Auteur: Raymond Noë

Gedicht: P.A. de Génestet • Boutade

Boutade

O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,
Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,
Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen!
Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp

O saaie brij-moeras, o erf van overschoenen,
Van kikkers, baggerluî, schoenlappers, moddergoôn,
Van eenden groot en klein, in allerlei fatsoenen,
Ontvang het najaarswee van uw verkouden zoon!

Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen
Tot modder; ‘k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê.
Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,
Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.


Nov. 1851.

P.A. de Génestet (1829-1861)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Hester Knibbe • Park

Park

Een gaan en komen is het hier
van eenlingen en stellen en al die rusteloze
sentimenten die horen bij de fauna

van een stad. Ben zelf slechts van mijn plek
te branden of via ander grof geweld als botweg
kappen van mijn stammen van mijn bestemming

weg te denken. Ik ken mijn grenzen, afgemeten
fleur ik de hoge huizen op die me afstandelijk
omsluiten en met de straten flirt ik
hooguit langs mijn hekken. Want

hoewel stad ben ik natuurlijk
buiten met al dat gras en water, die
seizoenen die me doen bloeien en weer stomweg
snoeien. Het tijdelijke vang ik op.


Hester Knibbe (1946)
uit: Oogsteen (2009)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Koenraad Goudeseune • Nacht van de Poëzie

Afgelopen zaterdag was de 37e Nacht van de poëzie, en Koenraad Goudeseune schreef vlak daarvoor dit gedicht.

Nacht van de poëzie

Vanavond is er de Nacht van de Poëzie
die het goed doet op een podium,
in Utrecht, TivoliVredenburg.
Maar gisteren stond ik aan een waterbekken
in het bospark in Lokeren.

Met de rug van mijn hand streelde ik
het wateroppervlak.
Het leek alsof ik met sierlijke letters
iets aan het schrijven was dat,
zodra het geschreven was, weer verdween.

En er kwamen vissen naderbij,
eerste kleine, flitsend, kleurrijk,
maar allengs ook grotere, al wat trager,
die de kleintjes verdreven.

En vanuit de diepte, roerloos haast
en indrukwekkend stil als lijken
die komen bovendrijven,
stegen de grootste vissen op
en verdwenen weer in diezelfde diepte
toen bleek dat ik hen niets te bieden had.


Koenraad Goudeseune (1965)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Hélène Swarth • Herfstrood

Herfstrood

In rouwzwart groen een vroolijk vlekje rood:
Een blozend dak, een gladiolusvlam,
Een rozige appel of een hanekam,
Zal dat mij troosten over zomerdood?

O tragisch traag laat vallen van den stam
Scharlaken bladen in de bruine sloot
De wilde wingerd, of in gulpen vloot
Zijn bloed, gelaten najaars-offerlam.

Een huivrende angst bevangt me en jaagt mij voort,
Grijpt bij de keel me en steelt mijn levensmoed.

In ’t westen praalt een karmozijnen poort,
Waarachter ‘k misdrijf, vreemd en wreed, vermoed.

De booze October heeft de Zon vermoord….
Zijn zwaard is rood, zijn mantel druipt van bloed.

Hélène Swarth (1859-1941)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Garmt Stuiveling • De herfst begint

De herfst begint

Reeds dort het groen der volle bladerverven
tot najaars geel en rood metalen tint;
ik proef uit ieder ding: nu gaat de zomer sterven,
de herfst begint….

Vruchtbomen in het hof staan zwaar te dragen
en bronzen zwelt het ooft in zon en wind;
dit is het schone eind van zoveel schoner dagen:
de herfst begint.

De knoppen worden schaarser, sluiten vaster,
een enkele slechts die zich tot bloem ontwindt:
maar rijklijk bloeiend staan de perken floks en aster:
de herfst begint.

En als ik keer, draag ’k peinzend mee naar binnen
de wein’ge rode rozen die ’k nog vind:
het laatste uit de tuin, dat zomer doet herinn’ren…..
De herfst begint.

