Auteur: Raymond Noë

Gedicht: C. Buddingh’ • ars poetica

Gedichten van C. Buddingh’ uit de zesde jaargang van Gard Sivik.

ars poetica

ik weet het nog als de dag van gisteren
(ik was misschien 22): ik zat
te broeden op een gedicht, en mijn moeder
zat bij het raam de aardappels te schillen
het vers wilde maar niet lukken: het zweet
stond op mijn rug en vol ergernis dacht ik:
hoe kan men in godsherenaam dan ook
poëzie schrijven in een kamer waar
iemand aardappels zit te schillen?

die avond, toen iedereen sliep, maakte ik het
vers af, het was een bijzonder slecht vers

en pas heel veel later begreep ik: de beste
gedichten schrijft men al aardappels schillend

Lees verder >>

Gedicht: Annemarie Estor • Kosmologie

Uit De bruidsvlucht, de nieuwe bundel van Annemarie Estor.

Kosmologie

Het universum is een fles Beaujolais
met onderin een paysage,
wat schaapjes en gras,
gestippelde paarden in een grot,
en wij op de péage langs een dorp,
in deze nacht, zoevend langs de bijna-tijd,
de mogelijkheid tot vuurwerk,
manden vol ambachten,
keukens met koperen pannen,
en op de fles hebben de goden
aangeschoten sterrenbeelden gedoodled.

Lees verder >>

Gedicht: Paul Snoek • een mergpijp + noodbrug

Twee gedichten van Paul Snoek uit de eerste jaargang van Gard Sivik.

een mergpijp

het was de goedgeefse regen
buigzaam als een buideldier,
die het kleilichaam streelde
van de hond van vanmorgen.

toen de goochelaars van vannacht
het mengelwerk van de huizen
achterlieten in het achterland,
waar orgelmergpijpen speelden
staalmagere koudmuziek
uit de tijd der weduwen.

uit hemden van regen vlogen
vogels van melk in mijn ogen
en in mijn handen spartelde een
spierwarm gevoel van zwarte aarde.

Lees verder >>

Gedicht: H.C. ten Berge • Szymborska

Uit In tongen spreken, de nieuwe bundel van H.C. ten Berge.

Szymborska

Wat had ik graag nog eens met u gepraat, mevrouw Wisława.
Gepraat, maar liever nog gedronken – Poolse thee
of uitgelezen wodka – en geluisterd naar uw taal
vol ironie, uw humor en vlijmende mildheid
om het ontoereikende bestaan te verdragen.

‘Jakhalzen met zelfkritiek zijn onbestaanbaar,’ lees ik
in uw ‘Lof van de geringe eigendunk’.
Ik verbrand subiet mijn kleren,
scheer mijn hoofd, strooi as op mijn schedel
en verscheur mijn papieren.

Lees verder >>

Gedicht: P.A. de Génestet • Waar en hoe

Waar en hoe

Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden,
En van geleerden, och, weinig geleerd;
Wat ons de wijzen als waarheid verkonden,
Straks komt een wijzer, die ’t wegredeneert.

’t Leven alleen is de school van het leven,
Levens-ervaring het heilige boek,
God! door Uw wijzenden vinger geschreven,
Daar ik niet vruchtloos de waarheid in zoek.

Zelf moet gij ’t zoeken en zelf moet gij ’t vinden,
Mensch, in uw hart, in het Woord, in uw lot,
Anders zoo spelen de wervlende winden,
Mensch, met uw hart, uw geloof en uw God.

P.A. de Génestet (1829-1861)
uit: Leekedichtjes (1860)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Truus Gerhardt • De Twentsche hoeve

De Twentsche hoeve

De zachte vensters vrij naar zon en regen open
en naar de onmeetlijkheid van ’t rustloos barend land
ligt ze, in de ommanteling der ruige roggehoopen,
warm als een nest gedoken aan den akkerrand.

