Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Koos Schuur • Het woord

Het woord

Wandelend door een boomgaarden wereld
vroeg ik een vogel een vederen woord
een zingend woord een zonlicht woord
smeekte ik een vogel een woord mij ten dienste
een vliegwoord een vangbal een boemerang

Maar toen ik droomde dat mijn wens zich vervulde
verschool ik mij om het te breken
om te zien wat er in zou zijn:
een nest jonge vogels
of schaduw en schimmel
een beest dat zou bijten
of mijzelf schreiend
of van de wereld het eerste en laatste
niets

Koos Schuur (1915-1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Lodewijk van Deyssel • Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen

Het hele verhaal over dit gedicht. En hier de toonzetting door Alphons Diepenbrock.

Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen

Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen,
Want waar mijn oogen langs de wanden dwalen
Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen
Hoor ik in ’t klokgetik uw voeten treên.

En langzaam nadert gij, zoo ver, zoo kleen …
’k Zie dat een brede neevlenkring met valen
Lichtloozen sluier u omhult; dan dalen
Zachtjes uw lichte schreden naar mij heen.

Uw adem vaart mij aan! Gij zijt verschenen,
Ik zie uw oogen in mijn oogen gaan;
’k Hoor in den wind, die langs mijn ruiten henen
En door de schouwe klaagt, uw woorden aan,
Zoo vreeslijk droef en teer, dat ’k u zie staan
Met bukkend hoofd, om in mijn arm te weenen.

Lodewijk van Deyssel (1864-1952)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Louis Th. Lehmann • Als ‘k dood ben

Uit ‘Het air van man, die niet begrepen is’, een bundel met tekeningen en gedichten van Louis Th. Lehmann, plus enkele beschouwingen over hem van anderen. Het boek is een voorproefje van een veel omvangrijker boek over Lehmann, dat dit voorjaar zal verschijnen.

Als ’k dood ben

Als ’k dood ben zijn mijn kleren rare dingen:
de overhemden sierlijk in hun doos,
de pakken, hangend waar ze altijd hingen,
steeds wijzend naar omlaag, besluiteloos.

Ik was ze, ik alleen droeg hen altoos.
En, omdat ze mij zo vaak vervingen,
of omdat ik hen uit hun winkel koos;
zij weten iets van mijn herinneringen.

Gij vrienden, enigszins van mijn formaat,
ik roep U, als de dood te wachten staat,
(maak ik het sterven bij bewustzijn mee).

’k Geef U of leen, ’t zou niet de eerste keer zijn,
mijn pakken, vormt met hen die mij niet meer zijn
dan langs mijn kist een onzwart défilé.

Louis Lehmann (1920-2012)
uit: Een steen voor Hermes (1962)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Folgóre da San Gimignano • Maart

‘Maart’ — uit de maandencyclus van Folgóre da San Gimignano, plus het ‘tegensonnet’van Cenne de la Chitarra, beide vertaald door Frans van Dooren.

Maart

Ik geef je in maart aan vis een vette buit:
forel en paling, karper en lamprei,
dolfijn en steur, garnaal en zalm en blei,
en al wat zich maar in de netten sluit;

met kerels die op bark of vissersschuit,
karveel of kotter zonder averij
met groot genoegen en bij ieder tij
de haven aandoen door jullie aangeduid:

Lees verder >>

Gedicht: Raymond Herreman • De dieren

De dieren

Gij adelaar, die zweeft
boven der liefste slaap;
gij rilde ree, die beeft
bij haar; gij naakte aap,
die de oogen van haar wendt
daar gij aan haar kuisch oog
uw arme geilheid kent;
giraf, die van zoo hoog
uw zachten adem wuift;
gij beer, die groetend heen
en weder voor haar schuift;
gij olifant, hyeen,
gij leeuw, en wolf, en vos,
die, wachtend tot zij waakt,
van drift en deugden los,
uw spel en min verzaakt:
treedt uit, in wijder kring,
opdat ik haar, die ‘k vond,
mijn leed en liefde zing
met woordeloozen mond.

