Auteur: Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.

Drie nieuwe vertalingen Beatrijs in de maak

Van 7 tot 10 april wordt in het Hongaarse vertalershuis aan het Balatonmeer een workshop georganiseerd rond drie nieuwe vertalingen van de Middelnederlandse Beatrijs. De vertalingen in het Hongaars, Pools en Roemeens komen tot stand in het kader van mastercolleges aan de universiteiten van Boedapest, Wrocław en Boekarest. Aan de Hongaarse versvertaling wordt meegewerkt door de dichter Zsuzsa Rakovszky die in Nederland en Vlaanderen vooral bekend is door haar roman De schaduw van de slang. Het vertaalatelier aan het Balatonmeer wordt gefinancierd door het Expertisecentrum Literair Vertalen van de Nederlandse Taalunie. Later dit jaar zal in Den Haag een groot congres plaatsvinden, gewijd aan de internationale uitstraling van de Beatrijs (Koninklijke Bibliotheek, 29-30 september). Van het Middelnederlandse verhaal over de non die haar klooster verlaat en in de prostitutie belandt, bestaan opmerkelijk veel vertalingen en bewerkingen. Alleen al in het Engels zijn er zes vertalingen.
Voor meer informatie over de workshop in Hongarije kunt u (uiteraard in het Nederlands) contact opnemen met dr. Orsolya Réthelyi, Vakgroep Neerlandistiek, Eötvös Loránd Universiteit Boedapest (ELTE), rethelyi@freemail.hu. Informatie over het overkoepelende project is te vinden op: http://www.middelnederlands.be/beatrijsinternationaal/

Col: Gebarentaal als gevoelstaal

“Het Fries is de gevoelstaal in Friesland,” zei minister Piet-Hein Donner vorige week zaterdag tijdens een persconferentie. Om die reden heeft het kabinet Rutte in het regeeraccoord afgesproken om de positie van het Fries beter te regelen. Een andere reden voor die maatregel volgens de minister: “Hoe meer talen je kent, des te makkelijker je andere talen leert en je de verschillende talen begrijpt.” Donner was ook niet bang dat mensen de verschillende talen door elkaar gaan gebruiken: “Ik heb zelf een groot deel van mijn opleiding in het Frans gehad. Wanneer je maar weet dat je de talen gescheiden moet houden, is er geen probleem.”

Dat zijn allemaal goede argumenten. Ze vormen een belangrijke breuk met het Nederlandse beleid van de afgelopen vijftien jaar, waarin er juist van werd uitgegaan dat het leren van het Nederlands voorop moet staan en dat andere talen een correcte beheersing van de officiële taal alleen maar hinderen.
Dat leidde er onder andere toe dat het onderwijs in zogenoemde ‘allochtone levende talen’ is afgeschaft. Alle door Donner genoemde argumenten gelden natuurlijk net zozeer voor het Turks en het Marokkaans als voor het Fries: het zijn gevoelstalen, ze helpen hun sprekers om andere talen zoals het Nederlands te leren en te begrijpen, en zolang mensen begrijpen hoe de twee talen gescheiden moeten worden, is er geen probleem.
Het is interessant te zien wat deze nieuwe overheidswaardering voor meertaligheid gaat betekenen voor het taalonderwijs in de vele minderheidstalen die er in Nederland gesproken worden. Het belangrijkst is dat misschien wel voor n taal die al eeuwenoude wortels in Nederland heeft, en waarvan de sprekers bovendien grote praktische problemen hebben met het Nederlands – veel groter dan Turken, Marokkanen of Friezen. Het betreft de Nederlandse Gebarentaal, de taal van de meeste doven in Nederland.
Alle deskundigen zijn het erover eens dat de gebarentaal een volwaardige taal is, waarin kan worden gedicht, gevloekt, college gegeven en geflirt. Het is de taal waarin doven de wereld leren kennen en met elkaar communiceren. De taal wordt inmiddels op allerlei niveaus onderzocht, er bestaan woordenboeken, websites, grammaticale studies en een redelijke gestandaardiseerde vorm. Dat is nodig: de taal verschilt in zinsbouw en de woordenschat op heel belangrijke punten van het Nederlands.
De Nederlandse doven beheersen over het algemeen zeer behoorlijk Nederlands. Toch heeft juist hun taal veel te winnen bij erkenning door de Nederlandse overheid. Juist doven hebben behoefte aan goede tolkendiensten, overheidsinformatie in de eigen taal en een grotere zichtbaarheid in de openbare ruimte. Juist doven horen in een beschaafd land hun gevoelstaal te kunnen gebruiken.
Doordat de techniek van cochleair implantaten – in het lichaam ingebrachte hoorapparaten – steeds verder voortschrijdt, zal de Nederlandse gebarentaal over enkele generaties misschien uitsterven. Zover is het echter nog niet: zo lang wij leven, zullen er doven onder ons zijn voor wie de gebarentaal de moedertaal is.
Al in 1997 heeft een commissie onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar taalwetenschap Anne Baker voorgesteld om de Nederlandse gebarentaal erkenning te geven. Die commissie was ingesteld door de Nederlandse overheid, maar deze heeft er vervolgens niets mee gedaan. Ergens in een bureau op Donners ministerie moet dat rapport nog steeds liggen. Zou het er niet eens uit kunnen worden gehaald?

Nicoline van der Sijs geridderd

Taalkundige en etymologe (en Onze Taal-medewerkster) dr. Nicoline van der Sijs is benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Zij kreeg de onderscheiding afgelopen woensdag 26 januari 2011 voor haar verdiensten als onderzoeker van het Nederlands, met vooral veel aandacht voor de ontwikkeling van onze taal in de loop van de verschillende tijdsperioden. Het lintje werd opgespeld door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. Halbe Zijlstra, tijdens de gezamenlijke nieuwjaarsbijeenkomst van de Nederlandse Taalunie en het Genootschap Onze Taal in Den Haag.

Zie voor meer informatie de website van Onze Taal.

Lit: Te verschijnen: Willy Dols 1911-1944

Op 21 maart 2011 zal het honderd jaar geleden zijn dat de Sittardenaar Willy Dols geboren is. Hij was een veelbelovend geleerde die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op tragische wijze om het leven gekomen is. Tijdens zijn studie al publiceerde hij een aantal artikelen op taalkundig gebied waarin hij reeds blijk gaf van zijn grote interesse voor het Limburgse dialect. Zijn in 1953 postuum uitgegeven proefschrift wordt gerekend tot de beste die in Nederland ooit over een taalkundig onderwerp geschreven zijn.
De neerlandicus Lei Limpens heeft het leven van deze geleerde beschreven in een boek waarbij hij ook aandacht schenkt aan het wetenschappelijk werk van Willy Dols. Zo geeft de auteur voor een breed publiek een samenvatting van Dols’ gepubliceerde en niet-gepubliceerde werk, waaruit de brede belangstelling van deze erudiete geleerde blijkt. Verder onder andere de nog nooit gepubliceerde recensie van J.P.C. Kats, Het phonologisch en morphologisch systeem van het Roermondsch dialect uit1939. Tenslotte hebben de hoogleraren Marc van Oostendorp, Ben Hermans en Carlos Gussenhoven als hommage aan hun collega uit het begin van de Twintigste Eeuw een artikel geschreven over een aspect van het Limburgse dialect.
Medio maart 2011 zal de presentatie van het boek plaatsvinden. U kunt hier al intekenen voor het boek.

Waarom ik nu toch een iPad heb

Een van de voordelen van stevige meningen is dat je ze af en toe totaal kunt veranderen. Er is niets prettigers dan met vuur datgene verdedigen dat je een paar maanden geleden nog met grote stelligheid afwees. Je kent alle argumenten van de andere kant, en kunt ze dus nog effectiever bestrijden.

In mei was ik nog faliekant tegen de iPad. Ik wond er hier op Neder-L geen doekjes omheen: niks voor mij, zo’n nieuw gadget: “Voorlopig lijkt een iPad me vooral leuk om spelletjes op te doen om video’s op te bekijken, maar voor allebei die dingen heb ik jammer genoeg niet zoveel tijd,” schreef ik. “Ik wil lezen.” Wat was ik toen nog jong en onbesuisd.

Gelukkig zijn er mensen die mij beter kennen. Van een van hen kreeg ik dit jaar dan toch zo’n ding cadeau. Ik zette er wat video’s op en wat spelletjes, maar ontdekte al snel dat ik daar eigenlijk toch geen tijd voor had. Ik wilde lezen! En lezen doe ik inmiddels uit alle macht. Het is waar, wat ik in mei schreef, dat het scherm van de iPad, anders dan dat van de gemiddelde e-booklezer, licht geeft, en daarmee te onrustig is voor je ogen om er de hele Ilias op te lezen. Je kunt daarvoor toch nog steeds beter terecht op het grijzige elektronische papier dan op een gewoon computerbeeldscherm, dat een iPad toch ook heeft.

Maar er is zoveel anders te lezen. Om te beginnen kranten en tijdschriften. Mijn papieren kranten heb ik dit voorjaar al weggedaan, om ze voortaan op mijn e-boeklezer te downloaden; maar hoeveel prettiger is dan de interface van zo’n lezer. Je kunt de hele opmaak van de krant zien, de kleurenfoto’s zien er prachtig uit, en de teksten zijn toch kort genoeg om niet af te kunnen dwalen. Ik begrijp inmiddels niet meer wat de lol ervan is om iemand door weer en wind naar je huis te laten fietsen voor een miezerige uitdraai van zoiets moois.

Omdat het bijna kerstvakantie is, heb ik ook een groot aantal tijdschriften gedownloaded: de prachtige nieuwe elektronische Vrij Nederland, de New Yorker, Internazionale en nog een paar. Ik blader er met evenveel genoegen doorheen als door de echte tijdschriften, en ook hier weer is er zulke fijne extra’s: de gedichten in de New Yorker die je ook door de auteur kunt laten voorlezen.

En zelfs boeken ga ik af en toe op de iPad lezen. Geen romans, maar wel dichtbundels, waarvoor je toch niet de hele tijd naar het scherm kijkt – ik had dat eigenlijk nooit gemerkt, maar ik lees zo’n bundel eigenlijk door een aantal regels tot me te nemen, en daar dan een beetje op te suffen – en vooral ook nonfictie-boeken. Ik ben nu bijvoorbeeld een boek aan het lezen van de Italiaanse journalist Beppe Severgnini over Berlusconi, La pancia degli italiani (De onderbuik van de Italianen). Dat is een voorbeeld van hoe het moet: het ongelooflijke verhaal dat Severgnini weet te vertellen wordt gestaafd door links naar YouTube-filmpjes waar je Berlusconi die bizarre dingen inderdaad zelf hoort uitspreken, en naar pdf-bestanden waaruit inderdaad blijkt dat Forza Italia een semi-religieuze beweging was. Omdat je ook nog aantekeningen kunt maken, blijkt de iPad een geweldig apparaat om te studeren. Wie nu nog papieren boeken in huis haalt, is een hopeloze romanticus. Dat beweer ik met grote stelligheid.

Ove: Hans den Besten (1948-2010)

Zojuist is bekend geworden dat prof. dr. J.B. (Hans) den Besten in zijn woonplaats Amsterdam overleden is.

Den Besten was tijdens zijn hele werkzame leven verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij na een kandidaats Nederlandse Taal- en Letterkunde, Algemene Taalwetenschap gestudeerd had. Hij doceerde onder andere Nederlandse, Duitse en Algemene Taalwetenschap. De laatste jaren was hij deeltijds UHD voor Algemene Taalwetenschap en deeltijds UD voor Afrikaanse Taalwetenschap. Bovendien bekleedde hij een bijzonder hoogleraarschap in Stellenbosch, Zuid-Afrika. Lees verder >>

Ik zal het wel weten

Door Marc van Oostendorp

Heb ik weleens iets ontdekt? Is er ooit weleens een taalverschijnsel geweest dat mij als eerste opviel en iemand anders niet? Ik zit nu toch al een paar jaar in het vak, het wordt toch weleens tijd, zou je zeggen. Maar ik kan het me niet herinneren. Ik beeld mezelf in dat ik verschijnselen goed kan interpreteren en verklaren, en dat ik ze een plaats weet te geven in de rommelige kathedraal die taalwetenschap heet – maar echt een totaal nieuwe observatie heb ik geloof ik niet op mijn naam staan.

