Auteur: Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.

Col: Moord en brand schreeuwen over het Engels

Wat is het toch een zegen voor de maatschappij dat taalkundigen het niet voor het zeggen hebben. Je hoort weleens grapjes over de economen met hun blindheid voor de crisis en hun vakgebied dat van nabij beschouwd niet veel meer is dan een brok neoliberale ideologie onder een kwak statistiek. Maar als de taal ooit net zo belangrijk wordt als de centjes, doen wij het vast niet veel beter. Lees verder >>

Col: Couperus zonder variatieluiheid

Ik ben niet de enige die in de kersttijd boeken herleest, en ook niet de enige Nederlandstalige voor wie Couperus een aangewezen auteur is om dat te doen. In de laatste dagen van het jaar trek ik me terug met een stapel Arabesken (het onvolprezen tijdschrift van het Louis Couperus-Genootschap) en in ieder geval De berg van licht.

De berg is om een groot aantal redenen een genoegen, en een ervan is de taalkunst, het kunstmatige Nederlands dat Couperus gebruikt, met zelfgemaakte woorden (triltindelden is het bekendste voorbeeld) en heel ongebruikelijke zinsconstructies. Het is een eigenschap die massaal enthousiasme voor De berg misschien wel altijd in de weg zal staan. Nederlanders houden niet van variatie, ze willen maar in één taal worden toegesproken. Zelfs Belgisch Nederlands is onacceptabel. Ik hoorde de afgelopen jaren van drie Vlamingen – alle drie modelsprekers van de standaardtaal – dat ze in Nederlandse winkels soms in het Engels te woord worden gestaan omdat hun Nederlands te afwijkend wordt bevonden. Vlaamse films worden in Nederland ondertiteld – of zelfs helemaal opnieuw gemaakt, zoals onlangs met de film Loft gebeurde. Volgens dezelfde logica worden boeken die ‘te ouderwets’ van taal zijn, hertaald naar ‘moderner’ Nederlands. En zo houdt de variatieluiheid zichzelf in stand.

Of iemand ooit de berg zal durven hertalen, weet ik niet, maar ik zal die hervertaling niet lezen. De taal is ook niet zozeer ouderwets ofwel bewust afwijkend. Ik noteer momenteel bijvoorbeeld tijdens het lezen alle voorkomens van constructies als de volgende:

toen Narr, om dit gebaar van zijn meester, schudde de schouders

Het is heel onwaarschijnlijk dat er in Couperus’ tijd iemand was die dat zo zei; ‘de schouders schudde’ zeg je in alledaagse taal. In een bijzin komt het lijdend voorwerp voor het verbogen werkwoord. In een hoofdzin is het andersom, maar dit is geen hoofdzin, want hij begint met het woordje toen en bovendien zou die bepaling “om…meester” daarin niet tussen het onderwerp en het verbogen werkwoord worden geplaatst.

Voor zover ik nu kan zien, komt het omgekeerde nooit voor: een hoofdzin waarin Couperus het werkwoord juist achteraan plaatst. Het is dus een techniek die hij alleen op bijzinnen toepast. Maar wat is die techniek? Ik denk het volgende: dat hij het lijdend voorwerp achteraan plaatst om het extra nadruk te geven. In dit geval wordt die nadruk dan gelegd op schouders; dat idee wordt bevestigd door het vervolg van de zin: "trok Bassianus’ wijsvinger over de gleuf van zijn al spierigen zwarten rug."

Col: Je iPhone als leesbril

Ik weet niet of meer mensen dit doen: bij ieder boek dat ik lees raadpleeg ik altijd even internet om te kijken wat anderen vinden van het boek dat ik gelezen heb. Ik kan me niet herinneren dat ik een boek las waarvan ik geen andere lezers kon vinden. Bij recente boeken zijn het soms beroepsrecensenten, bij klassiekers vaak scholieren die een boekverslag geschreven hebben. Maar bijna altijd is er een andere stem, die iets terugzegt over het boek, die me leert dat ik niet alleen op de wereld ben met deze auteur, dat ook anderen iets vinden van wat hij schrijft.

Laatst las ik bijvoorbeeld The End of the Affair en ontdekte via internet dat er ooit een fascinerende psychologische interpretatie van het gedrag van de hoofdpersonen verscheen in het Tijdschrift voor de psychiatrie. Ik had dat boek heel anders gelezen, als ik dit niet toevallig was tegengekomen.

Nu zou je daar nog over kunnen zeggen: als ik een echt goede geleerde was geweest, was ik ook vroeger zo’n artikel wel tegengekomen. Ik had dan ieder boek dat ik las via de mij ter beschikking staande bibliografische middelen nagetrokken en de titels die bij deze zoektocht naar boven kwamen, opgevraagd in mijn eigen UB. Nog even afgezien van het feit dat ik niet weet hoe ik op die manier bij een Nederlands psychiatrisch artikel over een Engelse roman was gekomen, heb ik nu in ieder geval nog veel meer lezers tot mijn beschikking: de tientallen boekloggers en andere niet-beroepslezers die hun bevindingen noteren, voor hun eigen plezier en dat van een handjevol lezers.

Er wordt de laatste dagen, na de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Tonnus Oosterhoff, weer veel gespeculeerd over de invloed die de nieuwe media hebben op de schrijvers. Volgens mij beziet dat de revolutie van de verkeerde kant: er verandert veel meer voor de lezer. We hebben veel meer mogelijkheden tot onze beschikking, we kunnen op iedere tekst allerlei commentaar krijgen. Het intieme van het lezen kunnen we delen met anderen.

