Auteur: Raymond Noë

Gedicht: Hendrik de Vries • Koorts

Koorts

Hoor! Zoo is nooit gezongen! Hoor!
’t Behang bewoog,
En ’t haar van ’t zwaarbewimperd oog.
Wat vloog
De ruimten door?

’t Zal morgen zijn
Of ’t niet bij nacht zoo hard met zweepen
Geslagen had. –
Zie door ’t gordijn
De geesten in hun koude schepen!

De takken schaven aan de randen
Van ’t venster. In de verte fluit
Het altijd helder langs de landen.
De dieren op de wanden
Verdwijnen. ’t Licht gaat uit.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: De nacht (1920)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Nachoem M. Wijnberg • Mozes of Mozes

Uit Joodse gedichten, de nieuwe bundel van Nachoem M. Wijnberg.

Mozes of Mozes

Mozes of Mozes,
vraagt Mozes,
want dat is eindelijk een vraag waar hij Mozes op wil antwoorden,
en waar staat zijn Mozes:
ver genoeg van hem af dat hij niet hoort
hoe hij zegt: Mozes, Mozes,
Mozes? Wat vreemd is aan de man Mozes,
bijna alles, zijn naam, dat het was alsof hij de enige was
die met een mens zou kunnen spreken
(of genoeg gezicht naar gezicht om te zien
dat hij geen gezicht zag). In de ochtend schrijft hij op waar ze weggaan
en in de avond, voordat het helemaal donker is, waar ze dan zijn,
zo weet hij later dat ze opnieuw zijn
waar ze eerder waren, zelfs veertig jaar geleden,
want soms lopen zij in cirkels zoals wie verloren is
in een bos. (Rasji schrijft dat het grootste wat Mozes deed
het breken van de bladzijden van steen was waarop geschreven was,
omdat hij zag dat het volk die anders op een altaar gelegd had
en hij brak ze ‘voor hun ogen’. Hij brak ze in scherven,
alsof hij ze zelf geschreven had
en plotseling zag waar hij zich vergist had). Ach man Mozes,
je weet niet waar Mozes is? Maak je geen zorgen,
als de grens opengaat
kan iedereen Mozes zijn. Je trekt nog zo’n gezicht dat je beter kan uitvegen,
alsof een van je Mozessen je gezegd heeft
dat als de grens nu opengaat
jij aan de andere kant moet blijven om op de achterkant
van je woorden te schrijven.

Nachoem M. Wijnberg (1961)
uit: Joodse gedichten (2020)

Foto: FEB


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: W.F. Oostveen • Mijn schaapje

Mijn schaapje

Ik ken een aardig schaapje,
’t Loopt ginder in de wei,
Het huppelt en het springt maar
Heel vergenoegd en blij.

Het dartelt in de weide
De ganschen langen dag
En eet en drinkt met luste,
Al wat het gaarne mag.

Was ik maar eens zoo’n schaapje,
Dan zat ik nu niet hier,
Dan ging ik nooit naar school toe
En had maar steeds plezier.

Wel jongen lief, wat zegt ge,
En meent ge dat? Och kom,
Dan bleeft ge net als ’t schaapje,
Uw heele leven dom.

W.F. Oostveen (1849-1890)

Foto: raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Liesbeth Lagemaat • De rouw van het nevelkind

Uit Vissenschild. Een episch gedicht van Liesbeth Lagemaat. Het gedicht wordt uitgevoerd als gesproken opera op 19 november in Perdu in Amsterdam.

De rouw van het nevelkind

Dan sluipt het schirrezusje langs de plas, haar zweemkompaan
ooit gebotseld uit hersenkrampen van een allenig kinderwezen.

Aan te roepen als een zilveren fluitje in de nacht.
Waar weven draden zich van dauwkind naar Elpis in de ochtend

straks, die komt. Hoe de weteringdamp in zichzelf verwart.
Nevel zoekt: is dat een passende afdruk in gras, kan dampvoet staan

in dat stuk getekende modder. Zuchtzusje spreidt zich uit
op de doofstomme akker. En speurt. Sluierdans, dat ook, maar

vanwege de breuklijn, getrokken vannacht.

Wat blijft: de trekking naar haar. Wat blijft: een richtingloos
zoeken. Zoveel vocht is de wereld ten spijt. Nimbus. Nimbus.