Daarom ben ik blij met het Meldpunt Taal dat het Meertens Instituut, het INL en een hele rij andere partners enkele weken geleden begonnen zijn. Lees verder >>

Waarom ik nog geen iPad heb

Door Marc van Oostendorp

Wie modern wil lezen, wordt voortdurend met existentiële vragen geplaagd. Zo willen sommigen die weten van mijn grote liefde voor mijn e-reader nu weten waarom ik nog geen iPad heb. (De iPad is weliswaar in Europa nog helemaal niet te krijgen, maar de ware liefhebber draait daar zijn hand niet voor om: ik zou natuurlijk ook naar Amerika kunnen emigreren om daar ongestoord verder te kunnen lezen.) Lees verder >>

Verslaafd aan variatie

Mijn e-boeklezer en ik, we zijn inmiddels meer dan drie maanden bij elkaar. Geen dag heb ik hem uit het oog verloren, al is het maar omdat ik inmiddels mijn abonnement op de papieren editie van NRC Handelsblad heb opgezegd, en de krant alleen nog van mijn apparaatje lees. Maar ik heb ook hoofdstukken uit taalkundeproefschriften, dichtbundels, essays, korte verhalen en romans van het apparaat gelezen. Er gaat bijna geen dag voorbij of ik leg iemand uit wat de voordelen zijn van zo’n elektronisch apparaat, al moet ik toegeven dat ik inmiddels ook wel twee zwarte vlekjes aan mijn grote liefde heb ontdekt: hij is af en toe wat traag, en hij biedt wat weinig variatie.

De traagheid doet zich vooral, of eigenlijk alleen, voor bij e-boeken die ik gekocht heb, niet bij legaal (of zelfs illegaal) gedownloade boeken. Ik denk dat het samenhangt met het feit dat uitgevers grote zorg besteden aan de opmaak van hun boeken. Daardoor worden de bestanden heel groot. Via Cappello 23 van Christiaan Weijts, dat ik op de website van mijn lokale Leidse boekwinkel kocht, telt bijvoorbeeld bijna 1,5 Mb. Ter vergelijking: een door mij zelf in elkaar geknutselde versie van De Berg van Licht heeft ongeveer een kwart van die omvang.

Vanwege die grootte heeft de uitgever het bestand in een aantal deelbestanden geknipt, die ieder voor zich een ‘deel’ van Weijts roman bevatten. Het kost mijn lezer soms bijna een minuut om van het ene deel naar het andere te gaan.

In die minuut kun je natuurlijk even nadenken over het gebodene — beter dan tijdens het gedachteloos omslaan van een pagina. Maar verwend als ik ben door decennialang razendsnel stukjes papier te bedienen, geeft me dat wachten een ongemakkelijk gevoel.

Aan de snelheid kan misschien nog gewerkt worden, maar ik vraag me af of dat ook gaat lukken met de variatie. Ik zit nu al drie maanden met hetzelfde boek in mijn handen, van precies dezelfde omvang en met precies hetzelfde zwartleren omslag. De boeken van uitgevers hebben een eigen typografie gekregen, en hun schermen zien er daarom wel allemaal een beetje anders uit. Maar het blijft een en hetzelfde stuk plastic dat ik in mijn handen heb.

Onder andere om die reden, wijk ik af en toe nog wel uit naar het papieren boek — een andere reden is natuurlijk dat ik soms iets moet of wil lezen dat eenvoudigweg nog niet in elektronische versie bestaat. Misschien is het mijn trouweloze natuur, maar zo’n uitstapje heb ik nodig. Om daarna trouwens weer met hernieuwd enthousiasme terug te keren naar mijn e-boeklezer, waar ik de lettergrootte zelf kan bepalen, en die voor me onthoudt op welke bladzijde ik precies gebleven ben.

Ik weet niet zo goed wat er aan dit probleem te doen is. Misschien loop ik over een jaar of twee wel rond met een aantal verschillende e-boeklezers, een op A4-formaat voor tijdschriften en taalkundige artikelen, een op pocketformaat om in de trein te lezen en een waarvan de grootte tussen de andere twee inhangt voor in bed. Misschien komen er e-boeklezers die jij of de uitgever ook aan de buitenkant van vormgeving kan veranderen naar gelang je stemming of de inhoud van het boek. Misschien is die behoefte aan variatie wel in mij ingebakken door decennia van gewenning aan het feit dat bijna ieder boek dat je in je handen neemt er weer net anders uitziet, net iets anders voelt en ruikt dan elk ander boek dat je ooit hebt mogen aanraken. Als dat zo is, zijn drie maanden gewoonweg nog niet genoeg om af te raken van mijn verslaving aan variatie.

Een toekomst zonder verleden

Deze lente vieren we plechtig dat vijftien jaar geleden het literaire tijdschrift De Opkamer werd opgericht door de (toenmalige) romanschrijver en (tegenwoordige) fotograaf Hans van der Kamp. De Opkamer was het eerste Nederlandse literaire tijdschrift op het internet. Het was mooi vormgegeven en beloofde de stem van een nieuwe generatie te worden. Hoewel het internet nog door sommige mensen als een hype werd beschouwd, gingen Van der Kamp en de zijnen laten zien wat voor letterkundige mogelijkheden er open lagen.

De Opkamer is inmiddels nog maar moeilijk te vinden. Alleen bij het Amerikaanse Internet Archive, de enige echte bron voor de Internet-archeoloog, kun je nog een editie uit 1996naslaan, en vandaaruit nog wat van de oude inhoud terugvinden, maar je wordt ook daar vooral getrakteerd op foutmeldingen. Een spin-off van De Opkamer, de in een soortgelijke smaakvolle stijl vormgegeven website met erotische kunst Amea, is nog wel altijd actief.

Over De Opkamer lezen we niets in het nieuwe nummer van Vooys. Tijdschrift voor letteren (jaargang 27, nummer 4), dat vrijwel geheel gewijd is aan een ‘dossier Nieuwe Media’. De literatuur op het internet heeft vooralsnog nauwelijks verleden, slechts een beetje heden en een heleboel toekomst.

Anders schrijven

Toch komt het verleden wel aan bod in Vooys. Interessant is bijvoorbeeld de bijdrage van Carolien van den Berg, die in 2001 een scriptieschreef over hypertekstfictie en voor deze gelegenheid terugkeerde naar de Amerikaanse hypertekstroman The Unknown (van William Gillespie, Frank Marquart, Scott Reberg en Dirk Stratton, 1998). Hypertekst, dat was tien jaar geleden de toekomst van de literatuur op het internet: verhalen waarbij je als lezer zelf kon bepalen in welke volgorde je de verschillende brokstukjes tot je nam. Van den Berg vertelt dat er aan het eind van de jaren negentig schrijvers en literatuurwetenschappers opstonden die nadachten over onder andere de vraag hoeveel invloed een lezer kon krijgen en hoe beeld en geluid in een verhaal verwerkt moesten worden.

“Ik vermoed dat deze bloeiperiode ophield naarmate internet meer ingeburgerd raakte,” besluit Van den Berg. Dat klinkt curieus, maar is vermoedelijk wel waar: de internetliteratuur moet het vooralsnog hebben van de kracht van het nieuwe, van het almaar verder pionieren. Zodra iemand een manier gevonden heeft om de huidige technologie in te zetten, is die technologie alweer achterhaald. Volgend jaar komt er misschien iPad-literatuur, die speciaal geschikt is om gelezen te worden op de nieuwste gadget van Apple – maar over tien jaar is die iPad-literatuur dan misschien nergens meer te vinden.

De digitale lezer

Een soortgelijk gevoel komt op bij het artikel over elektronische poëzie van de dichter Arnoud van Adrichem en de hoogleraar Jan Baetens. Er wordt nu toch al lang gepraat over de opkomst van ‘e-poëzie’, “de ideologie van het ‘nieuwe’ […] viert hoogtij”, maar “veel gedichten op internet zijn niet meer dan de dubbels van bestaande poëzie in drukvorm, die de mogelijkheden van de nieuwe communicatietechnologie onbenut laten.” Van Adrichem en Baetens wijzen op een andere ontwikkeling die met veel minder gedruis en programmatische bombarie omgeven is: “Het gehele literaire bedrijf – van schrijvers tot editors, van uitgevers tot critici en van verkopers tot lezers — is ondertussen volledig opgenomen in de digitale cultuur.”

Ik denk dat dit inderdaad uiteindelijk een onvergelijkbaar belangrijker ontwikkeling zal blijken te zijn dan alle experimenten met Flash en hypertekst en het vermengen van beeld en tekst bij elkaar: het simpele feit dat je boeken digitaal kunt krijgen.

Vooral denk ik dat de digitale revolutie belangrijker is voor de lezer dan voor de schrijver. Sinds een paar maanden heb ik een e-reader, en ik heb daar inmiddels bijna duizend boeken op verzameld, die ik dus iedere dag overal mee naar toesleep. De meeste van die boeken zijn rechtenvrije klassiekers, maar ik heb ook een handjevol boeken gekocht via de elektronischeboekwinkel, en omdat je als pionier nu eenmaal alles moet proberen ook een paar recente Amerikaanse romans illegaal gedownloaded. Dat verandert de ervaring van het lezen — voorbij is de tijd dat je een boek maar uitleest omdat het nu eenmaal het enige is dat je op een lange reis bij je hebt. Voorbij is de tijd dat je als je een nieuw boek wilt, ofwel afhankelijk bent van de verschrikkelijke keuze die de Selexyz-boekhandelketen voor je maakt, of een paar dagen moet wachten tot je bestelling van Amazon binnenkomt. Alles wat je lezen wil is altijd voorhanden.

Anders lezen

Het is als met muziek. Bij mijn weten is er weinig ‘internetmuziek’ voorhanden, die gebruik maakt van de mogelijkheden van het medium. Maar ondertussen is de muziekbeleving van zo’n beetje iedereen in de westerse wereld grondig veranderd. Wie diep in de nacht ineens de behoefte krijgt om naar een bepaald muziekstuk te luisteren, kan onmiddellijk aan die behoefte voldoen.

Ik weet niet hoe atypisch ik ben, maar voor mijn eigen leesgedrag betekent dit vooralsnog een paar dingen. In de eerste plaats is mijn behoefte aan het ‘nieuwe’ afgenomen: waarom zou je je zorgen maken over de nieuwe Erwin Mortier of Jonathan Safran Foer als er zo enorm veel andere bestanden zijn die ook nog allemaal gelezen moeten worden, en die bovendien precies even ver weg zijn. En in de tweede plaats ben ik geloof ik toch wat onrustiger gaan lezen. Waar het precies aan ligt, weet ik niet, maar korte verhalen en poëzie bevallen me vooralsnog beter van een elektronisch scherm dan dikke romans.

In het Engelstalige artikeltje van Samuel Vriezen wordt een andere fascinerende consequentie van het internet besproken: omdat dichters ook lezers zijn, en ook lezers van het internet, kunnen ze zich ineens door de hele wereld laten beïnvloeden: “If, once upon a time, Nijhoff could hold that Dutch poetry was among the world’s finest, we can today only excuse him on the grounds that he had no internet access.” Verwijzend naar de Finse dichter Leevi Lehto roept Vriezen op tot een globalisering van de Nederlandse literatuur: dichters moeten zich in elke taal die ze tot hun beschikking hebben uitdrukken, en zich daarbij niet uit het veld laten slaan door het feit dat hun taalgebruik misschien afwijkt van dat van moedertaalsprekers.

