Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Jan Prins • Twee hanen

Twee hanen

Twee hanen hadden vrede. Een kip voegt zich erbij,
en brengt de poppen aan het dansen.
Liefde, reeds Troje storttet ge in ’t verderf, en gij
waart de inzet daar van de oorlogskansen,
toen zich de Xanthos kleurde met zelfs godenbloed.
Lang hielden de twee hanen in ’t gevecht zich goed.
In heel de buurt ging het gesprek over die heeren.
Al wat een kam droeg, kwam als kijker toegesneld.
Meer dan één Helena-met-veeren
viel aan den winnaar toe. Maar hij die lag geveld
verborg in de uiterste eenzaamheid zijn leed en schande.
Hij weende er om zijn glorietijd
en om zijn liefjes, die de winnaar van den strijd
voor zijne oogen bezat. Iederen dag weer brandde
zijn haat opnieuw en maakte hem van vechtlust dol.
Hij scherpte zich den snavel en sloeg zich de zijden
en stond tegen den wind te strijden,
van een jaloersche woede vol.
’t Bleek overbodig. De overwinnaar, van de daken,
kraaide zijn zegepraal luidruchtig uit.
Een grijpgier hoorde dat geluid,
en kwam met liefde en grootheid korte metten maken.
Al deze praal viel aan den rooversklauw ten buit.
Nu kwam voor de verlaten bruid
de mededinger weer te pas.
Maar denk eens aan, wat een spektakel
dat gaf van onderling gekakel,
daar hij met heel wat vrouwen was!

Op zulk een ommekeer is de Fortuin verzot.
Winst maakt zij tot verlies, gedraagt ge u onbezonnen.
Dus opgepast en op uw hoede voor het Lot,
juist, als ge een veldslag hebt gewonnen.

Jan Prins (1876-1948)
uit: Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anna de Bruyckere • Zelfkennis

Uit Voor permanente bewoning, de debuutbundel van Anna de Bruyckere.

Zelfkennis

Als je een ander dan jouw eigen deel van de wereld
kon zijn, wat was je dan? Als je een dier was
en gewelf of grond, een ander mens –

en dan het verband met wie je bent.

Zou ik regen zijn? En van alles willen
wassen, bewateren, gaten daveren in wat
plaats moet maken, aaien wie het nodig heeft

en wegspoelen wat weg. Ik zou me vragen

elke druppel te herinneren
want waar die valt daar horen we
elkaar. Horen we te zijn, vallen we even

samen. Misschien is regenen een vorm van prevelen

en hoef je je woorden maar te volgen
om de wolken – hun verschijnen
hun verdwijnen – te zien

varen.

Anna de Bruyckere (1987)
uit: Voor permanente bewoning (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Patrick Conrad • De traagheid waarin ik verblijf

Vandaag het laatste gedicht uit de cyclus ‘De traagheid waarin ik verblijf’, tevens het laatste gedicht uit En de bomen, de nieuwe bundel van Patrick Conrad.

De traagheid waarin ik verblijf (10)

Al werd ik vaak gestenigd, met stenen heb ik nooit gegooid
en minder nog heb ik beelden verwoest of steden vernield.
Mijn wapens waren mijn woorden die ik voor waarheid hield
en aan vrienden en vijanden heb vergooid.

Ik weet nog dat wij dronken en dansten tot we vielen
en zowel binnen sliepen als buiten in het gras.
De tijden waren bewogen en onze liefdes breekbaar als glas.
Ik doolde door de leegte, op zoek naar de vrouw voor wie ik zou knielen.

Zij die blijven zullen verder leven in mijn dromen
waarin ook zij tijdens eindeloze dagen zullen verdwalen.
Een feest zag ze komen, geen feest zag ze gaan.

Wat mij overblijft is de broze waan
dat iets van wat was zal voortbestaan in mijn verhalen:
een goede hand, wat verzinsels, een verscheurd land … en de bomen.