Een bij duikt diep in het vingerhoedskruid, mus bekt stupide in
graangruis, een zinloze wesp tilt zijn achterlijf op, bladnerven

doorlaten een grim van licht. De dag heeft zichzelf in het water
geflikkerd, kringen, plichtmatig. Een tor met zwarte kabots landt

op rietkraag. Hakselstro. Een schunnige zon. Schirrekind spreidt
vingers naar niets. Zal blijven: een echo. Niks geen loutering

is het niets. Zal blijven: gejank dat niet meer uit je schedeldak is
weg te krassen, zal blijven een tong van chloor, schaamte

de doezelveer die elke klank ineen doet stuiken voordat een woord
gebrakt. En dan nog. Niemand hoort. Nevel spreidt zich en spiedt.

Het koolzaadveld overrompelend.

Liesbeth Lagemaat (1962)
uit: Vissenschild (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Herman Leenders • Hij

Uit Overstekend wild, de nieuwe bundel van Herman Leenders.

Hij

hij smokkelt zich naar binnen
niemand merkt hem op
in de haard de kelder het washok
niemand ziet hem in de tuin
doorzichtig en meegaand als hij is
vanzelfsprekend als de notelaar
als houtworm in het gebinte
roddelend met de kauwen en kraaien
lonkend in de spiegel
hij grijnst en spot
het spook met de happy socks
schreit als een krolse kater onder
de diepgevroren maan
draait de deur
achter mij in het slot

Herman Leenders (1960)
uit: Overstekend wild (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Roemer Visscher • Grafschrift

Grafschrift

Hier onder leyt,
Een jonghe Meyt,
Die plach te zijn,
Vrolijck van praet,
Eerlijck van daet,
Schoon van aenschijn.

Met hare vreucht,
heeft sy verheucht,
Groot ende cleyn:
Maer haer verdriet,
Claechde sy niet,
Dan God alleyn.

De wech ter doot,
Deur lyden groot,
Is sy ghetreden:
Met Lazaro bloot,
In Abrahams schoot,
Rust sy in vreden.
Amen.

Roemer Visscher (1547-1620)
uit: Brabbeling (1614)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacob Cats • Grafschrift van alle schoone

Ghy die hier vvandelt door de kerck,
En treet van d’een op d’ander serck,
Koomt hier, en staet een vveynich stil,
En hoort eens vvat ick seggen vvil.
        Hier onder leyt een schoone maeght,
Maer sooje die eens heden saeght,
Nu, seg-ick, als de bleecke doot
Heeft af-geteert haer jeuchdigh root,
Nu, seg-ick, als het duyster graf
Haer luyster heeft ghegeten af,
Nu, seg-ick, nu men slechs alleen
Maer siet een dor, een nietigh been.
Ach tusschen haer en Slons haer meyt
En vondje nu gheen onderscheyt.

Jacob Cats (1577-1660)
uit: Houwelick (1625)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Anthony van der Woordt • Prijs niet zalig den man, welke in paleizen woont

Prijs niet zalig den man, welke in paleizen woont;
wien een prachtige troon draagt; die den machtigen
schepter zwaait over landen;
wien millioenen hun hulde biên.

Neen! paleizen, o mensch! schutten de lagen niet
van den dood. Tot den troon dringen de dolken door:
hij stort neêr, die den schepter
zwaait, millioenen verheugen zig!

Ach! der koningen lot is niet bekorelijk;
want paleizen bewoont zelden de liefde: wen
eens een vorst eenen vriend heeft,
dan verwondren de volken zig.

Anthony van der Woordt (1769-1794)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Erwin Mortier • Al die puinen op onze aarde

Uit Precieuze mechanieken, de nieuwe bundel van Erwin Mortier. (En hier nog een voorproefje).

Al die puinen op onze aarde.

Tenochtitlan, Aleppo, Carthago, Nagasaki en de vergeten Incasteden,
Nineve, de piramiden van Koesj en het Ur der Chaldeeën,

waar onverlaten ooit hun vingers
in leem hebben geduwd en het schrift ontdekten.

Babel, waar de legoblokjes van al onze talen uit een hemeldoos vielen
op de speelgoedvloer van onze beschaving.

We schreven eerst om magazijnen op voorraad te houden,
zegt de traditie.
En toen kwam Gilgamesj, en al het andere.

Schrijven als doelbewust misbruik van rekenmethoden,
lang geleden, in natte klei, ergens in Sumer.

