholesterolgehalte
op de vlucht voor gereformeerden
die op zondag een zak voor de zon hangen
trek ik flessen open
probeer overmoedig de wind te vangen
omringd door halve garen
taxichauffeurs zonder rijbewijs

het land wordt steeds gekker
het kiezersvolk als een hond
die weggelopen is

door straten, door bossen en over stranden rent
links en rechts plassend
wanhopig op zoek
naar een baas om te volgen

ik neem het heft in handen
druk op de toetsen van de afstandsbediening
bestel het hele leven via internet
en sterf op afbetaling

Hans Wap (1943)
uit: De man zonder haast (2016)

 

Gedicht: Max Dendermonde – Een hint

Vandaag is de 125ste geboortedag van dichter Richard Minne.

 

Een hint

Ik liep nog es met Richard Minne langs de Leie,
een kleine Vlaamse man met felle, droge praet,
een kerel als een klepel in de schrijverij en
– hoewel ik nog maar een klein boekje had gemaakt –

hij praatte met mij als tegen een ouwe maat.
Jongens als ik kwamen in die aardige tijden
graag over de vloer, in een soort apostolaat,
bij hun grote exempels. Losjes, ingewijden,

begonnen wij ons in het natte gras te vlijen,
en de ouwe Richard zei zacht: Het is een staat
van de geest alleen, mijn jongen. Al dicht ik zelden,

zelden iets goeds, er gaat geen minuut zonder schrijven.
Dat geeft kracht. Als door je knar het zeldzame gaat,
kan je mooi, hoe klein je bent, bestaan zonder helden.

Max Dendermonde (1919-2004)
Lessen in eenzaamheid (1987)

 

Gedicht: J.W. Schulte Nordholt – Polderland

Polderland

De verten komen eindeloos mij tegen,
gaan door mij heen en achter mij teloor.
Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,
recht en gelukkig, en weet niet waarvoor
ik zoveel hemel heb van God gekregen,

met zoveel wolken en met zoveel dromen,
met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.
Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,
dit is het landschap voor zijn paradijs.

Ach, d’avond valt. – Rijd ik het donker door,
dan is het groot geluid van wind en regen
het enig landschap in mijn diepe oor.

J.W. Schulte Nordholt (1920-1995)
uit: Levend landschap (1950)

 

Gedicht: Guido Gezelle – Wederwijven

Vandaag is het de 117de sterfdag van Guido Gezelle.

 

Wederwijven

Hoe wijsterwaster* vliegt de lucht
vol witte en lange stressen*
van wolken, die ontvlochten zijn
lijk haar van toveressen.

‘t Zijn wederwijven, boos en fel,
die, kwaad van hande en vinger,
malkanderen te kere* gaan
en vechten slag om slinger*.

De wind zit in ‘k en weet niet welk
geweste, ‘t buist* en bommelt
alhier, aldaar een zwepe* los,
die deur de wolken schommelt.

Ze stuiven heinde en verre, en van
malkaar gescheurd, in stressen
van wijsterwaster vechtende, en
verwaaide toveressen.

Guido Gezelle (1830-1899)

wijsterwaster – alles door elkaar
stres – haarvlecht
fel – heftig
malkanderen te kere gaan – elkaar bevechten
slag om slinger – om het hardst
buisen – met een bons slaan
zwepe – windstoot

Gedicht: Herman Gorter – Vanuit een nieuwe wereld

Vandaag is het de 152ste geboortedag van Herman Gorter.

.

Van uit een nieuwe wereld treedt
een man mij aan met enge kleed,
schittrend zooals ik nimmer zag,
met ’t hoofd zoo stralend als de dag.

Hij heeft geen enkel sieraad aan
van slaafschheid en geen enklen waan,
maar hij is zuiver als een man
naakt opgegroeid maar wezen kan.

Hij heeft den arm in zuivre vuist,
hij heeft het been tot zuivren voet,
en om het trotsch gelaat, gekuischt,
hangt stil en hoog een sterke gloed.

*

Van uit een nieuwe wereld treedt
een vrouw mij toe met hangend kleed,
zoo helder als ik nimmer zag,
het oog zoo stralend als de dag.

Zij heeft geen enkel sieraad aan
van schuwheid, en geen enklen waan,
maar zij is zuiver als een glas,
alsof ze zoo geboren was.

Haar arm is in een zuivren hoek,
in schoone stralen valt haar doek,
en om haar schoon gelaat, gezond,
speelt ’t helderst licht van keel en mond.

Herman Gorter (1864-1927)

 

Gedicht: Martinus Nijhoff – Clown

Clown

Met blauw-papieren pijlen op mijn wangen
En op mijn hoofd een gele ster geplakt,
Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,
Onderste-boven aan een rekstok hangen.

Mijn meester wil de wereld vroolijk maken,
– ‘Satans Apostel’ noemt mij ’t aanplakbord –
En ’t volk, een optocht gekke pelgrims, wordt
Hierheen gestuurd, en ik moet het vermaken.

Het lacht om alles wat mijn waanzin doet,
Ik speel voor hond, voor mensch, voor olifant:
Ik blaf, ik schreeuw, ik daver met mijn snuit –

Laat in den nacht stroomt het de tent weer uit:
Ik leun op ’t plein, waar de lantaren brandt,
Tegen den paal, en keur mijn daden goed.

Martinus Nijhoff (1894-1953)
uit: De wandelaar (1916)

 

Gedicht: Jac. van Looy – Het verhaal van den provinciaal

Het lange gedicht ‘Het verhaal van den provinciaal’ van Jac. van Looy neemt een centrale plaats in in Plots hel het werd. Zie voor toelichting onder het fragment.
Het verhaal van den provinciaal (fragment)

Bom! bom!
Kanonnen sjorden aan en stonden stom,
Als steigerende rossen in hun stalen toomen,
Onder het loof van boomen;
Kolossaal,
Als één stuk zwart metaal;
Machines als nog nooit een industrie gebruikte,
Ze nergens stuikten,
Na goed te zijn gesmeerd.
Het leek wel of zij ’t hadden uit hun hoofd geleerd…
Ik zag het projectiel erin gedreven,
‘Many happy returns,’ met krijt er op geschreven,
En toen ze schoten zag ik dunne smook,
En schimmen loopen gaan die leken rook,
Voorover, met de vingers in hun ooren…
Hoe vreemd het is daar niet iets van te hooren…
Dan kreeg de dikke loop vanzelf een schok
En gliste weêr terug alsof er een aan trok,
Zoo zoetjes-an,
Si doucement. Lees verder >>

Gedicht: J.H. Leopold – Laatste wil van Alexander

Laatste wil van Alexander

Dan als ik tuimel in de kist
doodsoverwonnen en bezweken,
laat mijn twee handen zijn ontbloot
en uit de baar naar buiten steken.

Dat, als ik het paleis verlaat
en langs den grooten weg mij richt,
een elk mijn schamelte ontwaar’
en worde door mijn lot gesticht.

Hoe zulk een, die veroverd had
van aarde-oppervlak tot aan
de helle hoogte van gebergt’,
de diepten van den Oceaan, Lees verder >>