Raymond Herreman (1896-1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Raymond Herreman • De dronkenschap

De dronkenschap

De dronkenschap, de drift en nog een cigaret,
wie niet de banden breekt zal nooit de maat beminnen;
laat ons nu dronken zijn, voor morgen ’t wijs bezinnen:
werd Faust niet op zijn late jaren nog gered?

Wij zijn te wijs, helaas, voor kinderlijken koop,
en vragen niet oud leed met eeuwge jeugd te ruilen;
wij vragen maar één avond in ’t rumoer te schuilen,
één uur weer te gelooven aan den schijn der hoop.

Wij rapen hier wat lol, wij rapen daar wat schoons;
de kortste weg is niet de rechte, staat geschreven;
laat ons de meid omhelzen die ons niets kan geven
en door de straten dweilen als verloren zoons.

Te vroeg heeft ons de liefde aan de eenzaamheid gewend,
opdat niet veilig ons verdriet zou zijn geborgen:
geen drank, geen vrouw, geen rook, zal langer dan tot morgen
den geest beneevlen die de grens der vreugde kent.

Raymond Herreman (1896-1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Raymond Herreman • Beatrijs

Beatrijs

Het zingt van Beatrijs in mij,
en om haar naam vergeet ik ’t leed,
dat haar als steeklig boetekleed
om liefdes naaktheid lei.

Gaan wij niet al den zelfden weg,
van vrome jeugd naar wilder jeugd,
van klaren lach naar woester vreugd,
en dan naar God terug?

Het zingt van Beatrijs in mij
want onder mijner zonden drang
stemt zich, in zorg nog, vromer zang
en wordt reeds melodij.

Raymond Herreman (1896-1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul van Ostaijen • Malheur

Paul van Ostaijen-jaar.

Malheur

Warme walmstal
de heer privaatdocent K.
in de zomerfriste uit Breslau
probeert of hij bij middel van een convergerend glas
zijn sigaar Uebersee Bismarck kan aansteken

Op 2 meter van de bergtop verwijderd
valt zijn hoge hoed in de afgrond
een waardevol kledingstuk voor een privaatdocent onmisbaar
wat de heer K. begrijpt
hij probeert te vatten zijn vallende cilinder
waarbij hij zelf valt in de diepte
zijn cilinder achterna
differens weerstand van de lucht
zo gelukt het de heer K. gelijktijdig met zijn hoge hoed
de afgrond te bereiken
Ongedeerde hoge hoed R.I.P. privaatdocent K.

Men siert de baar van de arme alpetoerist
met edelweiss
De te zware rouwsluier zijner echtgenote
wordt gevat door een sneltrein
en bijgevolg ook de treurende Hintergebliebene

Alpinetragedie de dagbladen

Paul Van Ostaijen (1896-1928)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gabriël Smit • Vergeefs

Gabriël Smit zou vandaag 111 zijn geworden.

Vergeefs

Tussen U en mij trekken nachtlange
dagen een wezenloos wolkenspoor:
ik zie U, zie hoe uw handen
wijzen, maar loop er diep onderdoor,

weet niet wat U zegt, smeek vogels
uw naam, klaag akkers aan, breek
schemer van huizen open,
ransel de dingen af: spreek, spreek,

kom dichterbij, wees eindelijk eerlijk,
kom uit achter uw eigen gezicht,
sla uw ogen op naar die U kijkt.

Of anders: bewijs mij mijn ongelijk,
dat mijn ogen zich vrij kunnen keren
naar hun binnenwaarts vergezicht.