Dat bevalt me wel.

Erwin Mortier (1965)
uit: Precieuze mechanieken (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Pol de Mont • Oktoberavond

Oktoberavond

Een uitspansel van lood… Heel hoog, inktzwarte
traag heendrijvende wolken; lager, bij
de oneffen horizon, die van het Zuiden
onmerkbaar glooiend naar het Noorden loopt,
pikdonkre strepen op groenachtge grond,
en — lager nog, de kimme rakend schier,
een dunne, rode, helverlichte strook…
Daaronder strekt, beeld van verlatenheid
en armoe, zich een onafzienbre vlakte:
steenachtig land, waarop slechts hier en daar
wat pover onkruid wegteert, wijl, heel ver,
een enkle boom, verwrongen door de storm,
wat schaduw spreidt. —
                                    Krijtachtig loopt, gelijk
een lange slang, een smalle wegel dwars
door ’t eenzaam veld, en pikzwart, slechts van binnen
geelrood verlicht, verrijst, uit twintig schouwen
een dikke smoor uitpaffend, de fabriek,
zwoegend uit hese longen in de stilte
van vallende avond door het eenzaam veld,
zuchtend, als wilde de onbezielde stof
te zamen vatten in één enkle zucht
al ’t menslik lijden, dat die muren bergen…

Pol de Mont (1857-1931)
uit: Zomervlammen (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Peter Knipmeijer • ma1/40x

Uit ma1/40x, de nieuwe bundel (uit de toekomst in toekomsttaal) van Peter Knipmeijer.

jounes zeg da er ‘ne uur is
på die grensvlies between dag ó nacht
ó da juist da die meeste gebeurt: blauw
is dadie tijd ó strange dadie licht
die stroom o´er jounes steden. somewhere
i halfduister komt verborgen leven na buiten
as ‘ne weduwe på ‘ne oud matras
‘ne man die schrijft met houtvingers
‘ne halfblinde die skerptediepte zoekt

•••

i jounes herfst maken die bomen si winterklaar
as aanvulling
på die spookgedrochten i jounes sky
snoeiharde sprookjes,
kil ó toonaangevende wegwijzers
i die totaalplaatje von jounes kant von hierdie kloof
da na worden kransen gelegd:
kleinroodgekleurde guirlandes as
bliepbloepbliep gedrupte kinders
på vruchtbaar land
slapend,
fantastisk as nachtkaarsen

Peter Knipmeijer (1970)
uit: ma1/40x (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

15 eeuwen Nederlandse taal van Nicoline van der Sijs wint Taalboekenprijs 2020

Foto: Bart Versteeg

De Taalboekenprijs 2020 is toegekend aan 15 eeuwen Nederlandse taal van etymologe en hoogleraar Historische taalkunde Nicoline van der Sijs. Ze ontving de prijs – 3000 euro en een oorkonde – op 10 oktober in de uitzending van De Taalstaat, uit handen van juryvoorzitter Nelleke Noordervliet. Het is de tweede keer dat deze taalboekenprijs is toegekend.

15 eeuwen Nederlandse taal beschrijft hoe de taal van de Lage Landen ontstaan is uit het Indo-Europees, de voorouder van de meeste Europese talen, en hoe die taal zich via het Oudnederlands en Middelnederlands ontwikkelde tot het Nederlands van nu. De jury prees het boek om zijn visie, zijn gedegenheid en zijn toegankelijkheid:  “Op de van haar bekende deskundige en erudiete wijze plaatst Nicoline van der Sijs taalontwikkeling in een historische en maatschappelijk context. Het boek is doordacht qua structuur, en verliest ondanks de vele details en wetenswaardigheden het grote verhaal van de taal nooit uit het oog. Dat alles resulteert in een boek dat zowel voor de liefhebber als voor de kenner een lust is om te lezen.”

De Taalboekenprijs is een prijs voor het beste taalboek – een boek dat bedoeld is voor een breed publiek, en dat oorspronkelijk, goed geschreven en taalkundig relevant is. De prijs is een initiatief van het Genootschap Onze Taal, het Algemeen-Nederlands Verbond en dagblad Trouw. Er waren zes boeken genomineerd, van onder anderen de onlangs overleden taaljournaliste Liesbeth Koenen en taalkundige Hedde Zeijlstra.

