Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Antjie Krog • Lux aeterna

‘Lux aeterna’ staat in Broze Aarde, de nieuwe, tweetalige bundel van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog, die de structuur heeft van een requiem, en “Een mis voor het universum” als ondertitel. De Nederlandse vertaling is van Robert Dorsman en Jan van der Haar.

Lux aeterna

want dit is natuurlijk onze verzuchting:
om tot inzicht te komen:
ik ben de bedelaar
ik praat leeuws
ik sneeuw
ik ben de boom waar de zaag tegen schreeuwt –

Lees verder >>

Gedicht: Eric van der Steen • De reiziger

De reiziger

Ik wandel door de drukke straat.
Het is nog licht. Het is niet laat.
Het is nog vroeg. Het is acht uur.
Wat moet dit worden op den duur?
Ik kijk elk meisje zichtbaar aan.
Waarom zou het hier anders gaan?
Ik wandel door, God weet waarheen.
Als het maar druk is om mij heen.
Ik wandel en het is mooi weer.
Ik voel: mijn borst gaat op en neer.
Dit leek nu iets: een vreemde stad,
maar na een uur ben je ook dit zat.
Ik kan het best naar huis toe gaan.
“Ik kan het best naar huis toe gaan.”
Naar huis. Naar het hotel. Naar bed.
Ik heb het zelf op touw gezet.
Ik maakte zelf dit goed bestaan.
Geen mensch begint van vooraf aan.
Ik ging zelf naar een vreemde stad.
Ik heb zelf niemand liefgehad.
Ik ga zelf naar het harde bed.
Nog jaren? God verhoede het.

Eric van der Steen (1907-1985)
uit: Nederlandsche liedjes (1932)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anton Korteweg • Voor de pont van Maassluis

Uit Nooit eens lekker nergens, een “autotopografische bloemlezing” uit de gedichten van Anton Korteweg, die hij schreef bij locaties waar hem onderweg, wandelend of fietsend (of zittend op een terras), iets trof. (Voorproefje hier).

(Maassluis, Veer Maassluis- Rozenburg, omstreeks 2015)

Voor de pont van Maassluis

Op een zonnige dag in september
met een stelletje andere fietsers
wachtend op de pont van Maassluis
hoorde ik een vrouw met een vachtje
van bonterig spul op haar zadel
geflankeerd door een brandweersnor
op een toon van let even goed op
aan een stel dat het ook eens een keer
op de tandem wilde proberen,
vertellen dat zij wel de baas was
in huis, maar dat hij, die daar naast haar,
mooi altijd het laatste woord had.

Lees verder >>

Gedicht: Alfred Kossmann • Zelfportret 1964

Zelfportret 1946

1
’t Voorhoofd is hoog. Tot aan de oren ligt
het lange haar, alsof het dit gezicht
niet prijsgeeft aan de wereld en ’t bestaan
maar het behoedt. De neus vangt edel aan
tussen de ogen, buigt een ogenblik
en loopt ten slotte vormeloos en dik
uit boven de mond. Hij zwijgt of dit gelaat
krachtig zal zijn of moe ten onder gaat.
De ogen zijn vaak grauw achter de bril
en zwak, maar soms wanneer de blik het wil
helder en scherp. De mond is smal. Het schijnt
dat van de mondhoek uit de jeugd verdwijnt.
Daar schuilt van zijn ervaringen de schat
bitter tezaam, daar ziet men duidelijk dat
’t gezicht van de gemiste jeugd niet bloeit
maar langzaam tot zijn eigen vorm volgroeit,
en dan eerst waarlijk als het rijpen zal
uit al de bitterheid van zijn verval.

2
Wat groeit als in onvruchtbare grond
trekt voren neer van neus naar mond
en heerst soms over al wat loog
van teder haar en vriendelijk oog
gelijk de dorre distel die
in ’t voorjaar vol van ironie
de weidebloemen ziet ontluiken,
mooi worden, wiegen en lekker ruiken
en in de herfst met soevereine
verachting neerziet op hun kwijnen.

Alfred Kossmann (1922-1998)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Koen Stassijns • Er is niet veel voor nodig

Uit Hemelingen, de nieuwste bundel van Koen Stassijns.

Er is niet veel nodig

Er is niet veel nodig voor een gedicht,
vaak zijn de meeste woorden overbodig.
Je dooft gewoon het licht. En in het zwart
dat zijn contouren trekt rondom je hart,
duiken enkele uitgespaarde, moeizaam
vergaarde zinnen op. Als gladde vissen
die je telkens weer uit handen glippen
wanneer je denkt: eindelijk heb ik beet.

