Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Vicky Francken – Laat ik je een gewetensschaap stellen

Uit Röntgenfotomodel, de debuutbundel van Vicky Francken.

 

Laat ik je een gewetensschaap stellen

Vier poten, wollig, met bolle ogen.
Wat ziet het als je regent dat het grient?

Dep je je laarzen droog met mossels
van de eerste vangst, tilt de wind alweer

een lange rok, proost, op: hoog water.
Wat huist er aan nazatigs

in je lijf dat het zo stijf en oud
vervalt in louter rasecht later,

kaarsrecht vallen, stollen als op hol
geslagen paarden.

Vicky Francken (1989)
uit: Röntgenfotomodel (2017)

 

Gedicht: Tonnus Oosterhoff – Toen zeiden ze, die hersens van mij

Uit Ja Nee, de nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff.

 

Toen zeiden ze, die hersens van mij:
dit ene artikel begrijpen wij niet.
Is het in een taal die wij niet kennen?
Nee, dit is niet in een taal die wij niet kennen.
Gaat het over een onderwerp waar we niets van weten?
Nee, we weten veel over het onderwerp en vinden het interessant.
Waarom is het dan of de hokken der woorden
leeg zijn?

In greppels en holen wachten de verbanden
tot het tijdschrift zich sluit. Zet ik mijn bril op,
voor de zekerheid schrikken de duiven.
Want de begrijpelijke zin verplaatst niet
maar de onbegrijpelijke zin verplaatst.

We hebben je tot de hemel gebracht, nu zoek je het zelf maar uit.

Tonnus Oosterhoff (1953)
uit: Ja Nee (2017)

 

Gedicht: Max Dendermonde – Gevaarlijk leven

Dagboek watersnoodramp

 

Gevaarlijk leven

Eens, in drieënvijftig, een februaridag
op de kust van Gibraltar, na maanden van ver reizen,
nuchter en dronken door rampen en paradijzen,
was het dat ik op zee drie waterhozen zag,

klassieke zuilen, leven en dood, en ik dacht:
ik wil niet meer naar mijn laagland van onderwijzers,
palen en perkjes, theedrinkers en overpeinzers.
Toen stevende de stuurman krijtwit op mij af:

de marconist heeft Holland aan de lijn, de dijken
in Nederland zijn op honderd plaatsen gebroken
door een storm waarvan je nooit eerder hebt gehoord.

’s Nachts al voeren we naar Rotterdam en een rijke
onstuimige golfslag bracht ons de boodschap over:
er is een ramp daar, daar zijn we thuis, meer dan ooit.

Max Dendermonde (1919-2004)
uit: Soms een paar uur van tweezaamheid (1987)

 

Gedicht: Tijl Nuyts – Safra

Uit Anagrammen van een blote keizer, de debuutbundel van Tijl Nuyts.

Safra

het tetragrammaton licht op in het duister
zon breekt als een stralend mes in onze ogen

onder de trompetboom drinken we zwart vocht
en lezen boeken vol mensenproza
de tijd is een tumor die de taal in een hoek drukt

ik zal jullie vertellen wat ik gisteren zag
vanuit mijn zetel van bruine skai, in de schaduw van de ficus:

een kleuter-krijger liep over het hete asfalt de rotonde op
en slalomde tussen de auto’s

toen hij stilstond op het riooldeksel was de straat leeg
het ene moment stond hij gewoon naast de brievenbus en de kriekelaar
het volgende werd hij opgegeten door papier

(het klinkt raar, ik weet het, maar zo ging het):

boodschappenlijsten, doktersvoorschriften, boeken over ibn ‘arabi
werden aangeblazen door de lome wind en drukten zich op zijn
zomerarmen, -benen, -schouders, -hoofd, -romp, -handen, -voeten;
de bladen bezetten zijn lichaam met kleur en lastlijn

de kleuter-krijger werd volledig gemummificeerd

toen het oud papier even later wegwaaide
was de kleuter-krijger verdwenen

Tijl Nuyts (1993)
uit: Anagrammen van een blote keizer (2017)

 

Gedicht: Ester Naomi Perquin – Een troost

Uit de nieuwe bundel van de nieuwe Dichter des vaderlands.

