Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Leo Vroman • De regen en de regen

De regen en de regen

Op een huisje in Nederland
regende het haast constant.

Ook op zijn beide populieren.
Die wuifden daar dan in als wieren.

Op zondag, twintig over negen,
viel er een regen op de regen,

en de twee regens weefden daar
griezelig van in elkaar.

Zo werd de hele grijze bui
een weke, dichtgebreide trui,

die neerzeeg in vermoeide vouwen.
De bomen staken uit de mouwen.

Een gebreide watersprei
vlijde zich welvend op de wei.

Als zachte, vriendelijke builen
liep daaronder het vee te druilen.

De zon werd er een kluwen van.
En al die grauwe mensen dan?

Rompen en hoofden raakten vol
heerlijk weke waterwol.

Moraal

Er komt geen water uit de kraan
zo lief als waar wij uit bestaan.

Leo Vroman (1915-2014)
uit: Huis en tuin. Fabels en strips (1979)

Foto: Raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hans Tentije • De hazen

Uit Nergens anders, de nieuwe bundel van Hans Tentije.

De hazen
Voor Irene Grijzenhout

Stel je de hazen voor die elkaar nazitten op de rand
van een uit een Etruskische tombe
opgedolven bronzen schaal, in deze gesloten cirkelgang, een volkomen
bewegingloos perpetuum

en wie achtervolgt wie en wie vlucht er voor wie, stilgezet
blijft de snelheid een illusie
van begin noch einde, dit ondoorgrondelijke nu

de maker heeft het geweten, wellicht
zonder het te hebben begrepen toen de schaal gevuld werd met leeftocht
voor de doden, dat het verleden nooit voorbij is
maar zich ergens anders bevindt –

in de leemten, de wijkplaatsen van herinneren en vergeten

Hans Tentije (1944)
uit: Nergens anders (2020)

Foto’s: Victor Schiferli


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Arie Visser • Wat is er meer?

Wat is er meer?

mijn lief mijn lief wat is er meer
je weet nooit meer dan je gelooft
nu lig ik naast je en ik leer
ik zag zoveel over het hoofd

je leven kent het oude zeer
waarvoor het lichaam bloeden moet
mijn lief mijn lief wat is er meer
de schade is door hoop vergoed

ik weet de liefde is het meest
ben je er niet ik zie je weer
ik ben bij jou nu je dit leest
mijn lief mijn lief wat is er meer

**

Met licht schrijven

hoe bestaat het: zwart op wit
– de woorden in het gelid –

wie verstaat het: wit op zwart
– de oogopslag van het hart –

dag en nacht in evenwicht
– tijdig open doen en dicht –

Arie Visser (1944-1997)

Foto’s: De Parelduiker


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jeroen Messely • Habijt

Uit Nachtlus, de debuutbundel van recensent Jeroen Messely.

Habijt

Er speelt een ononderbroken hond op je erf
opdat je behoudt wat je hebt omheind.

Hij blaft elk uur honderd keer opdat de ander,
die wil, die klept, die geilt, gemuilkorfd blijft.

Zijn tanden zijn de kantelen van je mond.
Zijn keelgeluid het lid van je moordkuil.

Je beseft, het zelf is een achtergelaten werf.
Je lijf een veeg bord met afbladderende verf.

Deze eeuw ligt geketend aan de afbeelding
en belegen alfabeten moeten mee met hun tijd.

Daarom het habijt van een ongeletterde hond
terwijl binnen bij het vuur een belezen kat spint.

Jeroen Messely (1978)
uit: Nachtlus (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Johan van Heemskerck • Liedeken

Liedeken

Terwijl u oogh noch somtijdts Vrienlijck stondt,
En ick een kus mocht krygen van u mondt,
Was niemand so geluckigh hier in ’t landt,
Als ick mijn selven vandt.

Dat is voorbij, en nu voel ick mijn hert
Allenckxkens in een ander net verwert,
Dat sacht als sijd’, my aen een Zieltje bindt,
’t Geen sijns ghelijck naeuw vindt.