Patrick Conrad (1945)
uit: En de bomen (2010)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Arthur Lava • Toekomstmuziek

Arthur Lava, een van de voormannen van de Maximalen, is overleden.

Toekomstmuziek

Geef mij de ballade uit de Hades
of een opgewekte blues, ik swing op elke
hiphopversie van Vivaldi, mijn smaak

kent geen limiet, dus leve het licht ontvlambaar
geuzenlied, de wals voor weduwen en wezen,
de bloedeloze stierenvechtersrapsodie.

En vanzelfsprekend zweer ik bij de alchemie
van een schlager voor de goede zeden
of een nocturne voor de ochtendmens.

Maar wat bovenal moet worden aangeprezen
is een marsmuziek, jawel een marsmuziek,
die de mensheid van marcheren zal genezen.

Arthur Lava (1955-2020)
uit: Bravisssimo! (1994)

Foto: North Sea Poetry.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kees Ouwens • wees op mijn hand

wees op mijn hand, doorwandeld goed als
uw suizeling huivert van zichzelf en de
ontvolking wijkt tot in de instincten

hoe golft uw bodem als de huid op het
hart des lichaams dat zijn klopping
boort tot in de grotten hun angsten

en de drenkplaatsen en uitspanningen hun
notie verdringend en aanklampend
hun opluchting, vrezend hun overmoed —

ver uit het midden van de wegen en wetten keren
de kringen tot hun kern en lossen op het verkeer
dat zij hadden in een wijdste omtrek in een nauwste
luistering

Kees Ouwens (1944-2004)
uit: Afdankingen (1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Tom Van de Voorde • Een kwestie van uitdrukking

Uit Jouw zwaartekracht mijn veer, de nieuwe bundel van Tom Van de Voorde.

Een kwestie van uitdrukking

Op het punt iets te zeggen
vraag je me waarom
ik niets zeg

Ik vermijd
de vergelijkende trap
en doe iets
met mijn eerste zin

Je zwijgt
wanneer me ontgaat
wat eerder is gezegd

Het duurt lang
voor de dag weer lijkt
op de vorige

Tom Van de Voorde (1974)
uit: Jouw zwaartekracht mijn veer (2020)

Foto: Dirk Skiba


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Fernand Toussaint van Boelaere • In diepe genotsvoldaanheid

In diepe genotsvoldaanheid

In diepe genotsvoldaanheid
overschouw ik uw blonde naaktheid:
inwendig straalt de gloed van uw bloed;
mijn mond raakt uw schouder: de huid is honigzoet.

Want achter u sta ik, tegen u aan,
van stille na-betrachting aangedaan:
onder uw oksels, mijn handen dorst ik
te strijken onder ’t malsche wicht uwer borsten.

Diep in hun weelde trillen ze nog,
lijk vogels na een te verren, snellen tocht;
maar zacht-aan vervlakt de ronde tepel
tot bruine vlek: op witte roos een donkre pepel.

De zwoelte van uw borst wordt koel op mijn hand;
zoeter wellust wordt wat in mij was felle brand:
ik kus uw hals, dankbaar, onder uw linker oor;
zoo kuste ik eens mijn minne; en ga dan weêr voort,

ont-hecht, met, in mijn proevende geheugen,
de teêdre herinring van scherpe vreugden,
die uw zacht en zuiver beeld van goud
omvat – als zomergeur van rijpend ooft.

Fernand Toussaint van Boelaere (1875-1947)
uit: De gouden oogst (1944)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Fernand Toussaint van Boelaere • ‘k Heb u ontkleed