En je hoeft daarvoor niet eens meer achter je bureau te zitten. Wie op een iPad leest, kan tussendoor af en toe even iets op het internet uitzoeken. En zelfs wie op de bank zit met een gedrukt boek, kan er zijn telefoontje naast houden als een multifunctionele leesbril.

Nogmaals: je hoort er nooit iets over, ik weet niet of er studies naar zijn, maar er lijkt mij een stille revolutie aan de gang.

Col: Gelukkig kerstfeest?

Wat is er toch veel op de wereld! Veel woorden bijvoorbeeld, en ook veel onzin. Het internet maakt dit allemaal nog eens extra duidelijk: al die woorden en al die onzin heb je bij de hand.

Zo verscheen er deze week een bericht — ook op de Nederlandse wetenschapsnieuwssite Scientias — over een onderzoek naar geluksgevoelens op Twitter.

Het artikel staat zelf ook online. Het representeert het soort onderzoek dat de beleidsmedewerkers ook in Nederland graag willen zien. Niks nauwkeurig lezen van een paar al dan niet representatieve teksten: "Our data set comprises over 46 billion words contained in nearly 4.6 billion expressions posted over a 33 month span by over 63 million unique users." Dat soort werk.

Wat ze deden, met die miljoenen woorden, is automatisch evalueren hoeveel geluksgevoel eruit sprak. Om dit objectief te laten doen lieten ze honderdduizend (100.000) woorden door vrijwilligers via internet beoordelen op gelukkigheid. Lachen kreeg bijvoorbeeld een 8,5 en terrorist een 1,3 (heus, dat is nu wetenschappelijk bewezen: lachen straalt 6,5 keer meer geluk uit dan het woord terrorist).

Vervolgens werd er met een indrukwekkend wetenschappelijk apparaat van alles en nog wat gerekend: iedere keer dat een van de 100.000 woorden voorkwam (en als je de belangrijkste 100.000 woorden van een taal hebt, heb je ze bijna allemaal wel) werd uitgerekend hoeveel dit bijdroeg aan het geluksgevoel van het bericht.

Wat blijkt? Twitteraars zijn gelukkiger in het weekend dan tijdens de werkweek, en het allerongelukkigst op maandag en dinsdag. En we zijn in de loop van de afgelopen jaren steeds depressiever geworden.

Hoe twijfelachtig die resultaten zijn, en vooral: hoe twijfelachtig de methode is waarmee ze zijn bereikt, blijkt wel uit besprekingen over ‘outliers’, de dagen dat de wereld ineens bijzonder zonnig was, of juist treurig. Dit is wat de auteurs zeggen over het eerste soort outlier:

For the outlying happy dates, in 2008, 2009, and 2010, Christmas Day returned the highest levels of happiness, followed by Christmas Eve. Other relatively positive dates include New Year’s Eve and Day, Valentine’s Day, Thanksgiving, Fourth of July, Easter Sunday, Mother’s Day, and Father’s Day. All of these observations are sensible, and reflect a strong (though not universal) degree of social synchrony. (…) The only singular, non-annual event to stand out as a positive day was that of the Royal Wedding of Prince William and Catherine Middleton, April 29, 2011.

Tjonge, denk je eerst. Zouden we echt allemaal gelukkiger zijn geweest tijdens het huwelijk van William en Kate? Of zou er iets anders aan de hand zijn? Zouden mensen tijdens kerstmis niet gewoon heel vaak merry christmas tweeten? En zouden die woorden niet een heel hoge gelukkigheidsscore hebben, hoe ongelukkig, of sarcastisch, of vermoeid diegene ook is? En zal op 29 april niet gewoon heel vaak het woord ‘huwelijk’ zijn gescoord, wat de vrijwilligers ook vast een hoge score hebben gegeven? Met andere woorden, het is niet duidelijk dat er veel meer gemeten is dan dat mensen met kerstmis elkaar veel geluk wensen, en dat ze als er een huwelijk op tv is, geneigd zijn woorden als huwelijk en kus te gebruiken. Ze hebben 46 biljard woorden onderzocht en alleen een paar trivialiteiten aan het licht gebracht.

Col: De ontdekking van de Limburgse korte i

Dit jaar was een klein beetje een Willy Dols-jaar. Dit jaar vierden we de honderdste geboortedag van deze Limburgse taalgeleerde, die zelf overigens maar 33 keer zijn verjaardag heeft mogen vieren voor hij in 1944 omkwam in een Duits kamp. Dols’ streekgenoot Lei Limpens publiceerde dit jaar een heel aardige biografie over Dols, die u overigens nog steeds kunt bestellen. Ik vatte dat in mijn eigen woorden samen in een artikel voor Onze Taal.

Deze week stuurde Limpens me op de valreep van het Dols-jaar nog een aardig nagekomen bericht: een onlangs teruggevonden brief die Dols in 1940 schreef aan de Leidse hoogleraar Nicolaas van Wijk. Met Limpens’ toestemming publiceer ik die brief nu als een pdf-bestand.

De Limburgse dialectologie is het onderzoeksgebied bij uitstek waar iedereen het permanent van harte met iedereen oneens is. Je bent geen goede kenner van het Limburgs als je niet denkt dat alle andere (‘zogenaamde’) kenners volstrekte idioten zijn. Het was dan voor mij ook even slikken om te merken dat ik het in de in deze brief aangeroerde kwestie volkomen met Dols eens ben.