Doch of ’t gheviel dat d’uyt-gebluste vlam
Weer leven kreeg, en weer aen ’t branden quam?
Of d’Oude Min weer in mijn boesem sloop,
En mijn gemoed bekroop?

Hoe wel dat ghy Zijt schichtigh als een Rhee,
Hard als een Rots, verbolghen als de Zee,
Sy suyker-soet, en vriendelijck als ’t gesicht
Van ’t eerste Morgen licht.

Nochtans met u wensch ick te mogen leven,
Met u wensch ick mijn gheest te mogen gheven,
Met u wensch ick, door on-verbroocken Wet,
Een Dack, en Disch, een Bedt.

Johan van Heemskerck (1579-1656)

Portret: Biografisch portaal


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: P.A.M. Boele van Hensbroek • Verlaten

Verlaten

Nu, dat mijn blonde ster is heengegaan,
Zien mij de straten zoo verlaten aan.
Nu zij daar niet meer gaat, de liefste mijn,
Schijnt het mij toe, dat daar geen menschen zijn.
En droomend dwaal ik door die schimmen heen,
En zoek altoos naar haar, naar haar alleen,
Waar ik toch weet, dat ik haar nooit meer vind,
Mijn stralend schoone, blonde sterrenkind.

P.A.M. Boele van Hensbroek (1853-1912)

Foto: RKD


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: William Shakespeare • Sonnet 130

Recentvertaaldegedichtenweek (5): Sonnet 130 van William Shakespeare, in een nieuwe vertaling (titel: Shakespeares Sonnetten, met de originele teksten en uitgebreide toelichtingen) door Bas Belleman. De originele versie plus eerdere (eigentijdse en klassieke) vertalingen van alle 154 sonnetten leest u op de website van Frank Lekens.

130

Mijn Liefje heeft geen ogen als de zon;
Veel roder dan haar lippen is koraal;
En is sneeuw wit? Dan zijn haar borsten vaal;
Zijn haren goud? ’t Is zwart goud dat zij spon.
En ik ken Rozen, roze, wit en rood.
Maar zulke Rozen sieren niet haar wangen.
Ook zijn er geurtjes waar ik meer van genoot
Dan die er in mijn liefjes adem hangen.
Ik, die haar graag hoor praten, moet beamen
Dat ik Muziek vaak aangenamer vond;
Nooit zag ik hoe godinnen nader kwamen,
Als zij loopt, stampt mijn liefje op de grond.
     En toch, mijn hemel, mijn lief kan meer bekoren
     Dan al die vrouwen vervalst in metaforen.

William Shakespeare (1564-1616)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Peter Gizzi • Deze wereld is geen conclusie

Recentvertaaldegedichtenweek (4): ‘Deze wereld is geen conclusie’ uit Archeophonica van de Amerikaanse dichter Peter Gizzi. Vertaling: Jan H. Mysjkin.

Deze wereld is geen conclusie

Wanneer ik uit je raam kijk zie ik een ander raam
ik zie een bruiloft in mijn brein, een naald en een groef
een stem die golft

Wanneer ik uit je raam kijk zie ik een ander raam
die bomen zijn niet echt ze groeien uit de lucht
ze vielen als stof ze vielen

Dus zingen is zien en visie is muziek
ik zag diademen en kronen, margrietjes en bijen, linten, roodborstjes, en sneeuwplaten
subiete effecten in penseellicht

Wanneer ik uit je raam kijk zie ik een ander raam
ik zie een vuur en een meisje, karmozijnrood haar en hazelnootbruine ogen
toeschouwers in de hemel

Wanneer de wereld terugkeert zal het opgenomen klank zijn
die roekoeënde heester zal bekendstaan als dickinson
het syllabische, fricatieve, percussieve en fatische zal openscheuren

Uit je raam zie ik een ander raam
ik zie een begrafenis in de lucht ik zie een albasten ruimte
ik lees er de cirkelomtrek

Peter Gizzi (1959)
uit: Archeophonica (2020)

Foto: Wikimedia


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lamia Makaddam • Kamerplanten & Het onkruid in onze borst

Recentvertaaldegedichtenweek (3): ‘Kamerplanten’ en ‘Het omkruid in onze borst’ uit Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf van de Nederlands-Tunesische dichter Lamia Makaddam, die in het Arabisch schrijft. Vertaling: Abdelkader Benali.

