Auteur: Michiel de Vaan

Maan(zaad)

Door Michiel de Vaan

maan zn. ‘papaver’, maanzaad zn. ‘papaverzaad’

In het Middelnederlands vinden we vooral samenstellingen van maan of meen met de woorden kop en knop (een verwijzing naar de grote zaadbollen van de papaver), later ook met zaad:  mecopin (West-Vlaanderen, 1226–1250), mecoppen (Hs. De Vreese), macopijn (1287), mancopyn (1351), mancnop (Holland, 1450–1470) ‘papaver’, macopijn saet (1287), macopisaet (ca. 1450) ‘papaverzaad’, maensaet ‘papaver’ (1477). De Mnl. vormen eindigend op –in of –ijn bevatten het materiaalsuffix Mnl. –ijn, Nnl. –en. Gezien het behoud van n in modern in maankop, is de eerste n van *mankopīn, *menkopīn waarschijnlijk tegenover de tweede n weggedissimileerd.

De Middelengelse vorm mecop ‘papaver’ heeft Caxton (in ‘Ryght good lernyng for to lerne shortly frenssh and englyssh’, 1483) waarschijnlijk aan het Vlaams ontleend. Nieuwnl. maenkop ‘papaver’, maensaed, maenkopsaed ‘papaverzaad’ (1599). In moderne dialecten: Westvlaams mèèkop, Zeeuws maenzaed, maonzaod; Gronings en Drents maankop, maankap, maanknop ‘klaproos’. Lees verder >>

Driewerff Leiden

Er zijn maar weinig steden met een drievuldige oorsprong. Leiden is er zo een. In de Goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk, uit de tiende eeuw, staan in de buurt van het huidige Leiden maar liefst drie villa’s (‘nederzettingen’) met de naam Leithon opgesomd. Hier is een uitsnede uit de tekst:

In Holtlant IIII mansa. In prima Leithon II, in secunda I, in tertia I.  In Rodanburg quinque mansa.

‘In Holland 4 hoeven. In de eerste (nederzetting) (van) Leiden 2 (hoeven), in de tweede (nederzetting) (van) Leiden 1 (hoeve), in de derde (nederzetting) (van) Leiden 1 (hoeve). In Roomburg 5 hoeven.’ Lees verder >>

Tijdverlies

Door Michiel de Vaan

tijdverlies zn. ‘tijdverspilling, tijdverlies’

Samenstelling van tijd en verlies. Vroegmiddelnederlands titverlis betekent vooral ‘tijdverspilling, het verdoen van tijd’. Oudste attestatie in Dijn wise wort si sonder fel ende sonder tijtverlies dijn spel (van Maerlant, Spiegel Historiael, Eerste partie, 1283), en ook regelmatig na 1300, bijv. Al haer leven is tijtverlies, bidien haer werken die sijn ries ‘Heel hun leven is tijdverspilling, want hun handelen is lichtzinnig’ (van Boendale, Der leken spieghel, ca. 1340-1360). Verder wordt het woord spottend gebruikt als bijnaam, bijv. in de naam van boswachter Gerardus Titverlis (Elmpt; Meihuizen 1953, p. 11 van de rekening van Gelre, 1294/95), dus min of meer ‘Gerard Treuzelaar’ of ‘Gerard Nietsnut’, en bruder titverlis ende bruder idelere (Limburgse Sermoenen, ca. 1300). Als parallel van laatstgenoemde ‘Broeder Tijdverlies’ wijst Scheepsma 2005: 162 op Bruder Tzijtverluyss uit de Ripuarische (Keulse) tekst Der Boiffen Orde (ca. 1500). Lees verder >>

zoeven

Door Michiel de Vaan

zoeven ww. ‘suizen, snorren’

Mogelijk in oorsprong een klanknabootsende vorm *sūf of *sōf, vgl. ook suizen uit klanknabootsend *sūs. De overlevering laat een opvallende verdeling zien: het woord komt eenmaal voor in het Middelnederlands, als gesoef ‘gehuil’ in 1360 (tgesoef van den heere ‘het gehuil van het leger’). Daarna pas weer in de 19e eeuw, als zoeven vanaf 1855 en als zn. zoef ‘deuntje’ in Vlaamse bronnen, vanaf het einde van de 19e eeuw ook bij auteurs van elders. Het tussenwerpsel zoef! vind ik het eerst vanaf 1879 (en zoef daar ging het, den schoorsteen door; François Haverschmidt, Op Reis [ed. dbnl]). Er moet wel bij gezegd worden dat een zoektocht naar oudere attestaties bemoeilijkt wordt door de vele foutlezingen van de OCR die een zoektocht naar ‘zoef’ bijvoorbeeld in www.delpher.nl oplevert.