 

Een troost

Mocht het helpen: we bestaan massaal niet. Kijk naar zomers
die nooit overgaan, roestvrijstalen keukenmessen, daarnaast
bewegen we getalenteerd, feilloos in het niet-bestaan.

Er is geen sprake van, dat valt eenvoudig aan te tonen.
Wij hebben A) geen tijd en B) geen materiaal.
We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

De duur hiervan is puur geluk. We zijn gemaakt, we
vielen te verwachten. In deze tuin, achter de ramen,
woekert de klimplant, pikken veren driftig
beestjes van een bast, zwelt het fruit.

En wij bestaan niet, kunnen bewijzen niet te bestaan.
De boom, de zee, de roos – elk woord dat past
loopt uit, hervormt zich mettertijd.
Wat groeit, groeit roekeloos.

Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Ester Naomi Perquin (1980)
uit: Meervoudig afwezig (2017)

 

Gedicht: Hanny Michaelis – Op zondag

Op zondag …

Op zondag is de stad een groot aquarium.
Het licht stroomt er als vuilgeel water binnen.
Langs het verflenste wier van parken
en onverschillige plantsoenen
zwemmen de mensen als verdwaasde vissen rond
tussen de vale huizenriffen
door scholen kinderen omstuwd.

Met bolle ogen happen zij naar lucht,
snakkend naar de bevrijding die zij haten:
het schrikbeeld van de maandagmorgen,
gekromd van plichtsbesef en wit van zorgen.

Hanny Michaelis (1922)
uit: Water uit de rots (1957)

 

Geadicht: Peter Verhelst – Als je geen contact meer hebt met de dingen

Peter Verhelst krijgt de Herman de Coninck-prijs voor zijn een-na-laatste bundel Zing Zing. ‘Als je geen contact hebt met de dingen’ uit die bundel krijgt de Publieksprijs.

Als je geen contact meer hebt met de dingen

Hoor jij dat ook, dat geluid
van meeuwen, maar geen zee? Onmogelijk

na te gaan waar herinnering begint en droom
eindigt. Hou je koude handen onder je kleren

nu de wind opsteekt. Twee wapperende vlaggen
zijn we. Het gevoel dat alles zich achter een deur afspeelt
en dat je ervoor in de rij kan gaan staan.

Twee hevig wapperende vlaggen.
Alsof we iets ongerepts betreden

wat er altijd zal zijn, zeg je hees,
met opgetrokken schouders, mond open, samengeknepen ogen,
een waterdruppel valt in mijn nek.

Neem het jongetje dat je bent
geweest op schoot. Troost hem.

Je legt je handen op mijn borst,
we gaan zo hoog mogelijk op onze tenen staan.

 

Peter Verhelst (1962)
uit: Zing Zing (2015)

 

Gedicht: Hannah van Binsbergen – Kwaad gesternte

De VSB-prijs 2017 is gewonnen door debutante Hannah van Binsbergen.

Kwaad gesternte

Het is woensdag en ik mag een harnas kiezen dat geweld
op afstand houdt, in alliantie met de Vijanden van Vernedering.
Als ik mijn benen weer bij elkaar doe, word ik moeier en moeier;
ik kan wachten in mijn wapenrusting of het rokje dat hij mooi vond, hij
zal niet komen. Ik bijt hem, hij moet het afleren.
Als ik mijn ogen open is alles verloren, dan moet ik meegaan
naar het gat in de geschiedenis. Van alle marsen die jullie kunnen
lopen, jullie die ik mijn broeders noem, waarom is er niet één
die niet vooruitgaat? Lees verder >>

Gedicht: Anne Vegter – Materiaal voor schedelboog, lijn van borst, fallus of kont uit vloeibare klei

Komende zondag treedt Anne Vegter na vier jaar af als Dichter des Vaderlands. Haar ‘vaderlandse’ gedichten zijn gebundeld in Wat helpt is een wonder.