Tien stellingen

Het fraaiste artikel in de nieuwe Vooys vind ik dan ook dat van Peter Boot van het Huygens Instituut, die in ‘tien stellingen over de ideale digitale bibliotheek’ precies uiteenzet waar we naartoe zouden moeten: zo’n bibliotheek zou alles wat er geschreven of gedrukt is moeten bevatten, het zou op allerlei manieren doorzoekbaar en leesbaar moeten zijn, enzovoort. Boots ideale bibliotheek is er wel vooral een voor de onderzoeker, maar ook over de gewone lezer heeft hij wel wat te zeggen: “Idealiter […] kan de gebruiker zelf aangeven welke onderdelen van de tekst worden getoond. Wil ik een middeleeuws toneelstuk lezen met of zonder de woordverklaring? Heb ik behoefte aan regelnummers? Wil ik, in de uitgave van een briefwisseling, de brieven van beide correspondenten gezamenlijk, of die van elk afzonderlijk?” Het is precies die macht die de lezer vooralsnog lijkt te willen — veel meer dan zelf te bepalen hoe hij binnen één en dezelfde ‘hypertekst’ navigeert, wil hij de hele wereld, van zoveel bestaande teksten zien als een grote hypertekst.

In dat grote web van teksten horen misschien ook tijdschriften, zoals Vooys. Toen ik een recensie-exemplaar kreeg aangeboden, vroeg ik om een elektronisch exemplaar; dat bleek niet te bestaan — al wilde de redacteur van dienst me best wat Word-bestanden toesturen. Het digitale lezen en het digitale schrijven zijn alvast begonnen; nu het digitale uitgeven nog.

De weg van de Winkler Prins

Ruim een maand heb ik mijn e-boeklezer nu in mijn bezit, en de uitgevers en boekverkopers overal ter wereld vieren uitbundig feest. Mijn honger naar boeken kent geen grenzen; zoals de gokverslaafde naar zijn pokerwebsites surft, de anorexiapatiënte naar de weblogs van haar lotgenoten, zo breng ik halve nachten door op jacht naar nieuwe elektronische boeken.

Het begon op sites als Manybooks.net, Feedbooks.com en Gutenberg.org, waar je gratis rechtenvrije klassiekers van over de hele wereld kunt krijgen. Iedere dag komen er wel nieuwe titels bij, en hoewel ik moet toegeven dat een heleboel titels ook mij niets zeggen, kan ik me toch maar nauwelijks voorstellen dat iemand het Handboek voor den kaasmaker in Nederland kan weerstaan, of The Art of Public Speakingvan Dale Breckenridge Carnegie.

Bovendien bood NRC Handelsblad een proefabonnement aan op de elektronische versie, en dat proefabonnement heb ik snel genomen. Aan het eind van iedere werkdag download ik alle artikelen van de nieuwe krant zonder advertenties en andere onzin op mijn lezertje, zodat ik hem al in de trein naar huis kan lezen.

Maar al snel was ook dat niet genoeg meer, en ben ik bij een aantal on-lineboekwinkels iets gaan kopen: om te beginnen het brievenboek van W.F. Hermans en Gerard Reve, ‘Verscheur deze brief’ bij Selexyz.nl, de roman ‘Via Cappello 23’ van Christiaan Weijts bij Bruna.nl en de roman ‘Ruhm’ van Daniel Kehlmann bij Libri.de, en ‘Survivre aux crises’ van Jacques Attali bij Fnac.fr.

Ook pdfs van taalkunde-artikelen heb ik wel gedownload, al zijn deze vanwege de figuren eigenlijk alleen goed te bekijken als pdf-bestand, en is een e-boeklezer om technische redenen (de resolutie van het scherm is niet zo hoog, en het schermpje zelf is klein) niet heel prettig te lezen als een elektronisch boek.

Bijna duizend boeken heb ik inmiddels op deze manier gedownload – of mijn e-boeklezer het volhoudt tot ik al deze boeken gelezen heb, is de vraag. Waarschijnlijker is dat het apparaat al vervangen is voor ik er vijfhonderd gelezen heb, want er kan nog van alles beter aan het apparaatje – zoals die resolutie, of het knopje dat je moet gebruiken om te bladeren, dat ik een beetje stroef vind.

Maar vooral valt er ook nog wel een heleboel te verbeteren in de verkoop van die boeken. Ik ken eigenlijk geen goede, prettige website waar je goed kunt zoeken, alle boeken van te voren kunt inzien en niet bedonderd wordt doordat je er klassiekers die je elders in precies dezelfde editie gratis kunt krijgen voor drie of vier euro krijgt aangeboden. Bovendien zijn ook de boeken van de levende auteurs, hoe je het ook bekijkt, nog veel te duur: meestal drie of vier euro goedkoper dan het papieren exemplaar (en soms zelfs duurder, omdat de prijs van het e-boek is afgeleid van de dure hardcover ook als er al een paperback verschenen is).

Dat gaat vast allemaal veranderen. U gaat binnen nu en drie, vier jaar ook een e-boek kopen en dan gaan de meesten van u ook voor de bijl. We gaan die boekwinkels niet meer in, omdat ze over het algemeen helemaal niet hun best doen om leuke boeken aan te bieden, en kennis, en sfeer, maar in plaats daarvan denken in stapels bestsellers naast de kassa – bestsellers die we ook zelf kunnen bijhouden. Over tien, vijftien jaar gaan we al onze boeken wegdoen, behalve de hele mooie.
U gelooft mij niet, u denkt dat ik overdrijf. Mensen willen boeken in de kast hebben staan, want dat staat zo gezellig. Ze willen een boek kunnen ruiken, zegt u, en het papier horen ritselen. Dat mag allemaal zo zijn – maar er zijn ook mensen die boeken willen lezen. Dat is nu al in sommige opzichten prettiger vanaf een e-boeklezer dan uit een stapel papier. Het duurt niet meer dan een paar jaar en dan gaan al onze leesboeken dezelfde richting op als onze langspeelplaten en de Winkler Prins.

Pleidooi voor een jaarwisseling

Door Marc van Oostendorp

Wanneer wordt het eindelijk 2001? Wie de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren  bezoekt, en daar eind 2009 de ‘korte toelichting op de website’ naslaat, vindt daar onder andere de volgende tekst: “In de loop van 2001 zal in de dbnl een downloadfunctie beschikbaar komen. Teksten kunnen dan worden binnengehaald in verschillende bestandsformaten als HTML, ASCII en in een aantal gevallen ook als PDF. Op verzoek zal ook een SGML-file met bijbehorende DTD geleverd kunnen worden.”

Helaas is die functionaliteit nog niet voorhanden. Van sommige bestanden worden wel pdfs aangeboden, maar ik weet eigenlijk maar één manier om dat uit te vinden – door de uitgang .html te veranderen in .pdf en dan maar te hopen dat het goedkomt. Een standaardknop bij iedere pagina die pdf geeft, of ascii of ‘schone’ (opmaakvrije) html ontbreekt.

Feitelijk is aan de opmaak van de dbnl in de bijna tien jaar dat de site bestaat niets veranderd. De teksten worden nog steeds gepresenteerd op een manier die het moeilijk maakt om ze elektronisch te bewerken en te doorzoeken, of gebruik te maken van alle verrijking die er achter de schermen gedaan moet zijn. Voor allerlei vormen van wetenschappelijk onderzoek is de exclusieve vorm waarin de dbnl nu al die tijd haar rijkdommen aanbiedt, minder geschikt.

Ook om een en ander prettig te kunnen lezen, zou de redactie de bezoeker met wat eenvoudige handgrepen veel beter tegemoet kunnen komen. Sinds een paar weken heb ik nu een e-boekenlezer in huis, zo’n apparaat dat je in je zak kunt stoppen, waar je honderden boeken op kunt zetten die je vervolgens kunt lezen op een rustig beeldscherm – een schermpje dat geen licht uitstraalt zoals de beeldschermen van de computer, maar alleen licht reflecteert, zoals de bladzijden van een traditioneel boek.

Sinds ik dit apparaat heb, ben ik gaan geloven dat mijn boeken en tijdschriften over twintig jaar dezelfde weg op zullen gaan als mijn cd’s. Ik gebruik hooguit de exemplaren die ik toch al heb omdat ik er geen afstand van kan doen. De huidige leesapparaten zijn nog niet volmaakt – de resolutie is nog laag, de bediening primitief, en het scherm is nog te grijs – maar dat gaat vast veranderen. En nu al lees ik mijn krant en veel boeken het liefst van het scherm.

Het probleem is vooralsnog om aan voldoende materiaal te komen. Veel Nederlandse uitgevers verkopen inmiddels hun uitgaven ook in een elektronisch formaat, maar ze vragen daar veel geld voor: zo’n elektronisch boek kost maar een paar euro minder dan de papieren tegenhanger, en het voelt aan als groot onrecht om dat te betalen voor iets waarvoor opslag en distributie zoveel goedkoper zijn. Dus houd ik het vooral op oude boeken.

De dbnl heeft een mooie collectie, de zogenoemde basisbibliotheek, met 1000 boeken uit de afgelopen eeuw die volgens de redactie sleutelteksten zijn tot onze cultuurgeschiedenis. Al die boeken staan onder andere als pdf op de site, al kon ik ze alleen via de zojuist beschreven truc vinden. Nu zijn pdfs niet zo prettig voor een e-boekenlezer, omdat hun hele vormgeving al vaststaat: zo kun je niet zelf de lettergrootte bepalen (je kunt natuurlijk wel het plaatje van de pagina groter maken, maar er blijven evenveel woorden op een regel staan, zodat je bij grote letters heen en weer moet scrollen, en bij kleine letters de marges heel groot worden). Mijn boekenlezer is groot genoeg om de hele basisbibliotheek te bevatten, maar goed leesbaar zijn ze daarmee niet.

Het zou veel handiger zijn als de dbnl haar bestanden ook aanbood in een van de formaten die e-boekenlezers goed kunnen weergeven: epub, dat nu wordt gebruikt door de Nederlandse uitgevers, of eventueel de concurrent Mobipocket. Het grote internationale vrijwilligersarchief Gutenberg biedt allebei die bestandsformaten wel aan. Voor de dbnl moet het een fluitje van een cent zijn om al hun teksten automatisch om te zetten: epub en Mobipocket zijn allebei vormen van sgml, net als de moederbestanden van de dbnl.

Van een pdf kun je met gratis via internet verkrijgbare software ook automatisch e-boekbestanden maken, en dat heb ik met enkele tientallen titels uit de basisbibliotheek ook gedaan. Helaas komt er dan van allerlei overbodigs mee die de dbnl aan de pdf heeft toegevoegd: paginanummers en paginakopjes bijvoorbeeld. Het zou veel makkelijker zijn als je als gebruiker die omweg niet zou hoeven te kiezen.

Tien jaar geleden was de website van de dbnl prachtig – al liep hij ook op dat moment nog niet voorop in technologische verfijning. Inmiddels wordt het tijd dat er een modernere versie komt, een waarbij de gebruikers ofwel voor onderzoek ofwel om te kunnen lezen veel kalere versies van alle bestanden kunnen krijgen, waar de letters niet langer schreefloos zijn en wit op een donkerblauwe achtergrond, maar iedere zelfgekozen vorm en kleur kunnen hebben. De dbnl zou langzaam maar zeker de gratis bibliotheek van het Nederlands erfgoed kunnen worden – als het de stap naar 2001 zou durven zetten.

De Vlaming in mij

Ik heb mezelf leren kennen terwijl ik de afgelopen maanden meewerkte aan het tweede deel van de Morfologische Atlas van de Nederlandse Dialecten (MAND), dat binnenkort verschijnt. Zo heb ik de Vlaming in mij ontdekt.

Dat zit zo. Taalkundigen zeggen meestal dat we in het Nederlands twee rijtjes persoonlijk voornaamwoorden hebben. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) noemt het ene rijtje “vol”: ik, jij, hij, zij, het, wij, jullie, zij. Het andere rijtje heet “gereduceerd”: ‘k, je, ie/die, ze, ‘t, we, je, ze. Die terminologie suggereert dat het gereduceerde rijtje door middel van klankverandering is afgeleid van het volle rijtje. Zoals je het woord minuut informeel als menuut kunt uitspreken, zo kun je we zeggen in plaats van wij.