Kamerplanten

Ik koop geen kamerplanten meer.
Ze gaan altijd dood en daar erger ik me aan.
Ik verzorg ze zoals ik een kind zou verzorgen.
Liggen ze er slapjes bij dan geef ik ze een beetje water.
In oorlogstijd verplaats ik ze van hoek naar hoek
en geef ze nog wat water.
Wanneer een blad naar de tuin van de buren dwarrelt
geef ik ze nog meer water.
En wanneer een van de kinderen laat thuiskomt
houd ik de planten onder stromend water.
En een keer liet ik ze een week lang in bad liggen
omdat mijn man ging slapen zonder mij een kus te geven.

Het onkruid in onze borst

De boom waarin ik de wind dacht te horen waaien
hakte ik omver.
Voor de maan die me liet weten dat het nacht was
sloot ik mijn ogen.
Ik liet de liefde achter op tafel en rende achter de gedichten aan.
Ik verloor mezelf in het leven en betrad een boek zonder titel.
Sinds vanochtend zit ik in een tuin die ik met de hand heb getekend
en spreek ik een man toe die ik gemaakt heb uit tuinafval.
Ik vertelde hem over het leven dat na de dood begint
over het dode onkruid dat wij in onze borst dragen
niet omdat het van goud is, maar omdat wat uit de boom valt
onze doden zijn.
En de takken die breken, dat is onze tijd.

Lamia Makaddam (1971)
uit: Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Yahya Hassan • GEIL & ONGELOVIGE

Recentvertaaldegedichtenweek (2): ‘GEIL’ en ‘ONGELOVIGE’ uit Gedichten 2 van de Palestijns-Deense dichter Yahya Hassan, die eerder dit jaar is overleden (na een kort en turbulent leven). Vertaling: Lammie Post-Oostenbrink.

GEIL

IK WAS OPDRINGERIG EN KREEG HAAR ONWIL
EN DRONG MIJ OP VANUIT MIJN HEUP
IK NAM HAAR ZONDER GEWELD
ZE GING OP DE BEDRAND ZITTEN
UITGEKLEED EN AFGEDANKT
WE BEËINDIGDEN ONZE RELATIE
NET ZO MAKKELIJK ALS WE ERAAN BEGONNEN
EN MAANDENLANGE STILTE ONTSTOND TUSSEN ONS
GEPERFOREERDE GEVOELENS EN UITGEHOLDE WAARDEN
MIJ REST NOG SLECHTS SPUITPOEP

ONGELOVIGE

IK DRAAG HET GELOOF ALS DE TWIJFEL
TWIJFEL AAN HET GELOOF EN GELOOF IN DE TWIJFEL
WE ZIJN MET TE VEEL VOOR VERLOSSING MIJN BROER
HET IS TE LAAT OM MARTELAAR TE WORDEN BROER
IK KRUISIG MIJN HOUVAST IN BETOVERENDE EXTASE
MIJN GELIEFDE VERDWAALDE IN HAAR CYCLUS
TERWIJL IK MIJN EEUW OM DE TUIN LEIDDE
IK HEB EEN LINTWORM IN MIJN GEEST

Yahya Hassan (1995-2020)
uit: Gedichten 2 (2020)

Foto: ndla.no


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Yang Mu • Herfstproeve

Recentvertaaldegedichtenweek (1): ‘Herfstproeve’ uit ik kom van de zee van de Taiwanese dichter Yang Mu, die eerder dit jaar is overleden. De gedichten in de bundel zijn gekozen en vertaald door Silvia Marijnissen.