Gabriël Smit (1910-1981)

Portret: J.H. Moesman


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: A. Roland Holst • Elven Zingen bij een Alleengelaten Kind

Elven Zingen bij een Alleengelaten Kind

Blaas het maanlicht in zijn oogen,
ritsel wilgenblaren bij zijn ooren …
Laten zij hem nu maar houden,
altijd zal hij ons behooren,
en zij zullen niet vermogen
binnen muren die zij bouwden,
binnen liefde van hun oogen
hem te houden …
o, wat zouden
— als ons zingen door zijn jaren
rust en duur hem heeft ontnomen —
al hun klagen en ervaren
tusschen hem en onze droomen,
hij zal komen, hij zal komen,
en zijn oogen zullen staren …

ritsel, ritsel wilgenblaren,
blaas het maanlicht in zijn oogen.

A. Roland Holst (1888-1976)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: David Troch • de berg

Uit voor jou wou ik een huis zijn, een bundel die geheel geschreven is in eenlettergreepwoorden — van David Troch.

de berg

als ik aan de berg denk, droom ik van de vlag
en de stok die ik de sneeuw in plant.

aan de voet van de berg meet ik op het zicht
hoe hoog hij is, waar het steilst, wat de klim van me vergt.

ik zie zo hoe ik het snelst naar de top kom.
in een mum van tijd klamp ik me vast aan sterk touw,
kust mijn neus de wand van de berg.

het deert me niet dat de rots schuurt en mijn huid schaaft.
ik wil en ik zal. ik glijd niet weg, flik het,
bijt me vast. ik wil en ik zal.

al moet ik door een hoop sneeuw, ik vecht me naar de top.
eens ik op de top van de berg sta, zie ik de berg niet meer.

David Troch (1977)
uit: voor jou wou ik een huis zijn (2021)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jaap Zijlstra • Vreugde

Vreugde

ik zou van blijdschap
een klarinet willen zijn
een diepe fagot
van ontzag

ik zou
tomeloos willen draven
een hinde
tokkelend over de aarde

een carillon
zou ik willen zijn
een octaaf duiven
wirwar over de stad

mijn handen mijn occarino
mijn voeten hindelopen
mijn hart mijn naftali

en al de klanken van mijn vreugde
uitstrooien in het licht
een luisterrijke fontein
een welluidende waterval

o overvloed van leven
bron van geluk
geloofd zij God
met diepe teugen

Jaap Zijlstra (1933-2015)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Willem van Iependaal • De ontmoeting

De ontmoeting

De regen viel in de verzonken straten.
Hij zocht de hemel en zij vond de goot;
Hij mocht niet minnen en zij kon niet haten …
De preek was over en de dag was dood.

Hij sprak berispend van verkeerde wegen.
Zij kent het leven en ze heeft verstaan,
Dat de zonde zalvend wordt bedreven
En de braafheid vloekend wordt begaan …

De regen viel in de verzonken straten.
Hij zocht de hemel en zij vond de goot;
Hij mocht niet minnen en zij kon niet haten …
De preek was over en de dag was dood …

Willem van Iependaal (1891-1970)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: J.W.F Werumeus Buning • Hoe klein, hoe bitter en verstoken

Hoe klein, hoe bitter en verstoken
Van deemoed blijft het woord waar deze wijs op gaat
Hoe blijft elk bij zijn eigen leed gedoken
En keert naar aardes woon het zingende gelaat.

En al dit smeken, heel dit ziek gebed
Is armelijk van verlangst om eigen baat
En meet uw grootheid naar de eigen maat
En deinst voor de erkenning van de wet,

Een ogenblik onthuld, als in de bliksemvlagen
De openbaring van een wijde streek,
Brandende in ’t bevreesde hart geslagen
En die weer voor de trage smarten week.

Vergeef het lied, vergeef het blinde leed
Hoe vaak het in de woorden komt gestegen.
Haar voeten waren smal en snel, gij weet
Hoe mij te moede is, op de bekende wegen.

J.W.F. Werumeus Buning (1891-1959)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anne Broeksma • Déjà vu

Uit Vesper, de nieuwe bundel van Anne Broeksma.