 

Materiaal voor schedelboog, lijn van borst, fallus of kont uit vloeibare klei

Je makersbewegingen over het breekbare, natte binnenste-
buiten raakten mijn vormen jouw tong aan, openden je mond

in mijn roos, we bedreven lovescience met de modderige maten
van mijn kleivrucht. Kijken is pijnloos nadoen. Toen ik wilde weten

wat je vingers weten legde je verhitte dingen in ons bed. Je zei:
‘Dickrider, Tietenvaas, Models, Fallen Woman en wij.’ Ik zei:

‘Mooie Mensch, Flame, Potential Stillness en wij, sloeries van klei.’

(27 augustus 2016, bij de opening van de tentoonstelling Sexy Ceramics,
in keramiekmuseum Princessehof)

Anne Vegter (1958)
uit: Wat helpt is een wonder (2017)

 

Gedicht: Peter Verhelst – Vaas

Uit Koor, de nieuwe, morgen te verschijnen bundel van Peter Verhelst.

Vaas

Kun je een vaas haar breekbaarheid verwijten
of een hand het breken van de vaas?
Misschien is het zo bedoeld
dat de vaas de hand op zich af zingt
zodat de hand niet kan weerstaan,
hoewel de hand weet dat hij slaat
en in de vaas al scherven zingen
voor ze zijn ontstaan.

Waarom zou de hand verlangen naar een vaas
die, als een hals, zich uitstrekt naar de hand
die haar wil slaan? En waarom wil de vaas
haar scherven naar de oppervlakte zingen
zodat de hand haar niet langer kan weerstaan?

Misschien droomt de vaas wel van de hand
een roos te maken, wil de hand op zoek gaan naar de vaas
om eindelijk de scherf te vinden
waarmee hij rozen uit zijn eigen pols kan slaan.

Peter Verhelst (1962)
uit: Koor (2017)

Gedicht: J.H. Leopold – 4 kwatrijnen

Oostersche kwatrijnen op Facebook

De draden van uw wil zijn thuisgebracht
bij anderen dan bij uw zwakke kracht;
plan en gebeuren zijn als dobbelsteenen:
in uwe hand wel maar niet in uw macht.

•••

O roes der jeugd, toen ik mij moest vergapen
aan niets en was als blind en doof geschapen;
ik leefde in dommeling van zinsbedrog,
ik ben ontwaakt en nu moet ik gaan slapen.

•••

Kom tot mij, tot mijn hart, dat trilt als loover,
vaag weg den angst en al zijn voorgetoover;
ik zeg, ik zeg U, ik weersta niet meer,
o God, laat mij niet aan mijzelven over!

•••

De tijd maakt vaal, onooglijk en krom
en breekt er alle kracht en brengt ze om;
ik riep: is er iets triesters dan de dood?
het klonk: de ouderdom, de ouderdom.

J.H. Leopold (1865-1925)
uit: Oostersch (1924)

Gedicht: Robert Anker – Seigneur?

Robert Anker overleden.

Seigneur? (3)

Dit is het laat seizoen. Mijn boom
draagt van zijn bloei de vruchten,
maar geen plof in gras die ruimte
maakt, bereikt mij achter het glas.
Ik dacht toch wel dat ik het was.

Het is voorbij. De dagen zijn op orde.
Herinnering zwerft als ziekte door het huis
(witte zeilen, blauwe zee, jij!).
Bemost is het balkon, mijn oog
komt tot de rand, keert naar binnen.
Voortaan is het zondagmiddag.
De heer ziet onze tranen niet. Lees verder >>

Gedicht: Robert Anker – Heimwee naar de eerste woorden

Robert Anker overleden.

 

Heimwee naar de eerste woorden

De muze kent misschien geen babel maar ze kende mij
ze toetste met haar vingertoppen woorden in mijn stel
gewone woorden losgetikt uit wat ineens bestond: de taal
akker beekje ochtend straatweg wind een koelte ruisend
kwam het aan ik stond bij het raam het licht was zuidelijk
het werden deuren naar een naastebije wereld die uitsluitend
in de sponning van die woorden kon bestaan het wonder
bleef duren tot voorbij de stem van moeder die mij riep
de muze riep ik werd herkend op stel en sprong naar binnen.

Robert Anker (1946-2017)
uit: Heimwee naar (2006)

 

Gedicht: Robert Anker – Terwijl hij

Robert Anker is gister overleden.