Herfstproeve

Ik hoor buiten voor het raam ongedurig een tuinschaar klikken,
scherp, de geluiden slaan met plezier in de wind.
Ochtendlicht sprenkelt hoog en laag over gras en bomen. Ik
kijk op, afgeleid van mijn kop thee, tuur zoekend uit het raam.
Op de muur flakkeren schaduwen in de kleur van de wulongthee,
glijden de geluiden van de tuinschaar die klakkeloos
over een heg of boompje gaat, gestaag,
een vriendelijke afslachting wordt uitgevoerd,
gestaag. Ik ga uit het raam hangen om te kijken en hoor
het geluid ineens harder worden, het vult de buurt,
maar er is geen spoor van de tuinman.
De beuk hangt vol met donkerrode nootjes.
De oude esdoorn lijkt bijna zijn bladeren te laten vallen.
Achter het bemoste paadje is een rek met rijpe druiven.
Twee dorre takkenbossen liggen onder de pijnbomen.
De meeste chrysanten staan vol in de knop.
Ik loop de tuin in om te zoeken, maar voor en achter de muur
is er geen spoor van de tuinman, alleen een ochtendbries
waait fonkelend langs, als een kop afgekoelde thee.
De klikkende tuinschaar is het gereedschap in zijn hand, is hij –
de god van seizoenen die mij beproeft met scherpte en berusting.

Yang Mu (1940-2020)
uit: ik kom van de zee (2020)

Foto: Vleugels


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan Prins • De Kikvorsch, die zoo groot wil worden als een Os

De Kikvorsch, die zoo groot wil worden als een Os

Een kikvorsch zag een os, dien zij
schoon van gestalte en omvang achtte.
Zijzelve, in haar geheel zoo groot niet als een ei,
blaast zich in afgunst op en rekt zich, om te trachten,
zoo kolossaal te worden als dat beest.
Zij sprak: ‘Zus, let eens op mijn leest.
Is het zóó al genoeg? Zeg op, ben ik er haast?’
Nog lang niet.’ ‘Maar dan nu?’ ‘Volstrekt niet.’
‘Nu dan wel?’
‘Het lijkt er nog niet op!’ De stakker blaast en blaast
en barst gelijk een waterbel.

De wereld wemelt van niet wijzeren dan deze:
de burger bouwt, als een groot heer, uit wijde beurs,
de minste vorst wil van ambassadeurs,
elke markies omringd van pages wezen.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan Prins • Twee hanen

Twee hanen

Twee hanen hadden vrede. Een kip voegt zich erbij,
en brengt de poppen aan het dansen.
Liefde, reeds Troje storttet ge in ’t verderf, en gij
waart de inzet daar van de oorlogskansen,
toen zich de Xanthos kleurde met zelfs godenbloed.
Lang hielden de twee hanen in ’t gevecht zich goed.
In heel de buurt ging het gesprek over die heeren.
Al wat een kam droeg, kwam als kijker toegesneld.
Meer dan één Helena-met-veeren
viel aan den winnaar toe. Maar hij die lag geveld
verborg in de uiterste eenzaamheid zijn leed en schande.
Hij weende er om zijn glorietijd
en om zijn liefjes, die de winnaar van den strijd
voor zijne oogen bezat. Iederen dag weer brandde
zijn haat opnieuw en maakte hem van vechtlust dol.
Hij scherpte zich den snavel en sloeg zich de zijden
en stond tegen den wind te strijden,
van een jaloersche woede vol.
’t Bleek overbodig. De overwinnaar, van de daken,
kraaide zijn zegepraal luidruchtig uit.
Een grijpgier hoorde dat geluid,
en kwam met liefde en grootheid korte metten maken.
Al deze praal viel aan den rooversklauw ten buit.
Nu kwam voor de verlaten bruid
de mededinger weer te pas.
Maar denk eens aan, wat een spektakel
dat gaf van onderling gekakel,
daar hij met heel wat vrouwen was!