      – La maja desnuda

‘k Heb u ontkleed, en naakt zijt gij gerezen
als, in ’t eerstë ochtenduur, een roos
’s nachts op den struik ontbloeid.
Met, van den paarlemoeren nagel van uw voet
tot de donkre kroon van uw haarbos
honigzoete glanzingen van goud;
met het zachte palmhout van uw schouders,
de ronde tepels – vogel-aas! – der zoete borsten;
uw lenden, die in ruime welving buigen
als de schoone wanden van de wijnkruik,
en ’t donkre bosschage, waar ’t frisch nog is
en zoet te kuieren vóór de hitte van den dag;
uw dijen, die recht en stevig zijn als pijlers
die de weelde van gansch een leven zouden schragen;
de knie, hard en gloeiend lijk doorzonde goud;
de kuiten, die welven als de golf van de zee
opdat mijn hand er lang zou over strijken,
voldaan van al den wellust van dézen dag
van peis en vreê, en zang van zon in mij;
en ’t scheenbeen, de stugge ernst onder veel speelschheid;
en uw voet, of ge stondt in een plas van licht!
Maar bovenal de schittering van uw half geloken
bruin-gouden oog, sluw naar mij gekeerd, terwijl uw lippen
rooder bloeien, in liefde onuitspreeklijk goed en zacht.

Fernand Toussaint van Boelaere (1875-1947)
uit: De gouden oogst (1944)


Schilderij: La maja desnuda van Goya


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: P.C. Boutens • Oud liedje

Oud liedje

– Ik hoorde uw zingen komen
Van over de stille kreek…
Wat hebt ge op den weg vernomen?:
Gij ziet tot sterven bleek…
           Ik dacht dat gij beminden
          Als dooven gingt en blinden –
          Gij zult uw lief niet vinden:
                    Hij is verreisd van hier.

– Wat treedt gij tusschen ons beiden
Gelijk de schim van een droom?
Ziet gij niet aan mijn zijde
Den jongen bruidegoom?
          Op stille morgenwegen
          Kwam mij zijn glimlach tegen…
          Wat is er u aan gelegen
                    Of wij verreizen van hier?

– Wil toch uw zingen staken;
Want zwijgen is u plicht:
Zijn vader en moeder waken
Waar hij verslagen ligt.
          Ten hoofdeinde en ten hielen
          Zijn bleeke knapen knielen
          Groetend de naakte ziele
                    Die is verreisd van hier.

– Wij gingen zoo kort tegader!
Het lied is nog niet uit…
Zeg gij zijn moeder en vader:
Hun zoon komt met zijn bruid…
          En wilt ge ons lied niet hooren,
          Stop met uw nijd uw ooren –
          Wij zingen als tevoren
                    Tot wij verreizen van hier!

P.C. Boutens (1870-1943)
uit: Carmina (1912)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Victor dela Montagne • Een oudt liedeken

Een oudt liedeken

Tsagh eens een cnape stervensgeern
een valsche, vreede, boose deern.

Sei totten cnape: “hael mi terstont
din moeders herte voor minen hont”.

Hi ging en sloech sin moeder doot
en vluchtte mettet herte root.

Mer twyl hi loopt, stuict oppen steen
en valt, – dat erme hert meteen.

Al botsen op de harde baen,
vingh plots dat herte te spreken aen.

Al weenen vinghet te spreken aen:
“Och jonghe, hebs di seer gedaen?”

Victor dela Montagne (1854-1915)

Dit gedicht is een bewerking van Jean Richepin’s gedicht ‘Y avait un’ fois un pauv’ gas’.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gaston Burssens • Oud liedje

Oud liedje

in een roze zeepbel
in een blauwe zeepbel
– meisje wat zijn je wangen roze
meisje wat zijn je ogen blauw –
staat een broze roos te blozen
staat een blauwe star te staren
waar de star bleef stille staan

als de star
                       stil
                                 staat
zal ik je roze wangen zoenen
zal ik je blauwe ogen zoenen
roze zeepbel
blauwe zeepbel
waar de star bleef stille staan
waar de star – roze wangen –
waar de star – blauwe ogen
waar de star
                       stil
                                 staat

broze zeepbel
starre star
die nooit stil staat

Gaston Burssens (1896-1965)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Van Cruijff tot Cicero: zes taalboeken genomineerd

Van Cruijff tot Cicero: zes taalboeken genomineerd

Dit najaar zal voor de tweede maal de Onze Taal/ANV-taalboekenprijs worden toegekend – een onderscheiding voor het beste boek over (de Nederlandse) taal. De prijs, een geldbedrag van € 3000,–, wordt uitgereikt op 10 oktober bij de afsluiting van de Week van het Nederlands.