Garmt Stuiveling (1907-1985)
uit: Elementen (1931)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Vrouwkje Tuinman • Wat ik mocht

Uit Lijfrente, een bundel die Vrouwkje Tuinman schreef na de dood van haar echtgenoot, dichter F. Starik.

Wat ik mocht:

Televisie kijken met mijn hoofd op een kussen op je borst
Tegen je praten met de wc-deur open
Haren uit je neus trekken
Je haar knippen (drie keer)
Een steenpuist openmaken en op jouw aanwijzing steeds harder knijpen
Jou in geval van enorm goed humeur in een omgekeerde Heimlich
nemen en optillen
Over jou beslissen in geval van reanimatie
Een foto maken van je katheter (mocht niet alleen, moest)
De hechtingen uit je doorgezaagde borstkas peuteren
Helpen bij het aankleden
Niet meer helpen bij het aankleden
Geen foto van je maken, ook niet van achteren gezien
Televisie kijken vanaf een stoel naast de bank waarop jij onaanraakbaar
lag
Jouw ogen sluiten

Vrouwkje Tuinman (1974)
uit: Lijfrente (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J. Winkler Prins • Wenken

Wenken

Witte wolkjes, met doorgloeide randen
Boven zee,
Wenken als een zacht paar blanke handen:
Kom toch mee!

Blauwe plekken, in de blaadrenbogen
Van ’t prieëel,
Wenken als een zacht paar vriendlijke oogen:
Min haar veel!

Reuzenletters, in de kristallijnen
Schaatsenbaan,
Wenken als een beeldspraak door haar lijnen:
Wil toch gaan!

Yzelpluimen, die aan takken klemmen
Stijf van kou,
Fluistren als een zacht paar feeënstemmen:
Blijf haar trouw!


J. Winkler Prins (1849-1904)
uit: Zonder sonnetten (1886)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Paul Hermans • Teylers Museum

Uit Verlatingen, de nieuwe bundel van Paul Hermans

Teylers Museum

Blauwwierkalk. Oogheuvels.
Kamschelpen. Boormossel.
Tweekleppig weekdier.
Parelmoernootjes. Zeer
oud veertje. Vleugelvinger.
Fluithazen. Lichtmolentje.
Klankmenger. Pluimontlading.
Tijdsduurvonk. Tongpijp.
Toermalijntangen. Sonometer.
Klankbodem. Lantaarnplaatjes.
Klipzout. Koolspitslamp.
Booglamp. Dochterklok.
Gelede dieren. ‘De teerheid
hunner bekleedselen en de
kleinheid hunner lichamen’.
Dochterklok. O, dochterklok.


Paul Hermans (1953)
uit: Verlatingen (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jacob Westerbaen • Zomer. Het fruit is rijp

Zomer. Het fruit is rijp

Ik kan met moes en fruit mij en mijn vriend gerijven;
ik eet, ik geve weg, nog kan er overblijven.
De mus, de spreeuw, de kauw en eksters eten mee;
maar tegen zulk gespuis houd ik de snaphaan reê.
Daar past mijn pulver op en schot van hagelkogels,
behalve op een slag van schadelijker vogels,
van bestemoeders aard in zulk van snoeperij;
die grijp ik levendig, en laat ze weder vrij,
doch voor een klein rantsoen. En, meisjes, wilt gij weten
waarvoor gij in mijn hof moogt alle fruiten eten,
vraagt aan de echo hier: ‘Wat geeft men voor rantsoen?’
Met maar vier lettertjes zal zij u antwoord doen.