Op zulk een ommekeer is de Fortuin verzot.
Winst maakt zij tot verlies, gedraagt ge u onbezonnen.
Dus opgepast en op uw hoede voor het Lot,
juist, als ge een veldslag hebt gewonnen.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anna de Bruyckere • Zelfkennis

Uit Voor permanente bewoning, de debuutbundel van Anna de Bruyckere.

Zelfkennis

Als je een ander dan jouw eigen deel van de wereld
kon zijn, wat was je dan? Als je een dier was
en gewelf of grond, een ander mens –

en dan het verband met wie je bent.

Zou ik regen zijn? En van alles willen
wassen, bewateren, gaten daveren in wat
plaats moet maken, aaien wie het nodig heeft

en wegspoelen wat weg. Ik zou me vragen

elke druppel te herinneren
want waar die valt daar horen we
elkaar. Horen we te zijn, vallen we even

samen. Misschien is regenen een vorm van prevelen

en hoef je je woorden maar te volgen
om de wolken – hun verschijnen
hun verdwijnen – te zien

varen.

Anna de Bruyckere (1987)
uit: Voor permanente bewoning (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Patrick Conrad • De traagheid waarin ik verblijf

Vandaag het laatste gedicht uit de cyclus ‘De traagheid waarin ik verblijf’, tevens het laatste gedicht uit En de bomen, de nieuwe bundel van Patrick Conrad.

De traagheid waarin ik verblijf (10)

Al werd ik vaak gestenigd, met stenen heb ik nooit gegooid
en minder nog heb ik beelden verwoest of steden vernield.
Mijn wapens waren mijn woorden die ik voor waarheid hield
en aan vrienden en vijanden heb vergooid.

Ik weet nog dat wij dronken en dansten tot we vielen
en zowel binnen sliepen als buiten in het gras.
De tijden waren bewogen en onze liefdes breekbaar als glas.
Ik doolde door de leegte, op zoek naar de vrouw voor wie ik zou knielen.

Zij die blijven zullen verder leven in mijn dromen
waarin ook zij tijdens eindeloze dagen zullen verdwalen.
Een feest zag ze komen, geen feest zag ze gaan.

Wat mij overblijft is de broze waan
dat iets van wat was zal voortbestaan in mijn verhalen:
een goede hand, wat verzinsels, een verscheurd land … en de bomen.

Patrick Conrad (1945)
uit: En de bomen (2010)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Arthur Lava • Toekomstmuziek

Arthur Lava, een van de voormannen van de Maximalen, is overleden.

Toekomstmuziek

Geef mij de ballade uit de Hades
of een opgewekte blues, ik swing op elke
hiphopversie van Vivaldi, mijn smaak

kent geen limiet, dus leve het licht ontvlambaar
geuzenlied, de wals voor weduwen en wezen,
de bloedeloze stierenvechtersrapsodie.

En vanzelfsprekend zweer ik bij de alchemie
van een schlager voor de goede zeden
of een nocturne voor de ochtendmens.

Maar wat bovenal moet worden aangeprezen
is een marsmuziek, jawel een marsmuziek,
die de mensheid van marcheren zal genezen.

Arthur Lava (1955-2020)
uit: Bravisssimo! (1994)

Foto: North Sea Poetry.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kees Ouwens • wees op mijn hand

wees op mijn hand, doorwandeld goed als
uw suizeling huivert van zichzelf en de
ontvolking wijkt tot in de instincten

hoe golft uw bodem als de huid op het
hart des lichaams dat zijn klopping
boort tot in de grotten hun angsten

en de drenkplaatsen en uitspanningen hun
notie verdringend en aanklampend
hun opluchting, vrezend hun overmoed —

ver uit het midden van de wegen en wetten keren
de kringen tot hun kern en lossen op het verkeer
dat zij hadden in een wijdste omtrek in een nauwste
luistering

Kees Ouwens (1944-2004)
uit: Afdankingen (1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Tom Van de Voorde • Een kwestie van uitdrukking

Uit Jouw zwaartekracht mijn veer, de nieuwe bundel van Tom Van de Voorde.