De drie initiatiefnemers – het Genootschap Onze Taal, het Algemeen-Nederlands Verbond en dagblad Trouw – willen met deze prijs de aandacht voor het goede taalboek bevorderen. Goed betekent in dit geval ‘oorspronkelijk, goedgeschreven en taalkundig relevant’. In 2019 won taaljournalist Gaston Dorren de prijs met zijn boek Babel.

Lees verder >>

Gedicht: Agatha Seger • Oud liedje

Oud liedje

Uit lieven groeit groot lijden
een lijden zonder end,
maar voor den ingewijde,
hij die de liefde kent,
wordt wonder elke smerte
en zalig elke pijn
zoolang het eene herte
aan ’t andre maar mag zijn.

•••

Verlaten, verlaten,
verlaten, o kind,
moet ieder op aarde
wat meest hij bemint…
Wat meest hij bemint
en wat adem hem zij.
Verlaten, verlaten…
o God, sta ons bij…

Agatha Seger (1902-1993)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jac. van Looy • Oud liedje

Oud liedje

Het licht is bleek en traag,
De dag is arm en kort.
Wat leeft beweegt zoo vaag …
’t Is of geleefd niet wordt.

Een ondoorzicht’ge hang …
Een leeftijd arm en kort …
Maar ’t oogenbliks-leven is lang
En stilkens eindeloos wordt.

December 1900

Jac. van Looy (1855-1930)

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jac. van Looy • De dood van den ouden Triton

De dood van den ouden Triton

Naast zijnen horen lag hij aan de zee.
– Het ebbe-strand beschimd van bekkeneelen**
Wat wind ging door zijn wier-baard, over vele
Verharde krinkels en gepekeld wee.
Zijn groenige oogen bràken naar de zee,
Hij aêmde ’t al nog in ’t wriemlen der deelen,
Hij hoorde verre, vochte liedren spelen
Op ’t momplen der verduisterende zee…
Stil lag daar d’oude bruiser. Stil niet was ‘t,
Het hoofd door zooveel zeeën overplast,
Schelp-ruischte ’t warrel-woelen van zijn wereld
Waar hij zoo lang zijn’ Liefde had bepereld…
Zoo stil de vloed, zoo wonder was de dag,
Toen hij daar lag met zijnen dooden lach.

Londen. Sept. 1895.

Jac. van Looy (1855-1930)

** schedels

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jac. van Looy • Café

Café

Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
Bloeien in kronen en ’t goud rommedomt,
In spiegel-wanden duizendvoud weêrómt,
Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
Dan in geroes van vele vale talen,
In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
We hurken om tafels, naar elkaâr gekromd,
Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
Daar zitten we onder zuilen als in dag,
Stoer lijf bij lijf, elkaâr, wijl de uren vliegen,
Vertrouwelijk van ’t leven te beliegen.
De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
Hóór, door de rooie rook joelt onze lach…
De zaal ’n burcht is… de klare glazen klinken.

1889

Jac. van Looy (1855-1930)

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacqueline van der Waals • Heb mij lief, gelijk ik ben

Heb mij lief, gelijk ik ben.

Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
– Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn –
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel….
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of – als gij praten wilt – spreek gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen….

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek – of naar het klokgetik –
Of ‘k laat de stilte ruischen om ons heen,
– Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen –
Als ‘k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
– Of ons gesprek – verbreken met mijn vraag:
‘Zeg, zijt ge ook blij, dat ik hier naast u zit?’
Spraakt gij dan ‘ja’, dan zei ik zacht: ‘Ik ook’…

En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Nieuwe verzen (1909)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kreek Daey Ouwens • Dit is zoiets als wind

Uit Guillaume, de nieuwe bundel van Kreek Daey Ouwens, over haar verstandelijk gehandicapte broer: “Guillaume is anders. Of beter, Guillaume is bijzonder. Hij beantwoordt misschien niet aan de hoge verwachtingen van zijn vader, maar in het leven van menig ander is Guillaume een baken van inspiratie.” Interview.

