Auteur: Raymond Noë

Gedicht: C. Buddingh’ • Zeeklacht

Zeeklacht

Het water van de zee is altijd zout,
Hoe men de suikerpot ook mag hanteren,
Geagiteerd over het strand marcheren,
Terwijl de wind de brandingkoppen krauwt;
Een borstbeeld hakken uit scheepstimmerhout,
Des nachts, in droom, met meerminnen verkeren,
Tarbot fileren of Neptuin vereren:
Het water van de zee is altijd zout.

Daar helpt geen moederlief, geen vaderstout,
Geen bokken, dokken, knokken of gekscheren,
Geen brein van boterkoek, geen hart van goud:
Of men voor dames voelt of meer voor heren,
Het water van de zee blijft altijd zout.

C. Buddingh’ (1918-1985)
uit: Het mes op de gorgel (1960)

Foto: A. Vente


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C. Buddingh’ • De senekater

De senekater

De senekater stond aan zee,
En sprak: als alles goed was,
Dan was de hele oceaan
Eén mooie, grote bloedplas.

Maar ja, het leven is eenmaal
Slechts zelden als het zijn moet;
De wijze weet dat, en aanvaardt,
Schoon ook het hart hem pijn doet.

De senekater keek naar zee,
De golven spoelden strandwaarts –
Dan wendde hij zich peinzend om,
En stapte langzaam landwaarts.

C. Buddingh’ (1918-1985)
uit: Gorgel-rijmen (1953)

Foto: A. Vente


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nel Benschop • Anno Domini

Anno Domini

Mijn God, ik ben soms bang voor ’t komend jaar,
zo bang voor dingen, die zomaar gaan gebeuren.
Ik kom met al mijn vragen, angsten, zorgen lang niet klaar,
soms voel ik mij gebonden achter stalen deuren.

Mijn God, ik ben zo bang dat nooit de engel komt
die mij Uw stralend licht zal binnenleiden.
Mijn blijdschap is zo broos, mijn lied verstomt,
als U mij niet komt redden, wie zal mij bevrijden?

O God, ik ben zo bang, ik ben alleen,
rondom mij staat het donker, dreigend hoge muren…
En als U komt, waar voert u me dan heen?
Ik vrees, o God, ik vrees Uw oordeelsvuren…

– Vrees niet, want nòg zend Ik Mijn eng’len neer,
nooit hoeft een kind van Mij de vreugd van Kerst te derven.
Want voorzeker geboren is Christus, de Heer,
van Hem mag je zijn in leven en sterven! –

Nel Benschop (1918-2005)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Martinus Nijhoff • De kerstboom

De kerstboom

De kaarsen branden tusschen mandarijnen,
Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten.
De kind’ren zingen, en de dauw der groote
Oogen beweegt en blinkt in ’t trillend schijnen.

Hoor hoe ze zingen: ‘Nu zijt wellekome’ –
’k Voel moeders hand weer die de mijne houdt,
En huiver bij den geur van ’t schroeiend hout
Als toen ik zong: ‘Gij zijt van ver gekomen –’

En daar staat weer de stal van Bethlehem,
Sneeuw op het dak en licht door roode ramen! –
– Moeder, wij waren veel te lang niet samen,
– Ik heb het lied vergeten met uw stem.

Zij strijkt weer door mijn haar en zegt: ‘Ach jongen,
Elk jaar dat jij er niet bent bij geweest,
Meende ik je stem te hooren, hier op ’t feest,
Vlak naast me en weenend als de kind’ren zongen –’

Martinus Nijhoff (1894-1953)
uit: Vormen (1924)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: 5.13 en 5.14

Twee sonnetten uit de door Bas Jongenelen samengestelde sonnettenkransenkrans (14 x 14 sonnetten (van 14 regels)), inclusief per krans een meestersonnet, plus een grootmeestersonnet. Titel: Problemen, dingen, zooi en tribulaties.

5.13

Hij bezigt taal van dwazen en van lijpen,
begrijpt de halve tijd niet wat hij zegt,
lult recht wat krom is en wat krom is recht:
de vaagtaal ligt altijd voor het (be)grijpen.

De grap is dat dat zweverig gedoe
alleen maar werkt bij je gelijkgestemden:
dus managers in je gestreepte hemden,
I’ll say zis only once: ze joke’s on you.

Dus steek je woorden waar de zon niet schijnt,
je prietpraat is mijn ander oor al uit,
jouw moeilijkdoenerij en flauwekul

slaat als een tang op ’s varkens achtereind,
maar weet, als jij je kont keert, klinkt het luid:
‘Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul!’

