Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Christine D’haen • Daimoon megas

‘Daimoon megas’ van Christine D’haen wordt besproken bij Meander.

Daimoon megas

                    τί οὖν, ὦ Διοτίμα;
                    δαίμων μέγας, ὦ Σώκρατες: καὶ γὰρ πᾶν τὸ δαιμόνιον
                    μεταξύ ἐστι θεοῦ τε καὶ θνητοῦ.

Mijn daimoon bedroefde bij nacht mijn bloed:

het hoofd in uw armen, het hoofd van een man,
het is niets. En uw dagen en nachten zijn niets
dan een schaduw van schaduwen; al wat gij doet,

het is niets: en het vlees dat gij eet, en het bloed
dat gij drinkt, het is niets. Verfoei ook den geest!
Want de ziel die gij eet, het visioen dat gij drinkt,
het is niets. En zo al wat gij zoekt, wat gij doet, Lees verder >>

Gedicht: Dirk Smits • De Rottestroom (fragment)

De Rottestroom

(…)
Stil!.. ‘k Hoor reeds haer golfjes leven!
Haer vervrolykt stroomgeluidt
Noodigt my ten koortranss’ uit.
‘k Zie hoe, door die vreugdt gedreven,
Haer Gespelen, overlaên,
Opgeborrelt uit het water,
Met riviervisch, ’t marktgeschater
Daeglyks drok ten dienste staen.
‘k Zie de plasbaers, vette voren,
Braesem, karper, post en snoek,
Zeelt en paling, malsch en kloek,
’t Oog des wandelaers bekoren:
Elk word op ’t gespartel graeg,
Valt aen ’t kiezen, dingen, koopen;
Voelt, by ’t wegen, schrappen, stroopen,
Reeds een kittling in zyn maeg.

Lees verder >>

Gedicht: Dirk Smits • Lijkkrans voor mijn dochtertje

Lijkkrans voor mijn dochtertje.

Een rei van Englen zag,
Door ’t dunne wolkfloers heen,
Of ergens, hier beneên,
Een zuivre parel lag
Die waardig was te pralen
In ’t goud van ’s hemels zalen.

In ’t einde viel het oog
Op Margareetje* een wicht,
Dat pas, door ’t levenslicht,
Bestraelt werd van omhoog,
En blijdschap noch elende,
Noch deugd noch ondeugdt kende.

Lees verder >>

Gedicht: Daniël Vis • de gestalte op dat schilderij van munch

Uit Het weefsel, de nieuwe bundel van Daniël Vis.



de gestalte
op dat schilderij van munch –

de opengesperde mond –

schreeuwt niet,
maar legt de handen tegen het hoofd

om de schreeuw niet te horen.

                  de angst,

                   een fundamentele
                   gebeurtenis –

dat ik er ben –

            en opnieuw
ontstaan

de draden die het gekopieerde dna
in de zich delende cel verdelen –

een techniek
van het aanwezig blijven.

              wat kan:

relaties
in evenwicht,

een begrensd gebied.

de hand die zich
          sluit,

we zeggen:

       een eenvoudige
       beweging –

iets vast te pakken.


Daniël Vis (1988)
uit: Het weefsel (2020)

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jabik Veenbaas • Perspectief & Mindfulness

Uit Soms kijkt de aarde me aan, de nieuwe bundel van dichter-filosoof Jabik Veenbaas.

perspectief

de schilders weten het
alles is altijd anders
het is geen gezicht
maar een reservoir van licht
het is geen raam
maar een oorsprong van eeuwigheid
verroeste emmers zijn pareloesters
woonhuizen vissenbekken
dieren en naakte vrouwen daarentegen heilig
zij rusten ’s avonds gemoedelijk
in de warme stal van je bloed
ook heeft de week elf dagen
en dat is geen feit
maar alleen als je kijkt

Lees verder >>

Gedicht: Hans Verhagen • Azalea

Dichter en P.C. Hooft-laureaat Hans Verhagen overleden.

Azalea

Die het kwade spreken krijgen steeds meer te vertellen
In dit ondermaanse licht ontleend aan schaduwen
anderen de vingers breken tot ze niet meer meetellen
om ooit de sultans ezel voor zich uit te mogen duwen

Keldert het vertrouwen in de voortplanting, drommen
er wel pap van lustende van onder gladgeschorenen
zich bescheurend samen voor een pas op!
slipgevaar-party

Lees verder >>

Gedicht: W.J. van Zeggelen • (twee van) Zeven kniedichtjes

Vreugde.