Zachtaardig beeld van vrede, waar een ziel in droomt
die zich in eenvoud voegt naar ’t goddelijk bestel:
Het knoestig erf, door sleedoorn wit bezoomd;
de zwarte bussels hout, de groen bemoste wel

waarin ’t smaragden water zijn geheim bewaart,
de steile putstaak die in de appelbloesem schuilt;
de plaggenschuren, dicht om ’t moederdak geschaard,
waaronder welvoldaan de wintervoorraad puilt;

en hoog ter nok, om ’s hemels zegen af te smeeken
op akkerland en vee: de kroon van ’t Twentsche huis,
trouwhartig landsgebruik en zinrijk dubbelteeken…:
het heidensch Wodanswiel, bevleugeld door het kruis.

Truus Gerhardt (1899-1960)
uit: Laagland (1937)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Truus Gerhardt • De hofstede

De hofstede

Rechtschapen is ’t gelaat van Holland’s trotsche hoeve,
waar zich het leven van een land in samentrekt;
rechtschapen is de strengheid van haar stroeve
beslotenheid en rust, beheerscht en overdekt

door de gespierde dijk, die haar in de armen knelt
met ’t driftig ongeduld van wie naijvrig zijn. –
De stugge horren, stuursch ter vensters opgesteld
tot een vierdubb’le wacht, ’t hooghartige gordijn,

waarvan de bloemenpracht tot strakke afweer werd,
en, voor de ramen tot een bolwerk opgesnoeid,
’t geknotte vruchthout, dat den blik de weg verspert
en aan drie kanten ’t licht in groene kluisters boeit:

Dit is ’t eenzelvig huis, dat zich naar binnen keert,
waar Holland werkt en bidt bij ’t stroomen der getijden,
waar stram gevouwen hande’ een simpel-g’loof belijden
en een trouwhartig volk zijn God in arbeid eert.

Truus Gerhardt (1899-1960)
uit: Laagland (1937)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Mea Verwey • Het veertje

Mea Verwey (dochter van dichter Albert Verwey) was uitgeefster en letterkundige.

Het veertje

Aan de haven vond mijn lief een veertje:
aan de haven waar de grootste sluisdeur
van de wereld, glijdend in zijn kassen,
maakt ruim baan voor overzeese schepen,
waarop mensenmenigt uit en thuis vaart.
Daar op ’t duinzand vond mijn lief een veertje
van een meeuw, een zacht en sneeuwwit veertje,
en hij raapte ’t op voor mij, zijn liefste,
en hij nam het mee naar waar hij woonde,
en hij sloot het door zijn schrift omgeven,
in de brief, die ik verlangend wachtte.
Niet de vogel was het, die de brief bracht
van mijn liefste, maar de brief een veertje,
een heel licht en zacht en sneeuwwit veertje
van de vogel, die het daar liet vallen,
waar mijn lief de grootste sluisdeur van de
wereld kwam te zien, en van de branding
in de verte, onder ’t doffe dreunen,
het uiteenslaan van de golven tegen
grauw basalt en tegen grauwe luchten,
met het schuim, zo wit en licht als ’t veertje,
dat hij vond, en zond aan mij, zijn liefste.

Mea Verwey (1892-1978)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Roelof ten Napel • twee sonnetten

Twee ‘sonnetten’ uit In het vlees, de nieuwe bundel van Roelof ten Napel. (Voorproefje).

Sonnet CXXI (liedje)

mijn vriend bekijkt de klerenkast
in onze tijdelijke kamer
en herhaalt, zingend,
het woord mottenballen —

mottenballen mottenballen mottenballen,
alsof het iets
te betekenen heeft,

ik weet niet wat, dus
ik glimlach
om mijn hachje te redden en
hem niet te bezeren,

bedenk me dan dat ik eigenlijk niet weet
wat een hachje is, en
of hij hem misschien niet al heeft


Lees verder >>

Gedicht: Maria Tesselschade Roemers Visscher • Hoe krachtig ik verpijn

[Eerst het herspelde origineel, daarna de hertaling.]