Een kwestie van uitdrukking

Op het punt iets te zeggen
vraag je me waarom
ik niets zeg

Ik vermijd
de vergelijkende trap
en doe iets
met mijn eerste zin

Je zwijgt
wanneer me ontgaat
wat eerder is gezegd

Het duurt lang
voor de dag weer lijkt
op de vorige

Tom Van de Voorde (1974)
uit: Jouw zwaartekracht mijn veer (2020)

Foto: Dirk Skiba


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Fernand Toussaint van Boelaere • In diepe genotsvoldaanheid

In diepe genotsvoldaanheid

In diepe genotsvoldaanheid
overschouw ik uw blonde naaktheid:
inwendig straalt de gloed van uw bloed;
mijn mond raakt uw schouder: de huid is honigzoet.

Want achter u sta ik, tegen u aan,
van stille na-betrachting aangedaan:
onder uw oksels, mijn handen dorst ik
te strijken onder ’t malsche wicht uwer borsten.

Diep in hun weelde trillen ze nog,
lijk vogels na een te verren, snellen tocht;
maar zacht-aan vervlakt de ronde tepel
tot bruine vlek: op witte roos een donkre pepel.

De zwoelte van uw borst wordt koel op mijn hand;
zoeter wellust wordt wat in mij was felle brand:
ik kus uw hals, dankbaar, onder uw linker oor;
zoo kuste ik eens mijn minne; en ga dan weêr voort,

ont-hecht, met, in mijn proevende geheugen,
de teêdre herinring van scherpe vreugden,
die uw zacht en zuiver beeld van goud
omvat – als zomergeur van rijpend ooft.

Fernand Toussaint van Boelaere (1875-1947)
uit: De gouden oogst (1944)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Fernand Toussaint van Boelaere • ‘k Heb u ontkleed

      – La maja desnuda

‘k Heb u ontkleed, en naakt zijt gij gerezen
als, in ’t eerstë ochtenduur, een roos
’s nachts op den struik ontbloeid.
Met, van den paarlemoeren nagel van uw voet
tot de donkre kroon van uw haarbos
honigzoete glanzingen van goud;
met het zachte palmhout van uw schouders,
de ronde tepels – vogel-aas! – der zoete borsten;
uw lenden, die in ruime welving buigen
als de schoone wanden van de wijnkruik,
en ’t donkre bosschage, waar ’t frisch nog is
en zoet te kuieren vóór de hitte van den dag;
uw dijen, die recht en stevig zijn als pijlers
die de weelde van gansch een leven zouden schragen;
de knie, hard en gloeiend lijk doorzonde goud;
de kuiten, die welven als de golf van de zee
opdat mijn hand er lang zou over strijken,
voldaan van al den wellust van dézen dag
van peis en vreê, en zang van zon in mij;
en ’t scheenbeen, de stugge ernst onder veel speelschheid;
en uw voet, of ge stondt in een plas van licht!
Maar bovenal de schittering van uw half geloken
bruin-gouden oog, sluw naar mij gekeerd, terwijl uw lippen
rooder bloeien, in liefde onuitspreeklijk goed en zacht.

Fernand Toussaint van Boelaere (1875-1947)
uit: De gouden oogst (1944)


Schilderij: La maja desnuda van Goya


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: P.C. Boutens • Oud liedje

Oud liedje

– Ik hoorde uw zingen komen
Van over de stille kreek…
Wat hebt ge op den weg vernomen?:
Gij ziet tot sterven bleek…
           Ik dacht dat gij beminden
          Als dooven gingt en blinden –
          Gij zult uw lief niet vinden:
                    Hij is verreisd van hier.