• Lees hier het juryrapport.

• Bekijk hier de shortlist

Gedicht: Klaas Jager • Zeg het een keer recht in mijn gezicht

Uit Dichtbrieven van een overzeese vriend, de nieuwe bundel van Klaas Jager.

Zeg het een keer recht in mijn gezicht
wat jij nu eigenlijk echt nog van mij wilt,
een slepende vete als souvenir van vrede
het vooruitzicht op geen van beide wellicht?

of ambieer je vooral een verzekerde plaats
een goede baan, drie keer daags een maal
een bed met een onnozel lichaam langszij
een luchtig verhaal voor het sombere getij

een gepolijst gedicht dat gemakkelijk ligt
een rijmvers dat er ingaat als suikergoed
een anekdote over hij, zei, jij en tig keer ik
een plat schrift dat nergens diepgang zoekt

een pointe die al in de eerste zin mank gaat
een stijlfiguur die opvallend doorsnee lijkt
voor even de geestelijke nooddruft misleidt,
waar je na het lezen tevreden op slapen kunt

verzadigd van volledige nietszeggendheid.

Klaas Jager (1961)
uit: Dichtbrieven van een overzeese vriend (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Eliza Laurillard • Aan de taal (III)

Eert de Taal, die wondergave,
Toovermacht , vol heerlijkheid,
Kroonjuweel in ’s menschen wezen,
Teeken zijner majesteit.

Kunstig aangelegd vermogen,
Dat getrouw’lijk wedergeeft
Al, wat in de binnenwereld
Van het mensch’lijk aanzijn leeft.

Waan en wijsheid, droom t en waarheid,
Spijt, verrukking, kalmte en angst,
Afkeer, liefde, geestdrift, weedom,
Zielsvoldoening en verlangst.

Al, wat door de donk’re gangen
Van de hers’nen gaat en ’t hart,
En daar vreugdelichten aansteekt
Of wel, vreugdeglans verzwart,

Elk gevoel en ieder denkbeeld
Wordt aanschouw’lijk of gehoord
Alles kan de Taal vertalen,
En voor alles heeft zij ’t woord.

Eliza Laurillard (1830-1908)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Eliza Laurillard • Een slachtoffer van taalmin

Een slachtoffer van taalmin

Een ‘hoofd der school’ stortte in het water
En wilde een noodkreet slaken ook,
Maar was in twijfel, wàt te roepen,
Terwijl hij al meer onderdook.
Zou ’t ‘Help!’ zijn? Of, was ’t meer taalkundig,
Te roepen ‘Hulp!’? – Een moeilijk iets.
En midd’lerwijl verdronk de meester;
Want door dien twijfel riep hij niets.

Eliza Laurillard (1830-1908)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Gerry van der Linden • Als taal

Als taal
de taal van lichaam zou
zijn van borst, arm, been
zou er iemand poëzie

de hand schudden?
Met jambe en gebras, schoor-
voetend onderhandelen
is het

omdat we niet zonder
ontkenning kunnen beamen
is het soms
omdat we voorzichtig afspreken

over gewone liefde, dood
en meer ongenadige
dingen die ons opbergen
in kalend stof?

Gerry van der Linden (1952)
uit: Uitweg (2001)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Koos Geerds • Het dialect was een taal zonder grootspraak

Het dialect was een taal zonder grootspraak
en barstensvol geheimenissen:
het was meer gemaakt om te zwijgen
dan mee te delen, het had meer woorden
dan zinnen en men sprak liever
in klanken dan lettergrepen;
het was een tongentaal
voorbij de rede.

Met name ‘heu’ kwam erop aan,
daarmee kon men slagen of zakken;
‘heu’ was voor een man een ander ding
dan voor een vrouw; een maagd en een knaap
groetten verschillend en bij familie,
vrienden en liefde paste men steeds
de toon en sterkte aan.
Er was een ‘heu’ voor iedere
ontmoeting en bestemming
en daarom stak het nauw,
zodat men op z’n hoede bleef –
voor je het wist keek iemand in je ziel.
‘Hoe minder gelul, hoe minder spijt,’
zeiden de ouderen en ze keken wijs;
en zo was het maar net – ajuus.

Koos Geerds (1948)
uit: Staphorst (2010)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Charivarius • Rid- en runders

Week van het Nederlands.