Kort gezegd komt het op het volgende neer. Het standaard-Nederlands en de Nederlandse dialecten onderscheiden klinkers die ‘kort’ zijn van klinkers die ‘lang’ zijn. Je kunt dat onderscheid op twee manieren maken: door te meten hoeveel milliseconden de klinkers duren, of door te kijken naar in wat voor lettergrepen ze voorkomen. Korte klinkers kunnen door veel meer rijtjes medeklinkers gevolgd worden dan lange: je kunt wel arm, storm, kerm zeggen, maar geen aarm, stoorm, keerm.

Het gekke is dat die twee criteria niet altijd in overeenstemming zijn. Met name geldt dat voor zogenaamd ‘hoge’ klinkers zoals de ie. Als je die gaat meten is hij bijzonder kort, korter zelfs dan de juist genoemde ah, oh, eh; in het Limburgs bestaat er bovendien een lange versie van die ie-klinker. Tegelijkertijd kan die heel korte ie helemaal niet in zo’n ingewikkelde lettergreep staan.

In zijn brief schetst Dols een oplossing: de twee criteria gaan feitelijk over verschillende dingen. Je meet lengte, maar de mogelijkheid om er medeklinkers achter te plaatsen heeft te maken met iets wat Dols, in navolging van de invloedrijke structuralist Troebetskoj Silbenschnittkorrelation noemt. Precies diezelfde oplossing heb ik vijfenvijftig jaar later uitgewerkt in mijn proefschrift.

Ik ben het dus eens met een andere kenner van het Limburgs. Ik moet deze kerst maar eens goed nadenken wat er mis is met mij.

Nws: P.C. Hooftprijs Tonnus Oosterhoff

De dichter Tonnus Oosterhoff (Leiden, 1953) heeft de P.C. Hooftprijs voor literatuur gewonnen. Dat werd vandaag bekend gemaakt.

‘Oosterhoffs poëzie is’ volgens de jury ‘in hoge mate vernieuwend, ze heeft de Nederlandse dichtkunst van diverse keurslijven bevrijd, niet planmatig of vanuit een dichterlijke ideologie, maar door persoonlijke oorspronkelijkheid en het bijzondere talent van de auteur voor het vastleggen of liever gezegd juist beweeglijk maken van moeilijk benoembare sensatie’. Oosterhoff werd onder andere bekend door zijn experimenten met digitale gedichten.

Oosterhoff ontving al meerdere literaire prijzen: de C. Buddingh’-prijs (1990) voor “Boerentijger”, de Herman Gorter-prijs (1994) voor “De ingeland”, de Jan Campert-prijs (1998) voor “(Robuuste tongwerken, ) een stralend plenum” en de VSB Poëzieprijs (2003) voor “Wij zagen ons in een klein groepje mensen veranderen”.

Col: Tuigdorp, gefeliciteerd!!!

Er stond al dagenlang op de website van Van Dale dat het ‘woord van het jaar’ vanochtend om 6:00 zou worden aangekondigd, dus de ware taalliefhebber stond op deze grauwe en regenachtige morgen wat vroeger op om kennis te nemen van deze culminatie van het taaljaar 2011. Vervolgens hebben we op verschillende radiostations Ewoud Sanders en Ruud Hendrickx horen voorbij komen: ook zij moesten vandaag voor dag en dauw op, maar ze deden vast graag, om passend commentaar te kunnen geven op deze grootse onthulling, dit heerlijke moment waar iedere taalliefhebber een jaarlang reikhalzend naar uit kijkt, dit gloriemoment, niet alleen voor de woorden die het betreft, maar voor de hele Nederlandse taal.

En laten we ook niet de woorden vergeten: hoeveel slapeloze nachten zullen de kandidaten deze weken niet hebben doorgemaakt. Want stel, ja, stel, toch dat zij dit jaar eens… zou dan de kans dat ze ooit écht in Van Dale zouden komen, en daardoor voor eeuwig en altijd tot de Nederlandse taal zouden behoren, niet enorm toenemen?

Sinds een uur of drie weet ik dus dat het tuigdorp geworden is, althans in Nederland. Van harte! Het zat er natuurlijk aan te komen, met zo’n actieve en goed georganiseerde fanclub: het schijnt dat nog de laatste dagen alle ooms en tantes, opa’s en oma’s van fans zijn opgetrommeld om dat woord zijn ereplaatsje te verzekeren. Er schijnen zelfs een paar mensen op gestemd te hebben die nog nooit eerder van het ‘woord van het jaar’ hadden gehoord (al vraag je je af waar dat soort mensen hun leven moeten hebben doorgebracht). In ieder geval is het een zeer grote eer voor dit woord, dat nu voortaan ook door belangrijke schrijvers en journalisten gebruikt zal worden; al is het nog een beetje vroeg om te voorspellen dat het ook binnenkort in een Groot Dictee zal verschijnen.

Grote en terechte vreugde heerst er ook in de kampen van de winnaars in speciale categorieën zoals ‘jongeren’ (planking) en ‘lifestyle’ (vleeshufter). In hun respectieve geboortedorpen heeft de plaatselijke fanfare vanochtend al een aubade gebracht, en de filmploegen van Het Hart van Nederland en RTL Nieuws zijn al uitgetrokken om mensen op de straat te vragen of ze de ‘eigen’ woorden kennen en wat ze ervan vinden dat ze gewonnen hebben.

Op momenten als deze merk je toch weer hoe zielsveel wij Nederlanders van onze taal houden. Overigens is de verkiezingkoorts nog niet voorbij: op dit moment maken spaties zich in het hele taalgebied op voor de verkiezing van de spatie van het jaar!