Lees verder >>

Zieltogen

Door Michiel de Vaan

zieltogen ww. ‘op sterven liggen’

Middelnederlands sieltōghen ‘de laatste adem uitblazen, in doodsstrijd liggen’ (1455–1465, in Devote oefeninge van Brugman: Ooc sach se hem bleeck werden ende sieltoghen, ende in dat leste saghen se hem … sinen geest geven); met Gelderse overgang o > a in Teuthonista (1477) syeltaighen ww., syeltaigher ‘die op sterven ligt’, syeltaighyng ‘doodsstrijd’. Sporadisch komt de variant zieltijgen voor (Hooft, 1635), met preteritum zieltoech (1491, Leven van Sinte Clara).

Vroegnieuwnl. sieltoghen ‘op sterven liggen’ (1561), zieltogen (1618); vanaf de 17e eeuw ook overdrachtelijk ‘noodlijdend zijn, wegkwijnen’. Kiliaan kent ook het synoniem sielbraecken ‘= doodbraecken, zieltogen’. Finiete vormen zoals hij, gij zieltoocht komen zelden voor, maar wel bij Bredero en Vondel. Met –e- zeldzaam, dichterlijk, zieletogen (1753).

Lees verder >>

wurgen

Door Michiel de Vaan

wurgen ww. ‘de keel dichtknijpen’

Vroegmiddelnl. verworgen ‘wurgen’ (1240), worgen ‘bij de keel grijpen’ (1291–1300), ghewurghet ‘gewurgd’; Middelnl. worgen, verworgen ook onovergankelijk ‘stikken, smoren’, (1479). Nieuwnl. worgen (1510), gewercht (1573), wurgen (1617). Nog rond 1900 geldt worgen ook in het Noordnederlands als de standaardvariant, na 1950 wordt wurgen frequenter dan worgen in in de schrijftaal (bron: n-gram viewer, dbnl.org).

Lees verder >>

wuft

Door Michiel de Vaan

wuft bn. ‘frivool’

Mnl. wijft ‘beweeglijk’ (1475–1495), Nnl. wift ‘beweeglijk, onbezonnen, lichtzinnig’ (1562), bw. wifjes ‘op levendige wijze’ (1659); met -u- Nnl. wuft ‘beweeglijk; dwalend, zwervend; lichtzinnig, onbestendig’ (1602), zelden wuf (1624). De u-vormen lijken vooral Hollands. Dialecten: Gronings, Oostfries wif ‘beweeglijk, wispelturig, dartel, schichtig’.

Verwante vormen: MoWFri. wif ‘wankel, beweeglijk, wisselvallig’.

Lees verder >>

Wichelen

Door Michiel de Vaan

wichelen ww. ‘voorspellingen doen uit tekens’

Middelnederlands vyghlen (1414), wijchelen ‘waarzeggen, voorspellen’ (1437). Nieuwnl. wijchelen ‘voorspellen’ (1528), wichelen (1588). Afleidingen onder andere Mnl. en Nnl. wichelare, wijchelaer, wijgheler ‘waarzegger’ en wichelije ‘waarzeggerij’. Zie voor de samenstelling wichelroede de desbetreffende pagina op de Etymologiewiki. Met kk Mnl. wikken ‘waarzeggen, voorspellen’ (1477), wikelen ‘bezweren’ (1285), wikelare ‘wichelaar’ (1285), wikeligghe ‘wichelaarster’ (1285); Nieuwnl. wikken (eind 16e e.).

Lees verder >>

waterlander

waterlander zn. ‘traan’

 

Waterlander (ca. 1300) betekent allereerst ‘bewoner van Waterland’, het gebied in Noord-Holland grofweg tussen Amsterdam en Edam. In verband met ‘huilen’ wordt het woord voor het eerst in 1561 aangetroffen in het spreekwoord De waterlanders op den dijck laten komen ‘beginnen te tranen’, in Sartorius’ bewerking en vertaling van Erasmus’ Adagia (Hst. III, III, nr. 16) : “[Latijn:] Cepas edere aut olfacere [‘uien eten of ruiken’], [Grieks:] krommua esthiein [‘uien eten’]. De waterlanders op den dijck laten komen”. Daarbij geeft Sartorius de uitleg: ‘Gezegd van hen bij wie tranen in de ogen komen. Vanwege de tranenwekkende bitterheid van uien.’ Dit werk werd in de 17e eeuw een aantal keren heruitgegeven. In 1681 schrijft Winschoten in zijn Spreekwoorden uit de Seevaart: “de Waaterlanders quaamen op den dijk: dat is oneigendlijk, de traanen quaamen in de oogen: want sij sijn niet gewoon op den dijk te koomen, of het moet al groote nood doen: gelijk ook die schreien, sig inbeelden in groote nood te sijn.”