Hoe krachtig ik verpijn
door de waarheid of door schijn
te smoren met een koude praat
’t geen vurig in mijn hartje staat,
het suiend slapen doet vermaên
’t sluimerig en ’t soet:
een genuchje,
een geduchje,
een zuchje alsem bitter suikerzoet.

De Min mij leren wou,
hoe ik best vergeten zou,
hetgeen ik niet vergeten kost,
dat ik er staag om denken most:
‘Ja muurt en metst in uw gedacht,
en zo gij enkel wroet
om het smartje
uit uw hartje
te weren,’ zeid’ hij, ‘dit ’s de beste voet.’

Lees verder >>

Gedicht: Hans Sleutelaar • twee gedichten

De vorige week overleden Hans Sleutelaar was dichter van een klein maar veelgeprezen oeuvre.

Hemellichamen

het uur dat ik de dag heb opengebroken
en de zee in een dauwdruppel samengevat
was ik radeloos was ik vuur

was ik
een gat in de huid van de ruimte
een kreet van vreselijke vreugde
een magere morgen van zand en honger

en wist mij later blindgestaard en doodgewoekerd
en viel
en spleet uiteen

Lees verder >>

Gedicht: Tom Naastepad • Dordrecht

Dordrecht

Zolang de bomen groen zijn is er hoop.
Mijn vaderen hebben het steeds geweten,
het hout van bomen bood men hun te koop:
koorbanken om het nimmer te vergeten,
weerbarstig hout: wie hebben er gezeten,
brede rivier, aan uw benedenloop?

Hardnekkig hopen als de hoop verdort
deed men in Dordrecht, men maakte er banken
dwars tegen de jaarringen, onverkort,
van dik dogmatisch hout zaagt men er planken
om er te zingen en de Heer te danken
wanneer het alom troostelozer wordt.

Lees verder >>

Gedicht: Laurine Verweijen • Luister

Laurine Verweijen’s debuutbundel Gasthuis is een van de vier genomineerden voor de C. Buddingh’-prijs.

Luister,

er gebeurt van alles in deze hoek
het een nog mooier dan het ander,
zwart ramt het kartel omver, wit schuurt
de harde kanten. Eén vuist slaat voor een ander
op tafel, een enkele achtergebleven traan
wordt tussen twee wimpers vandaan geplukt.
Alles wat ook maar een beetje kan wuiven, wuift:
zijden doeken, maiskolven, lange borsten
De handpalm met de langst nog mogelijke lijnen
strijkt plooien in een oude huid glad – en hoe hard
er ook gesproken wordt, hoe luid ook het getetter,
door alles heen klinkt – wonderbaarlijk genoeg
een strak geregisseerd gefluister

Laurine Verweijen (1981)
uit: Gasthuis (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jens Meijen • Anachronisten

Jens Meijen’s debuutbundel Xenomorf is een van de vier genomineerden voor de C. Buddingh’-prijs, die morgen wordt toegekend. Voorproef hier.

Anachronisten

Op mijn scherm
een dakterras in bijna zomer
vrienden roken, debatteren soulmates;
muziek golft benzine mijn aders binnen.
Paul Kalkbrenner. Azure.

Verre wolken zouden ons nooit bereiken, druppelen elders uit.
Radiator van een ronkend lichaam
aan de lucht schuift langs
hoe licht en lucht kan uitglijden
tegelijk, met dezelfde onhandige bedoeling
van splitsen in purper.

Lees verder >>

Gedicht: Iduna Paalman • Audit

Iduna Paalman’s debuutbundel De grom uit de hond halen is een van de vier genomineerden voor de C. Buddingh’-prijs, die komende vrijdag wordt toegekend.