Rid- en runders

César Gezelle zingt:
“’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven …”

Wij gaan voort:

’k Zie schapen, witgewold,
’k Zie rid- en runders draven,
’k Zie vo- en vlegels zich
Aan wa- en bitter laven.
Al is de stad ook vol van stu- en decadente’
Die speel- en alcohol
Verkiezen boven lente,
U, boe- en kippen-ren,
U, lust- en korensc-hoven,
U, var- en vlinderken,
U stel ik ver daarboven!
In ’t mooie voorjaarsweer,
Gaan bloe- en ramen open,
’k Zie ieder met een bloem,
Zelfs schoo- met anjers loopen,
’k Zie ei- en beuken staan,
En dreu- en andre musschen.
Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan,
’k Zie kro- en meisjes kussen.
En mensch en kunstenaars
Zij dragen en zij eten
Veel flam- en waterbaars,
Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten.
Geen pneu- slechts harmonie:
De tweedracht wijkt voor vrede,
De ru- voor poëzie,
Juicht kin- en ouders mede!
Want len- en warmte is daar,
Mijn geest stijgt op, naar boven,
’k Wil nat- en morgenuur
Met vul- en lippen loven!

Charivarius (1870-1947)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Annemarie Estor • Rode aarde

Week van het Nederlands.

Rode aarde

Ik zit aan mijn bureau
en sla in het donker
het arme alfabet aan.

Recht in mijn blinde vlekken meppend,
slechtziend door de schermenschijn
en de nevels die op komen wolken
uit de kookpot die mijn bloed rondpompt,
zal ik, galopperend op hypertypsnelheid,
een witte steekvlam produceren.

Om mij heen
slaan gillende metaforen zich
psychotisch uit de toetsenborden.
Armpjes gaan dwars door linialen heen.
Tussen kabels en verlengsnoeren ijlen rijmen.
Symbolen racen langs dolle routers.

Hijgend als wolven met statische haren
gaan mijn paradoxen achter jouw achilles aan,
en zal ik, terwijl mijn hyperbolen
dwars door de taalbarrière gaan,
een witte steekvlam taal
dwars door het universum jagen,
ten teken dat ik van je hield.

En later, op de rode aarde,
zal de mensheid zich bevragen,
de suffe mensheid, dus ook jij,
hoe zij deze gebeurtenis,
deze ene
niet leugenachtige
niet hypocriete
niet corrupte
en volstrekt uitzonderlijke gebeurtenis
aan zich voorbij
heeft kunnen laten gaan.

Annemarie Estor (1973)
uit: De bruidsvlucht (2020)

• Dit gedicht werd geschreven bij het schilderij ‘Rode aarde’ van Roger Raveel.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Snoek • Levensgevaarlijk gedicht

Week van het Nederlands.

Levensgevaarlijk gedicht

Er zijn woorden die sissen als slangen.
Vleesetende woorden met een muil vol tanden.
Woorden die gevaarlijk slapen onder hete stenen
Of die webben weven om hun prooi te vangen.

Sommige zijn doorzichtig als glazen kwallen
en spuiten giftige inkt uit je mond.
Andere zijn geslepen tot vlijmscherpe messen
of druipen als etter uit verzworen ogen.

Woorden dragen soms bedrieglijke maskers.
Zij kennen de knepen van de camouflage
om als wandelende takken vruchten te dragen
of om een ander woord bekoorlijk te betoveren.

Het is maar een woord voor een woord
om eensklaps van gedaante te verwisselen,
om als een tijdbom duizend eeuwen
te overwinteren in een klompje ijs.

Want leg ’s avonds een onschuldig woord
als een wicht in zijn wieg te slapen,
’s morgens stoot je tussen de lauwe lakens
op een koude, splinternieuwe handgranaat.

Paul Snoek (1933-1981)

Illustratie: Google


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: J.P. Heije • De taal

Week van het Nederlands.

De taal

Neerland! was uw arm van staal,
’t Hart was zacht en mild en goedig;
Zo ook huwt zich, vroom en moedig,
Kracht en teerheid in uw Taal!
Kan ze in wilde stromen bruisen,
Plettrend, waar ze weerstand vindt –
Strelend ook als lentewind
Kan ze fluisteren, kan ze suizen,
Wáár zij, in ’t bekorend lied,
Deugd en Schoonheid hulde biedt.