Marino van Liempt

5.14

Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul,
die suffe pencil pusher, zielepoot,
van saaie zak naar grijze middenmoot,
de dooievisjesvreter, slappe lul.

Hij likt naar boven, trapt dan hard omlaag,
zo’n cijferneuker, zeurpiet, waterhoofd,
door focus, meetings van’t verstand beroofd,
De zaagselkop met zijn constant geklaag.

Er komt een dag, dan valt hij door de mand,
weg targets, bottom line en bottle neck,
dan hangt hij aan een boom dat stuk verdriet.

Een nieuwe, vol jargon, betreedt het pand,
de fabels, sprookjes stromen uit zijn bek,
de blauwbilgorgels vallen in het niet.

Marco van den Berg
uit: Problemen, dingen, zooi en tribulaties (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Wout Waanders • Sasha naar het vliegveld brengen

Uit Parkplan, de debuutbundel van Wout Waanders.

Sasha naar het vliegveld brengen

We hebben Sasha naar het vliegveld gebracht,
afgelopen dinsdag, met een knisperende zon op onze achterruit
radioliedje van REM op de bijrijdersstoel.

Sasha zat met haar koffer op haar schoot
naar buiten te kijken. Ik heb haar niet meer om dat boek gevraagd.

Sommigen vinden het zeer terecht
dat ze weg is straks, anderen hebben er andere meningen over.

Onze oom Thomas had daarboven de regen bevroren.
We waren halverwege toen de hagelstenen op de voorruit vielen.

De ruitenwissers tikten de stenen weg:
alle stenen die van Sasha houden naar de ene kant,
alle stenen die niet van Sasha houden naar de andere.

Daar reden we dan: door een steenregen
naar een vliegveld, en ik zag Sasha
naar buiten kijken, ik zag haar adem
tegen het raam aan geplakt, zonder haar naam
erin geschreven, haar warme lucht
tegen het koude raam. We hebben
Sasha naar het vliegveld gebracht.

Wout Waanders (1989)
uit: Parkplan (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema • Bede

Bede

Schoonheid, die in de hemel zijt,
Die de eeuwigheid heeft opgeschreven,
Geef ons iets van uw eindloosheid,
Geef ons van uw verhevenheid,
Van uw geweldigheid –
Om groot te leven!

Schoonheid, die in de wereld zijt,
Die tussen mensen hangt te beven,
Geef ons van uw eenvoudigheid,
Geef van uw mededeelzaamheid,
Van uw deemoedigheid –
Om goed te leven!

Schoonheid, die in ons zelve zijt,
Die moeder ons heeft meegegeven,
Geef aan onze ogen zuiverheid,
Geef aan ons hoofd uw helderheid,
Ons hart uw dapperheid –
Eerlijk te leven!

C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema • Meisje

Meisje

Meisje weet je wat ik –
wat ik zeggen wou -?
‘k Wou je zeggen dat ik –
dat ik van je hou. –

En dan wou ik schatje –
dat je – nou dat jij –
Nou natuurlijk dat je –
dat je hield van mij. –

En dan wou ‘k je als je –
als je van me houdt –
Zoenen in jouw halsje –
als je ’t hebben woudt. –

En dan – nou dan dee ik –
dee ik ’t overal –
En dan dee ik – nee ik –
dee ik niemendal! –

En dan – ach! dan zou ik –
zou ik ’t nog een keer –
En dan – – ja dan wou ik –
wou ik toch nog meer -!

C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: C.S. Adama van Scheltema • Polder met jouw witte wegen

Polder met jouw witte wegen

Polder met jouw witte wegen
En jouw sloten aan de kant,
Met jouw wijde, allerzijde
Vredig bloeiend waterland,
Met de dromerige zegen
van jouw welig zachte vee,
Voel ik mij jouw ziel genegen,
Deelt hij zich de mijne mee.
Polder met jou ben ‘k verwant:
Wij zijn dingen van een land!

Polder – van de duinen dalen
Weer mijn voeten naar jouw kant –
Ach, wat restte mij ten leste
Dan jouw kleine waterland!
Dan te dromen en te dwalen
Door de bloemen van jouw wei,
Dan te leven en te stralen –
En te sterven zoals zij!
Polder, met jou ben ‘k verwant:
Ziel van ’t eigen lieve land!