Lees verder >>

Gedicht: Hugues C. Pernath • De gulzigheid

De gulzigheid

Gelijk aan minstens zeven jaren, de koude gloed
Van minstens zeven deugden.
Gelijk aan de woede van het maanlicht
Dat de maten meet en huiken spant over de magen.
Gelijk aan het sarren van kevers die krioelen
Tussen de maden. En van mens tot mens.

Er is de stilte die de stilte dekt.
Een vangnet over het vergeten. Een bleek ontwaken
Besmettelijk en monotoon, terwijl nachtdieren
Kraken, verkalken en vergaan.

Lees verder >>

Gedicht: Hugues C. Pernath • De nijd

De nijd

Niemand nadien. Dit land bewaart de schade niet
Alleen de ondergang. Hier ontbreken:
Een tegel, een processie, een akker en een graf
En ook dit einde heeft geen belang.
Hier bepaalt het jaar krampscheut of vervoering
Voor dezelfden die ons zullen verslaan.

Geen spoor wordt weggevreten.
Wat beschreven werd bekwamen wij door schaamte,
Of door geheel een mensenleven dat volstond
Verwekt werd en wentelde als een kwalijk getij.

Lees verder >>

Gedicht: Hugues C. Pernath • De traagheid

De traagheid

In de nabijheid van de barende
Na al datgene wat uitdoofde en begraven werd,
De eeuwigheid is onvoldoende, te weinig
En te min. Geen vreugde en geen louter vuur
Slechts de zoete doodsroep blijft
En redeloos wreed, de blik daarover.

Talm niet. Zweet niet. Treur.
Want telkens opnieuw tekenen trots en toorn
Hun twijfelende omtrekken
In het slome slib van mijn spijt.

Lees verder >>

Gedicht: Lubbertus Rietberg • Op een besneeuwde rozenstruik

Op een besneeuwde rozenstruik

Stuif vrij, gevlokte sneeuw! op ’t rozenstruikje neder
dat eenzaam in de tuin ontbladerd staat en kwijnt.
Uw wollig kleed bedekk’ ’t voor vorst en winterweder,
totdat de lente weer in al haar glans verschijnt!
Dan groei’ het schoner op met nieuw verkregen kleuren
door ’t glanzig purperrood des dageraads bestraald!
De dampkring van rondsom versprei de zoetste geuren
en heerlijk zij de bloem die op de stengel praalt!

Zo moge ook eens deze aarde ons stofflijk deel bedekken
als de opgestoven sneeuw dit dorre struikje doet!
Eens zal de morgenstond der eeuwigheid ons wekken
en ‘tgeen hier duister is, wordt Hemelzonnegloed.


Lubbertus Rietberg (1783-1826)




Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jens Meijen • Zuurtegraad van een autobatterij

Uit Xenomorf, de debuutbundel van Jens Meijen (Vlaanderens eerste ‘Jonge dichter des vaderlands’).

Zuurtegraad van een autobatterij

Er bestaan koeien met ramen in hun buik
je kan de alchemie in hun magen zien:
het salpeterzuur, buskruit, bliksemstralen.
Ik wil mijn gezicht ertegen drukken.
Als we ramen gebruiken om mensen te maken
kunnen we jagen met de scherven van een spiegel
gedachten zien kronkelen door de nerven
en muurgaten afspannen met huid.

Lees verder >>

Gedicht: E. du Perron • Het kind dat wij waren

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder’s nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendelijkheden.

Lees verder >>

Gedicht: Wilfred Smit • Sweet bahnhof

Sweet bahnhof

Drijft men steeds verder
uit elkaar? het afscheid schuift
een opdringerige oom tussen ons in.
sluit de ogen af – ja dit is vlucht,
een handvol kaarten laten vallen
omdat men in onze vingers knipt.
wurg alle lichten – rasse schreden
maakt mijn vertrek, reusachtig,
als op stelten wadend door de mist.
adieu adieu sweet bahnhof –
een convooi melaatsen wacht
in alle stilte de nalaatste trein.

Wilfred Smit (1933-1972)
uit: Verzamelde gedichten (1971)

Wikipedia zegt: In 1972 stierf Smit op negenendertigjarige leeftijd aan een hersentumor. Elf jaar later verscheen een uitgave met zijn verzameld werk. Hierin was ook het door Smit in 1956 geschreven ‘Sweet bahnhof’ opgenomen, dat de Nederlandse popband The Nits inspireerde bij hun lied ‘Adieu Sweet Bahnhof’ (uit 1984).