Jacob Westerbaen (1599-1670)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jacob Westerbaen • Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Gij wenst asperges in uw hof,
wat beddens zoudt gij wel begeren;
uw man sloeg het geheel niet of,
des kom ik u wat plant vereren,
opdat het daar niet aan en schort.
Nu schort het maar aan vuiligheden,
maar waar veel hooi gegeten wordt
daar is het immers recht en reden
dat men daar ook niet weinig k*k,
gelijk het niet en placht te missen
(of ’t oude spreekwoord kreeg een krak),
dat die veel drinkt ook veel moet pissen.
Het scheelt dan maar aan vuiligheid,
maar daar wil ik mij niet mee moeien,
alleen dient u te zijn gezeid:
de vetste str*nt komt van de koeien.
Maar zo de roggeakker roept:
‘Daar is niet voor de hof te krijgen,
mijn smeer en dient mij niet ontsnoept’,
zo ziet het af met paardenvijgen.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacob Westerbaen • Vloek tegen de vlooien

Burlesk gedicht over een onrustige nacht. Westerbaen wordt tijdens een verblijf in een herberg geplaagd door vlooien: beestjes die totaal geen oor blijken te hebben voor zijn toch zo redelijke vermaningen…

Vloek tegen de vlooien

Het is hier wel te wezen:
de spijs is uitgelezen,
de drank is fris en goed,
de wijn in overvloed,
meer dan men heeft van node,
van witte en van rode;
hij, die ze beide mag,
geraakt hier op zijn slag.
Men kan de tijd passeren
met praten, met verkeren,
met hok, met lanterlu,
flus ’t een, en ’t ander nu,
terwijl de vuile straten
geen wand’len toe en laten
en dat de buitenpaên
niet droog en zijn te gaan,
en dat de diepe wegen,
gebroken door de regen,
ons zeggen: ‘’t Is te nat,
wij lijden paard noch rad.’
Een van de jufferdieren,
beleefd en goedertieren,
heeft mij haar bed geruimd,
heel zacht en wel gepluimd;
maar, als ik meen te slapen,
de vlooien zijn in wapen
en komen mij te keer Lees verder >>

Gedicht: Jacob Westerbaen • Droom

Droom

In ’t midden van de nacht geraakte ik aan ’t dromen
en zag mijn Rosemond omtrent mijn bedde komen:
haar woorden waren zoet, zij was haar wreedheid moe,
haar oogjes wierpen mij veel lieve lonkjes toe.
’k Verstoute mijn gemoed en ik begon te klagen*
de lange eeuwigheid van mijn bedroefde dagen,
mijn leven zonder vreugd, mijn eindeloze smart
en haar verstaalde ziel in een metalen hart.
Een zee van tranen stond in mijn gezwollen ogen,
uit mijn benauwde borst kwam zucht op zucht gevlogen.
Ik bad haar om genâ, om ’t einde van mijn nood
óf door haar wedermin, óf door een rasse dood.

Z’ ontsloot het schoon koraal*, de zeilsteen* van de kusjes,
de haven van mijn ziel, de speelhof van de lustjes,
haar lipjes gingen op*, zij sprak mij aldus aan:
‘Vermoordt uw ogen niet en laat uw wenen staan.
Zij, die u heeft gekwetst, kan u weerom genezen;
zij, die is wreed geweest, kan u weer gunstig wezen;
zij, die uw hart bezit, maakt einde aan uw pijn
en geeft u ’t haar weerom, en wil de uwe zijn.’
O vriendelijk bedrog! O zoete dromerijen!
Helaas, hoe kort is het geluk van wie er vrijen,
want als ik met een kus haar lieve mond genaak
(ha, korte droom-geneugt!), voel ik dat ik ontwaak.

Ik heb nog lang daarna met aangename grepen*
geveinsd te dromen, en mijn ogen toegenepen:
Maar, laas*! de vaak* verging, en ik bevond daarnaar*
mijn vreugde vals te zijn en mijne droefheid waar.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

 

klagen = beklagen
koraal = rode lippen
zeilsteen = magneet
op = open
grepen = listen
laas = helaas
vaak = slaap
daarnaar = toen

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Hagar Peeters • De man met de snor

Uit De schrijver is een alleenstaande moeder, de nieuwe bundel van Hagar Peeters.