Neerland! leen uw luistrend oor
Aan de zangen van ’t Verleden: –
Dring de rijke taal van ’t Heden
Diep in ziel en zinnen door!
Wat aan glanzen mocht verdoven,
o! De schittering van uw Taal,
Zacht als dons en scherp als staal,
Kan geen tijd of macht u roven…..
Zolang ge uit Haar parelvloed
Teerheid put en Heldenmoed!

J.P. Heije (1809-1876)

Illustratie: KB


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Frans de Cort • Mijne moedertaal

Week van het Nederlands.

Mijne moedertaal

Mijne moedertaal, mijne moedertaal,
Wie of haar ook kleineere,
Min ik als mijn vaderland,
Sta ik voor met hand en tand!
O mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch,
Dat houd ik steeds in eere!

Mijne moedertaal, mijne moedertaal,
Wat andre komt daarnevens!
Zwaardgekletter, klokkenklank,
Snarenspel en minnezang,
O mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch,
Dat alles zijt gij tevens!

Mijne moedertaal is de schoonste taal,
En zou ze ’t ook niet wezen,
Haar verkiezen zou ik nog,
Want zij is de mijne toch!
O mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch,
Wees eeuwig mij geprezen!

Frans de Cort (1834-1878)

Foto: Letterenhuis


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Pé Hawinkels • Haydngedicht

Haydngedichten (II)
Strijkkwartet opus 3, nr. 5, deel II

De stilte, die er schuilt
in de okseltjes waar berkeblad zich met de twijg
mee kon verbonden weten, zou ik rond je ogen willen zien,
nu de juiste zon als een rosse kat de kamer door
glijdt, en mijn binnenste verrast maar teder
de vormen aanneemt van dit lied.
Luister, en ik weet dat elke toon –
als een blaadje aan een boom, dat boven zich
een extra, lichter blad: de glans, te dragen heeft, –
in alle kalmte, zonder haast, zijn plaats bereiken zal;
zal afdalen langs de diepten van je oor, en zo
de rust op je ogen wijzigen zal, verzachten, zal verscherpen,
zoals de zon, voor hij verzinkt,
een frêle boom doet glanzen, en met schaduw vult,
alsof in licht en duisternis onhoorbaar snikken lag,
dat in weemoedig glimlachen overgaat, zoals
dat alleen het diepst geheim nog éven uitstelt,
nog in droefheid éven glimlacht tot de avond komt.
De avond valt.

Pé Hawinkels (1942-1977)
uit: Het uiterlijk van de Rolling Stones (1969)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Leo Vroman • De regen en de regen

De regen en de regen

Op een huisje in Nederland
regende het haast constant.

Ook op zijn beide populieren.
Die wuifden daar dan in als wieren.

Op zondag, twintig over negen,
viel er een regen op de regen,

en de twee regens weefden daar
griezelig van in elkaar.

Zo werd de hele grijze bui
een weke, dichtgebreide trui,

die neerzeeg in vermoeide vouwen.
De bomen staken uit de mouwen.

Een gebreide watersprei
vlijde zich welvend op de wei.

Als zachte, vriendelijke builen
liep daaronder het vee te druilen.

De zon werd er een kluwen van.
En al die grauwe mensen dan?

Rompen en hoofden raakten vol
heerlijk weke waterwol.

Moraal

Er komt geen water uit de kraan
zo lief als waar wij uit bestaan.

Leo Vroman (1915-2014)
uit: Huis en tuin. Fabels en strips (1979)

Foto: Raymond


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hans Tentije • De hazen

Uit Nergens anders, de nieuwe bundel van Hans Tentije.

De hazen
Voor Irene Grijzenhout

Stel je de hazen voor die elkaar nazitten op de rand
van een uit een Etruskische tombe
opgedolven bronzen schaal, in deze gesloten cirkelgang, een volkomen
bewegingloos perpetuum

en wie achtervolgt wie en wie vlucht er voor wie, stilgezet
blijft de snelheid een illusie
van begin noch einde, dit ondoorgrondelijke nu

de maker heeft het geweten, wellicht
zonder het te hebben begrepen toen de schaal gevuld werd met leeftocht
voor de doden, dat het verleden nooit voorbij is
maar zich ergens anders bevindt –

in de leemten, de wijkplaatsen van herinneren en vergeten

Hans Tentije (1944)
uit: Nergens anders (2020)

Foto’s: Victor Schiferli


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.