Audit

Er bestaat een groep riskmanagers, ik ben er een van. We komen graag
samen in een huis met gematteerde ramen, taxeren de dreigingen, verdelen
ons zorgvuldig over de straten.

Al op de eerste hoek weet ik een schaafwond uit een tegel te schrapen,
een clash uit een auto, een grom uit een hond. Botten bevrijd ik
van hun prematuur gevormde breuken, parkeergarages
van hun diep in de staalconstructies verscholen rekenfouten.
Uit een vrouw verwijder ik het weggaan, uit het kind
de vroegtijdige verlating.

Van wat pijn lijdt en kouvat neem ik de besmetting weg. Ik repareer
wat harig schuurt, roestig drupt, weerloos naakt op de akker staat.
Kompasnaalden in zakken van traag volgezogen jassen, stikgevaar
in stilstaande adem, de onderstroom in vreemde gangen, sluizen
in manieren van praten

’s avonds rapporteer ik: alles wat misging is voorkomen, alles wat
jankte kan rustig gaan slapen.

Iduna Paalman (1991)
uit: De grom uit de hond halen (2019)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jérôme Gommers • Ik ging z’n lof zingen

Jérôme Gommers’ debuutbundel Momentums laadklep is een van de vier genomineerden voor de C. Buddingh’-prijs, die komende vrijdag wordt toegekend. Hieronder het openingsgedicht. (Uitgebreide voorproef hier).

Ik ging z’n lof zingen, want alles was mooi en lelijk. Ik zong,
zoals ik gebekt was, veranderlijk, wisselvallig, eigenlijk zonder

eigen stem. Nu eens melodisch, bijna romig, alsof ik iets
onappetijtelijks wilde bedekken. Dan weer krasserig als een mes

in de bast van een boom – oooh die binnenkort werd gerooid
Vaak was het alsof een hand zich door mij heen dreef. Aha, mij

bespeelde. En inderdaad: ik opende mijn mond tot klankkast.
O keel, steelse verhefboom en beerput, monding en bron.

Hele talen verdwenen. En daarom: leef aanstaande dode taal. Leef
samengestelde werkwoorden, leef afgeklad, ingeklonken, door-

gelegen. Leef ten onzent, terdege, terwijl. Leef grijze balkenbrij
uit roze koppen, roze koppen uit grijze brij. Laat de houtworm

werkelijk voedsel worden, dat ons eten spreken, ons spreken eten
wordt – wat dat ook betekene. Laat de blijstift van hiers overzijde

hardelijke gummen, dags verwenteling ter glorie, dags verkrassing
tot een lippendienst aan ontoonbaar – o dat wij nooit meer spraken

loze, dat weij nooit meer wraakten het wrakhout onzer woning…
etceterâh etceterâh*

(‘Nou nou, trouwens…’)

Jérôme Gommers (1961)
uit: Momentums laadklep (2019)

*uitspreken zoals Joseph Brodsky dat zo mooi kon


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Trefossa • Sranan

• De dichter Henri Frans de Ziel, dichtersnaam Trefossa, was een belangrijke pionier voor wat betreft de dichtkunst in het Sranan, in zijn tijd een emancipatoire, anti-koloniale daad. Hij is niet alleen om zijn dichtkunst bekend en geliefd, maar heeft ook het Surinaamse volkslied in het Sranan vertaald. Vandaag de dag worden regels uit dat volkslied veelvuldig herhaald wanneer het gaat over de strijd tegen de militaire dictatuur en de daarna gevestigde parlementaire dictatuur door Bouterse c.s. Ik vind het bijgaande gedicht zeer toepasselijk voor de vreugde die zich zal uiten in Suriname.
Ida Does (filmmaker)

Sranan

brudu f’afo
ben dopu yu doti.
yu santi ben soygi,
ben dringi den dropu,
Sranan,
te kramnari f’afo
ben boro.

na yu gron wi mu gro.

fayalobi,
a dinamit d’e opo yu prodo so nya,
mu koti hen faya,
mu bron na wi brudu;
dan bromki sa monyo na wi libi
fu nyan na bigi friyari,
di Sranan nanga wi de fruwakti,
so langa.