Lees verder >>

Vleet

vleet zn. ‘visnet; menigte’

 

Vroegmiddelnederlands vlete v. ‘bij één vissersboot behorende partij visnetten’ (1293–1298, Calais). Nieuwnl. vlete (1535), vleet (1630) ‘visnet, verzameling visnetten’, al de vleet ‘de hele boel’ (1612), bij de vleet ‘in overvloed’ (ca. 1720). In dialecten onder andere Westvlaams vlote, Zeeuws vloot, Zaans vleet naast vloot. Dezelfde wisseling tussen ee en oo vinden we in Westvlaams vlote, Antwerps vloot ‘soort rog’, sporadisch vleet, en in vlotemelk ‘afgeroomde melk’, Zeeuws ook vleetemelk.

Lees verder >>

zwachtel

Door Michiel de Vaan

zwachtel zn. ‘windsel’

Middelnederlands zwachtel (1421), swechtel (1425–1450) v. ‘doek, luier, windsel’. In de 15e eeuw is a-vocalisme kenmerkend voor Holland, e-vocalisme voor het Oostnederlands. In het zuiden wordt het woord niet aangetroffen.

Nnl. swechtel ‘luier’ (1505, Antwerpen: Een Boecxken van deuocien gheheeten die Neghen couden), swachtel ‘windsel, smalle strook van stof, luier; mitella’ (1567). Kiliaan (1599) noemt swachtel Hollands behalve in de betekenis ‘armband, mitella’. Varianten swachtelt (1615, Bredero), zwachel (Gelders, eind 19e e.). Nnl. swachtelen (1637), beswachtelen (1626) ‘met zwachtel(s) omwikkelen’.

Lees verder >>

Zwerk

Door Michiel de Vaan

zwerk zn. ‘hemel’

Vroegmiddelnederlands swerc o. ‘wolk, wolken’ (1285), swerkigh bn. ‘als van een donkere wolk’ (1285); Mnl. gheswerc ‘donkere wolken’ (1390-1410), beswerct ‘beneveld’ (1340-1360). Nnl. swerck ‘wolk, wolkendek’ (ca. 1500), swerrech (1612), swergh (1622), zwurf (18e eeuw, Den Haag), vaak ook ‘donkere, onheilspellende wolk(en)’ (va. 1500); zwerk ‘hemel, luchtruim’ (1641). Ww. zwercken ‘zich wenden tot; verduisteren’ (1530), beswercken, besworcken ‘bewolken’ (1599, Gelders, Oost-Nederlands). De Haagse vorm zwurf heeft zich uit *zwerf uit *zwerg ontwikkeld.

Lees verder >>

sneuvelen, sneven

Door Michiel de Vaan

sneuvelen ww. ‘omkomen’

Mnl. snevelen ‘struikelen, vallen’ (1408), daarnaast sneuvelen en snovelen [waarin de o voor eu staat] (1399); bijna uitsluitend in het Noord-Nederlands.

Nieuwnl. snevelen (1570), snuevelen, sneuvelen (1570), snuyvlen (1683, Gent) ‘struikelen, vallen; omkomen, vergaan, in de strijd vallen’; snevel, sneuvel ‘onheil, misstap’ (1522). De vormen met ee verdwijnen na 1650, alleen sneuv- blijft dan over. Bovendien is sinds die tijd de betekenis van het werkwoord vernauwd tot ‘in de strijd vallen’. Dialecten: Zeeuws snevelen ‘zich bij het lopen tegen de enkels schoppen’. Lees verder >>

kreek

Door Michiel de Vaan

kreek zn. ‘smal water’

Oudnederlands Creka (976), Crika (1003), grondbezit in Zeeland.