Col: De bedwelming van Wytze Hellinga

In de krochten van de Amsterdamse universiteitsbibliotheek bevindt zich een gevaarlijk document: een stencil uit 1968 dat ‘Historische taalkunde en de neofiloloog’ heet en dat geschreven is door Wytze Hellinga. Degene die het document vindt, raakt bedwelmd door de geest van Hellinga, “een wat manische man, die te veel vroeg van zijn studenten” volgens René van Stipriaan in een essay in het nieuwste nummer van Ons Erfdeel.Van Stipriaan is ook degene die het stencil van Hellinga gevonden heeft. Van Stipriaan is ook het eerste bewijs van de bedwelming, die ervoor zorgt dat de patient “nieuwe grootscheepse projecten [aankondigt] die ongeveer aan alle uithoeken van de humaniora raakten.”

Van Stipriaan grijpt het stencil van Hellinga aan om te reflecteren op de afgelopen 45 jaar in de neerlandistiek. De boodschap is weinig verrassend, maar daarom nietminder somber. De “voorhoede van de neerlandistiek [speelt] in de opinievorming geen grote rol”; “jonge afgestudeerden in enige tak van de neerlandistiek [staan] op de arbeidsmarkt niet bijzonder goed aangeschreven”; “veel universitaire opleidingen in de letteren zijn nauwelijks nog academisch te noemen, omdat de studieprogramma’s aan elkaar hangen van inleidingen-in-dit en kennismakingen-met-dat.

Alstublieft. En waar ligt dit allemaal aan? Volgens Van Stipriaan vooral aan het verdwijnen van het vak ‘historische taalkunde’. Dát vak gaf de neerlandici een voorsprong op andere cultuurwetenschappers, omdat het hen gevoelig had gemaakt voor ‘de valkuilen van de taal, voor dubbelzinnigheid’, en nog een heleboel meer. Vrij vertaald en samengevat (u hebt per slot van rekening geen tijd om hier een eindeloze column door te werken, laat staan dat essay van Van Stipriaan): omdat het hen had geleerd nauwkeurig te lezen.

Nu lijkt me dat nauwkeurig lezen van oude teksten niet per se een kwestie waarvoor je de ontwikkeling van het middelnederlandse naamvalssysteem tot je zou moeten nemen, maar aan de andere kant: dat er op de Nederlandse universiteiten niet of nauwelijks nog aandacht is voor de historische ontwikkeling van het Nederlands is inderdaad een grote schande. Van Stipriaan is dit echter nog niet genoeg: vervolgens roept hij op tot een grootschalige herstructurering van de opleidingen in de neerlandistiek, of vooral het verzwaren van de studie. De manier waarop hij zich die verzwaring voorstelt heeft echter iets nogal Hellingaïaans: een grote grabbelton waarin van alles en nog zit. Aan de ene kant spreekt Van Stipriaan bijvoorbeeld uit dat ‘de taalkundige component in de letterkundige richtingen hersteld zou moeten worden’, tegelijk valt op dat hij het alleen over die letterkundige richtingen serieus heeft. Verder moeten de studenten letterkunde van alles en nog wat: lezen, snel lezen, veel lezen, en sociologie, psychologie en antropologie toepassen op wat ze lezen, en alle letterkunde zien als historische letterkunde.

Dat klinkt allemaal niet erg realistisch, om niet te zeggen manisch. Tegelijkertijd heeft het natuurlijk ook iets heel aanstekelijks; ik raakte in ieder geval tijdens het lezen van Van Stipriaans essay steeds meer bedwelmd. Inderdaad! Laten we opstaan uit de versukkeling van wat er praktisch allemaal kan in de BA-MA-structuur! Laten we gewoon een groep getalenteerde grote talenten opleiden en de neerlandistiek weer tot een prachtig vak maken! Leve Hellinga!

Naschrift 20.12.2011. De historisch taalkundige van Nederland Jan Noordegraaf schrijft: ‘Het stencil van Hellinga is natuurlijk gewoon op meerdere plaatsen in Nederland aanwezig […]. In mijn stukje over 60 jaar AVT verwijs ik er bijvoorbeeld naar. Of ik door de geest van Hellinga bedweld ben geraakt? Dat valt wel mee, geloof ik.’

Col: Arnons Zangberg

Nadat hij eerder deze week een wat saai dictee had afgeleverd, publiceert Arnon Grunberg een wat plechtstatig Nederlands, in de Volkskrant. Hij wil dan ook in een essay onderzoeken "hoe ik me verhoud tot de wereld waar ik tegen wil en dank deel van uitmaak".

Wat hij constateert is over het algemeen niet erg verrassend: "dat het automatische respect voor het fenomeen literatuur geminimaliseerd is. Dat heeft alles te maken met democratisering en de ontmanteling van autoriteiten." Tegelijk heeft de literatuur nu eenmaal weinig met democratie te maken: je hebt goede schrijvers die veel gelezen worden en goede schrijvers die nooit gelezen worden. Op het kleine speelveld van de literaire eer en prestige — want daar lijkt het Grunberg blijkens dit essay vooral om te doen: "als schrijver blijf ik afhankelijk van erkenning die door de literaire wereld wordt gegenereerd" — verdringen bovendien de talenten zich en is het daarom allemaal haat en nijd. "Daarom zoek ik mijn vrienden en kennissen het liefst in andere kringen."

Het is interessant hoe Grunberg tegelijkertijd erkent dat er een illusie is, maar daar toch aan blijft vasthouden, als een atheïstische dominee die toch op de kansel blijft staan: dat literaire kwaliteit bestaat. Misschien dat hij daarom ook zo vervalt in wat houterige plechtstatigheid. Nee, het is geen kwestie van democratie, maar er is wel degelijk een markt, namelijk een "in symbolisch kapitaal, dat wil zeggen erkenning, waardering en prijzen van zogeheten experts."