C.S. Adama van Scheltema (1877-1924)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lukas Rotgans • Goochelaars

Goochelaars

Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheid gedreven,
Zie ik van verre in ’t dorp twee goochelaars, verheven
Op hun ladders staan, die rustend aan de muur,
Het volk vermaken bij ’t gezwets met kuur op kuur.
De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mond wijd open.
Hij schatert, juicht en zwelt, terwijl zij wind verkopen.
De tandeloze best, die lang aan ’t fleresyn
Nog onlangs lag te bed, en kromp van smart en pijn,
Vergeet haar leed. Dit spel kan haar geest bekoren.
Zij grinnikt in haar vuist, en meesmuilt onder ’t horen.
Zo werken ijdle klap en potsen in ’t gemeen
Veel meer op ’t hart van ’t volk, dan welgezoute reên,
En stichtend onderhoudt: als Heeroom eertijds leerde,
Toen hij de kermisvreugd verfoeide en ’t feest blameerde.

Lukas Rotgans (1653-1710)
fargment uit: Boerekermis (1708)

Op de tamelijk realistische beschrijving van enkele vieze tooneeltjes mag men geene aanmerking maken, omdat het onderwerp dat meebracht en Rotgans zeer goed wist, hoever hij daarin kon gaan zonder den smaak zijner beschaafde tijdgenooten te kwetsen. Ook de korte zedenpreekjes, die de schildering der kermisvermakelijkheden soms afbreken, waren misschien noodig om aan het gedicht in de kringen der beschaafden bijval te verzekeren en te toonen, dat de dichter niet in zijn onderwerp opging, maar er boven stond.
Jan te Winkel


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Delmore Schwartz • Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn

Twee gedichten uit Een orang-oetan en geen Hongaar!, de pas verschenen vertaling van gedichten van de Amerikaanse cultschrijver Delmore Schwartz. Onder de gedichten een toelichting van vertalers Joep Stapel en Jur Koksma.

Betreffende de synthetische eenheid van het zelfbewustzijn

‘Quatsch, quatsch!’ zei de koning mijn oom,
‘de geest is rook en stijgt op, zwak als rook.
Zit niet tussen de doden, zit in de zon.
Eet sinaasappels! Kul! De wagen komt.

Alle geesten keerden terug. Het bevalt ze daar niet meer.
Geen zijdezacht water en geen grote bruine beer,

geen bier daarboven, geen siësta’s en ook al geen –’
‘Oom,’ zei ik, ‘wat is liefde? Ik ben zo alleen.’

Gek werd hij daarvan. Nu knoopt hij tijd
en zelfbewustzijn draad na draad aaneen.

•••

Zulke antwoorden zijn een schrale troost voor de doden

‘Wat een holle retoriek,’ zei de stilte,
‘jij leert de jongens en meisjes dat brood en wijn,
waarop hun wellust spuugt als op de macht,
binnen handbereik zijn.
Het zijn waanbeelden van je schuldgevoel
dat je tot schande strekt als een leugen die uitkomt.
De andere jongens ploften als zoutzakken op wanhopige kusten.’

‘Maar je weet toch wat voor leven ik heb geleid,
dat werkelijk alles wat ik ben geweest me afsnijdt
van normale burgermansgenoegens.
Hoe vaak ben ik niet ’s nachts langs een feest gekomen
waar goedkope minachting getoeterd werd
en klokslag twaalf de gulle lach losbarstte,
het feest waar ze het nieuwe jaar ontkurkten
als champagne of als liefde, met een knal en schuim,
terwijl ik langdurig studeerde op de kunst
waarmee je in Amerika een muur van stilte verdient.
– Ik ben een onderzoeker van de typen licht,
ik ben een dichter van de waakzame nacht,
in het nieuwe en nog ongekende Amerika.
Ik ben een onderzoeker van de gedurige nederlaag van de liefde.
Ik schonk de jongens en meisjes mijn geest en mijn kunst,
ik leerde hun over het vroege morgenlicht:
kan ik dat niet aanvoeren als enigszins goed?’

Delmore Schwartz (1913-1966)
uit: Een orang-oetan en geen Hongaar! (2020)

Slapeloosheid, paranoia en waanbeelden beheersten Delmore Schwartz, krankzinnige hoeveelheden pillen en drank hielden hem op de been – tot ze hem velden. Op zijn tweeënvijftigste overleed hij aan een hartaanval, op de overloop van een smerig hotel in de buurt van Times Square, terwijl hij in het holst van de nacht het vuilnis buitenzette. Zijn ondergang bewerkstelligde uiteindelijk wat Delmore als hemelbestormer ooit beoogd had: hij werd een mythische figuur.