Historisch zijn de vormen ongetwijfeld op die manier aan elkaar gerelateerd, maar sinds het Utrechtse proefschrift van Egon Berendsen (1986) weten we dat in het moderne Nederlandse de twee rijtjes echt twee losse rijtjes zijn. Je en jij zijn bijvoorbeeld echt verschillende woorden, die deels verschillende dingen betekenen (“je wordt moe” kan zoiets betekenen als “men wordt moe”, maar “jij wordt moe” kan dat niet).

Nu is er met twee vormen in het gereduceerde rijtje nog iets bijzonders aan de hand. Dat blijkt al uit de spelling: ‘k en ‘t worden zonder klinker geschreven, en volgens de ANS soms zo uitgesproken. Over ‘k zegt de ANS (paragraaf 5.2.3.1) bijvoorbeeld:

“De (…) als ‘k gespelde gereduceerde enkelvoudige onderwerpsvorm kan als sjwa + k en als k worden uitgesproken: het eerste vooral na medeklinkers (heb ‘k, toen ‘k), het tweede vooral voor medeklinkers en na klinkers (‘k zou, zou ‘k).”

Over ‘t zegt de ANS iets soortgelijks. Daardoor ontstaat gemakkelijk het idee dat het verschil tussen [k] en [uk] of [t] en [ut] een puur uitspraakverschil is, gebaseerd op principes van welluidendheid.
Als je daar even over nadenkt, en de juiste voorbeelden erbij zoekt, merk je dat dit niet precies klopt. Zo klinkt kep voor “ik heb” in mijn oren veel minder vreemd dan koor voor “ik hoor”, terwijl toch in allebei de gevallen het volgende woord met een klinker begint (of eigenlijk met een [h], maar die valt weg). Op dezelfde manier zeg ik makkelijker ksal voor “ik zal” dan kseg voor “ik zeg” en kben voor “ik ben” dan kbeloof voor “ik beloof”.

Hoe zit dat? Hebben, zullen en zijn kun je allemaal gebruiken als hulpwerkwoord, horen, zeggen en beloven niet. Kennelijk hecht de vorm met alleen de medeklinker zich makkelijker aan hulpwerkwoorden dan aan zelfstandige werkwoorden, in ieder geval voor mijn taalgevoel.
Maar verbazingwekkend genoeg wordt dat taalgevoel weerspiegeld in het landschap van het Nederlandse taalgebied. In de database van het zogenoemde Goeman-Taeldeman-Van Reenen Project (GTRP) zitten gegevens over hoe dialectsprekers in 613 plaatsen in Nederland en Vlaanderen (inclusief Frans-Vlaanderen) allerlei Nederlandse woorden en zinnetjes in hun dialect vertaalden. De MAND is op deze database gebaseerd. Als we de plaatsen op de kaart zetten waar mensen spontaan “ik heb” vertaalden met kep of “ik hoorde” met koorde krijgen we het volgende:

Het kep-gebied is duidelijk veel groter dan het koor-gebied. Kep zegt men in heel Vlaanderen, en koor in een kleiner gebied. De gebieden worden nog kleiner als we ksal en kseg met elkaar vergelijken:

De gebieden zijn kleiner, maar het effect is hetzelfde: ksegwordt in veel minder plaatsen gezegd dan ksal. (Deze kaarten staan overigens niet in de MAND, ze zijn exclusief voor Neder-L gemaakt.)

Ik ben Hollands als het gras en mijn dagen in West-Vlaanderen zijn op de vingers van een hand te tellen. Hoe is het dan mogelijk dat mijn taalgevoel overeenkomt met een geografisch patroon dat we elders vinden? Al kan ik het niet bewijzen, ik vermoed dat alle sprekers hetzelfde gevoel hebben over het verschil tussen hulpwerkwoorden en zelfstandige werkwoorden. Alleen trekt in Vlaanderen de klinkerloze vorm sterker dan in Nederland, en zullen deelnemers aan een enquête dus in meer gevallen voor zo’n vorm kiezen.

Er zijn twee schalen: de een is (grofweg) kebkoorksalkseg; de ander is geografisch met Frans Vlaanderen als het middelpunt. De kans dat persoon x bij werkwoord y een klinkerloze vorm van ik gebruikt is volgens een wiskundige formule te berekenen uit die twee schalen.
En zo zit er in ons allemaal een Vlaming.

Marc van Oostendorp

Impactfactor

Het wetenschappelijk bedrijf wordt langzaam maar zeker zo objectief dat het tot somberheid stemt. Onlangs was ik namens de redactie van neerlandistiek.nl – hét publicatiemedium voor uw beste wetenschappelijke werk – bij een bijeenkomst van redacties van elektronische wetenschappelijke tijdschriften uit allerlei disciplines. Een belangrijk deel van de middag ging heen met de vraag hoe je als tijdschrift een ‘impact-factor’ kunt verkrijgen.

Allereerst moet je zorgen dat je in een prestigieuze tijdschriftenbank terechtkomt. Vervolgens wordt dan gemeten hoe vaak je artikelen worden geciteerd door andere tijdschriften in die database. Het aantal keren dat je dat in een jaar overkomt, bepaalt, gedeeld door het aantal citeerbare artikelen dat je dat jaar hebt geplaatst, je impact-factor.

Die factor is dus het uitgevers-equivalent van de citatie-index voor onderzoekers. Een tijdschrift met een hoge impactfactor geldt in veel disciplines allang als een begerenswaardig publicatiemedium, begreep ik van veel mederedacteuren op die studiemiddag. Dat is een probleem voor nieuwe tijdschriften: de beste auteurs sturen niet zo snel iets op naar een tijdschrift zonder impactfactor. En zonder goede auteurs wordt je tijdschrift nooit genoeg geciteerd om aan een goede impactfactor te komen.

Inmiddels zijn er technieken bedacht om die factor op te krikken. Een truc die tijdens de studiemiddag uitgebreid besproken werd is: publiceer de artikelen die veel geciteerd zullen worden liever in je januarinummer dan in je decembernummer. Alleen verwijzingen naar de artikelen van de afgelopen een of twee jaar tellen mee, en een artikel uit december schuift te snel uit dat venster om nog mee te kunnen tellen.

Nog een techniek is om auteurs zoveel mogelijk te stimuleren naar artikelen in jouw tijdschrift te verwijzen. Dat kan slechts in beperkte mate in artikelen die je zelf publiceert, omdat al te veel zelfcitaties weer strafpunten opleveren; maar je kunt in ieder geval wel je auteurs vragen om in publicaties elders veel naar jouw blad te verwijzen. Zoals sommige tijdschriften inmiddels ook vooraanstaande auteurs betalen om af en toe een overzichtsartikel te schrijven, want naar zulke artikelen wordt vaak verwezen.

De geesteswetenschappen hebben nog geen instrument voor het bepalen van impactfactoren, maar ooit komt dat eraan. Zoals we ook langzaam schuiven naar de situatie dat de publicatie van een boek niet telt bij de beoordeling van een onderzoeker, of in ieder geval vele malen minder dan de publicatie van een tijdschriftartikel.

Wij geesteswetenschappers zijn wel geneigd om te denken dat dit een publicatiemodel is dat wel past op de sociale en de natuurwetenschappen, maar niet op ons. Daar hebben we ongelijk in. Het past eigenlijk ook niet bij die andere wetenschappen, het is een belachelijk idee dat wetenschap een vak is dat zich altijd en overal op precies dezelfde manier kan uiten: in een peer-reviewed toptijdschrift met een hoge impact-factor.

Ik ken geen enkele onderzoeker die denkt dat dit een goede ontwikkeling is, dat het vak er mee zou opschieten als we citatie-indexen en impactfactors zouden hebben. De meeste mensen die ik erover spreek vinden het zelfs een slechte ontwikkeling. En toch is het net alsof er niets aan te doen is, de wereld verschuift nu eenmaal in die onzalige richting van steeds meer toetsbaarheid. Het wetenschappelijk bedrijf wordt nog eens zo meetbaar dat het niet leuk meer is.

Marc van Oostendorp

Zoentje op je oorlel

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen een kus en een zoen? Mijn indruk is dat er gaandeweg een betekenisverschil aan het ontstaan is tussen die twee woorden.

Voor een eerste definitie zoeken we ons heil bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat definieert kus als ‘eene aanraking met de lippen, in ’t bijzonder eene aanraking van een anders mond’. Verder merkt het woordenboek op dat ‘in de omgangs- en de volkstaal (…) kus (kos) niet over ’t geheele ndl. taalgebied gebruikt (wordt): men hoort ’t ten Z. van ’t Haringvliet en den Moerdijk, in ’t oostelijkste stuk van Z.-Holl., en voorts in Utrecht, Gelderl. en Overijsel; elders bezigt men andere woorden, b.v. zoen (hoofdzakelijk in Holl., maar o.a. ook wel in ’t W. van Utrecht) (…)” Lees verder >>

Het volk, de koningin en ik

De mensen – u weet wel, de man in de straat, lieden zoals u en ik, de doorsnee taalgebruiker, Jan met de pet, onze achterban, degenen voor wie wij het allemaal doen, de geïnteresseerde leek, het gewone volk, de belastingbetaler, de zwijgende meerderheid, onze informanten, de representatieve steekproef, mijn spreekwoordelijke oma, degenen op wie Rita Verdonk zich richt, en de kijkers thuis – interesseren die zich eigenlijk voor taal? Ik durf er niets over te zeggen. Zeker niet sinds 14 februari van dit jaar.

In november vierde het Genootschap Onze Taal zijn 75-jarig bestaan, en ze vroegen mij om iets te vertellen over uitspraakveranderingen. Ik besloot me te laten inspireren door het werk van Jonathan Harrington, een foneticus die uitspraakveranderingen in de kersttoespraken van Koningin Elisabeth heeft onderzocht. Die kersttoespraken zijn prachtig materiaal als je wilt laten zien hoe de spraak van een individu zich in de loop van de tijd ontwikkelt. Het is heel moeilijk om op een andere manier een individu bereid te vinden om decennia lang ieder jaar op hetzelfde moment min of meer dezelfde tekst uit te spreken. Dat had Harrington in zijn onderzoek heel mooi laten zien, en zoiets leek me ook wel uitvoerbaar voor koningin Beatrix.

Het blijkt nog niet gemakkelijk te zijn om alle opnames bij elkaar te krijgen. Beeld en Geluid, de afdeling die het archief van de publieke omroep beheert, is een onneembare vesting, waar iedereen voortdurend ziek is, of met vakantie, of net ontslag heeft genomen. Maar toen ik na vele maanden eindelijk de opnamen bij elkaar geschraapt had, hoorde ik dat er in ieder geval met de r in coda-positie duidelijk waarneembaar iets gebeurd is. Waar je Beatrix’ uitspraak in 1982 nog kon uitschrijven als waarde en geboorte, zegt ze de laatste jaren iets wat je beter kunt weergeven als waahde, geboohte. De r is geworden tot een sjwa-achtige klank, die bovendien in de loop van de jaren korter wordt.

Dat vertelde ik tijdens dat congres, en ik schreef het vervolgens ook op, zodat Onze Taal het kon afdrukken in het congresnummer van het tijdschrift.De redactie stuurde op 14 februari een persbericht uit, en vervolgens werd ik anderhalve dag lang het middelpunt van een storm van aandacht. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt, zelfs toen ik hoogleraar Esperanto werd niet. Geen moment stond de telefoon stil.