Hij ziet dat kennelijk in, dat je het allemaal onzinnig zou kunnen vinden, maar tegelijk vermag hij niet af te zien van dat symbolische kapitaal dat hem door ‘zogeheten’ experts kan worden uitgekeerd.

Het is trouwens ook te makkelijk om hem dat als academicus, wat ik ben, te verwijten. Grunberg wijst erop dat het ‘symbolisch kapitaal’ van de hooggeleerde vooralsnog meer zekerheid biedt: dat blijf je je hele leven, met ook nog een min of meer gegarandeerd financieel inkomen. Wat hij minder ziet, waarschijnlijk omdat hij niet in onze wereld verkeert, is dat het ook hier dringen is om dat symbolische kapitaal, ook onder de mensen die allang een vaste baan hebben, en ook onder degenen die het iedere dag over dat symbolische kapitaal hebben. We haten elkaar, we minachten degenen die ons dat kapitaal kunnen verschaffen vanuit het diepst van onze ziel. En tegelijk wil iedereen altijd maar meer hebben van die bewondering.

Col: De onvertaalbare canon

Gisteren, de dag dat Nederl-redacteur Francien Petiet in Amsterdam promoveerde op een proefschrift over de manier waarop in de negentiende eeuw de canon van het Nederlands werd gevormd, publiceerde de 21e-eeuwse canonmachine DBNL De langste dag, een nieuwe deelwebsite waarop hedendaagse dichters werk van hun voorgangers lezen. (Het materiaal is gefilmd tijdens de viering van het tienjarig bestaan van de DBNL vorig jaar.)

Ik heb Franciens proefschrift nog niet gelezen, maar als ik het goed begrijp laat ze zien dat de klassieke canon niet zozeer gevormd is op basis van bijvoorbeeld de vraag hoe ontroerend teksten waren, of hoe goedgeschreven, maar vooral op basis van de overweging of de auteurs als voorbeelden konden gelden van godvruchtige en nijvere Nederlanders.

De langste dag laat zien wat er van die canon nog over is. Bijvoorbeeld op de lijst met vertolkte dichters. Daar komen maar weinig echt godvruchtige dichters op voor, en zelfs van degenen die dat wel waren wordt eigenlijk nooit een gedicht over God voorgelezen. In een interview legt Antoon Korteweg zelfs expliciet uit dat hij van de ‘dominee-dichter’ J.L.L. ten Kate alleen frivoler jeugdwerk voordraagt. Zoals ook van andere door de negentiende-eeuw gekozen thema’s — de moedige strijd tijdens de tachtigjarige oorlog — nauwelijks nog iets over is.

Wat heeft de keuze dan wel bepaald? Als ik het goed zie, zijn het vooral de taalkunstenaars geweest, degenen die het Nederlands mooi hebben laten klinken. De volgende dichters werden bijvoorbeeld (in de eerste selectie, die nu op de website staat, er schijnt nog meer te komen) door meer dan één persoon voorgedragen: Anna Bijns, Constantijn Huygens, Lucebert, Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Obe Postma, J.J. Slauerhoff, Maria Tesselschade Roemers Vissers, Joost van den Vondel. Met een of twee uitzonderingen lijken me dat vooral dichters die zo aan de taal hangen dat ze niet of nauwelijks te vertalen zijn — en niet zo zeer dichters die we nu nog lezen vanwege bijvoorbeeld hun speciale manier van naar de wereld kijken.

Dat had natuurlijk te maken met de vorm van het programma: dichters moesten voorlezen en de keuze valt dan al snel op het verbale vuurwerk. Tegelijkertijd: deze website blijft hier nu staan en gaat mede de canon bepalen, zoals ook andere video’s van voordrachten misschien wel steeds belangrijker worden.

En er is nog iets: als er iets de Nederlander definieert in vergelijking met andere Europeanen, dan is dat niet langer het calvinisme of de properheid van onze huisjes. We hebben zo langzamerhand eigenlijk alleen nog maar het Nederlands. Wat ooit God, Koning en Vaderland waren, is nu eigenlijk alleen nog het feit dat niemand in het buitenland begrijpt waar Lucebert het over heeft. Het enige wat nog Nederlands is aan de Nederlandse dichter is zijn onverstaanbaarheid.