De man met de snor

Over M.G.

De man met de snor
is bekoorlijk en snel
is een terror en fel
is van het vuur de hel

is van hitte de stoom
is van slapen de droom
is van woorden de klank
is van afscheid de dank

is pommade en drank
is van drank de dronk
is van woorden de mond
is van lippen de kus
is van vuur het geblus Lees verder >>

Gedicht: Annie MG Schmidt • Herinnering

Herinnering

Ik heb jou eens ontmoet in achttien-zeven
Of achttienhonderd-acht, zoo ongeveer……
In elk geval was ’t in een vorig leven
En aan je oogen kende ik je weer.

We waren toen óók twintig, en ik zag je
In ’t roefje van de schuit naar Overschie
Je hebt nu weer precies hetzelfde lachje……
Alleen zit je nu naast me, in lijn drie.

Je bent wel érg veranderd in die jaren!
Je droeg toen niet zoo’n blauw confectie-lor.
Je had een kniebroek aan, en lange haren
Je had nog een geweten en een snor.

En ik … ik droeg een luifelhoed met rozen
en sloeg mijn oogen aldoor zedig neer
ik had een crinolien, en kon nog blozen,
Dat kan ik nu helaas sinds lang niet meer.

Is er dan niets hetzelfde gebleven?
Ja toch, die kleine primula’s in ’t groen!
En ook die ééne zeemeeuw is nog even
statig en zilverwit en rank als toen!

Wat doet het er dan toe, of alle dingen
veranderd waren en wijzelf het meest?
Jouw oogen en de geur van de seringen
zijn altijddoor hetzelfde geweest!

Adieu! tot over honderdzooveel jaren!
Ik zie je dan weer in de stratosfeer
Je beeld kan ik zoolang niet meer bewaren
maar aan je oogen ken ik je toch weer.


Annie M.G. Schmidt (1911-1995)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: H. Marsman • Annie

Annie

Haar lichaam golfde in het bed
– de herten traden uit het woud
van berkenzon en beukengoud –
en in het deinen van haar schoot,
gevangen in het gouden net,
verging mijn lichaam in het wed
tusschen haar schouders en haar schoot.

in ’t zachte golven van haar buik
verging de ziel en stroomde uit
in ’t donker, wijnrood golvend dal,
en samen, hemel en heelal,
waren in snellen wisselval
wij beurt’lings golf en golvendal.

maar golf of dal of mast of boot –
onder het weemlend sproetengoud,
onder den wilden harenval
van beukenrood en berkengoud,
werden wij, hemel en heelal,
een voorgolf van den dood.


H. Marsman (1899-1940)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Herman de Coninck • Herfst is de tijd van vermoeden, niet van weten

Herman De Coninck maakte een groot aantal (vrije) vertalingen van gedichten van Edna St. Vincent Millay (1892-1950). ‘Herfst is de tijd van vermoeden’ is er daar een van.

Herfst is de tijd van vermoeden, niet van weten.
Van tasten, niet van grijpen. Van eerst met mijn duim
het waas wegvagen van een purperen pruim
en van voelen en van dàn pas eten.

Herfst is rustig doende, niet als zomer doende was,
met dat druk ondernemen, proclameren en oprichten
en met uitbreiden en met weer iets anders stichten.
Herfst vertraagt een ogenblik de pas. Lees verder >>

Gedicht: Jaap Fischer • Het ei

Het ei (♫)

Ik kocht een ei, de melkboer zei:
’t Komt zo onder de kip vandaan,
Ik ben nog te laat van huis gegaan
Om het mee te kunnen nemen.
Hier heeft U een jong leven
Voor zestien cent of meer,
En namens de ouders: smakelijk eten, meneer.

Het lag nog warm te leven in mijn hand.
Ik mikte reeds zorgvuldig op de harde hete rand
Van de pan en ik kon de geur al ruiken
Van dit al te vroeg geremde kuiken. Lees verder >>

Gedicht: Nachoem M. Wijnberg • Afscheidswedstrijd

Uit Afscheidswedstrijd, de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg (met enkel gedichten die over voetbal gaan, maar op een andere manier dan in de meeste voetbalgedichten).