De biografie van James Atlas schetst een onthutsend beeld van Delmore (“iedereen noemde hem Delmore, ook zij die hem niet kenden”, aldus Atlas). Saul Bellow vereeuwigde hun vriendschap in de sleutelroman Humboldt’s gift. Ex-leerling Lou Reed zong over hem. Eén kort verhaal – ‘In dreams begin responsibilities’ – werd een klassieker. Maar zijn poëzie verdween naar de achtergrond en werd nooit eerder in het Nederlands vertaald.

En dat is jammer, want Delmore bezat een unieke stem, doordrenkt van de klassieken, Shakespeare, Baudelaire en Rimbaud, soms orakelend als de James Joyce van Finnegans Wake (waarvan hij altijd een exemplaar in zijn jaszak had), dan weer lyrisch als Walt Whitman, discipel van zowel Eliot als Yeats. De ‘Amerikaanse Auden’ werd hij genoemd. Maar hij is toch vooral die unieke stem. Zijn vriend John Berryman vond hem ‘de meest ondergewaardeerde dichter van de twintigste eeuw’.

• Joep Stapel & Jur Koksma


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Alfred Schaffer • twee gedichten

P.C. Hooft-prijs voor Alfred Schaffer.

IK KAN NIET STOPPEN MET LACHEN WANT ALS IK BEGIN MET HUILEN
HOUD IK NIET MEER OP

het eerstehands sterven het andermaal sterven.
bijvoorbeeld een mens die leeft
en het volgende moment niet meer.
die twee mensen netjes naast elkaar gelegd

en daar weer naast een mens op batterijen
naast precies diezelfde mens
maar dan zonder –
misschien liep binnenin het kunststof mechaniek iets vast.

vier figuren, ogenschijnlijk naast elkaar
op een windstille ochtend zomaar midden in het jaar
in een ruimte zonder afmetingen
en al bijna zonder kleur, wat een hardnekkig
vooruitzicht, zo
heb ik u lief.

ALS IK MIJ OMDRAAI BENT U WEG EN DAARMEE BEN IK ZELF VERDWENEN
DUS LIEVER DRAAI IK MIJ NIET OM

eerst uw stem, dan uw gezicht.
dan op een drafje uw tientallen schaduwen.

niet meer weten of ik iemand ben die leeft of overleeft.

of u daarnet daadwerkelijk dit bed uit stapte.
de kraan die drupte dicht heeft gedraaid.

wat een geschenk als ik ga liggen gaat u liggen.
heb ik dorst dan heeft u dorst.

de maat der dingen: een enkele dag
die zich van alle andere dagen onderscheidt

en uw kletsnatte huid en de samenzwering
van onze gitzwarte geluiden.

Alfred Schaffer (1973)
uit: Wie was ik (2020)

Foto: Karoly Effenberger


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Arnoud van Adrichem • twee strandscènes

Twee ‘Strandscènes’ uit Het failliet, de nieuwe bundel van Arnoud van Adrichem.

Zee geeft, zee neemt.
De zakpijpenkolonie kan het verlaten booreiland
maar niet vergeten. Roest ontroert ons, zoals ook
je vervelde huid ons raakt. Terugkruipend in bed.
De zon, een volgspot: vandaag mag je schitteren.
Achter het borstbeen klotst de zee. Je hart bedekt
met zoutkristallen, wulken smokkelen edelstenen.
Deze zinnen liegen niet. Tieners in schelpenbikini
om zeemeerminnen te imiteren. Zonnebrandgeur
vermengt zich met frituurlucht uit het belendende
paviljoen. In alle schrijfrichtingen van de zeearm.
Nog geen neuslengte verwijderd.

Lees verder >>

Gedicht: Gerard Diels • Boer

Boer

Uit baaierdklei gebouwd,
een klomp, gestoten uit de ombren grond,
in kleur en vormen aan zijn erts gelijk,
de knoestige schenkels in het zogend slijk,
met de aarde één in lijfelijk verbond.
Stronk in het woud.
Door de vertakte adren kruipt het sap der velden
naar den omschorsten nek;
in kerven van gelooide handen woekert kruid.
Rondom op de gerechte plek
dringt het gewas de bodem uit;
hij grijpt de gave en mompelt: God!
sluitboom en sleutel op de wegen tot
de wortels van den stam,
juichkreet en angstbezwering van het lot.
En dag en nacht de duistre ritus van
’t verwekkende gebaar.
De wentelingen van het kerend jaar
storten ’t verzameld zaad in verse voren.
Hij ziet de vrucht, geleidelijk verloren
in d’aanblik van een oogst van zonen, vlezig vee
en zwichtend koren.