– Wat treedt gij tusschen ons beiden
Gelijk de schim van een droom?
Ziet gij niet aan mijn zijde
Den jongen bruidegoom?
          Op stille morgenwegen
          Kwam mij zijn glimlach tegen…
          Wat is er u aan gelegen
                    Of wij verreizen van hier?

– Wil toch uw zingen staken;
Want zwijgen is u plicht:
Zijn vader en moeder waken
Waar hij verslagen ligt.
          Ten hoofdeinde en ten hielen
          Zijn bleeke knapen knielen
          Groetend de naakte ziele
                    Die is verreisd van hier.

– Wij gingen zoo kort tegader!
Het lied is nog niet uit…
Zeg gij zijn moeder en vader:
Hun zoon komt met zijn bruid…
          En wilt ge ons lied niet hooren,
          Stop met uw nijd uw ooren –
          Wij zingen als tevoren
                    Tot wij verreizen van hier!

P.C. Boutens (1870-1943)
uit: Carmina (1912)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Victor dela Montagne • Een oudt liedeken

Een oudt liedeken

Tsagh eens een cnape stervensgeern
een valsche, vreede, boose deern.

Sei totten cnape: “hael mi terstont
din moeders herte voor minen hont”.

Hi ging en sloech sin moeder doot
en vluchtte mettet herte root.

Mer twyl hi loopt, stuict oppen steen
en valt, – dat erme hert meteen.

Al botsen op de harde baen,
vingh plots dat herte te spreken aen.

Al weenen vinghet te spreken aen:
“Och jonghe, hebs di seer gedaen?”

Victor dela Montagne (1854-1915)

Dit gedicht is een bewerking van Jean Richepin’s gedicht ‘Y avait un’ fois un pauv’ gas’.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gaston Burssens • Oud liedje

Oud liedje

in een roze zeepbel
in een blauwe zeepbel
– meisje wat zijn je wangen roze
meisje wat zijn je ogen blauw –
staat een broze roos te blozen
staat een blauwe star te staren
waar de star bleef stille staan

als de star
                       stil
                                 staat
zal ik je roze wangen zoenen
zal ik je blauwe ogen zoenen
roze zeepbel
blauwe zeepbel
waar de star bleef stille staan
waar de star – roze wangen –
waar de star – blauwe ogen
waar de star
                       stil
                                 staat

broze zeepbel
starre star
die nooit stil staat

Gaston Burssens (1896-1965)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Van Cruijff tot Cicero: zes taalboeken genomineerd

Van Cruijff tot Cicero: zes taalboeken genomineerd

Dit najaar zal voor de tweede maal de Onze Taal/ANV-taalboekenprijs worden toegekend – een onderscheiding voor het beste boek over (de Nederlandse) taal. De prijs, een geldbedrag van € 3000,–, wordt uitgereikt op 10 oktober bij de afsluiting van de Week van het Nederlands.

De drie initiatiefnemers – het Genootschap Onze Taal, het Algemeen-Nederlands Verbond en dagblad Trouw – willen met deze prijs de aandacht voor het goede taalboek bevorderen. Goed betekent in dit geval ‘oorspronkelijk, goedgeschreven en taalkundig relevant’. In 2019 won taaljournalist Gaston Dorren de prijs met zijn boek Babel.

Lees verder >>

Gedicht: Agatha Seger • Oud liedje

Oud liedje

Uit lieven groeit groot lijden
een lijden zonder end,
maar voor den ingewijde,
hij die de liefde kent,
wordt wonder elke smerte
en zalig elke pijn
zoolang het eene herte
aan ’t andre maar mag zijn.

•••

Verlaten, verlaten,
verlaten, o kind,
moet ieder op aarde
wat meest hij bemint…
Wat meest hij bemint
en wat adem hem zij.
Verlaten, verlaten…
o God, sta ons bij…

Agatha Seger (1902-1993)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.