Déjà Vu

aan de rand van oerwoudbergen
bij een stam in het noorden van Cambodja
waar men een uitgestorven taal spreekt
en onderhandelt met geesten
kwam ik mijn jeugd weer tegen

er was een bruiloft bezig, al enkele dagen
koelboxen waaruit blikken kwamen
vaders met luide adviezen
die wild in hun tuinstoelen draaiden
het nageslacht al voor de rituelen ontsnapt
met blikjes en munten
verwikkeld in toernooien
even dansend rond de tafels als er eten was

de volgende ochtend werd ik wakker in een hangmat
onder een huis op palen
de vazen rijstwijn kloppend tussen de slapen
cicaden die de zon aanhaalden
en ik zag de vrouwen boven houtvuren hangen
roerend in reusachtige pannen
precies zoals de avond begonnen was

Anne Broeksma (1987)
uit: Vesper (2021)

Foto: Fjodor Buis


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: J.W.F. Werumeus Buning • Een oud vers

Een oud vers

Wat ik betreur te hebben niet bezeten
Is het geluk van menig burgerman:
De vrede van het huisgezin, en van
De kinderen, die mee aan tafel eten.

En ik weet wel, dat in mijn arm gelegen
De liefste is bezwijmd van zaligheid,
Dat ik de stem ken van de eeuwigheid,
En van het hart, dat mijn hart is genegen.

Maar dit is alles niets, al deze dingen,
Gezegend, en te min; ’t is eens niet meer;
Men hoort de vogels in de bomen zingen,
De jaren gaan, de winter keert steeds weer,
De sterren staan. Ik heb niet goed gekozen.
Wat doet een bedelaar met rode rozen?

J.W.F. Werumeus Buning (1891-1959)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Juliën Holtrigter • Begraafplaats te V.

Uit De sprong van de vis, de nieuwe bundel van Juliën Holtrigter.

Begraafplaats te V.

Zerken zijn zeer gevoelige stenen, ze absorberen
alles wat neerslaat aan sporen en schimmels.

Dat het maar doorgaat met sterven en uitbotten,
bloeien, binnen en buiten de regels en lijnen,

verstoken van kennis, onwetend van wat geweest is,
van wat er speelt overal.

Lees verder >>

Gedicht: J.B. Charles • Late liefde

Late liefde

Moe als ik mij en oud
als ik mij voor mijn tijd voel worden,
is mijn gebeente koud
van ingevroren haat tegen de horde
die ‘k nu al in geen weken heb beledigd,
omdat ik niet meer kan,
omdat ik niet meer wil,
omdat ik niet meer weet
of ik niet beter stil
wat er nog is aan ziel
laat weiden in de rust,
in wat mij hier nog lust
aan wat er rest aan geur
en licht en klank en kleur;
en stilte.

Zo staat het, als de hand die slaan moest strelen gaat,
daar gaat het heen, als het je tegenstaat
gelijk te hebben en daarbij te weten
dat elk gelijk alleen bedrog kan heten.
Doop elke overwinning maar verslagenheid.
Wanneer de mond die bijten wil gaat kussen,
dan is het laat, mijn hart, dan is het tijd,
zeg maar gedag en ga er maar van tussen.
Misschien was daar het wachten op. Misschien
dat God dit heeft bedoeld. Wij zullen zien.

J.B. Charles (1910-1983)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Folgóre da San Gimignano • Februari

Uit de maandencyclus van Folgóre da San Gimignano, vertaald door Frans van Dooren.

Februari

Ik laat je in februari beren jagen
in een bevroren bergkloof grauw en grijs,
met lekke laarzen over dooiend ijs
ten prooi aan sneeuwjachten en regenvlagen.

Wat de een leuk vindt, zal de ander niet behagen:
knechten die koppig zijn en eigenwijs,
waarden die uit zijn op een woekerprijs
en vrouwen die wol spinnen alle dagen.

