Auteur: Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.

Competatief

Door Marc van Oostendorp

De man met de beste taaloren van Nederland is zonder twijfel Siemon Reker. Deze emeritus hoogleraar Gronings was de eerste die het verschijnsel opmerkte dat Jan Stroop later Poldernederlands zou noemen. Nu hoorde hij drie jaar geleden al iets bij Mark Rutte dat anderen, pas recentelijk begint op te vallen: de man zegt competatief. Net als tal van anderen, die trouwens ook bijvoorbeeld repetatief zeggen.

Lees verder >>

Overlappende zinnen

Taalkunde van 1919

In een onregelmatig verschijnende reeks bespreek ik af en toe taalkundige publicaties van 100 jaar geleden.

Door Marc van Oostendorp

Honderd jaar geleden werden er soms zaken geobserveerd in het Nederlands die nog altijd bestaan en nog altijd niet goed beschreven zijn.

Zo publiceerde J. Kooistra in 1919 een artikel over ‘twee Hollands-Engelse parallellen in de syntaxis‘ in De Nieuwe Taalgids. Het ging in beide gevallen om zaken die in het formele Engels wel zijn toegestaan terwijl ze in het Nederlands worden fout gerekend terwijl ze zelfs 100 jaar geleden (toen van invloed van het Engels op het Nederlands, zeker op het niveau van de zinsbouw, nog geen sprake was) al wel voorkwamen.

Op één van die parallellen kwam in hetzelfde nummer nog een kritische reactie; die parallel is ook later nog regelmatig besproken. Het gaat om het vooropplaatsen van een zelfstandignaamwoordgroep zonder het voorzetsel. Hier zijn een paar van Kooistra’s zinnen:

  • een koe krijg je zo maar honderd gulden meer voor
  • dat stuk land begint nu eindelik wat op te groeien
  • die kommissie zat hij zelf ook in
  • de melk is een raar smaakje aan
Lees verder >>

Iedere poging om eenvoudiger en natuurlijker te worden, wordt eerst bejegend met geschreeuw over gezochtheid

De Multatulileescursus (55)

Door Marc van Oostendorp

– Als je Een zaaier van Carel Vosmaer leest, begrijp je wel ongeveer wat Multatuli bedoelde als hij klaagde dat hij niet goed gelezen werd.

– Maar over Vosmaer had hij toch geen klachten? Hij…

– Nee, dat maakt het eigenlijk des te erger. Vosmaer was hem natuurlijk gunstig gezind…

– … hij was denk ik de eerste die een uitgebreidere studie aan zijn werk wijdde?

– … en bovendien was hij inmiddels een persoonlijke vriend. Maar het is allemaal van een zeer laag niveau. Hij komt nauwelijks aan een serieuze analyse toe omdat hij het zo druk heeft met omstandig verklaren hoe geweldig het allemaal is:

Met een enkel woord weet de dichter de fijnste snaren van de ziel te doen trillen, het geheele gemoed in beweging te brengen

– Ja, Een zaaier is meer een reclamebrochure. Zo worden ze tegenwoordig niet meer geschreven, een moderne criticus wil toch niet zo jubelen.

– De uitzondering in onze hedendaagse letteren is misschien Maarten ’t Hart?

Lees verder >>

Ironische wetenschap

Door Marc van Oostendorp

De Amerikaanse wetenschapsjournalist John Horgan heeft zichzelf een eigenaardige opdracht gesteld in het leven: aantonen dat de (natuur)wetenschap nu wel zo’n beetje klaar is. Ja, er zullen vast nog allerlei uitvindingen worden gedaan op basis van wat we allemaal weten, en wellicht zullen er her en der nog wat witte plekjes op de landkaart worden beantwoord. Maar de hoop dat de grote vragen nog worden opgelost – hoe is het heelal nu precies tot stand gekomen? Wat zijn de kleinste samenstellende delen van onze werkelijkheid? Of, zou ik zeggen, hoe werkt taal?

Lees verder >>

‘Het hoeft niet meer per se.’

De geschiedenis van hoeven

Door Marc van Oostendorp

Alles moet altijd veranderen en dus ontkomt ook het werkwoord hoeven daar niet aan. Het is een opmerkelijk werkwoord, bijvoorbeeld omdat het in het moderne Nederlands eigenlijk alleen kan voorkomen in zinnen waar een ontkenning voorkomt: je kunt wel zeggen ‘je hoeft dat niet te doen’, of ‘je hoeft niets te doen’ of ‘niemand hoeft dat te doen’, maar niet ‘je hoeft dat te doen’.