Gerard Diels (1897-1956)
uit: Het doornen zeel (1946)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerard Diels • Herinnering

Herinnering

Droog nu je tranen, er is niets verloren,
dat niet verloren was voor het begon.
Van blind verdriet was vreugde eens de bron,
en rust wordt uit gebalsemd leed geboren.

De diepste stem kan toch geen ander hooren.
Elk draagt den sluier dien zijn dwaal-ster spon,
het floers, waarvoor zijn waan een naam verzon.
Elk is gelijkheid slechts in ’t eind beschoren.

De wingerd bloeit voor alle lenteluchten
en ieder jaar loopt over ’t oude heen. –
Een kluizenaar leeft van gedroogde vruchten.

Ach allen dwalen hunnen weg alleen
van doove sintels en gebluschte zuchten.
De wijn vervloeit, de vaten woekren steen.

Gerard Diels (1897-1956)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerard Diels • Reinig mij

Laurens Jz. Coster: Gerard Diels -- Het oude huis verging & Herinnering

Reinig mij

Reinig mij van het volk,
dat schetterend van vreugde,
ons een getande dolk
tusschen de schouders stiet,
en dat, als straks de vrees
voor hun ontbindend vleesch
galgen verrijzen ziet,
als een verlepte vrouw
in het gemerkte bed,
zich af zal sponzen met
de walglijkste aller deugden,
het jammerend berouw.

Gerard Diels (1897-1956)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Koenraad Goudeseune • Excellent

Koenraad Goudeseune is overleden. ‘Excellent’ is het laatste gedicht dat hij schreef.

Excellent

Dit moment vreesde ik van meet af aan: de pen die wordt dichtgeschroefd,
het kladschrift dat wordt dichtgeklapt. Woordenboeken finaal in de kast.
Alles gezegd wat er te zeggen valt, op tijd een punt gezet. Ik nam mij voor:
ik maak er nog een drieluik van, dat geeft me extra tijd. Waarom haast

als slenteren kan? Maar in poëzie is er niks doorzichtiger dan een dichter
met maar één troef: meanderen. Niet het meanderen zelf natuurlijk,
De Schelde meandert nabij Zevergem en dat is mooi, maar dat doet de
rivier niet zelf, zij kan enkel stromen naar de fysica van het land,

het getij, het debiet dat berekend kan. Meanderen in een vers —
indien alleen dát gezocht, is koketteren met een kunde die er eigenlijk
geen is. Is schoonschrijverij en slaapverwekkend. Ja, ook in traagte

moet er vaart. Welnu, ik rep me. Laat mij, bij wijze van spreken, een
kwieke terdoodveroordeelde zijn die eerder dan zijn beul klaar staat
op ’t schavot en hem nog grijnzend vraagt: ‘Waar bleef je, excellentie?’

Koenraad Goudeseune (1965-2020)

Foto: Douane


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Willem van Toorn • Neerijnen

Uit De dagen, de nieuwe bundel van Willem van Toorn.

Neerijnen

Ontelbare malen hier gezeten, de bocht
met zicht op Nijhoffs brug, daarachter
de kleine stad, nu weggemoffeld in
een doolhof van geldzucht – maar toch

nog steeds de trage schepen die stroomopwaarts
hun weg zoeken naar ouderwetser geld
dat nog naar zweet ruikt, naar havens. Namen
in je geheugen, Lobith-Tolkamer, Lorelei, Trier, Bazel.

Sneller stroomafwaarts. Je wilt dat het water
zich je herinnert, hoe je hier met je voeten
in kleine kolken stond, hoe je als kind al wist
dat deze rivier bergen had aangeraakt, beboste oevers,
kaden, andere talen, en nu jou meevoerde,
een onbenoembaar iets van jou, tot diep in oceanen.

Willem van Toorn (1935)
uit: De dagen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Els de Groen • Zij die gaan sterven

Een dierengedicht van Els de Groen, uit haar pas verschenen (door Len Munnik geïllustreerde) dierengedichtenbundel Hebben mollen weet van zonsondergangen?

Zij die gaan sterven

Beseft het laatste dier nog wat voor dier hij was?
Zal hij te rechter tijd nog in het water kijken
en, enig in zijn soort, met niets te vergelijken
de laatste partner vinden onderin een plas?