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: H.A. Spandaw • De vrouwen (fragment)

Hij schijnt een statige Eik, die de eeuwen durft trotseren,
En door de wouden zich als Koning ziet vereeren;
Zij ’t ned’rig klimop, dat aan zijne schorse kleeft,
Zich sling’rende om zijn’ stam, met zijne sappen leeft.
De sterkgespierde Man mag steeds zijn’ fierheid toonen,
Maar niets, dan zachtheid moet in ’t hart der Vrouwen wonen;
De Vrouw is waarlijk schoon, als zij van weedom schreit, –
De Man stort nooit een’ traan, dan van grootmoedigheid.
De Vrouw heeft meer gevoel, meer driften, minder krachten, –
Doch reine zucht tot deugd doet haar ’t gevaar verachten;
In ’t kampen voor hare eer betoont ze een’ heldenmoed,
Die heur’ belager vaak van schande blozen doet.
De smart der Vrouw is groot, zij moet gedurig strijden,
Maar groot is ook ’t geduld, dat haar bezielt in ’t lijden. –
Beschouw en Man en Vrouw, bij ’t prangen van den nood:
De sterke Man wordt klein – de zwakke Vrouw wordt groot.

[lees verder]

H.A. Spandaw (1777-1855)
uit: De vrouwen (1807)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Willem Thies • Mijn eigen zomer

Schoon, de nieuwe bundel van Willem Thies, is gratis te downloaden. U kunt het boek ook laten drukken voor een habbekrats.

Mijn eigen zomer

Het plein met de fonteinen, kleine erupties. Kinderen rennen,
trappen de waterstralen uit die worden afgevuurd. Honden
schudden hun kop. Iemand zit op een houten bank
en likt langs de rand van een vloeitje, een gitaarvormige hoes
aan zijn voeten.

Ze wiegelt als ze gaat
Ze giechelt als ze praat
Bloed fluit in haar lippen
Ik trippel als ze komt

Lees verder >>

Gedicht: Tymen Trolsky • De dichters

Tymen Trolsky was in de jaren ‘70 het pseudoniem van Jasper Mikkers. Zijn Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin is een van de vele nieuwe titels in de DBNL van december.

De dichters

De wind dronk van de kleine ratten in de goot;
de winter hoestte en draaide zich om op z’n stretchbed,
ver weg in de vlakte; de mieren stookten hun potkacheltje
in hun lanterfanterige, om idiote oden smekende paardekies

en schudden de kaarten; de in lange, zwarte oliejassen
geklede krekels laadden en losten hun liederen,
zwijgzaam zwoegend; ’n dronken blues kroop over ’n landweg;
in de verte de schreeuw van ’n steen, door wreed

Lees verder >>

Gedicht: Jan van Nijlen • Wulpschheid

Wulpschheid

In slanke naaktheid rijst zij voor den spiegel op,
omwolkt met gitten krans van losgewoelde haren;
haar oogen zijn als vreemde bloemen waar zij staren
waaruit bij elke blik ’t vergif leekt drop na drop.

En sidderend van koel en ongewenscht genot,
spant zij uitdagend-juichend haar volronde borsten,
wier marmerschoonheid niet een duivel, niet een god
noch menschen in aanbidding ooit aanstaren dorsten.

Lees verder >>

Gedicht: Herman Gorter • Wij zilvren wezens

Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen
neven elkaar, onzeker, wilden het licht:
In misten van donker, onze groote vragen
vreemdelinge in scheemre mist om licht –
Teeder beginnen en glimlachend blinken,
lichtkens verrijzen, weigren te versterven,
zekerlijk lachen en lichtblijde blinken,
wenken en vlieden, vliedend omziend, wimprend,
wilgen van licht, linten van licht, wit zilvren
wateren licht, fleemlicht, zichten rillicht,
scheden en bajonnetten licht, – lichtarmee.

Lees verder >>

Gedicht: H.A. Spandaw • De waarde van vrouw en kind

De waarde van vrouw en kind

Schoon ik de gunst der groten mis,
de weiflende fortuin mij ongenegen is,
ik heb nog vrouw en kind, Goddank! en brood voor beiden:
een vrouw die mij zo teer bemint,
in reine huwelijkstrouw haar hoogste wellust vindt
en om geen lief of leed van mijne zij zou scheiden;
een kind dat, vrolijk en gezond
met rozen op de wang en lachjes om de mond,
nog van geen rampspoed weet in zijn onschuldig leven:
wat klaag ik dan om leed of druk?
Mijn lot is zaligheid – ik smaak het hoogst geluk:…
‘k Wil voor geen koningskroon mijn wijf en jongen geven!

H.A. Spandaw (1777-1855)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Alain Teister • Droom

Droom

De tanden in ’t habijt en dan schuimbekken,
en twee uur lang kakelen, kraaien, krijsen,
paars worden in ’t gezicht, de indruk wekken
dat er iets mis is met de godsbewijzen,
een vurenhouten preek doormidden zagen,
een duif apocalyptisch zien verbranden,
schelden, bloedspuwen, emmeren en klagen,
ontwaken als pastoor ten plattelande.

Alain Teister (1932-1979)
uit: De huisgod spreekt (1964)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.