Dit is zoiets als wind
Zuurstof op wieltjes
Guillaume midden in een zee

Guillaume met Kerstmis
Rendierenmuts
Sigaret tussen zijn vingers
Het lukte hem nooit een sigaret netjes te vullen
Klodders tabak overal

Guillaume die zijn duim opsteekt
Gelukzalig dansend met een dikke meid

     Ken je die mop van Sippertie?
     Als hij staat, dan bibbert ie!

Wij lachen heel hard
Vader ook

Kreek Daey Ouwens (1942)
uit: Guillaume (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Albrecht Rodenbach • Macte Animo

De strijdbare dichter Albrecht Rodenbach overleed op jonge leeftijd aan een longziekte. Dit is een van de laatste gedichten die hij schreef.

Macte Animo*

Ik moet er niet van weten, van die zuidsche vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de boomen kneuteren gaan
dat ’t jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het, God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u den geest, Noodlottigheid?

Gij die vandaag den hemel kuischt van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
– Mijn zonnig land… mijn verten… mijn jong leven… Kameraad,
nicht raisonniren… weer u scherp, en eind als een soldaat!

21 October 1879

Albrecht Rodenbach (1856-1880)

* Houd moed. Van Vergilius’ regel ‘Macte animo, generose puer! Sic itur ad astra’, oftewel ‘Houd moed, edele jongeling! Zo bereikt men de sterren.’

“Verder geldt voor hem wat wij ook reeds van andere dichters opmerkten: hij is van meer belang geweest voor zijn tijd dan voor het nageslacht. Albrecht Rodenbach is de figuur geweest bij wie het strijdend element van de Vlaamse Beweging het sterkst was: hij wekte zijn medestudenten op tot openlijk verzet tegen de verfransing, aan hem danken wij het strijdlied Klokke Roeland, door hem werd ‘Vliegt de Blauwvoet, storm op zee!’ tot de algemene strijdkreet.”
H.J.M.F. Lodewick

Foto: Zeisterre / Wikipedia


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Cees Nooteboom • Hoor de muziek maar de woorden niet

Uit Afscheid. Gedicht uit de tijd van het virus, de nieuwe bundel van Cees Nooteboom.

Hoor de muziek maar de woorden niet,
dansbeweging, maar met niemand erbij.
Gedicht, maar zonder een lezer.
Tijd, maar zonder de cijfers.

Hoeveel raadsels kun je verdragen?
De vriend die stierf maar niet meer kon praten,
de andere vriend die in zijn laatste bed
een cirkel tekende met zijn handen,

en daarmee reizen bedoelde. Dat was
een afscheid, en ik begreep het, ik moest
nog reizen en verder, cirkels over de wereld
tot ik weer bij hem zou zijn,

of hij bij mij, een vergeefse belofte.

Cees Nooteboom (1933)
uit: Afscheid (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Fred Portegies Zwart • Vroege herfst

Vroege herfst

Het lijkt geluid dat nooit afwezig was:
de beurtval van de peren in het gras.
De wind haalt nog maar adem, maar die zucht
voorspelt de gang van kan niet op naar sober.
’s Ochtends nog september, ’s avonds diep oktober
trekt in augustus al het najaar door de lucht.

Of ’t blad nu is verzameld aan de voet
of zich als dichte kroon verheft, voorgoed
blijven de takken zichtbaar in de bomen.
Geen nieuw seizoen maakt het nog ongedaan,
geen schaduw valt meer om in schuil te gaan:
de herfst is over heel het jaar gekomen.

Fred Portegies Zwart (1933-2003)
uit: Krullen van jezelf (1993)

Foto: Raymond Noë


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: anoniem • Een oudt liedeken

Een oudt liedeken
(Ende den eersten reghel singhet altoos tweewerf)

Dat ruyterken in der schueren lach:
Die schuer was cout, den ruyter was nat.