In een nieuw artikel zetten de Antwerpse hoogleraar Nederlandse taalkunde Jan Nuyts en twee van zijn promovendi (Henri-Joseph Goelen en Wim Caers) de geschiedenis van het werkwoord op een rijtje, van het Oud-Nederlands tot gesproken werd tot pakweg 1150 tot en met het hedendaagse Nederlands. De manier waarop het woord ontstond uit behoeven. De buitelingen in de betekenisgeschiedenis. Maar vooral ook: de almaar veranderende woordsoort.

Het woord begon vermoedelijk ooit als hoofdwerkwoord, later werd het een hulpwerkwoord, en inmiddels kan het, zij het in anderssoortige constructies, weer als hoofdwerkwoord worden gebruikt:

Lees verder >>

Hoe publieker hoe EMOTIONEEELERRR!!! :-D

Door Marc van Oostendorp

De eigenaardigheden van de taal die vooral jongeren gebruiken op onder andere de sociale media is inmiddels vrij uitvoerig in kaart gebracht. Ze verkorten woorden en zinnen. Ze gebruiken meer informele taal dan in andere geschreven genres. En ze gebruiken allerlei expressieve middelen die je buiten het beeldscherm niet vindt: verdubbelde letters, en hoofdletters, en emoji, bijvoorbeeld:

  • Dit vind ik echt SUUUUPERRR!!!!! 😀

Een recent onderzoek van Lisa Hilte, Reinhild Vandekerckhove en Walter Daelemans werpt nieuw licht op de zaak. De drie wonnen onlangs de Academische Jaarprijs 2019 voor het beste taalkundige artikel.

Lees verder >>

Het sympathiekste blad van Nederland

Door Marc van Oostendorp

Misschien heb ik nog een bijzonder aardig krantje van een volkstuinvereniging in het oosten van het land over het hoofd gezien, maar het sympathiekste tijdschrift van Nederland lijkt mij tot nader order De Parelduiker.

De titel is al sympathiek. Hij verwijst naar het motto van het blad, dat ontleend is aan Multatuli: “De parelduiker vreest de modder niet”. Het betekent dat men zelf als het uiteindelijke doel van het tijdschrift ziet: parels op te duiken. Zoveel trots, kom daar maar eens om.

Lees verder >>

Meer neerlandistiek is meer beter

Door Marc van Oostendorp

Ik zie toch echt regelmatig allerlei jonge mensen. Al tientallen jaren sta ik regelmatig voor groepen twintigers en sinds ik vader ben verkeer ik ineens ook weer in de wondere wereld der moderne dertigers. Maar ze zeggen nooit iets tegen mij, althans nooit iets waar ik iets aan heb.

Ik moet het allemaal van collega’s hebben. Zoals mijn Nijmeegse collega Edwin die vrijdag ineens tweette:

Of dit wel of niet ‘fout’ is, lijkt me niet het belangrijkste aspect van deze constructie. Belangrijk is dat het inderdaad kennelijk al minstens 12 jaar gezegd wordt en dat ik er nog nooit van gehoord had.

Lees verder >>

Aan de hanenbalk

De Dichter des Vaderlands (5)

Door Marc van Oostendorp

Is het nieuwe gedicht van Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja inderdaad een gedicht? Het doet er alles aan om zo min mogelijk op poëzie te lijken, bijvoorbeeld door een verwijzing naar een heel concrete persoon in een heel concreet, met name genoemd tv-programma, of door een aantal clichés over boeren (dat ze binnenvetters zijn, dat ze mannen zijn):

Lees verder >>

De natuur heeft zich met Eduard vergist, hy had ’n meisje moeten zyn

De Multatulileescursus (54)

Door Marc van Oostendorp

G. Stuiveling. Bron: Wikipedia.

– We hebben vandaag de brieven en documenten uit het najaar van 1874 gelezen. Het is fijn dat de DBNL de editie van Stuiveling online heeft gezet, maar hij doet toch vooral ook voelen hoe fijn het zou zijn als er een nieuwe digitale editie kwam.

– Want?

– Die Stuiveling liet zich wel voelen, zeg. Altijd maar, in iedere twist, partij kiezen voor de grote held. Iedereen die kritiek had op de grote Multatuli had het natuurlijk bij het verkeerde eind.