Col: Engels spreken is niet zo aangewezen

Guy Verhofstadt, een oud-premier van België, wilde deze week een daad stellen en sprak Nederlands in het Europees Parlement; een video van het begin van zijn optreden staat hier.
Het is om een groot aantal redenen een opmerkelijk gebaar dat veel laat zien over hoe taal feitelijk functioneert in Europa. In de eerste plaats omdat Verhofstadt het zo nadrukkelijk als een gebaar presenteert: “Meneer, de voorzitter, ik ga vandaag in mijn moedertaal spreken, omdat ik denk dat het Engels niet zo aangewezen is.”
Formeel heeft iedere Nederlandstalige europarlementariër het recht om op ieder moment in het Nederlands het woord te voeren; argumenten hoeven daar niet voor gegeven te worden. Officieel is iedere taal immers gelijkwaardig in het Europees Parlement.
Door er aan het begin van zijn toespraak zo expliciet op te wijzen dat hij een keuze maakt, laat Verhofstadt zien dat het met die gelijkwaardigheid net iets anders ligt: kennelijk moet er een bijzondere reden zijn om geen Engels te gebruiken.
Ook de reden die hij noemt is bijzonder: het Engels is niet zo aangewezen. Je ziet het aanwezige publiek, waaronder de Nederlandstalige president van Europa Van Rompuy lachen, want men begrijpt waarom het niet zo ‘aangewezen’ is om Engels te spreken: omdat de Britse premier Cameron zojuist een accoord heeft geblokkeerd waar alle andere Europese landen voor waren.
Hoe nu? Spreken we soms Engels omdat dit de taal is van het Verenigd Koninkrijk? Dat is formeel gezien helemaal niet het geval: zelfs als Cameron zou besluiten om de Europese instituties helemaal te verlaten, zou het Engels een officiëlte taal blijven, al is het maar omdat die dan nog steeds in twee landen gesproken wordt: Ierland en Malta.
Toch voelt het kennelijk wel een beetje zo; anders zou het ‘grapje’ dat Verhofstadt maakt door geen Engels meer te willen spreken niet begrepen zijn. Op zijn minst een heel klein beetje moet het toch voelen alsof men telkens een beetje buigt voor de Engelsen. En als de Engelsen dan dwars gaan liggen, buigen we even niet meer.
Maar er is ook een andere dimensie. Verhofstadt hield zijn opstandige gedrag niet de hele toespraak vol. Na een paar zinnen schakelde hij toch terug naar het Engels: dat was makkelijker, want zo was hij het toch gewend. Want ondanks de officiëe lezing dat alle talen gelijkwaardig zijn, en ondanks het kennelijk op de achtergrond levende sentiment dat we door Engels te spreken aardig zijn voor de Engelsen, is het Engels inmiddels de feitelijke vergadertaal.

Col: Hoe ik de illegaliteit werd ingedreven

Stel: je gaat een boekwinkel binnen, geen elektronische, maar zo’n boekwinkel met een adres in een straat en met een winkelruit waarin de nieuwste aanwinsten staan te prijken. Stel, je koopt in die winkel een boek van een gerenommeerde uitgeverij, laten we zeggen de beroemde biografie van Multatuli door Dik van der Meulen. Dolblij ga je naar huis, want vele jaren nadat het boek verschenen is en zelfs een AKO-prijs gekregen heeft, kun je het dan eindelijk lezen.
Dan kom je thuis, begint te lezen, maar al snel ontdek je iets vervelends: op bijna iedere bladzijde van het boek staat wel een drukfout. Hier hebben ze eens een spatie teveel gezet, daar een verkeerde letter getiept, en zo gaat het door. Normaal gesproken let je helemaal niet zo op dat soort dingen, je hebt een slechte naam onder redacteuren voor de hardnekkige typefouten die je zelf steeds over het hoofd ziet, maar dit gaat echt te ver. Op een bepaald moment besluit je het systematisch bij te houden:
Lees verder >>

Eve: Beatrijs de wereld in

Bijna 50 sprekers uit 10 landen zullen ingaan op vertalingen en bewerkingen in meer dan 20 talen. Tijdens het congres in de Koninklijke Bibliotheek wordt het enige handschrift van de Middelnederlandse Beatrijs tentoongesteld. Op het internet vindt u het voorlopig programma (in pdf) en het inschrijfformulier (in word).

“Beatrijs de wereld in” analyseert de internationale uitstraling van het Middelnederlandse verhaal over Beatrijs. Met deze casus wil het nieuwe wetenschappelijke discussie en samenwerking op gang brengen tussen intra- en extramurale vertalers en beoefenaars van de historische en moderne Nederlandse letterkunde, de vertaalwetenschap en verwante disciplines.

Sinds W.J.A. Jonckbloet in 1841 de eerste wetenschappelijke editie verzorgde van het unieke Middelnederlandse handschrift van de Beatrijs – thans in de Koninklijke Bibliotheek Den Haag – heeft de tekst een onwaarschijnlijke weerklank gehad. Dat blijkt niet alleen uit moderne bewerkingen en vertalingen als die van P.C. Boutens, Herman Teirlinck en Willem Wilmink, maar de tekst raakte ook internationaal verspreid door een groot aantal adaptaties (o.a. voor theater) en door vertalingen in onder meer het Engels, Frans, Duits, Italiaans, Afrikaans, Esperanto, Fries en Noors. De tijd is rijp om te bezien hoe de Beatrijs in de loop van de tijd gefunctioneerd heeft in uiteenlopende verschijningsvormen, zowel binnen het Nederlandse taalgebied als daarbuiten. Zo kan de tekst opnieuw gesitueerd worden in de middeleeuwse en latere vertaal- en bewerkingstraditie. Tegelijkertijd kan deze casus het ontstaan helpen verklaren van vertalingen en bewerkingen op bepaalde momenten en in bepaalde regio?s. Welke functies vervullen zulke adaptaties? Welke keuzes maken vertalers en bewerkers? Wat zijn hun literaire, didactische of wetenschappelijke bedoelingen?

Nws: Zoektocht Achille van den Branden

Poëzie-weblog De Contrabas is een zoektocht begonnen naar de boekenweblogger Achille van den Branden. Jarenlang onderhield Van den Branden (vrijwel zeker een pseudoniem) bijna dagelijks een weblog waarop hij boeken besprak, maar sinds 1 april van dit jaar is hij daar plotseling mee opgehouden. Ook het parallelle weblog Prins van Denemarken, met fragmenten uit gelezen boeken, wordt niet meer bijgewerkt. “Gezocht.”, schrijft De Contrabas, “Man of vrouw, vermoedelijk, of meerdere mannen en/of vrouwen. Achille van den Branden is de naam waarop hij/zij/ze reageert/reageren. Uiterlijk: onbekend. Als je daar bent: meld je.”