Vreugde is een tortel, die schatert en koert,
Ons aan de rustige huiscel ontvoert,
Luide ons verlokt: ‘geniet en kom buiten!
Tracht eerst uw zorgen goed binnen te sluiten;
Zing wat u hindert en drukken moog, weg,
Moei u niet hard met gestaag overleg.’
Maar, hoe die tortel moog lokken en streelen,
Als ze u wat lang zingt – ze zal u vervelen;
Vreugd heeft een lokstem voor grijsheid en jeugd,
Maar slaat ze door, ze overschreeuwt vaak de Deugd.

Lees verder >>

Gedicht: Martinus Nijhoff • Het groote lijden

Het groote lijden

Hij moest zijn hart, zijn zwaar hart, achterlaten
Toen hij naar zijn natuur zich weer onthief.
Wij, die na ’t afscheid om den heuvel zaten,
Wisten, hij heeft in angst, in doodsangst, lief.

Ach, wij verlieten wat wij nooit bezaten,
En vonden meer dan we ooit hadden gemist -,
Maar hij, tusschen twee eenzaamheden, wist
Toen hij verliet, tevens te zijn verlaten.

Lees verder >>

Gedicht: Saskia de Jong • hot! hot! hot! hittegolf

in Het jaagpad op en af, de nieuwe bundel van Saskia de Jong.

hot! hot! hot! hittegolf

een zekere zon glom buiten zijn grenzen
pupillen kieperen het licht naar binnen
ingezwachteld mijn volksmond
eet een zoutje wat weerhoudt je
van de vertering van de violente vragen

(er eentje opborrelen)
welk gat de diepte draagt

(waar twee al overkoken heet)
als slaap het voorvocht van de dood is

Lees verder >>

Gedicht: Hans Werkman • Johannes Passion

Johannes Passion

De Heer is in de Joriskerk opnieuw gekruist.
De schare hoorde in gemakkelijke banken
hoe Hij bloedig gegeseld buiten stond. ‘Afdanken
die man,’ riep men. ‘Kruist hem, weg met die etterpuist!’

‘Kruist hem!’ herhaalde honderd maal het koor, en kuis
in ’t zwart gekleed luisterde het naar de klanken
van de evangelist, wiens zang soldatenstank en
verraad en haat aankondigde voor een verguisde.

Lees verder >>

Gedicht: Erik Bindervoet • Het geheim van geluiden

Uit De droom van Eb Inkt Diervoer, de nieuwe bundel van Erik Bindervoet.

Het geheim van geluiden

Sehen wir uns etwa so an:
in a hijacked car à la fin du monde,
three leading ladies on the back seat,
one, the One, next to you.
Genau! C’est ça, exactement, plus rapide!
But quelque chose ne marche pas
in the surround sound system of the car:
niet the Moments & Whatnauts,
niet de Floaters from the speakers,
but some electric scratches
grč grč!
and then a dark engulfing earthbound sound.
Maartje fängt zu singen an, trillerend,
Hojo! Hojo!
Alejandra habla foutloos Cyrano,
non, merci!
and Hanna makes snatching noises
with a heggenschaar,
suck, suck!
while the One is busy being born
from a lumpy oozing mass on the front seat,
from the front seat.
Splaaaasj!
You keep driving,
les mains humides on das Steuerrad,
though you’ve got no permis de conduire.
Nous pull over to a gaz station
auprès de la Moselle.
C’est tranquille maintenant.
Ruhe, sanfte Ruhe, tacet Maartje,
sauf het coole geknars of the tires
of the car on the grint on the asphalt.
A soft murmur, remurmuring, rewhimpering.
We are bang. Alejandra shivers.
A telephone starts ringing ferociously,
énormément, comme les téléphants d’antan.
Hello? Hello? Porca Madonna!
Who’s that speaking with his voice?
Hallo? Hallo? Wer da?
Keine Ahnung. Geh schon, geh schon, mon petit!
We are standing still.
Op een bleekveld liggen dode brandweermannen uitgeteld uitgestald.
And when the shooting starts
we perform een zeer kleine but très agréable hommage
à Francis Picabia,
l’homme liquide, fumeur des épaves.
Hanna took a bullet in the stomach
but she spits it out again, vrolijk lächelnd.
Ah! Die lach!
Er moet een bowieversterkertje gehaald worden
En als dat, eindelijk, gearriveerd is, horen we:
Cancer, and my name is Larry, ha,
and I like a woman
that loves everything and everybody…
We zijn weer on the move.
We have reached Leeds.
Uit een lantaarnpaal steekt een vrouwenarm.
In een opening is een borst te zien.
Een parade van vrouwen
met roestig rammelende fietsen aan de hand.
Zij gaat voorop, in een pink, mouwloze pullover
met lovertjes d’argent, verder in het wit.
Ze lacht, onverzoenlijk, maar nog steeds chronisch onvermijdelijk.
Les drunken bicyclettes rattle on the pavement.
One thing, however, is clear as a bell:
ceci n’est pas la fin du monde.
ceci n’est pas la fin du monde.
ceci n’est pas la fin du monde.