– Dat bedoel ik nog niet eens. Ik bedoel meer dat hij van alles en nog wat niet afdrukte. In deze tijd wordt Multatuli duidelijk een onderwerp van heftig publiek debat. Maar het meeste daarvan krijgen we niet te lezen. Eigenlijk zou de Zaaier, de brochure die Vosmaer ter verdediging van de schrijver er in moeten staan, maar zeker ook alle kritiek. Dat wilde Stuiveling niet:

Lees verder >>

Wedstrijd: ontwerp de nieuwe taalregel van 2019

Door Marc van Oostendorp

De Nederlandse taal moet strakker beregeld worden, zodanig dat er in iedere willekeurige zin wel iets mis kan gaan en de gemiddelde schrijver of spreker niet meer weet waar hij het zoeken moet van ellende.

Uit dat ideaal ontstond enkele jaren geleden de wedstrijd voor de “nieuwe taalregel van het jaar”, een prijs voor de regel dit doel het effectiefst weet te bereiken. Het idee: een eind aan alle laksheid! En om dit te bevorderen moeten we de voorschriften voor ‘correct’ Nederlands ieder jaar weer verder aanscherpen. Een evident voordeel hiervan is ook dat de gewone gebruiker binnen de kortste keren door de bomen het bos niet meer ziet. Dat levert (nog) meer werkgelegenheid op voor een nieuwe generatie neerlandici, want alleen zij kunnen als ons werk klaar is als enigen, na jarenlange noeste studie, door de bomen het bos nog zien.

Als andere specialismen hun vakgebied zo onoverzichtelijk kunnen maken dat je een specialist nodig hebt, waarom wij dan niet?

Lees verder >>

Lucebert: lezen in plaats van leven

Door Marc van Oostendorp

Ze zijn er nog, de bewonderaars van Lucebert. Je kon er bijna aan twijfelen nadat de controversiële brieven van de schrijver naar boven kwamen die hij in zijn jeugd schreef. Zou dit de fascinatie voor de dichter doen uitdoven?

Nee, dus. Deze maand verscheen misschien wel het mooist vormgegeven boek dat ik dit jaar onder ogen heb gekregen: Lucebert. De zin van het lezen.

Het boek is een uitkomst van een project dat Lisa Kuitert enkele jaren geleden begon: een inventarisatie van de bibliotheek van Lucebert. Eerder publiceerde ze daarover het boek De lezende Lucebert, waarin deskundigen allerlei deelverzamelingen uit die bibliotheek belichtten. Het nieuwe boek gaat nu over de aantekeningen die Bertus Swaanswijk in zijn boeken maakte.

Lees verder >>

Stijl en werkelijkheid

Door Marc van Oostendorp

De stilistiek is het hart van de neerlandistiek. Ze combineert de drie traditionele subdisciplines taalkunde, letterkunde en taalbeheersing, ze beziet hoe vorm betekenis kan geven, ze gaat over de vraag hoe de stijl een mens kan maken en de wereld kan vormgeven.

Het is daarom opmerkelijk dat de stilistiek zo lang veronachtzaamd is, dat er decennia zijn voorbijgegaan waarin het in de opleidingen niet of nauwelijks op het programma stond, dat de recente literatuur erover nog steeds zo gering in omvang is. Pas de laatste jaren is daar weer verandering in gekomen en nu is er een modern boek met een nieuwe visie op het fenomeen: Stijl, taal en tekst. Stilistiek op taalkundige basis van Ninke Stukker en Arie Verhagen.

In een lucide inleiding maken Stukker en Verhagen duidelijk dat er twee mogelijke visies zijn op de relatie tussen vorm en inhoud in het geval van taal en stijl. Je zegt dat ze volmaakt gescheiden zijn (dualisme) of je zegt dat ze één en hetzelfde zijn (monisme). Voor beide is iets te zeggen, maar beide zijn ook onhoudbaar.

Lees verder >>

Boeken zijn als getallen

Door Marc van Oostendorp

De kleine Johannes, Mari Andriessen. Frederickspark, Haarlem.
(Bron: WIkipedia)

Wat zijn boeken voor dingen? Over die vraag gaat een artikel dat de beroemde Amerikaanse taalkundige Paul Postal onlangs op internet plaatste.

Dat boeken vreemde dingen zijn, was al meer mensen opgevallen. Ze zijn abstract en lijken in die zin op bijvoorbeeld getallen. De kleine Johannes bevindt zich net zo min als het getal 26 op een bepaalde plaats in de fysieke werkelijkheid. Er zijn natuurlijk allerlei tastbare objecten waarop de letters De kleine Johannes staan en die binnenin eveneens reeksen letters hebben in telkens dezelfde volgorde – het verhaal van de kleine Johannes. Maar geen van die voorwerpen ís De kleine Johannes.