Afscheidswedstrijd

Je kwam enkel om dag te zeggen
aan wie je eerder gesproken hebt,
zie je die dan ergens? Of je wilde een afscheidswedstrijd spelen,
terwijl een dertienjarige in het publiek het beter zou doen dan jij. Je zou
        erin komen

als jullie ver genoeg voor zouden staan,
maar dat gebeurde niet
en je begon te hopen dat jullie zo reddeloos achter zouden komen
dat je je tijd kon krijgen. Je kwam enkel om dag te zeggen aan wie je eerder
        gesproken hebt,

waar is die dan? Toen je dertien was
hoefde je geen wedstrijd te zien,
maar omdat je ouder geworden bent
kijk je naar steeds meer wedstrijden en het is nog lang niet zo ver, maar als
        je bang wordt

dat het de laatste wedstrijd is die je zal zien,
begin je dan later met kijken? Alsof je anderen moet vragen afscheid van je
        te komen nemen
om achteraf zonder spijt te zijn
en zonder alles.


Nachoem M. Wijnberg (1961)
uit: Afscheidswedstrijd (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Gert de Jager • Geen woordgrens of niets

Uit Schitterende, labiele knooppunten, de nieuwe bundel van Gert de Jager. De bundel is als pdf gratis verkrijgbaar bij Gaia Chapbooks (via winkelwagentje).

Geen woordgrens of niets

Onverhoeds het weidse in steden waar de wateren zich openen,
of de wouden met hun open plekken en opeens een heuvelrug, zo kaal
en zo leeg en het land, de verhoudingen tussen alles.

Mijn breintje dat zich wikkelt in bedenkingen, geen woordgrens of niets,
de tederheden en bedenkingen, achterwege
of achtergebleven.

De onnavolgbaarheid van bomen in hun bos, de wortels die in elkaar,
de takken die in elkaar. Zo lopen wij ,
afzonderlijk en onnavolgbaar.

En dan is er alles.

Gert de Jager (1957)
uit: Schitterende, labiele knooppunten (2019)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J.J.L. ten Kate • Naar buiten (fragment)

Naar buiten

(September 1842)

Gekerkerd in de Stad, verwelkte ik in haar muren,
Gelijk een bloesem tussen steen:
In nachten zonder slaap, in doorgebeuzelde uren,
In rook, rumoer en ijdelheen!
De Stad! dor kerkhof, waar zich levenden begraven
In ’t graf der Luiheid, Lust of Smart,
Voor eigen driften zich verneedrend tot haar slaven,
Of wonden slaande in eigen hart;
De Stad! onstuimig meer, wiens rustloos golfgewemel
Dooreen woelt, hotst, zich-zelf verslindt,
Waar schipbreuk woont en vreze, en ’t starlicht van Gods hemel
Geen spiegel voor zijn stralen vindt!

[lees verder]

J.J.L. ten Kate (1819-1889)


• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Fred Portegies Zwart • Raam

Raam

Meer dan ’t gebeurde telt wat kon gebeuren
en niet gebeurd nog steeds gebeuren kan.
Je loopt een huis langs en herkent daarvan
de grammofoonmuziek, de braadvleesgeuren.

Is dit jouw huis – of woont een andere man
met vrouw en kinderen binnen deze muren?
Vitrage voor de vensters, dicht de deur en
geen pad waarlangs je achterom kunt gaan.

Halfweg knarst in de hoogte een scharnier.
De zolderruit zwenkt uit tot vergezicht
en toont daarbij het huis binnenstebuiten.

Maar tussen raam en sponning is de kier
te klein en ook te ver, – hoewel het licht
mij niet geheel en al wil buitensluiten.


Fred Portegies Zwart (1933-2003)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.