Hoe werkt zoiets? Als ik niet de koningin had genomen, maar zevenentwintig jaar lang mijn moeder had opgenomen, was dat veel edeler werk geweest, maar was al die aandacht niet gekomen, dat is duidelijk. Belangrijk was in ieder geval dat het ANP en NOS Teletekst het bericht allebei snel overnamen. De eerste telefoontjes kwamen binnen een paar minuten binnen – waarbij dan nog moet worden gezegd dat de meeste journalisten een omweg moesten maken, omdat ze eerst naar de redactie van Onze Taal moesten bellen om mijn telefoonnummer te krijgen.

De redacties van RTL Nieuws en RTL Boulevard meldden zich als eersten, en stuurden allebei een filmploeg om me in de leeszaal van het Meertens Instituut te filmen terwijl ik zogenaamd in het WNT opzocht wat griesmeelpap betekent, want dat is nu eenmaal het dagelijks werk van de taalwetenschapper. Maar ondertussen meldden zich ook alle landelijke kranten. De royalty-verslaggever van De Telegraaf schreef een stukje voor ‘de drie’ over hoe raar de koningin eigenlijk praat, een verslaggever van de Volkskrant vroeg me of dit eigenlijk wel nieuws was, en de redactie van de TROS Nieuwsshow wilde me wel op zaterdagochtend in de studio hebben, op voorwaarde dat ik geen andere grote interviews deed voor Radio 1.

Tamelijk bizar blijkt ook het systeem van ‘quotes’ te werken van het radionieuwsbulletin. In de grotere radiojournaals van de publieke omroep hoor je af en toe iemand – een deskundige of een betrokkene – een zin zeggen als onderbreking van de nieuwslezer. Ik weet nu hoe dat werkt. Je wordt opgebeld door iemand die zegt dat ze voor het radionieuws werkt, dat ze het persbericht gezien heeft, en dat ze nu een quote wil opnemen. Als je zegt dat dit goed is, zegt ze dat ze je nu in de computer doet, en daarna hoor je een halve minuut alleen gekraak. Opeens roept de dame van heel ver weg snauwen dat je nu iets mag zeggen. Wat je dan in verwarring roept, wordt als quote in het nieuws gemonteerd. Je naam wordt er niet bij genoemd, je wordt alleen aangeduid als ‘De Onderzoeker’, ongeveer zoals men in de middeleeuwen naar Aristoteles verwees als Philosophus.

En na anderhalve dag is het allemaal voorbij, de nieuwswaarde van de rare r van de koningin is kennelijk zo groot dat de berichtgeving niet een dag kan wachten. De enige redactie die me een week later nog wilden interviewen, was de Nederlandstalige afdeling van een commerciële zender in Australië.

Wat kunnen we hier nu uit leren? De bedoeling van zo’n actie is natuurlijk om de taalkunde onder de aandacht te brengen van de mensen. Maar lukt dat ook? Ik weet het niet helemaal zeker. Er zijn in ieder geval een paar heel slechte stukken verschenen: het bericht over de rare uitspraak van Beatrix in De Telegraaf heeft waarschijnlijk geen enkel positief effect gehad, en die journalist had ik achteraf beter niet te woord kunnen staan. Maar het rare is dat je zulke dingen nauwelijks vantevoren kunt voorspellen. Heel moeizame gesprekken leveren soms heel inzichtelijke stukjes in de krant op, terwijl heel begripvolle interviewers achteraf alleen naar de sensatie bleken te vissen. Er zijn in ieder geval een paar interviews geweest waarover ik tevreden was, waar ik iets serieus kon vertellen, terwijl de interviewer het ook even over de koningin mocht hebben. Of Beatrix er ook zo over denkt, weet ik niet, maar als ik op deze manier één scholier aan de radio ervan heb overtuigd dat je in het leven ook taalkundige kunt worden, ben ik tevreden.

Marc van Oostendorp

Carnaval der burgerrecensenten

‘Voor virtuoos proza moeten we niet op het net zijn’. Zo, die zit en daar kunt u het mee doen. Ga toch weg van dit vermaledijde beeldscherm waar u naar zit te staren. Neem liever een goed boek, of een krant, of desnoods een reclamefolder, als u tenminste op zoek bent naar virtuoos proza.

Het citaat waar ik mee begon, komt ook al niet uit een boek, maar uit een stukje dat de romanschrijver Herman Stevens een paar maanden geleden op zijn weblog heeft gezet. Stevens had een artikel in NRC Handelsblad geschreven tegen wat hij ‘burgerrecensenten’ noemde — ongediplomeerden die op internet boekbesprekingen publiceren. Een paar dagen later had een zekere Daan Stoffelsen daarop gereageerd. Stoffelsen werkt bij Recensieweb, een website waarop dat soort recensies over moderne Nederlandse letterkunde worden geplaatst. De NRC wilde kennelijk Stevens’ antwoord waaruit dit citaat kwam niet meer hebben. Dus had hij het uitgerekend op het verfoeide internet gezet.

Wat beweegt iemand om een dergelijk stuk te schrijven? Het heeft op het oog weinig zin om ten strijde te trekken tegen de burgerrecensenten. Wie zal zich ervan laten weerhouden om op een website te verkondigen wat hij van Tirza en Mim vindt doordat hij Stevens’ stukje gelezen heeft? We zullen moeten afwachten wat een en ander gaat betekenen voor de toekomst van de letterkunde, maar de opkomst van de lezer die op internet vertelt wat hij of zij ervan vindt is een feit.

  Erg groot is de wereld van de burgerrecensenten overigens nog niet, althans niet in het Nederlandstalige deel van het internet. In de Engelstalige wereld bloeit het fenomeen inmiddels volop en vind je zelfs duidelijke subgenres. Populair zijn bijvoorbeeld de internet-dagboeken van lezers die fanatiek het ene boek na het andere verslinden en daar op internet verslag van uitbrengen. De weblog ‘So Many Books’ (‘the agony and ecstacy of a reading life’) is daar een mooi en erudiet voorbeeld van, geschreven door een zekere Stefanie die ooit een doctoraal in de Engelse letteren haalde en nu ergens in Minneapolis bij een helpdesk werkt, als ik het allemaal goed begrijp. In haar vrije tijd leest ze Emerson en Proust en Homerus, en ongeveer elke dag schrijft ze daarover.

Een consequentie van dat dagelijkse ritme is dat ze vrijwel nooit recensies schrijft. Ze leest de ene dag bijvoorbeeld een stukje in de Odyssee en vertelt dan wat haar indrukken van dat stukje zijn; een paar dagen later gaat ze er pas mee door. Als het boek uit is, geeft ze nog wel een soort eindoordeel, maar eigenlijk worden de hele tijd allerlei boeken door elkaar besproken — zoals in het leven van de lezer zelf.

Een ander interessant subgenre is dat van de aan een speciale schrijver gewijde weblog. Op het AustenBlog wordt bijvoorbeeld iedere dag melding gemaakt van de laatste nieuwtjes rondom de razend populaire negentiende-eeuwse schrijfster Jane Austen: wat er in allerlei kranten over haar staat op internet, waar nieuwe elektronische edities van haar werk te vinden zijn, wat we moeten denken van de nieuwste verfilming. Een ander voorbeeld is ShakespeareGeek, waarop een zekere Duane niet alleen soortgelijke nieuwtjes over de Engelse toneelschrijver geeft, maar ook regelmatig vertelt over welke versregels zijn driejarige dochtertje nu weer uit haar hoofd blijkt te kennen.

Het echte leesdagboek en de gespecialiseerde schrijversweblog bestaan bij mijn weten in het Nederlands niet. Er zijn er een paar die in de buurt van het eerste komen. Die dagboeken komen opvallend genoeg eerder van boekverzamelaars dan van lezers; onder Nederlandse webloggers bestaat nog steeds een grote openlijk beleden liefde voor de bibliofiele legende Boudewijn Büch. Een voorbeeld is ‘Boekengek’ die op 5 september 2007 omstandig verslag uitbrengt van zijn problemen met AlItalia, als hij probeert veel te zware koffers met boeken in te checken. Een ander voorbeeld is ‘Bibliofilos’ (er zijn veel pseudoniemen in deze wereld) die de afgelopen jaren eerst als hostess op het Griekse eiland Kreta heeft gewerkt en daarna als telefoniste bij uitgeverij Prometheus. Vooral haar avonturen in de eerste functie waren van een soort waar je weinig over leest in de krant: hoe ze de hotels afging om van de portiers de Nederlandstalige boeken te krijgen die gasten hadden laten liggen. Inmiddels werkt Bibliofilos overigens voor een uitzendbureau, we blijven haar volgen.

  Degenen die meer over hun lezen schrijven, pakken het (jammer genoeg) wat traditioneler aan. Ze schrijven recensies van boeken die ze uitgelezen hebben, zij het dat deze recensies in doorsnee een stuk korter zijn dan wat je in de boekenbijlage vindt. Sommigen van deze webloggers lezen zich overigens door gigantische stapels heen. De Nederlander IJsbrand van den Berg zet bijvoorbeeld bijna iedere dag een stukje op zijn Boeklog over weer een nieuw boek; naar eigen zeggen is wat hij bespreekt dan nog maar een fractie van wat hij werkelijk leest. In Vlaanderen is er een man die zelfs twee weblogs weet te vullen met zijn gelees. Onder de naam Achille van den Branden (ontleend aan een personage in een boek van Tom Lanoye) schrijft ook hij een paar keer per week een uitvoerige bespreking van een boek — van Plato tot Jeff Geeraerts; onder de naam Prins van Denemarken plaatst hij iedere dag een fragment van een boek; waarbij aangetekend moet worden dat die boeken vaak een paar dagen later door Van den Branden besproken worden.

Daarnaast zijn er de websites van de collectieven. Recensieweb heb ik hierboven al genoemd. Boekgrrls is er ook zo een, al is dit meer een discussieplatform of een elektronische leesclub dan een echte recensiewebsite (‘Een mooie bespreking. Ik heb dit boek ook gelezen. Het verhaal fascineerde me maar in het einde vond ik de tragiek te sterk aangezet.’) Van dat soort discussieplatforms zijn er overigens ook meerdere op het internet te vinden; zelfs de NRC, de krant waarin Herman Stevens’ oorspronkelijke klacht verscheen, heeft er een.

  Traditionelere recensies verschijnen dan weer op onder andere Poëzierapport, een website van Philip Hoorne, Patricia Lasoen, Chrétien Breukers, Cees van der Pluijm, Alain Delmotte, Catharina Blaauwendraad, Paul Rigolle, Ronald Ohlsen en Yves Joris. Sommigen onder hen zijn redelijk bekende dichters; gezamenlijk zorgen ze voor een bont overzicht van wat er zoal aan dichtkunst verschijnt in Nederland.

Daarmee komen we op zo’n genre dat dicht tegen het leeslog aanzit, en dat in Nederland een relatief grote populariteit heeft: dat van het dichtersweblog. Het is moeilijk van dit genre een overzicht bij te houden, omdat er de hele tijd nieuwe worden opgericht, coalities worden aangegaan, transfers worden gesloten, enzovoort. Toch zijn er wel enkele constanten aan te wijzen. Zo is er de website Rottend Staal, een krant die door de dichter Bart FM Droog wordt uitgegeven vanaf het zelfgemaakte waddeneiland Epibreren. De krant heeft een tijdje stilgelegen, maar biedt de laatste maanden ineens weer iedere dag nieuws uit de fascinerende wereld van de vaderlandse dichtkunst. Droog heeft trouwens ook nog een privé-weblog op de website van de Volkskant.

Ik heb overigens geen idee wat het verschil verklaart tussen de poëzie en het proza: bij de eerste zijn het vooral de makers die weblogs voeren, poëzielezers vind je nauwelijks. Bij het laatste genre zijn het dan weer vooral de lezers die je overal op het internet tegenkomt. En ook daar weer: geen idee wat het verschil verklaart.