Tegelijkertijd beschouwen we boeken als dingen die op een zeker moment geschreven zijn door een concreet persoon. Als Frederik van Eeden nooit had geleefd, hadden we ook geen Kleine Johannes gehad. Voor ons gevoel heeft Van Eeden die letters in een bepaalde volgorde gezet. Hij heeft op een goed moment de Kleine Johannes gemaakt, en dat boek bestaat dus wel in een bepaalde tijdsspanne: voor 1884 bestond het nog niet.

Lees verder >>

Pleidooi voor een DBNL-lab

Door Marc van Oostendorp

Hoera, de DBNL bestaat twintig jaar! Het Utrechtse letterkundige tijdschrift Vooys wijdde er een aardige special aan – althans, sommige stukken gaan ook over digitale literatuurwetenschap in bredere zin, maar de focus ligt toch op de DBNL.

Er is bijvoorbeeld een interessant overzicht van de eerste vijftien jaar van de digitale bibliotheek, tot het moment dat de organisatie naar de KB overging, door Ton van Kalmthout, die vertelt dat een van de eerste concrete onderzoeksvragen, nog in de eerste subsidieaanvraag voor de DBNL in 1998, ging over het ontdekken van metriek in oude poëzie. Grappig genoeg staat er in hetzelfde nummer van Vooys een artikel van Wouter Haverals, Mike Kestemont en Folkert Karsdorp waarin ze laten zien dat een automatische scandeermachine hebben gebouwd op basis van de DBNL.

Er zit dus schot in!

Lees verder >>

Gerda van Wageningen in de canon

Door Marc van Oostendorp

De canon van de Nederlandse literatuur als netwerk. Illustratie uit het besproken artikel.

De interessantste opmerking staat aan het eind, in het nieuwe artikel The Canon of Dutch Literature According to Google dat de letterkundigen Lucas van der Deijl en Roel Smeets samen met de computertaalkundige Antal van den Bosch schreven.

Het artikel gaat uit van een interessante gedachte: wat als we de canon nu eens door Wikipedia en Google lieten bepalen? Zouden we dan niet een veel democratischer beeld krijgen van de literatuur? En hoe zou dat beeld er dan uit zien? De auteurs namen alle 2287 schrijversnamen van de Wikipedia-pagina Nederlandse schrijvers en ze voerden deze aan het algoritme van Google. Dat geeft voor schrijvers een lijstje met ‘gerelateerde zoekresultaten’.

Lees verder >>

Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is

De Multatulileescursus (53)

Door Marc van Oostendorp

– Jij zei indertijd dat de derde bundel Ideeën je favoriete boek van Multatuli was. Ik geloof dat voor mij de zesde bundel die status heeft.

– Vanwege Woutertje.

– Vanwege Wouter Pieterse inderdaad. Deze bundel bevat het grootste brok van die roman, en anders dan in eerdere delen zijn er niet van die hele lange onderbrekingen waarin Multatuli ineens zijn mening over van alles en nog wat wil geven.

– Klopt nu dat al deze belevenissen nauwelijks een rol hebben gespeeld in de Nederlandse letterkundige beschouwing? Meestal gaat het als het over Wouter gaat toch over de gedichtjes die meester Pennewip moet even of juffrouw Laps die een zoogdier is, kortom, over veel vroegere fragmenten

– Ik weet niet, heb je dat onderzocht?

Lees verder >>

Waarheen met het onderwijs in de moedertaal?

(De dag na de presentatie van Curriculum.nu)

Door Marc van Oostendorp

Onderwijzen is als overgooien. Je kunt niet iets in je eentje overgooien; als ik een bal naar jou toe gooi, heet dat geen overgooien als jij niet klaar staat om die bal op te vangen. Zo is het ook met onderwijzen.

Er wordt wel gedacht dat dit een taak is die een docent heeft, en die deze docent wel of niet competent uitvoert, zonder dat je hoeft te letten op de leerlingen, die geacht worden ook in figuurlijke zin het lijdend voorwerp te zijn. Het is een beeld van de leerling als een leeg vat waar de docent zijn kennis in giet. Maar dat beeld klopt niet: bij succesvol zijn docent en leerling allebei even actief betrokken.

Het beeld van het overgooien komt uit het boek Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs van de Nijmeegse filosoof Jan Bransen. Ik las het omdat er zoals het er nu naar uitziet grote veranderingen aankomen in het onderwijs Nederlands, en wel op de drie niveaus die we hebben: primair, voortgezet en hoger onderwijs. Curriculum.nu uit zich over de eerste twee, en de meeste universitaire opleidingen zijn permanent bezig met verbeteringen van de laatste.