Vroegmiddelnederlands van der Creke (1276, West-Holland), vander Kreke (Saaftinge), kreke ‘inham van de zee, ondiep water’ in Zuid-Holland en Zeeland (1321 Reimerswaal, 1324 ’s-Gravezande), nederzetting die Creke (Middelburg, 1341). Mogelijk is het bekende Crikenputte (1276–1300) uit de Reinaertroman als ‘kreek-put’ op te vatten; in ieder geval speelt het verhaal zich in een krekenlandschap af.

Nnl. creecke ‘inham, baai’ (1528, Vorstermanbijbel, Hand. 27,39: Ende alst dach was, en kenden si dat lant niet, maer si werden een creecke siende, hebbende eenen oeuer, daer si dochten dat schip in te worpen), creke, creecke ‘ondiepe zee-arm’ (1576, Tractaet van dyckagie), kreke ‘ondiep water; walkant’ (1599; Zeeland), kreeck (1629); steenkreke ‘stenen wal’ (1564). In moderne dialecten: Westvlaams kreek, kreke ‘strook zand en schelpen in het veen’ (ontstaan doordat de zee-arm hier zand heeft afgezet tussen het veen), Zeeuws (Walcheren, Tholen) kriek, krieke met lange /i:/ (WZD).

Lees verder >>

klovenier

klovenier zn. ‘schutter’

 

Middelnederlands coloverier (Brielle, 1445–1455) ‘schutter, soldaat die een schietbus ofwel colover bedient’, colloevenier (Dordrecht, 1451–1500, echter geciteerd in 1677), culuvrenier (Ieper, 1488), culoverier (Gent, 1489).

Nieuwnederlands coluevrenier (Oudenaarde, 1507), culluevrier (Gent, 1510), collovrier en coluvrenier (Gent, 1512–1514), coleuvrenier (Gent, 1515), culverenier (Holland, 1514), cloevenier (Amsterdam, 1522), clovenier (Brielle, 1538), colveneur (Aalst, 1555), colveurier (1562, Naembouck), coleverier (1567, Junius), colveniers erve (Antwerpen, 1576), clovienier, cluyvenier, cleuvenier (Antwerpen, 1584), coloveniers gilde (Antwerpen, 1584), koluvrier (Kiliaan, 1599).

  Lees verder >>

kleineren

kleineren ww. ‘in waarde verkleinen; krenken’

 

Middelnederlands cleeneren (1330-1332)? Nieuwnl. kleynéren ‘verminderen’ (1599, Kiliaan; naast kleynen met dezelfde betekenis), kleyneere (1648) ‘doen verminderen’, kleyneeren ‘minder (waard) worden’ (1671), kleineeren ‘minachten’ (1701). Nnl. vercleyneringhe ‘vermindering’ (1580) veronderstelt een ww. *verkléineren, in de 19e eeuw en in dialecten bevestigd door verkleinderen, verkleenderen. Westvlaams kleineeren ‘verkleinen’ bewaart de oudere, letterlijke betekenis. In Drents en Gronings verkleineeren.

Lees verder >>

zegge

zegge zn. ‘rietgras’

Middelnederlands alleen in plaatsnamen, bijv. Zecvelt (13e eeuw) ‘Zegveld’ (prov. Utrecht), Zegcamp, Zeccamp (1334, Moordrecht), Segacker (1417, Gelderland); cf. Schönfeld, Veldnamen in Nederland (1950), 65–66. Nieuwnederlands segge (1578), seck (1599, Zeeland), zegge (1608). In dialecten: Vlaams zagge, Zeeuws, Gronings, Drents sek, Twents zegge. Daarnaast Brabants (Kempen, Hageland, Peelland) en sporadisch Limburgs (Zonhoven) zaar(gras), zoor(gras) ‘zegge’.

 

Verwante vormen: (1) MoWFri. sigge, Oud-Engels secg m., MoE sedge ‘zegge’. (2) Oudsaksisch sahar m./o. (*sahara-), segcar ‘zegge’ (*sagjara-?), saherai ‘zegge’ (< *saharahja-), dat.mv. seón ‘wier, zeegras’ (*sahja- of *seha-); Oudhoogduits sahar, Middelhoogduits saher ‘rietgras’, Nieuwhd. saher ‘rietgras; groene punten van grashalmen of korenaren’. (3) Middeliers seisc v., Welsh hesg ‘zegge, riet’ (< Proto-Keltisch *seski/ā).