Nws: Een eregalerij

Het is voor zover ik kan zien nog niet aangekondigd bij de DBNL of het Letterkundig Museum, maar sinds een paar dagen is in de app store van Apple een elektronische eregalerij van de Nederlandse literatuur te vinden die door deze twee organisaties in samenwerking met Bibliotheek.nl (die wel al informatie biedt) wordt aangeboden. In de eregalerij staan vijfentwintig gratis downloadbare hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur  – Pijpelijntjes, De boeken der kleine zielen, Liedjes van Gorter – in een elektronische editie, en met extra informatie over de auteurs en soms over het werk.

Er is een mooie selectie gemaakt – het is misschien jammer dat alleen Sara Burgerhart ouder is dan de negentiende eeuw, maar dit zal wel iets te maken hebben gehad met de wens zo toegankelijk mogelijke boeken aan te boeden. Een minpuntje dat nu al door gebruikers in de app store wordt genoemd is dat de lettergrootte niet kan worden aangepast, terwijl sommige boeken met wel erg kleine letters worden weergegeven. Dat is hopelijk een schoonheidsfoutje dat snel kan worden aangepast.
De app is hier te vinden. Overigens kunnen de boeken hier ook worden gedownloaded om met een andere reader te lezen (als ePub, dat wil zeggen, leesbaar op bijna alle lezers behalve de Kindle).

Age: workshop Tale of a nun, Brussel, 27 april 2011

In het kader van het interdisciplinaire project Beatrijs internationaalorganiseert het Centre for European Reception Studies (CERES) op woensdag 27 april aan de Hogeschool-Universiteit Brussel een workshop over de Engelse, Spaanse, Nederlandse en Franse vertalingen en bewerkingen van het Middelnederlandse verhaal over de non Beatrijs die haar klooster verliet. Deze workshop dient als voorbereiding van het congres Beatrijs de wereld in (Den Haag, 29-30 september 2011).
De toegang tot de workshop is gratis maar het aantal deelnemers is beperkt (max. 22). Aanmelding is noodzakelijk: remco.sleiderink@hubrussel.be
Het programma van de workshop en verdere informatie over het project: is te vinden via http://www.middelnederlands.be/beatrijsinternationaal/

Ove: Overleden: Ton Vallen (1946-2011)

Op 4 april 2011 overleed dr. A.L.M. (Ton) Vallen, hoogleraar “Interculturele Communicatie: Meertaligheid en Onderwijs” aan de School of Humanities van de Universiteit van Tilburg aan de gevolgen van een hersentumor.
Vallen, die tijdens zijn loopbaan verbonden was aan de universiteiten van Nijmegen en Tilburg, begaf zich in zijn werk op het kruisvlak tussen sociolinguïstiek en dialectologie, niet toevallig de titel van een bundel die Vallen in 1980 medesamenstelde en dat ging over het roemruchte Kerkrade-project naar dialect en onderwijs in Kerkrade. In zijn Tilburgse jaren bestudeerde Vallen ook actief allerlei vragen rond de taal van etnische minderheden.
Naar verluidt was Vallen bij overlijden nog aan het werk aan een afscheidsrede over het onderwerp dat hem zolang gefascineerd had: ‘Dialect, beeldvorming en onderwijskansen’. Hij is 64 jaar oud geworden.

In memoriams: Univers, Veldeke.

Drie nieuwe vertalingen Beatrijs in de maak

Van 7 tot 10 april wordt in het Hongaarse vertalershuis aan het Balatonmeer een workshop georganiseerd rond drie nieuwe vertalingen van de Middelnederlandse Beatrijs. De vertalingen in het Hongaars, Pools en Roemeens komen tot stand in het kader van mastercolleges aan de universiteiten van Boedapest, Wrocław en Boekarest. Aan de Hongaarse versvertaling wordt meegewerkt door de dichter Zsuzsa Rakovszky die in Nederland en Vlaanderen vooral bekend is door haar roman De schaduw van de slang. Het vertaalatelier aan het Balatonmeer wordt gefinancierd door het Expertisecentrum Literair Vertalen van de Nederlandse Taalunie. Later dit jaar zal in Den Haag een groot congres plaatsvinden, gewijd aan de internationale uitstraling van de Beatrijs (Koninklijke Bibliotheek, 29-30 september). Van het Middelnederlandse verhaal over de non die haar klooster verlaat en in de prostitutie belandt, bestaan opmerkelijk veel vertalingen en bewerkingen. Alleen al in het Engels zijn er zes vertalingen.
Voor meer informatie over de workshop in Hongarije kunt u (uiteraard in het Nederlands) contact opnemen met dr. Orsolya Réthelyi, Vakgroep Neerlandistiek, Eötvös Loránd Universiteit Boedapest (ELTE), rethelyi@freemail.hu. Informatie over het overkoepelende project is te vinden op: http://www.middelnederlands.be/beatrijsinternationaal/

Col: Gebarentaal als gevoelstaal

“Het Fries is de gevoelstaal in Friesland,” zei minister Piet-Hein Donner vorige week zaterdag tijdens een persconferentie. Om die reden heeft het kabinet Rutte in het regeeraccoord afgesproken om de positie van het Fries beter te regelen. Een andere reden voor die maatregel volgens de minister: “Hoe meer talen je kent, des te makkelijker je andere talen leert en je de verschillende talen begrijpt.” Donner was ook niet bang dat mensen de verschillende talen door elkaar gaan gebruiken: “Ik heb zelf een groot deel van mijn opleiding in het Frans gehad. Wanneer je maar weet dat je de talen gescheiden moet houden, is er geen probleem.”