 

Terwijl hij
en na zijn werk
van 7 tot 6 bij een baas
zaagsel in zijn haar
moest hij een uur op de fiets
maandag tot en met vrijdag
zes jaar lang

Dat Joyce toen al
en Kafka stierf
Musil schreef het centrum uit de wereld
Dat Proust de nieuwe eeuw begon
met de herinnering

Dacht hij aan de toekomst
langs de geurende berm
de sneeuw in januari
de schemering in de herfst
of dacht hij
op weg naar de avondschool
door de innige dorpen
de dampende velden aan niets
of aan de tekenles
of aan het meisje voor het lage huis
met het witte konijn op haar arm Lees verder >>

Gedicht: vsb-prijs 1916 – P.C. Boutens

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een verkiezing van de beste bundel. Vandaag als laatste Lente-maan van P.C. Boutens, ingeleid door Coster zelf, die behalve onderstaand gedicht nog vijf andere uit de bundel koos.

En nu – ik ben niet meer alleen…
O bovenwezenlijk bedrog:
Gij zijt hier niet, gij zijt hier toch.
Daar dauwt door ’t slui’rend lichtgeween

Een heller tegenwoordigheid:
Een blind onzienelijk gezicht
Klaart uit de zee van sterrelicht –
En geene vrees of gij het zijt, Lees verder >>

Gedicht: vsb-prijs 1916 – Paul van Ostaijen

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het terug 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een verkiezing van de beste bundel. Vandaag als vierde Music-Hall van Paul van Ostaijen, ingeleid door dichter Dirk Vekemans, die behalve onderstaand gedicht nog vier andere uit deze bundel koos.

Juffer Lola
Voor Charlotte V.

Juffer Lola, dit is waar,
Danst met stappen,
Rappe,
Ranke,
Op het klanken
Van een lustige gitaar.
Kleine,
Fijne
Sirkeldansen
Vormen kransen
Rond, rond,
Over het tapijt
Zo bont. Lees verder >>

Gedicht: vsb-prijs 1916 – Martinus Nijhoff

•• Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een verkiezing van de beste bundel. Vandaag als derde De wandelaar van Martinus Nijhoff, ingeleid door taalkundige Marc van Oostendorp, die behalve onderstaand gedicht nog vijf andere uit deze bundel koos.

De wandelaar

Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
Langs een landschap of tusschen kamerwanden.
Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen,
Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.

Kloosterling uit den tijd der Carolingen,
Zit ik met ernstig Vlaamsch gelaat voor ’t raam;
Zie menschen op een zonnig grasveld gaan,
En hoor matrozen langs de kaden zingen.

Kunstenaar uit den tijd der Renaissance,
Teeken ik ’s nachts den glimlach van een vrouw,
Of buig me over een spiegel en beschouw
Van de eigen oogen het ontzaglijk glanzen.

Een dichter uit den tijd van Baudelaire,
– Daags tusschen boeken, ’s nachts in een café –
Vloek ik mijn liefde en dans als Salomé.
De wereld heeft haar weelde en haar misère. Lees verder >>

Gedicht: vsb-prijs 1916 – Aart van der Leeuw

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een verkiezing van de beste bundel. Vandaag als tweede Herscheppingen van Aart van der Leeuw, ingeleid door dichter en Tortuca-redacteur Peter Swanborn, die behalve onderstaand gedicht nog vijf gedichten uit deze bundel koos.

De pottenbakker

De meester zegt: „geef aan de schaal
De bocht van ’t brood; waartoe een fraai bokáal,
Als toch de drinknap in heur holle hand
Lessching genoeg voor elken dorst omspant?
Vergun tot eenig sieraad Uwe kruik
De gulle welving van een gladden buik.
Zwaar is het leven, ernstig; bloed en zweet
Proeft ge aan haar gaven als ge drinkt en eet;
Zorg gij dat, in een soobren vorm geprangd,
Het simpelst vat die bittre vrucht ontvangt”.
Lees verder >>

Gedicht: vsb-prijs 1916 – C.S. Adama van Scheltema

Wie zou de VSB-poëzieprijs krijgen als het weer 1917 was? Deze week aandacht voor vijf in 1916 verschenen bundels, toegelicht door een vakkundige jury, met aan het eind een verkiezing van de beste bundel. Vandaag als eerste Zingende stemmen van C.S. Adama van Scheltema, ingeleid door dichter Alfred Schaffer, die behalve onderstaand gedicht nog vijf gedichten uit deze bundel koos.