In de loop van de tijd zijn die boekbloggers of leesloggers, een standaardwoord is er nog niet voor, me lief geworden. Wat een plezier spat er eigenlijk af van weblogs als Moet je lezen!, Lezen is leuk!, Boekenwurm en pleeg (van een verpleegster) en Bibliothecaris in Blog. De stijl waarin die lezers hun liefde voor het lezen uitdrukken is misschien wat onbeholpen, en zelfs hun boekenkeuze is heus niet altijd de mijne, maar dat je zoveel onbekommerd plezier kunt hebben aan telkens weer een nieuw boek — ook dat is een geluid dat je niet vaak verneemt in de boekenbijlage.

  Ook sommige recensenten die wel in de kranten schrijven, plaatsen hun stukken overigens op internet. Herman Stevens doet dat bijvoorbeeld zelf, Arie Storm (Het Parool), Ed Schilders (de Volkskrant) en Max Pam (HP/De Tijd). Je ziet meteen dat het heel andere stukken zijn dan elders op het web verschijnen: beter geschreven, beter geïnformeerd, beter doordacht. Toch kun je je afvragen wat de toekomst van dit soort stukken nog is. Recensies in de krant hebben allerlei functies die uiteindelijk best door de websites kunnen worden overgenomen: het signaleren van nieuwe boeken bijvoorbeeld, en zelfs het geven van een indruk wat die boeken precies te melden hebben.

Er zal altijd wel een markt zijn voor verdieping, voor artikelen die meer achtergrond geven dan zo’n stukje op het internet, maar de vraag is of de krantenrecensie die verdieping wel biedt. Dan denk je toch eerder aan een wat grootser essay. En voor het echte virtuoze proza kun je uiteindelijk toch nog steeds op een plaats het best terecht. Niet op het net, niet in de krant, maar in de boeken.

Marc van Oostendorp

Wat is er mis met de natuurkunde?

De natuurkunde is de moeder aller wetenschappen. Er zijn weinig disciplines die zo precies zijn, zulke prachtige technologische vruchten dragen en zulk diep inzicht in de werkelijkheid geven. Op velerlei wijzen geldt de natuurkunde dan ook als model voor de moderne wetenschap. Er zou een kloeke bundel zijn samen te stellen met passages in de twintigste-eeuwse taalkunde waarin de moderne fysica aan het eigen vak ten voorbeeld wordt gesteld: zulke rigoureuze formaliseringen, zo’n prachtig samengaan van theorie met experiment, zo’n onbevreesd formuleren van niet onmiddellijk waarneembare abstracties — zo zou elke discipline georganiseerd moeten zijn.

Het zijn niet alleen de onderzoekers die zo denken. De twintigste-eeuwse wetenschapsfilosofie heeft ook de natuurkunde vaak als model genomen van de succesvolste manier om kennis te vergaren. En vooral: de financiering van de wetenschap lijkt meer en meer gebaseerd op het voorbeeld van de natuurwetenschappen. Een organisatie als NWO geeft de voorkeur aan onderzoeksprojecten waarin – anders dan in de geesteswetenschappelijke traditie – onderzoekers samenwerken aan projecten met een duidelijke doelstelling en een heldere eindtermijn. De te gebruiken methodologieën moeten worden vastgelegd. Een goede onderzoeker publiceert liefst een heleboel kleine artikeltjes, in plaats van af en toe een boek zoals voorheen gebruikelijk was.

Ik moet toegeven: de natuurkunde is voor mij ook altijd een voorbeeld geweest. Wij alfa’s doen ons best, maar de échte wetenschap wordt door onze collega’s bij wis- en natuurkunde bedreven. Voor wie dat gelooft, is lectuur van Lee Smolin’s boek The Trouble with Physics (Wat er mis is met de natuurkunde) een verlichtende ervaring.

Volgens Smolin, zelf een onderzoeker die zijn sporen in de theoretische natuurkunde heeft verdiend, gaat het al twintig, dertig jaar niet goed met zijn vak. Aan het begin van zijn boek zet hij uiteen wat volgens hem dertig jaar geleden de grote onbeantwoorde vragen van het vak waren. Geen van die vragen is volgens hem in de loop van de afgelopen decennia opgelost. Waar in het vak in de tweehonderd jaar voor 1977 de ene belangrijke ontdekking werd gedaan na de andere, zit men nu muurvast.

Wat zijn dat voor vragen? Het grote probleem van de twintigste-eeuwse natuurkunde is dat de twee grote doorbraken, de kwantummechanica en de algemene relativiteitstheorie, ieder voor zich volkomen correct lijken te werken en allerlei zeer opmerkelijke voorspellingen hebben gedaan die ieder voor zich bleken te kloppen, maar dat ze niet compatibel zijn. Ze zijn allebei juist op hun eigen gebied, maar ze spreken elkaar tegen.

De afgelopen twintig, vijfentwintig jaar zoeken veel theoretisch natuurkundigen de oplossing voor die paradox in de zogenoemde ‘snaartheorie’ (string theory), die de twee onverenigbaren met elkaar zou moeten verenigen in een ingenieuze wiskundige constructie. Volgens Smolin zijn er echter twee problemen. De precieze formulering van de snaartheorie is na al die jaren nog helemaal niet compleet, nog nooit heeft iemand de uiteindelijke theorie echt precies opgeschreven. En de theorie heeft tot nu toe nog geen enkele interessante uitspraak over de werkelijkheid gedaan die juist bleek. Geen enkele diepgaande vraag is nog beantwoord door die theorie.

Die snaren kloppen dus theoretisch noch empirisch – dat zijn, zou je denken, dodelijke beweringen. Toch zijn volgens Smolin de afgelopen jaren vrijwel alle vaste banen in de (Amerikaanse) theoretische natuurkunde vergeven aan snaartheoretici. Jonge natuurkundigen die carrière willen maken, hebben geen andere keus dan zich tot die theorie te bekennen en zich de vreselijk ingewikkelde mathematische technieken eigen te maken die de theorie vereist. Mensen die iets anders doen, worden uitgelachen.

Hoe komt dit nu? Om dat uit te leggen maakt Smolin gebruik van het bekende, door de wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn geïntroduceerde, verschil tussen perioden van normal science enerzijds en revolutions anderzijds. In de eerste periode weten wetenschappers min of meer waar ze aan toe zijn en moeten er puzzels worden opgelost volgens een min of meer bekende patroon; na verloop van tijd stapelen de problemen zich echter op, en breekt er een revolutie uit. Het resultaat van zo’n revolutie is een wetenschappelijke paradigmawisseling, die weer nieuwe puzzels oplevert. Dan breekt er een nieuwe periode van normal scienceaan, waarin die puzzels kunnen worden opgelost.

Het probleem is nu, volgens Smolin, dat de moderne academische wereld steeds meer ingesteld is geraakt op normal science. De natuurkunde heeft een revolutie nodig, maar dat is niet mogelijk, gegeven de rigide systemen van publish-or-perish, peer review, enzovoort: allemaal bedenksels die de wetenschap onder controle moeten houden, en daarmee revoluties tegengaan. Dat werkt in de hand dat wetenschappers vooral braaf puzzels gaan oplossen, niet dat ze proberen de wereld op hun kop te zetten, ook als dat betekent dat ze daarover soms een paar jaar moeten nadenken zonder artikeltjes te publiceren. Het succes van de snaartheorie is volgens Smolin aan die houding te wijten: het is een poging een revolutie te bewerkstelligen met de methoden van normal science.

Al die bezwaren gelden natuurlijk ook ons eigen vak, gelden mogelijk ieder vak. Ons wordt altijd wijsgemaakt dat al die regels over publicaties en samenwerking en weet ik wat allemaal het model van de natuurwetenschappen volgen. Als wij geesteswetenschappers dat soort zaken ook invoeren, dan worden we misschien ooit net zo succesvol. Smolins boek laat zien dat dit een fabeltje is. Sterker nog: zelfs de moeder aller wetenschappen dreigt op haar knieën te worden gedwongen door die vreselijke controle- en uniformeringsdrang die de academie over de hele wereld in haar macht heeft. Wat er mis is met de natuurkunde, is mis met ons allemaal.

* Lee Smolin. The trouble with physics. The fall of string theory, the fall of a science, and what comes next. London: Allen Lane, 2006. Website: http://www.thetroublewithphysics.com/

De ontdekking van de zin

Niemand vindt het leuk om onzinnig werk te doen, en daarom houdt iedereen die geen bejaarden wast, voor dag en dauw het vuilnis ophaalt of in India bijstand verleent aan de allerarmsten, zich vast aan zijn illusies. De directeur meent dat hij enorme verantwoordelijkheden op zich neemt om de algehele welvaart op te voeren, de ambtenaar spiegelt zich voor dat de maatschappij in elkaar stort zonder mensen die de publieke zaak dienen, en de presentatrice van het belspelletje op tv heeft toch weer een paar mensen een genoeglijk halfuurtje bezorgd. De illusie van de onderzoeker – in ieder geval van mij – is dat de mensheid al eeuwenlang een kathedraal van kennis aan het bouwen is, en dat al zijn gezwoeg uiteindelijk een legosteentje bijdraagt aan die kathedraal. Al ben je zelf misschien een intellectuele kabouter, je staat niet alleen op de schouders van reuzen, maar op jouw schouders kunnen later ook weer nieuwe reuzen toch weer net wat hoger staan.

Dan is het vervelend als iemand het feestje komt verstoren. Dat is precies wat Joop van der Horst deed in de lezing die hij hield tijdens het laatste Taalgala, en die deze maand staat afgedrukt in Onze Taal. Van der Horst was genomineerd voor de LOT Prijs voor popularisering, die hij ook won. In zijn lezing gaat hij na waarom er eigenlijk zo’n prijs is. Eén veronderstelling die hij oppert: misschien komt het doordat er zo weinig te melden is over de taalkunde, dat je wel een heel goede popularisator moet zijn om er nog iets van te maken. Van der Horst zegt dan dat er veertig jaar geleden, toen hij ging studeren nog allerlei hooggespannen verwachtingen waren over het vak. We stonden op het punt een Universele Grammatica bloot te leggen, en zo een belangrijk onderdeel van de menselijke geest in kaart te leggen. En de computer zou door onze inspanningen ook menselijke taal kunnen gaan gebruiken.

Van die beloftes is niet veel gekomen. Volgens Van der Horst weten we nu op de keper beschouwd niet veel meer over taal dan pakweg in 1950. We hebben meer talen in meer detail in kaart gebracht, maar dat is vooral ‘meer van hetzelfde’.

Er zijn misschien mensen die boos worden om zo’n laconieke ontkenning van de vrucht van al onze inspanningen, maar mij heeft het wel een genoeglijke middag bezorgd. Natuurlijk moet die Van der Horst ongelijk hebben, we slepen ons toch niet voor niets iedere dag weer naar kantoor. Wat voor inzichten hebben we in in de afgelopen 57 jaar precies bereikt?

Misschien zijn ze inderdaad niet zo schokkend als er ooit geroepen is. Aan het blootleggen van een Universele Grammatica wordt nog steeds gewerkt, ook door mij, maar je kunt niet zeggen dat we nu een heel duidelijk idee hebben over hoe een en ander precies in elkaar zit. Bovendien is het debat over wat er nu precies is aangeboren aan de menselijke taal en wat er op een andere manier – uit de cultuur, uit het feit dat taal gebruikt wordt, noem maar op – is ingesloten almaar verfijnder geworden, zodat iedereen nu redelijkerwijs moet zeggen: een deel is nature en een deel is nurture, al weten we nog niet precies wat nu wat is. Maar daar haal je de voorpagina van de krant niet mee. Zo kunnen computers nu ook een heel klein beetje en heel gebrekkig praten, en af en toe verstaan ze warempel ook een enkel woord, mits glashelder uitgesproken en precies passend in de context, maar dat ze zelfs over vijftig jaar maar kunnen praten, lijkt vooralsnog inderdaad vrij onwaarschijnlijk.

Wat dan wel? Ik zie twee belangrijke resultaten van de afgelopen 57 jaar. De eerste is de ontdekking van de zin – de explosieve ontwikkeling van de syntaxis en van de formele semantiek, die vooralsnog ook vooral succesvol is op het gebied van de betekenis van de zin. Voor zover ik kan zien gaat zelfs veel formele pragmatiek tegenwoordig over zinnen.