Lees verder >>

Zavel

zavel zn. ‘zand, zandige grondsoort’

 

Oudnederlands Sauelberga ‘Zavelberg’ (1198), Middelnederlands Thomas de Zavle (Calais, 1282), savel m. ‘zand’ (1324), saveligh ‘zandig’ (1464), Savel ‘plein’ (1450–1470; waarschijnlijk als vertaling van Frans Sablon in dezelfde functie). Nieuwnl. sauel ‘zandige grond’ (1502), ‘grof zand’ (1552), zavel (1602); van de samenstelling sauelkuyl ‘zandgroeve’ (1562). Met –r zaverig ‘zandig’ (ca. 1670), zaver ‘zavel’ (1719). Gewoonlijk mannelijk in het Zuidnederlands, als stofnaam onzijdig in de standaardtaal. Verwante vormen: Moezelfrankisch sāwel.

Lees verder >>

wouw (plant)

Door Michiel de Vaan

wouw ‘reseda luteola’, plant waaruit gele verfstof wordt gewonnen

Middelnederlands woude v. (1288–1301) ‘wouw, plant gebruikt voor het verven van textiel’, wouwe (1498, Leiden), Nieuwnederlands woude (nog sporadisch in de 16e eeuw), wouwe (1554), wauwe (1562), wou (1531, Leiden), wouw (1696) ‘reseda, geelvervende plant’. Afleiding: Mnl. wouden ww. (1296-1298) ‘verven met wouw’, wolden (1451–1460), Nnl. wouden (1531), wouwen (1793).

Verwante vormen: Middelnederduits wolde (1262, in een Latijnse tollijst); Middelengels wolde, welde, Nieuwengels weld ‘wouw; kleurstof uit wouw’. Deze vormen veronderstellen Oudengels *wealde. Frans gaude kan uit een Oudnederlandse of Westfrankische vorm *walda stammen. Mnd. waude en Nieuwhoogduits Wau (sinds de 18e eeuw) zijn met de lakenhandel uit het Nederlands ontleend.

Lees verder >>

zwak

Door Michiel de Vaan

zwak bn. ‘krachteloos’

Vroegmiddelnederlands zuakart (1272), swakard (1291) ‘Zwakaard’, bijnaam ; Mnl. zwack ‘buigzaam’ (van hout), ‘gebrekkig’, ‘zondig, slecht’, Zuidoostmnl. ook swaeck, swake ‘buigzaam, ziek’; Nieuwnl. swack ‘krachteloos’ (1528), ‘buigzaam, soepel’ (1599). Ook in alle moderne dialecten kan zwak nog ‘lenig, vlug’ betekenen. Het Limburgs heeft veelal z(j)waak ‘zwak’ met gerekte klinker. ‘Lenig’ is gezwak in Belgisch Limburg en gezwank in Nederlands Limburg. Werkwoorden: Mnl. swacken en swaken ‘verzwakken, zwak maken & zwak worden’, Nnl. swacken.

Lees verder >>

zuinig

zuinig bn. ‘spaarzaam’

Middelnederlands zunich ‘nauwlettend toeziend’ (1401–1500), sticksuynigh ‘scheel’ (1477; lett. ‘stijf kijkend’), onsunich (1430–1450) ‘onrein’, Nieuwnl. bi sunicheyt ‘waarschijnlijk’ (1525-1527), onzuynigh ‘verkwistend’ (1663), suynich ‘spaarzaam’ (1612), ‘behoedzaam’ (1618), ‘teleurgesteld’ (1683).

 

Zuinig betekende oorspronkelijk ‘toeziend, omzichtig’, en is een afleiding met -ig van het bn. dat we als suun ‘scheel’ (1340-1360, Brabant), suyn, suyne ‘waarschijnlijk’ (1477, ZO-Nl.) ook in het Middelnl. vinden. De vormen met de klinker ie die vooral in Vlaamse en Hollandse bronnen voorkomen zijn in feite hetzelfde woord: Middelnl. siene bn. ‘flink, strijdbaar’ (1285), ‘mooi’, siene bw. ‘op uitstekende wijze’ (1285), onsiene ‘hachelijk’ (1285), ‘lelijk’, tsienst ‘het beste’, selsiene ‘zeldzaam’.

Lees verder >>

waffel

Door Michiel de Vaan

 

waffel zn. ‘bek, mond; oorvijg’

[revisie van de versie geplaatst op 21 december 2017]

Nnl. wafel ‘mond, bek’ (1615), waffel (1670) ‘mond, snavel, bek’, waffelkaak ‘bek’ (1690); waffel ‘klap, oorvijg’ (1708), waefel (1840).