Langs het Getijde

Het schemert, en
Waar ‘k peinzend langs de golven ga
En peinzend naar hun ruischen hoor,
Ruischt al hun vloed mij schuimend na
En wischt mijn spoor.

Het schemert, en
Waar ‘k wijkend het getij beleef,
Ruischt het getijde op mij aan
En wischt wat ‘k in mijn hart beschreef –
Wat ‘k heb gedaan.
Lees verder >>

Gedicht: Bertus Aafjes – Kamelen

Kamelen

Langs het stervend goud der horizon
Gaan op slanke wereldwijze benen
De kamelen, plotseling verschenen,
Naar het wachtend water van de bron.

En hun hals reikt ver vooruit naar ’t doel,
En hun neuzen staan gevleugeld open,
Dédaigneus en adellijk. Zo lopen
Joodse rabbi’s soms door ’t stadsgewoel.

Dorstig dravend en door niets belet,
Laten zij nochtans hun haast niet blijken,
Zouden liever aan hun dorst bezwijken
Dan de maat verliezen van hun tred,
En zij zweven door het avondgoud
Als muziek – die enkel wordt aanschouwd.

Bertus Aafjes (1914-1993)
uit: Het koningsgraf (1948)

 

Gedicht: Bertus Aafjes – Het ezeltje

Het ezeltje

Er draaft een ezeltje door ’t gat der nacht,
Met op zijn rug een meisje in het zwart,
Stijf ingewikkeld in haar vreemde dracht.
En ’t ezeltje draaft haaprend en toch hard.

Het is onwerkelijk als damp die trilt
Of als een stukje film van jaren her,
Dat voor het oog als in een koortsdroom rilt.
Waar gaan zij heen en moeten zij nog ver?

En zoeken zij een uitweg of een doel,
Of rust op hen de stilte van een vloek?
Zijn zij misschien al lang zonder gevoel
En naar de poort van ’t dodenrijk op zoek?
Ik zie het aan als buiten mij verwoord:
Ik voel u op mijn rug, ik sleep u voort.

Bertus Aafjes (1914-1993)
uit: Het koningsgraf (1948)

 

Gedicht: Herluf van Merlet – Kind in sneeuw

Kind in sneeuw

De sneeuwvlinders fladderen wild
laag langs het betonnen plafond
en vinden geen uitweg dan sterven,
het pad nergens heen wordt al slik.
Maar ’t gras is een pasverschoond bed,
de lakens nog koud en kraakwit,
waarop met een o in de mond
– een noot voor zijn kaken te groot –
en kogels van ogen zo rond
het kind als een eekhoorn doodstil
zich maar te verwonderen zit.

Herluf van Merlet (1900-1965)
uit: Per saldo (1961)

 

Gedicht: Jaap Harten – De kersentuin of een andere tuin

De kersentuin of een andere tuin

Met de samovar onder seringen
De nacht zien met helder oog
Nu vogels hun nesten wiegen
In slaap achter netten van dauw
Zie beemden ontvangen het voorjaar
De wereld bloeit zonder geluid
De nacht speelt zijn glazen toeter
De dag heeft een heldere bijl

Maar buiten dit park is het anders
Het rijk heeft twee ogen van schaduw
En water dat stroomt is nog blauw
Toch spiegelt een bloedrode wolk Lees verder >>

Gedicht: Mieke van Zonneveld – Nee

Uit Leger, het debuut van Mieke van Zonneveld. Ze won met dit gedicht de Turing-wedstrijd 2014.

Nee

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand
die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben
niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je
vies geworden, overal ligt zand. Ik werd lamlendig
wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar
in dromen worden ze bij menigtes gegeven.
Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en
zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel
de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug
verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te
temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig
bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het
kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het
te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me
uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede,
geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld
nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar
tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij
nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

Mieke van Zonneveld (1989)
uit: Leger (2017)