Lees verder >>

De samenleving maakt de schrijver, de schrijver maakt de samenleving

Door Marc van Oostendorp

Waaruit bestaat de literatuurgeschiedenis? Uit meesterwerken? Uit elkaar almaar bestrijdende generaties met steeds weer nieuwe ideeën over wat een goed boek is? Uit genieën die af en toe opstaan en iedereen anders laten kijken? Uit een economie van uitgeverijen, geleerde genootschappen en krantenredacties?

Rick Honings en Lotte Jensen zien het anders. De bouwstenen van hun geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de 18e en 19e eeuw, Romantici en revolutionairen, zijn schrijverstypen: de dominee-dichter, natuurlijk, maar ook de criticus, de (vroege) romanschrijver, de Spectator, enzovoort.

Zo’n schrijverstype valt niet precies samen met een stroming, maar is breder. Sommige stromingen zijn bij Honings en Jensen ook terug te vinden als type – de romanticus, bijvoorbeeld, of de Tachtiger –, maar zelfs dat is al een andere interpretatie. Een stroming heeft een programma, een ideaalbeeld van hoe de literatuur eruit zou moeten zien; een schrijverstype is duidelijker een sociologisch fenomeen, je wordt een bepaald soort schrijver omdat er behoefte aan is in de samenleving, omdat jij die behoefte voelt. En omdat jij en je collega’s bepaalde teksten schrijven, duw je de samenleving een bepaalde kant op, al is het maar een klein beetje.

Lees verder >>

Yes! Bijna zes en van Hongaars naar Nederlands

Door Marc van Oostendorp

‘Tuin’. Illustratie: V.N. van Oostendorp

Nene is vijf jaar. of zoals ze zelf inmiddels al maandenlang beweert ‘bijna zes’. Een half jaar geleden is ze bij ons komen wonen en sindsdien groeit haar taal van het Hongaars naar het Nederlands.

Nu is zes bij mijn weten de leeftijd dat kinderen, en vooral meisjes, zich gaandeweg meer op hun leeftijdsgenooties gaan richten en minder op hun ouders, in ieder geval waar het de taal betreft. (Ik weet dit waar het de taal betreft, en neem aan dat dit ook geldt voor de andere aspecten van het leven.) Dat betekent dat je als je een meisje van die leeftijd adopteert, weet dat ze zich zo snel mogelijk in een aantal opzichten niets meer van je aan wil trekken.

En dus dat het Nederlands dat ze spreekt al heel binnenkort niet meer het mijne zal zijn. Het heeft momenteel nog wel wat van mij: nadat ze een paar argumenten heeft gegeven – bijvoorbeeld waarom we vandaag alweer naar het zwembad moeten –, zegt ze “Dus”, en ik vrees dat dit ook een idiosyncratie van mijn taal is.

Lees verder >>

Jan Campert als man

Door Marc van Oostendorp

Jan Campert

Jan Campert (1902) is de dichter van één gedicht, De achttien dooden (‘Een cel is maar één meter lang / en nauw twee meter breed’). Maaike Meijer analyseert het in het nieuwe nummer van Nederlandse letterkunde. Dat nummer is helemaal gewijd aan mannelijkheid‘ en Meijers artikel gaat specifiek over de rol van mannelijkheid in drie ‘telsten’: behalve dat gedicht van Campert ook De donkere kamer van Damokles en de film Casablanca.

Het interessante van Meijers aanpak is dat ze haar smaak altijd laat meewegen. Ja, Nederlandse letterkunde is een wetenschappelijk tijdschrift; maar voor Meijer is dat geen belemmering om te vermelden dat de laatste strofe van De achttien dooden haar ontroert:

Lees verder >>

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

Lezen is denken

Door Marc van Oostendorp

Wat zou het handig voor ons vak zijn als je van lezen een beter mens werd! Stel je voor: je overhandigt je buurjongetje dat op school niet wil deugen een exemplaar van De nachtstemmer, en zie: ineens kan hij wél meekomen. Of plaagt hij in ieder geval zijn zusje niet meer. Neerlandici als wonderdokters – de salarissen zouden razendsnel stijgen en als gevolg daarvan daarna al even vliegensvlug de studentenaantallen.

De gedachte dat lezen op de een of andere manier ‘nuttig’ is, is niet helemaal vreemd aan onze cultuur. In 2012 schreef een Belgische politierechter aan een verkeersovertreder voor dat hij Tonio moest lezen, A.F.Th. van der Heijdens boek over het dodelijke ongeluk van zijn zoon.

Lees verder >>