Suriname

bloed van onze voorouders
doopte jouw aarde
jouw zand zoog,
en dronk de druppels,
Suriname,
als de ribbenkast van de voorouders
werd doorboord.

Op jouw veld moeten wij groeien.

fayalobi-bloem,
het dynamiet dat met een klap jouw pracht ontsluit,
moet bliksemen,
moet branden in ons bloed;
dan zullen de bloemen ons leven bedekken
om het grote feest te vieren,
dat Suriname met ons, zo lang reeds 
verwacht

Trefossa (1916-1975)
Nederlandse vertaling van John Leefmans

foto: wikipedia / Michiel van Kempen


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Simon Vestdijk • Oud gerechtsgebouw – stadhuis te Delft

Oud gerechtsgebouw – stadhuis te Delft
voor J. Greshoff

Onder de kroonlijst gluren half voorover
Vier hoofden. Naast de gladde jong’ling hangt
Een baardig krijgsheld; dan, zwaarder en grover,
’n Fonteingod, die naar stroomnymphen verlangt,

Doch dulden moet, dat hem een leeuw flankeert,
Met ruwgegolfde manen en een ring.
Is ’t déze vierschaar die het recht beheert?
En ’t wilde Dier spreekt mee in het geding …

Op ’t steenen front, geleund aan sierpilaren,
Wil een gestalte uit haar plooien komen:
Een godin met de weegschaal van het wáre
Recht; en, als had zij een beroep vernomen.

Treedt zij uit, daalt af, – maar verstijft van verre
Voor rijen blauwe, ronde duivenkoppen,
Die ’t dak bevuilen en haar hulp versperren
En zich aan ’t hart der magistraat verstoppen.

S. Vestdijk (1898-1971)

Foto: Wikimedia / G. Lanting

[Het is me niet duidelijk waar die vier hoofden nou precies zitten, boven de godin Justitia of veel lager – maar de hoofden lagerop zijn met z’n zessen …]


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Marjoleine de Vos • Het leven in juni

Het leven in juni

Om mij heen is alles luidkeels in leven
de boer op zijn maaier, blatende schapen
in de esdoorn een zwartkop die roept
om een vrouwtje, uit bloemkelken klinkt
het geronk van een bij.

En ik leef ook maar moet dat zelf zeggen
want niets van al wat ik waarneem noemt mij.
Zoals je met vrienden wel praat over vroeger:
We waren aan zee, in een tent, heel gelukkig –
vraagt iemand: was jij daarbij?

Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld
en om mij heen ademt alles en in huis
zit een man. Dit is het leven, schrijft hij,
deze ochtend in juni, de zwartkop zingt
en in de tuin zit zij.

Marjoleine de Vos (1957)

foto: raymond noë


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Mark Boog • twee gedichten

Door Mark Boog gekozen uit zijn nieuwe bundel Liefde in tijden van brand.

Laat barbaren binnenvallen.
Laat grenzen sneuvelen,
linten door hoogwaardigen.
Annexeer, assimileer ons,
reken ons tot een volk,
verlicht ons. Deze landkaart,
nu al historisch, handgekleurd,
oudtijds, met goudgehoogd
wat van belang is, de lijnen
en symbolen op deze kaart
blijven aan betekenis winnen.
Steeds minder heden, relatief bezien.
Toen we overlopen werden, ooit,
door elkaar bezet, en we niet
anders konden dan ons overgeven,
is een oorlog ooit afdoende
gedocumenteerd, een land
door cartografen rechtgedaan?
Elke korrel zand? De woestijn?
Laat ons tot elkaar behoren,
omdat het niet anders kan.

Lees verder >>