De twee oudste attestaties van wafel ‘mond’ in de vroege zeventiende eeuw zijn: wy sellen ierst wat speulen mette wafel, we beginne ierst te eten ‘we zullen eerst wat met onze mond spelen, we beginnen eerst te eten’ (Coster, 1615), stracx gingh hem daar de wafel wt de kerf ‘meteen ging hij daar met zijn mond over de schreef’ (Bredero, Moortje, 1617). Een interessante samenstelling waffelkaak komt voor in een vrije vertaling uit 1670 door Adriaen de Leeuw van Calderón de la Barca’s stuk El Mayor Encanto: en ik laat nou iens louter bóllen myn waffelkaak en zeg: ‘en ik laat mijn mond nou eens louter babbelen’ (in het Spaans: pero no confesaré que Circe no es…  ‘maar ik moet bekennen dat Circe wél is …’).

Lees verder >>

vunzig

Door Michiel de Vaan

vunzig bn. ‘muf; schunnig’

Middelnederlands vunsch (1401–1450), funsch (1460), vonsch (1466), vuyns (1475) ‘muf, schimmelig’ van graan of koren. Nieuwnederlands vuynsch (1501–1523), vunst (1501–1536), vunsch (1612), vuns (1612), vints (1630), vunts (1658) ‘schimmelig, muf, vies’, van brood maar ook van smaak, geur en objecten zoals hooi of een hoerekot. De verbogen vorm vunze, die in de plaats van vunse gekomen is, vinden we voor het eerst in 1698 in een liedtekst (Daar vunze spotterny / Op hooger altaar staat). In moderne dialecten zelden aangetroffen, alleen Noordhollands fun ‘smerig, muffig’, vunsterig weer ‘donker, slecht weer’.

Daarvan afgeleid het bn. Mnl. vunstich (1450), vonstich (1440–1460), Nnl. vonstig (1545), vunstich (1536), vunsigh (1588), vuntsigh (1588), vunzig (1720), vunzigheit “vermuftheit” (1710).

Lees verder >>

daarentegen

Door Michiel de Vaan

daarentegen vw. ‘echter’

Samenstelling van daar en het grotendeels Middelnederlandse voorzetsel entegen ‘tegen’: dar entgegen ‘daartegen’ (1220–1240), daerentieghen (1451–1500), Nieuwnl. daerenteghen (1560), daarenteghen (1604), daarenteegen (1642) ‘echter’, zelden nog als bw. daarentegen ‘daartegen’ (1598, Zuid-Limburg).

Voor het voorzetsel: Mnl. entgegen ‘tegemoet’ (1240), entegen (1478), integhen (1451–1500). Voor 1500 is het beperkt tot de oostelijke dialecten van Groningen tot Limburg, in de 16e eeuw vinden we het sporadisch ook elders.

De oudste MNl. vorm entgegen is ontstaan uit Oudnederlands angegin ‘tegen, adversus’ (zo in de Wachtendonckse Psalmen, Zuidoostnederlands, 10e eeuw), een combinatie van aan en gegen ‘tegen’, waarin de klemtoon op -gé- lag zodat de eerste lettergreep verzwakte, eerst tot in- in Oudnederlands ingegan, ingegin (Leidse Willeram, ca. 1100) en toen tot en- vanaf 1200.

Lees verder >>

Bohemen

Bohemen zn. gebied in Midden-Europa

Vroegmiddelnederlands Behem, Beihem (1287), Behem (ca. 1300), Beheem (1301-1325), Bihem, Byhem (1340-1360 ); met samentrekking tot een lettergreep Mnl. Beem (1276–1300), Bemen (1460–1480) en het bn. Beemsche ‘Boheems’ (1393). Daarnaast komt iets later ook het uit het Latijn of Frans ontleende Boheme voor (1343–1345), in ambtelijke bronnen.

 

Nieuwnederlands in 1531 nog Behemen, maar in de 16e en 17e eeuw meestal met samentrekking Be(e)men (1521) ‘Bohemen’, bn. Beemsch (1581) ‘Boheems’, zn. Bemer (1517) ‘Bohemer’, Be(e)merlant (1517) ‘Bohemen’. Vormen met Boh- blijven zeldzaam tot 1700 (Bohemer 1621, Bohemerlant 1562) maar blijven daarna als enige variant over.

Lees verder >>