Natuurlijk was het begrip ‘zin’ voor 1950 niet helemaal onbekend: maar het systematische syntactische onderzoek bestond niet, en er waren nauwelijks instrumenten voor: Chomsky, Dik, Montague of Paardekooper, ze moesten allemaal hun werk nog schrijven. In grammatica’s was de syntactische paragraaf minimaal. Allerlei taalkundige inzichten waren in geen velden of wegen te bekennen: ideeën over localiteit van afhankelijkheden of over spookonderwerpen of over compositionaliteit. (Wie goed zoekt, vindt ongetwijfeld voorafschaduwingen van die ideeën in eerdere literatuur. Maar dat geldt in onze postpostmoderne tijden voor ieder idee in ieder vakgebied.)

De tweede belangrijke ontdekking van de afgelopen vijftig jaar lijkt mij dat taalverandering en taalvariatie nauw met elkaar samenhangen: dat je de ene kunt bestuderen door naar de ander te kijken. Daarmee hangt direct samen dat men is gaan inzien hoe de sociale structuur van de samenleving op allerlei manieren in taalvariatie gereflecteerd wordt, en hoe taalverandering op verschillende wijzen uit verschillende lagen van de samenleving op gang kan worden gebracht.

Ook hiervoor geldt: natuurlijk waren er voor 1950 ook al mensen die over deze onderwerpen geschreven hebben – G.G. Kloeke in Nederland bijvoorbeeld – maar de grote inzichten in hoe een en ander werkt, zijn toch echt pas na 1950 gekomen.

Natuurlijk, ‘Taalkundigen ontdekken zin’ is niet echt een krantenkop waarmee je de wereld achterover doet slaan van verbazing, en dat geldt ook voor ‘Talen veranderen voortdurend’. Maar de vraag is of dat in andere vakgebieden nu zoveel anders is. Van der Horst noemt er een paar; ik ben geen specialist op enig van die gebieden, maar ik zou ook niet zo goed kunnen opsommen wat voor grote resultaten daar bereikt zijn. De grote ontdekking van de afgelopen halve eeuw in de biologie lijkt me bijvoorbeeld de ontrafeling van het DNA, maar in zekere zin was dat ook alleen maar een uitwerking van ideeën die er voor die tijd al waren – is er sinds Darwin wel zoveel nieuws gebeurd? Ook wat er in de theoretische natuurkunde gebeurd is, lijkt me moeilijk in een pakkende kop samen te vatten: ja, de snarentheorie zou de kwantummechanica en de relativiteitstheorie moeten verenigen, maar die snarentheorie is nog even omstreden als het idee van een Universele Grammatica. Wat er precies voor opwindende ontdekkingen zijn gedaan in de wiskunde, die de resultaten van de taalwetenschap in de schaduw zouden stellen, is me al helemaal onduidelijk.

Iets anders is nog dat de kruisbestuiving tussen de taalkunde en allerlei andere disciplines steeds vruchtbaarder wordt: met de psychologie en de neurologie bijvoorbeeld. De taalwetenschap loopt daarbij naar mijn indruk niet altijd voorop, maar laat zich eerder door die andere disciplines op sleeptouw nemen. Maar hoe erg is dat? We zijn toch niet op de wereld om specifiek de taalwetenschap vooruit te brengen? We zoeken toch alleen naar kennis, onafhankelijk van waar die vandaan komt?

Zo is de meeste wetenschap nu eenmaal: er zijn meer legosteentjes dan hunebedden. Al met al hebben we – wij, de mensheid – waarschijnlijk meer kennis verzameld over hoe menselijke taal werkt dan in enkele eeuwen daarvoor. De grote doorbraak moet misschien nog komen, laten we het hopen. Maar tot die tijd ontdekken we vast genoeg boeiends en verrassends om ook af en toe de krant te kunnen halen.

Hoe streektaalfunctionarissen alles kapot maken

Ziet er één kiezer nu al reikhalzend uit naar de provinciale verkiezingen op 7 maart om de bestuurders in de eigen provinciehoofdstad eindelijk uitbundig op de schouders te kunnen slaan vanwege het heilzame werk van de afgelopen vier jaar? Het is vast nuttige arbeid, gemeentebesturen coördineren en supervisie uitvoeren over de aanleg van provinciale wegen, maar warme gevoelens maakt het doorgaans niet los.

De provinciebesturen hebben er de afgelopen jaren een oplossing op gevonden: iedere provincie, zo lijkt het wel, heeft plots zijn eigen streektaal en zijn eigen streekcultuur. En een regio die een eigen taal heeft, zo’n regio moet volgens de geijkte negentiende-eeuwse formule van ‘één taal = één natie’ wel een eigen bestuur hebben. Dat bestuur moet dan wel iets doen ter bescherming van de eigen taal en cultuur, en dus zijn er de afgelopen jaren in alle provincies buiten de Randstad streektaalfunctionarissen aangesteld – mensen die rechtstreeks of iets minder rechtstreeks door de provincie worden betaald om activiteiten voor het dialect te ontplooien.

Voor zover ik het kan overzien, doen die streektaalfunctionarissen geen slecht werk. Ze helpen individuen en groepjes die dialectwoordenboeken maken of een dialectfestival willen organiseren, ze geven praatjes op de regionale radio, ze stellen lespakketten samen waarmee kinderen op school iets wordt geleerd over de geschiedenis en de achtergrond van hun dialect.

Misschien zijn er mensen die over dat soort werk hun schouders ophalen; maar zouden er ook mensen zijn die het schadelijk vinden?

Ja, zulke mensen zijn er. Dat blijkt uit het boekje Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland, dat Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard samenstelden naar aanleiding van de ‘eerste nationale streektaalconferentie’ die vorig jaar juni plaatshad in Maastricht. In het boekje komen allerlei mensen aan het woord die op de een of andere manier met het dialectbeleid te maken hebben: politici en wetenschappers, hoewel opvallend genoeg de streektaalfunctionarissen zwegen.

De interessantste bijdrage vind ik die van Koen Jaspaert en Sjaak Kroon, twee gevestigde sociolinguïstische onderzoekers die bovendien de afgelopen jaren een forse stempel hebben kunnen drukken op het streektaalbeleid in ons taalgebied – Jaspaert onder andere als Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie en Kroon onder andere als lid van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Ze zijn dus onderzoekers die hebben laten zien dat ze vuile handen durven maken in het beleid, en uit hun essay ‘Dialectbeleid: meer antwoorden dan vragen?’ blijkt dat ze niet bang waren om tijdens de streektaalconferentie op de tenen van de meeste aanwezigen te gaan staan. Verderop in de bundel staat een verslag van de discussie waaruit blijkt dat slechts één persoon het met Jaspaert en Kroon eens was.

Het is dan ook een prikkelend betoog dat de twee houden. Ze vinden streektaalbeleid niet alleen zinloos, ze betogen dat het zelfs kwaad doet. Ze nemen daarbij twee concrete beleidsinstrumenten in het visier: de instelling van streektaalfunctionarissen en het Europese Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden. Het laatste is een begin jaren negentig door de Nederlandse overheid getekend document. In eerste instantie werd het van toepassing verklaard op het Fries, inclusief een pakket aan maatregelen op het gebied van onder andere het onderwijs en de omroep. Na politieke druk werden twee streektalen – het Limburgs en het in de noordoostelijke provincies gesproken Nedersaksisch – op een wat lichtere manier erkend. Zonder het pakket aan overheidsmaatregelen en dus feitelijk op een nagenoeg symbolische wijze. Ook het Jiddisch en het Roma-Sinti zijn in die lichtere vorm erkend. Een aanvraag van de provincie Zeeland voor erkenning van het Zeeuws is enkele jaren geleden, na een negatief advies van de Nederlandse Taalunie, door minister Remkes van Binnenlandse Zaken afgewezen.

Waarom keren Jaspaert en Kroon zich tegen het streektaalbeleid? Samengevat beweren ze dat het niet nodig is en dat het zelfs verkeerd uit kan pakken. Het is niet nodig: aan de hand van cijfers laten de auteurs zien dat het met de Nederlandse dialecten helemaal niet per se rampzalig slecht gaat, en dat de erkenning en de aanstelling van streektaalfunctionarissen weinig meetbaar effect hebben gehad.

De schadelijkheid zit hen er volgens Jaspaert en Kroon in dat officiële erkenning en officieel beleid een wankel evenwicht in de relatie tussen standaardtaal en dialect kan verstoren. In een gezonde situatie gebruiken mensen de standaardtaal voor hun officiële en formele communicatie en het dialect in informele contacten. Allebei de talen hebben daarmee hun eigen waarde: ze laten elkaar ongemoeid. Wanneer we nu de streektaal een semi-officiële functie geven, haar gaan onderwijzen op de scholen, gebruiken in vergaderingen van de Gedeputeerde Staten of op straatnaambordjes schrijven, creëren we wel concurrentie en die verliest het dialect geheid. Bovendien creëren we zo ineens twee groepen dialectsprekers: zij die het ‘correcte’, ‘officiële’ dialect spreken, en zij die dat niet doen. Een maatregel die bedoeld is om discriminatie tegen te gaan, verkeert zo in zijn tegendeel.

Dat klinkt op het eerste gehoor redelijk, en toch klopt het niet. In de eerste plaats zijn de zorgen van Jaspaert en Kroon wel erg vanuit de studeerkamer geformuleerd. De erkenning voor het Nedersaksisch en het Limburgs is nu ongeveer een decennium een feit: zijn de door de geleerden gevreesde effecten ook opgetreden in die regio’s? Niemand heeft het onderzocht, maar ik durf te voorspellen dat dit niet het geval is. Dialectsprekers zijn hun Limburgs of Twents heus niet minder gezellig gaan vinden omdat het af en toe in een raadszaal gebruikt wordt, of omdat er boeken in geschreven worden. Van discriminatie van mensen die een ‘verkeerd’ dialect zouden spreken, heb ik ook nog nooit gehoord. Jaspaert en Kroon wijzen op de onverkwikkelijke discussie over wat ‘de regels van het Algemeen Geschreven Limburgs’ zijn, maar ze vergeten erop te wijzen dat die discussie gevoerd is door een zo marginaal groepje, dat zelfs de lezers van Lang leve de dialecten niet zullen weten over wie het gaat.

Geen enkel van de nare effecten van het streektaalbeleid heeft zich dus feitelijk voorgedaan. Daarbij komt dat Jaspaert en Kroon niet erg duidelijk maken waar ze precies de grens leggen. Volgens dezelfde redenering zou je het ook als een vergissing kunnen zien om het Fries te erkennen of te stimuleren: schadelijk voor de wendbaarheid voor het Fries! In het betoog zou je zelfs een argument kunnen vinden om de Nederlandse standaardtaal op te geven. We worden in bepaalde (internationale, formele) situaties toch al gedwongen om Engels te gebruiken – waarom zouden we het verschil in functie tussen de twee talen dan niet duidelijk markeren door het Nederlands – in de praktijk voor de meeste Nederlands de omgangstaal, omdat zij helemaal geen streektaal meer spreken – alleen nog informeel te gebruiken? Ik vermoed dat Jaspaert en Kroon niet zo ver zouden willen gaan; maar ik begrijp niet wat daarvoor de argumenten zijn.

De schadelijkheid van het streektaalbeleid lijkt me dus vooral theoretisch. Maar is het werk van die streektaalfunctionarissen en de erkenning van de streektalen dan niet toch in ieder geval zinloos? Ook dat geloof ik niet. In de praktijk zijn de Nederlandse streektaalfunctionarissen redelijke mensen die hun functie vooral gebruiken om hun provinciegenoten – dialectsprekers, schoolkinderen, bestuurders – te laten nadenken over taalvariatie. Ze nemen misverstanden weg, zoals dat je dom bent als je plat praat, ze geven inzicht in de microverschillen die zich in iedere regio voordoen, ze geven een inkijkje in de geschiedenis. Helaas zijn de meeste mensen op dit soort gebieden totaal onwetend, en het kan dan ook geen kwaad als er wat geld wordt gestoken in het kweken van wat meer kennis en begrip voor zoiets cruciaal menselijks als de taal – ook niet als politici dat doen uit oneigenlijke motieven.