Erik Bindervoet (1962)
uit: De droom van Eb Inkt Diervoer (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Julius Vuylsteke • Fabriekgalmen

Fabriekgalmen

I

De vrouw droeg een kan en haastte zich straf,
de kan was oud, haar oor brak af.

Daar vloeide op den grond de soep uit de kan:
die soep was het noenmaal van zoon en man….

Die beiden werkten in de fabriek:
de verpestende lucht, daar, maakte hen ziek.

Van ’s morgens vroeg waren zij aan het werk,
zij haakten naar ’t uur van het noenmaal sterk.

De vrouw viel aan ’t schreien: voorbijgangers lachten.
Een hond kwam bij, die naar spijs scheen te smachten.

Hij rook aan het noenmaal van man en zoon,
en hij ging zijnen weg: hij was beters gewoon! Lees verder >>

Gedicht: Joost Zwagerman • Meester

Uit Verzamelde gedichten van Joost Zwagerman.

Meester

Meester stelt in de klas een vraag.

Jij bent niet in die klas,
Jij moet wachten op de gang.

‘Wanneer is iets kunst?’
De kinderen schrijven een antwoord op.
Tom/Kick: Als het mooi is.
Max: Als het zomer is.
Bodhi: Als het een beetje cool is.
Ebba: Als je in een museum bent.
Jules: Als het licht geeft.
Selma: Als je je best hebt gedaan.
Quirijn/Kesso: Als iets glimt. Lees verder >>

Gedicht: Annemarie Estor • Maatschappelijk debat

Uit Rebelse sonnetten, een gelegenheidsbloemlezing van dichters van Wereldbibliotheek en Nieuw Amsterdam.

Maatschappelijk debat

Iemand spreekt.
Iemand reageert en iemand affirmeert.
Iemand adviseert en iemand anders alarmeert.
Weer een ander preekt.

Weer een iemand wijst en afficheert.
Men agendeert en grijpt een goede microfoon.
Meestal discussieert men asynchroon.
Op de beeldbuis wordt wat hooggeleerd. Lees verder >>

Gedicht: Vrouwkje Tuinman • Omtrekkende bewegingen

Vrouwkje Tuinman kreeg gisteravond voor haar bundel Lijfrente de Grote poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar toegekend.

Omtrekkende bewegingen

Het begint nu toch wel iets met mij te worden,
zei jij, zeiden wij altijd, bij klein succes.
De uitspraak kwam van je moeder en duidde erop
dat, wat haar zoon ook aan voorspoed toeviel,
het van ‘worden’ waarschijnlijk nooit tot zijn
zou komen, laat staan tot verleden tijd.
Al bleef de twijfel, vandaar het ‘toch’.
Er kon, al was het meer iets voor andere mensen,
wellicht iets worden bereikt. En nu is het zover.
Jij bent dood en dat doet wonderen voor je cv,
voor dat van mij. Zonder enig diploma ben ik
ineens bezorger, woordvoerder, min of meer
bekende Nederlander, ik sta als ‘medewerker’
aan jouw werk vermeld, rook namens jou
een sigaret met andere geslaagden.
Het begint nu toch wel iets te worden met mij.


Vrouwkje Tuinman (1974)
uit: Lijfrente (2019)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: M. Vasalis • De winter en mijn lief zijn heen

De winter en mijn lief zijn heen.
Er zit een merel op het dak,
zijn keel beweegt, zijn snavel beeft
alsof hij in zichzelve sprak.

Hij luistert: uit de verre boom
klinkt als het ketsen van twee steenen
een vonkenregen van verlangen,
zoo luid, zoo helder en zoo bang.

De merel stort zich met een kreet
vol wildheid in de voorjaarsvlagen.
Ik kan het bijna niet verdragen:
– de winter en mijn lief zijn heen.

M. Vasalis (1909-1998)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lidy van Eijsselsteijn • De zieke en de spin

De zieke en de spin

De kleine spin die aan de zolder hing,
waarom liet ik haar wekenlang in leven?
Ze leek zo broos, een trilling deed haar beven:
een stip, die soms wat zon- of maanlicht ving.

Geduldig spinnend, van haar kleine kring
de grenzend wetend, leefde zij haar leven.
Genoeg, soms dansend aan een draad te beven,
genoeg, klein web aan de witte zoldering. Lees verder >>