‘Och lieve heer waert, decket mi!
Die schuer is cout, seer vrieset mi.’

Die waert sprac zijnder dienstmaecht toe:
‘Gaet, decket den ruyter met haverstroe.’

Dat meysken en dorstet laten niet,
Si dede dat haer haer meester hiet.

Si nam den ruyter in haren arm,
Al was hi cout, si maecte hem warm.

Doen die ruyter zijn willeken had gedaen,
Sprac hi: ‘Scoon meisken, ghi moecht wel gaen.’

‘Waer soude ic rijden, waer soude ic gaen?
Ic ben met uwen kinde bevaen!’

‘Sidy met mijnen kinde bevaen,
So sult ghi rijden ende ick sal gaen.’

Hi settese voor hem op zijn paert,
Hi voerdese tzijnder moeder waert.

‘Och lieve moeder, hier is mijn wijf:
Ick hebse liever dan alle u lijf.’

Die moeder sette haer eenen stoel,
Die dochter worp daer een cussen toe.

Die moeder leyde een ey int vier,
Die dochter twee, dat waren drie.

Anoniem
uit: Antwerps liedboek (1544)

Toelichting en woordenlijst.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: anoniem • Een out liedeken

Een out liedeken

Het quamen drie ruyters geloopen.
So verre int duytsche lant
Met netten ende met knoopen, ja knoopen!
Het waren die beste die men vant.

Si quamen voor eender waerdinnen huys,
Al daer men tapt den wijn:
‘Waerdinne, wi droncken so gaerne, ja gaerne!
Wi hebben gheen gheldekijn.’

‘Waer op soude ick u borghen?
Ghi comt uyt vreemde landen,
U cleederkens die zijn dunne, ja dunne!
Ghi en hebbet ghelt noch panden.’

Doen sprack dat jonckwijf van den huys:
‘Nu tappet den ruyters den wijn!
Al dat si verteeren, ja teeren,
Daer sal ick u borghe voor zijn.’

Doen sprac die vrouwe van den huys:
‘En spreket niet so bout!
Si souden u helpen verteeren, ja teeren
U silver ende oock u gout.’

Doen sprac dat jonckwijf van den huys:
‘Ic woude die joncste ruyter waere mijn
Ende ick er mede soude gaen wandelen, ja wandelen
Van Straesborch tot op den Rijn!’

Die joncste ruyter tooch uyt zijn net
Ende worp ’t inder maghet schoot:
Daer stont die edel ruyter, ja ruyter.
In een wambeys van goude root

Anoniem
uit: Antwerps liedboek (1544)

Toelichting en woordenljst.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Kees Stip • Op een paard

Op een paard

Een paard stond meer dan 100 jaar
te wachten voor de Horse Shoe Bar.
Daarin zat dokter J. van Dieren
de Slag bij Waterloo te vieren.
‘Hij lust hem,’ sprak de trouwe klepper,
‘die ouwe streptococcenmepper.
Dat wordt beslist weer nachtwerk, net
als laatst, toen Leiden was ontzet.’

Kees Stip (1913-2001)
uit: De dierkundige dichtoefeningen van Trijntje Fop (1955)

tekening: Bertram


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gabriël Smit • Omschrijving van de liefste

IV

Het was. Achter de verdere ramen
rijst morgenlicht, over je oogleden
beginnen de vingers van de dag vrede
te strelen. Je knijpt je wimpers samen,

weert af; geen eerste licht is zuiver
als de gloed die je schoot behoeden
wil: wonder dat brandend uitbloeden
zal naar oerdiepten waarvan ik huiver.

Licht van bergtoppen, sneeuwlicht, ijle
verrukking van boven ademgrens bevend
geheven leven, – en even sterk duisternis,

stromende één met wat onder aan steile
rotswand te wonen ligt, lijdend, levend.
Het was. Nu komt de dag. Het is.

Lees verder >>