En eenzaam in dat winterse domein
diep zuchten om ’t verdriet waarin je leeft
en drinken van de bittere appelwijn,

terwijl de stormwind woedt en de aarde beeft,
zonder veel schade, maar met zulk een kracht
dat je geen oog meer dichtdoet heel de nacht.

Folgóre da San Gimignano (1270-1322)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: P.C. Hooft • Sonnet

Sonnet

‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief.’ Zo sprak mijn lief mij toe,
dewijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.
De woordjes alle drie, wel klaar en wel bescheiden,
vloeiden mijn oren in, en roerden (‘k weet niet hoe)
al mijn gedachten om, staag malend, nemmer moe;
die ’t oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.
Dies ik mijn vrouwe bad mij klaarder te verbreiden
haar onverwachte reên; en zij verhaald’ het doe.
O rijkdom van mijn hart, dat overliep van vreugden!
Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden.
Maar toen de morgenstar nam voor den dag haar wijk
is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.
Hemelse goôn, hoe komt de schijn zo na aan ’t wezen,
het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

P.C. Hooft (1581-1647)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Annet Zaagsma • Bijsluiter: droomscenario

Uit Ongedierte dat niet bevriest, de tweede bundel van Annet Zaagsma.

Bijsluiter: droomscenario

in mijn eigen koninkrijk nu
geen korsetten of naaldhakken
alleen even af en toe van boven
wat opdirken voor een vergadering achter glas
hier worden geen daklozen bekeurd
omdat ze niet naar huis gaan

op afstand ruisen auto’s
de regen terug op straat
de wind kletst alsof iemand
lachend rent op het grindpad
mijn eigen geluid blijft over
als ik mijn haar laat knippen in het groen
de vogels ermee wegvliegen

in een wereld op de vierkante millimeter

geen mensen die de hel zijn
binnenkomen of inzoomen op
een zijspoor
later
komen wij onder de sneeuw vandaan
als twee verloren handschoenen

Annet Zaagsma (1971)
uit: Ongedierte dat niet bevriest (2020)

Foto: Reyer Boxem


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jan Wolkers • Ik heb de winter liefgehad (III)

Ik heb de winter liefgehad.
De adem aan het raam,
De holte in de ijsbloem.
Een stem die zegt, ‘Hij werpt zijn ijs’,
Een driepunter, en dat op wintervoeten.
Het gele wonder van de distelvink
Verbleekt de vlammenwerper van de zon.
De vluchtige en vale vlokkenregen,
Verstijft op het behang van bomen.
De hermelijn verschiet van kleur
Uit bloeddorst naar de strot van hazen.
De sneeuw verdooft geluid tot gonzen,
Het knerpen heeft geen afstand die beklijft.
De rijp geeft stijfselbomen helderheid.

Jan Wolkers (1925-2007)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Demets • Beter is er licht

Uit de bibliofiele uitgave Beter is er licht, van Paul Demets, verschenen bij uitgeverij Druksel.

Beter is er licht (5)

We hebben de wind in de rug en trekken met de karavaan
door de straten. Het confettikanon wordt gevoederd.
En ja transit en ja een centrum in brand. Maar zijn we

onze broeders hoeder? Verrast onze geur, onze kleur?
Leve Prins Carnaval die durft te zeggen wat we denken.
De dansmariekes wervelen en draaien voor jullie ogen

een rad. Pinten en polonaise. Ge ziet er goed uit, zegt een man
in sanseveria. Wanneer bladdert de verf? We hoeven
onze maskers niet af te nemen. Geloof ons: er wordt

transparant gehandeld. Niemand is onze vijand. Maar niemand
die dat ziet. We weten van niets en zelfs dat niet.
We houden de vingertoppen van onze rechterhand

tegen onze linkerslaap. En groeten. En groeten.

Paul Demets (1966)
uit: Beter is er licht (2021)

Portret door Pieter Fannes


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.