Helaas bieden Jaspaert en Kroon geen alternatieven en het is ook moeilijk om te bedenken wat deze zouden moeten zijn. Als het gaat om regionale variatie, is de provincie misschien wel de meest aangewezen bestuurslaag om een en ander goed te regelen: dicht genoeg bij de inwoners om inzicht te kunnen bieden in de reikwijdte van de taalvariatie in het eigen gebied en groot genoeg om er ook iets aan te kunnen doen. Misschien moeten de provincies in de Randstad ook maar zo snel mogelijk een taalvariatiefunctionaris instellen. De bestuurder die dat voorstelt, ga ik op 7 maart uitbundig op de schouders slaan.

Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard. Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland. Maastricht: Uitgeverij TIC, 2006.

De tussen-n in het Concertgebouw

Door Marc van Oostendorp

Taalkundigen zijn lieden die groot belang hechten aan een correcte, uniforme en duidelijke spelling. Taalkundigen zijn lieden die de volgende vraag stellen: ‘Hoe moet een leerkracht straks in de klas de leerlingen motiveren voor goed spellen als het er allemaal niet meer toe doet?’ Taalkundigen zijn lieden die vinden dat het er ‘allemaal’ wel zeker toe doet, reken maar.

Dat is in ieder geval het beeld dat zes hoogleraren in de taalwetenschap gezamelijk schetsen in een artikeltje in het oktobernummer van Onze Taal – een artikel waarvan ik alleen kan hopen dat niemand die het leest, weet dat ik ook taalkundige ben. Jarenlang heb ik mijn vrienden en kennissen proberen uit te leggen dat taalkundigen géén schoolmeesters zijn, die zich ergeren aan iedere spelfout en die vinden dat correctheid ‘ertoe doet’. Ik heb ze geprobeerd wijs te maken dat wij een wetenschap bedrijven, dat we ons zo enthousiast storten op de talloze wonderen van de menselijke taal te bieden dat we geen tijd hebben voor muizenissen. En dat de spelling zo ongeveer het oninteressantste is dat er bestaat. Lees verder >>

De mooiewoordenindustrie

Toen ik anderhalf jaar geleden met een kraampje op de open dag van het Meertens Instituut stond, wist ik niet wat ik daarmee zou aanrichten. Een keer in de zoveel jaar doet het instituut mee met de zogenoemde wetenschapsdag en stelt de poorten open voor wat we het grote publiek noemen. Dat bestaat overigens voor een aanzienlijk deel uit vrienden, familie en bekenden van medewerkers van het instituut, maar dat maakt de dag er vooral gezelliger op.

Mijn kraampje stond bij de ingang van het instituut, en ik liet de bezoekers niet naar binnen gaan zonder dat ze hun ‘mooiste woord’ op een strook papier hadden geschreven. Ik had trouwens ook via internet en het tijdschrift Onze Taal zo’n oproep gedaan. Het was het onschuldige jaar 2003, lang voordat een vloedgolf van mooiewoordenwedstrijden ons land zou treffen. Het NIPO, de VRT, de Volkskrant, de Stichting Drentse Taol, de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, de Limburger, Omrop Fryslân: iedereen ging naarstig op zoek naar het mooiste woord in zijn eigen taal.

Nu kun je op verschillende manieren op zoiets reageren. Je kunt er bijvoorbeeld je schouders over ophalen. Of je kunt je er mateloos aan ergeren, zoals Ewoud Sanders deze week deed in NRC Handelsbladdie deze mooiewoordentsunami de ‘ergerlijkste taalgebeurtenis van 2004’ noemde:

al dat geneuzel over het mooiste Nederlandse woord. Gemakzuchtige na-aperij van die Duitse wedstrijd, die ook volslagen onzinnig was (winnaar Habseligkeiten). Als mooiste Nederlandse woorden zijn onder meer aangedragen: vrijen (winnaar bij de Volkskrant), geboorte, geborgenheid, geluk, God, liefde, naastenliefde, respect, saamhorigheid, vakantie en vrijheid.Wat een zoetsappigheid bij elkaar! Het effect zal voor iedereen anders zijn, maar persoonlijk krijg ik na te veel poezelige aaiwoorden zin in een stevige kneukfilm.

Bij mij was het effect inderdaad geheel anders: het riep de koopmansgeest in me wakker. Er zijn nu zoveel gegevens over wat mensen mooie woorden vinden, daar moet een munt uit te slaan zijn. Bijvoorbeeld door een automatische analyse te maken van nieuwe merknamen, om te zien hoezeer ze zullen aanslaan. Door ouders voor te lichten over de schoonheid van de naam van hun boreling. (‘Hoe mooier de naam van uw zoon of dochter, des te meer rijkdom, voorspoed en mooie vrouwen hij of zij in zijn of haar leven tegemoet zal zien. U gunt uw kind toch ook het allerbeste?’) Of door schrijvers en dichters de weg naar roem en succes te garanderen.

Dus ging ik aan de slag. Dit voorjaar heb ik mensen via een website een testje laten doen. Ze kregen daarbij steeds paren van twee woorden voorgelegd, en moesten een van de twee aanwijzen als het mooiste. Die woorden werden elke keer willekeurig gekozen uit lijsten van mooie én lelijke woorden die mensen hadden opgestuurd. In totaal hebben 2020 mensen meegedaan aan deze test: ze hebben allemaal een andere versie van het formulier gezien.

Omdat die mooie woorden zo’n rage waren, ben ik door journalisten sufgezeurd om de resultaten van die test. Vandaag, op de laatste dag van het mooiewoordenjaar 2004 geef ik ze dan eindelijk, via Neder-L, aan de openbaarheid prijs:

sales 0.04
webstek 0.08
bier 0.10
communicatie 0.12
beters 0.13
kostenplaatje 0.14
gulp 0.15
penhouder 0.15
afwerkplek 0.16
puber 0.16
verdapperen 0.17
goor 0.18
Poldernederlands 0.22
bark 0.23
werkdruk 0.24
slaapgestoorden 0.25
grauw 0.30
tegel 0.31
doei 0.32
vochtig 0.33
schaapachtig 0.38
toko 0.41
neiging 0.44
karwijzaad 0.46
avondrood 0.48
schreeuw 0.49
substantieel 0.49
kroonjuweel 0.50
implementeren 0.51
rataplan 0.52
burger 0.53
barnsteen 0.53
paarlemoer 0.54
emelt 0.55
schoorvoetend 0.57
epibreren 0.59
ereprijs 0.59
dommelen 0.59
bekken 0.63
snoeshaan 0.64
inseinen 0.65
onthutst 0.66
jatten 0.67
kachel 0.68
prijken 0.74
rollebollen 0.75
pandoer 0.76
kerstengeltje 0.76
schorriemorrie 0.78
wulps 0.84
prevelen 0.84
elfenbankje 0.86
genegen 0.86
paaien 0.88
kwakkelen 0.90
adelborst 0.90


U moet deze cijfers als volgt lezen: als men voor het woord sales kon kiezen, deed men dit in 4% van de gevallen. Werd het woord kwakkelen als een van de twee mogelijkheden gegeven, dan koos men in 90% van de gevallen voor dit woord (alle woorden werden ongeveer even vaak aangeboden.) Volgens deze test zijn adelborst en kwakkelen dus het mooist, en saleshet minst mooi.

De reden waarom ik deze gegevens aan de openbaarheid prijsgeef, is dat ik achteraf denk dat ik er toch niet zo rijk mee zal worden als ik had gehoopt. Er valt weinig systeem in te ontdekken, of althans, weinig systeem dat niet zo voor de hand ligt dat het moeilijk is om er patent op aan te vragen.

Bij mijn eerste onderzoeken kwam desalniettemin naar voren als het woord dat het vaakst werd genoemd als ‘het mooiste’. Ik had daar een hele theorie bij bedacht, die moest uitleggen waarom de klanken in dat woord het zo mooi maakten. Die theorie — die ik terugvoerde op Roman Jakobson — behelsde dat klanken voor in de mond (labiale en coronale medeklinkers, voorklinkers) mooier zullen worden gevonden dan achterklinkers en velaire medeklinkers.

Over die theorie kunnen we nu kort zijn. Door het bovenstaande lijstje wordt hij weerlegd. Voor- en achterklinkers, en verschillende soorten medeklinkers staan willekeurig verspreid in deze lijst. Sterker nog, kwakkelen bestaat bijna alleen uit achterklanken en sales alleen uit voorklanken. Uit de klanken valt niks af te leiden.

Toch moet er wel systeem inzitten, anders zouden sommige woorden niet bijna altijd verliezen terwijl sommige andere woorden bijna altijd winnen. Je zou verwachten dat alle woorden een kanspercentage rond de 50 hadden, maar dat is kennelijk niet het geval. Bovendien is het linkerrijtje vrijwel gelijk aan het lijstje woorden dat oorspronkelijk was ingezonden als ‘lelijk’, terwijl het rechterrijtje bijna helemaal bestaat uit woorden die als ‘mooi’ waren ingezonden. (Opvallendste uitzondering is het ‘mooie’ woord verdapperen dat bijna helemaal onderaan eindigde.)

Wie de lijsten met lelijke en mooie woorden vergelijkt, kan zich natuurlijk wel iets voorstellen bij het ‘mooi’ en ‘lelijk’. Sales was bij voorbaat kansloos, omdat het een Engels leenwoord is waarvoor iedereen het Nederlandse alternatief kent (uitverkoop): hoe het woord ook klinkt, het kan nooit winnen. Zoiets geldt ook voor doei, dat nu eenmaal sociaal gestigmatiseerd is. De woorden in de rechterkolom zijn aan de andere kant bijna allemaal ‘exclusieve’ woorden.

Die exclusiviteit blijkt bijvoorbeeld als we alle woorden opzoeken met Google (achter elk woord staat nu het aantal treffers op 30 december 2004).

communicatie 302000
bier 198000
sales 186000
burger 123000
implementeren 38300
neiging 36900
goor 35600
werkdruk 26400
webstek 23500
doei 21100
vochtig 20200
kachel 19900
tegel 16600
bekken 16100
substantieel 15700
beters 14700
schreeuw 14600
puber 13300
toko 11700
dommelen 7650
grauw 7160
jatten 6120
kostenplaatje 4880
prijken 4200
bark 4050
genegen 3960
schoorvoetend 3710
gulp 3010
paaien 2700
barnsteen 2350
rataplan 2330
avondrood 2280
ereprijs 2210
onthutst 1940
epibreren 1280
kroonjuweel 1240
schaapachtig 1190
rollebollen 998
kwakkelen 950
wulps 904
karwijzaad 864
pandoer 834
penhouder 758
schorriemorrie 741
prevelen 736
afwerkplek 645
snoeshaan 559
adelborst 532
Poldernederlands 442
elfenbankje 394
inseinen 384
paarlemoer 369
kerstengeltje 209
emelt 113
slaapgestoorden 53
verdapperen 38

In de webversie van dit artikel heb ik de woorden die in de ‘verkeerde’ kolom staan blauwgekleurd: 9 van de 28 hoogstfrequente woorden worden ‘mooi’ gevonden, en 9 van de 28 laagstfrequente woorden zijn ‘lelijk’. Dat betekent dat iets meer dan tweederde van alle woorden volgens deze methode juist geclassificeerd wordt. Wat zeldzaam is, is mooi. Dat geldt voor woorden, en het geldt kennelijk ook voor mooiewoordentesten: als je er te veel van krijgt, komen er stukjes in de krant van mensen die liever naar kneukfilms kijken. Volgens de Google-test staat kneukfilms overigens tussen ‘slaapgestoorden’ en ‘verdapperen’.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/