Als hij haar dorstig aanraakt, spat het spiegelglas
zodat de ander plots een zelfportret zal blijken.
Hoe tragisch het zou zijn, het zou hem ook verrijken
je eigen kop te kennen komt immers van pas.

Voortaan zal hij bevroeden wat voor lief te zoeken:
vier poten, zachte wangen en een slanke nek.
Ja, vader zal hij worden, zij een prachtig moeke.

Helaas het zoeken eindigt in een hok met hek
in observatieruimten en notitieboeken.
Want hij is echt de laatste, er is geen comeback.

Els de Groen (1949)
uit: Hebben mollen weet van zonsondergangen? (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Maureen Ghazal • Wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Uit Lockdown – gedichten voor een ongewone tijd, die Poetry International en Stichting Droom en Daad cadeau geven aan klanten en bezoekers van Rotterdamse boekhandels en bibliotheekfilialen.

Wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Aangezien mijn stadskamer niet geschikt is voor isolatie
– zelfs in isolatie zoeken we naar ruimte om gedachten aan te hangen –
vertrek ik naar de polder

rond de polder hangt een stilte
die ik niet gewend ben in mijn oren
echoot een fossiele stadsruis

de weken waaien geruisloos in elkaar over
Rotterdam vervaagt tot schim ik ben bang een gezicht
te verliezen de details ervan

rond mijn oren daalt de stilte in
ik vraag een huisgenoot straten te vangen in geluid
en ontvang per mail een zwijgende opname

de stad beweegt lineair aan de polder
de polder aan het land het continent
de aarde pauzeert

boven mij hoor ik het universum zuchten
ik maak van de gelegenheid gebruik te vragen
onder welke coördinaten ik mij in de toekomst bevind
het universum zucht harder met moeite
pauzeer ik mijn vooruitdenkend lichaam

in mijn polderbed beeld ik me mijn levenloze stadskamer in
stof dat zich dik rond meubels legt

vanuit een afgezonderd lichaam reis ik verder
naar mistige plekken ik tast ogen af, een mond, oren
tot ik de stad in handen heb

wanneer ik terugkom veeg ik stof af

Maureen Ghazal (1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Herman de Coninck • Het liefste wat ik heb

Uit de bloemlezing Ik vouw een boot van wit papier, met zo’n veertig makkelijke leesbare gedichten, uitgegeven door o.m. Wablieft, centrum voor duidelijke taal.

Het liefste wat ik heb

Het liefste wat ik heb is elf geworden.
Feestje. Daarna ging het liefste wat ik heb
naar huis met het liefste wat ik had.
Het kleine meisje met het grote.
Ik met mezelf. Zo vrolijk.

Want het is goed om ooit
iets te hebben gehad.
Het is beter dan nooit
iets te hebben gehad.

Herman de Coninck (1944-1997)
uit: Enkelvoud (1991)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan David Heemssen • Epigram

Nieuw in de DBNL: Nederduytsche poëmata van Jan David Heemssen.

Wat helpt doch het besit van steden, rijcken, landen?
Wat helpt datmen bewoont paleysen schoon ghebouwt?
En datmen wordt ghedient van veel dienaren handen?
In Purper sijn ghecleedt, en t’eten wt fijn goudt?
Ghesonghen worden oock van dapperste verstanden?
De kisten t’hebben swaer en vol van schatten oudt?
Tot aende Sterren hoogh door maer’ te sijn verheven:
Als m’in het bedd’ alleen van couw’ moet ligghen beven?

Jan David Heemssen (1581-1644)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Geertruijd Gordon de Graeuw • Op de Donderbuy &c. aan O. v A.

Nieuw in de DBNL: De poësy van de geest en deugtryke juffrouw G. Gordon de Graeuw.

Op de Donderbuy &c. aan O. v A.

Een Somer-koelte kan wel ligt
Een mens een Rockjen uyt doen trecken;
Maar stormt het uyt den Noorden digt
Wy sullen ons te warmer decken.
‘K wil seggen; dat door tegenstand
Ik in geen yever voel verflauwen;
Die ons bedreygt en wil benauwen
Giet dwaaslijk Oly in den brand.
Wat segtge Apollos? is uw hert
Met my niet eens? ik agt het seeker;
‘K voel in desen vrees nog smert,
Maar teed’re sorge voor den spreeker
En innige medoogentheid
Voor dese die soo vinnig woelen:
Vergeeft ’t haar Heer! en doe hen voelen,
Door uwen Geest, hun onbescheid.

Geertruijd Gordon de Graeuw (1649-1728)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.