Dat zijn allemaal goede argumenten. Ze vormen een belangrijke breuk met het Nederlandse beleid van de afgelopen vijftien jaar, waarin er juist van werd uitgegaan dat het leren van het Nederlands voorop moet staan en dat andere talen een correcte beheersing van de officiële taal alleen maar hinderen.
Dat leidde er onder andere toe dat het onderwijs in zogenoemde ‘allochtone levende talen’ is afgeschaft. Alle door Donner genoemde argumenten gelden natuurlijk net zozeer voor het Turks en het Marokkaans als voor het Fries: het zijn gevoelstalen, ze helpen hun sprekers om andere talen zoals het Nederlands te leren en te begrijpen, en zolang mensen begrijpen hoe de twee talen gescheiden moeten worden, is er geen probleem.
Het is interessant te zien wat deze nieuwe overheidswaardering voor meertaligheid gaat betekenen voor het taalonderwijs in de vele minderheidstalen die er in Nederland gesproken worden. Het belangrijkst is dat misschien wel voor n taal die al eeuwenoude wortels in Nederland heeft, en waarvan de sprekers bovendien grote praktische problemen hebben met het Nederlands – veel groter dan Turken, Marokkanen of Friezen. Het betreft de Nederlandse Gebarentaal, de taal van de meeste doven in Nederland.
Alle deskundigen zijn het erover eens dat de gebarentaal een volwaardige taal is, waarin kan worden gedicht, gevloekt, college gegeven en geflirt. Het is de taal waarin doven de wereld leren kennen en met elkaar communiceren. De taal wordt inmiddels op allerlei niveaus onderzocht, er bestaan woordenboeken, websites, grammaticale studies en een redelijke gestandaardiseerde vorm. Dat is nodig: de taal verschilt in zinsbouw en de woordenschat op heel belangrijke punten van het Nederlands.
De Nederlandse doven beheersen over het algemeen zeer behoorlijk Nederlands. Toch heeft juist hun taal veel te winnen bij erkenning door de Nederlandse overheid. Juist doven hebben behoefte aan goede tolkendiensten, overheidsinformatie in de eigen taal en een grotere zichtbaarheid in de openbare ruimte. Juist doven horen in een beschaafd land hun gevoelstaal te kunnen gebruiken.
Doordat de techniek van cochleair implantaten – in het lichaam ingebrachte hoorapparaten – steeds verder voortschrijdt, zal de Nederlandse gebarentaal over enkele generaties misschien uitsterven. Zover is het echter nog niet: zo lang wij leven, zullen er doven onder ons zijn voor wie de gebarentaal de moedertaal is.
Al in 1997 heeft een commissie onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar taalwetenschap Anne Baker voorgesteld om de Nederlandse gebarentaal erkenning te geven. Die commissie was ingesteld door de Nederlandse overheid, maar deze heeft er vervolgens niets mee gedaan. Ergens in een bureau op Donners ministerie moet dat rapport nog steeds liggen. Zou het er niet eens uit kunnen worden gehaald?

Nicoline van der Sijs geridderd

Taalkundige en etymologe (en Onze Taal-medewerkster) dr. Nicoline van der Sijs is benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Zij kreeg de onderscheiding afgelopen woensdag 26 januari 2011 voor haar verdiensten als onderzoeker van het Nederlands, met vooral veel aandacht voor de ontwikkeling van onze taal in de loop van de verschillende tijdsperioden. Het lintje werd opgespeld door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, drs. Halbe Zijlstra, tijdens de gezamenlijke nieuwjaarsbijeenkomst van de Nederlandse Taalunie en het Genootschap Onze Taal in Den Haag.

Zie voor meer informatie de website van Onze Taal.

Lit: Te verschijnen: Willy Dols 1911-1944

Op 21 maart 2011 zal het honderd jaar geleden zijn dat de Sittardenaar Willy Dols geboren is. Hij was een veelbelovend geleerde die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog op tragische wijze om het leven gekomen is. Tijdens zijn studie al publiceerde hij een aantal artikelen op taalkundig gebied waarin hij reeds blijk gaf van zijn grote interesse voor het Limburgse dialect. Zijn in 1953 postuum uitgegeven proefschrift wordt gerekend tot de beste die in Nederland ooit over een taalkundig onderwerp geschreven zijn.
De neerlandicus Lei Limpens heeft het leven van deze geleerde beschreven in een boek waarbij hij ook aandacht schenkt aan het wetenschappelijk werk van Willy Dols. Zo geeft de auteur voor een breed publiek een samenvatting van Dols’ gepubliceerde en niet-gepubliceerde werk, waaruit de brede belangstelling van deze erudiete geleerde blijkt. Verder onder andere de nog nooit gepubliceerde recensie van J.P.C. Kats, Het phonologisch en morphologisch systeem van het Roermondsch dialect uit1939. Tenslotte hebben de hoogleraren Marc van Oostendorp, Ben Hermans en Carlos Gussenhoven als hommage aan hun collega uit het begin van de Twintigste Eeuw een artikel geschreven over een aspect van het Limburgse dialect.
Medio maart 2011 zal de presentatie van het boek plaatsvinden. U kunt hier al intekenen voor het boek.

Waarom ik nu toch een iPad heb

Een van de voordelen van stevige meningen is dat je ze af en toe totaal kunt veranderen. Er is niets prettigers dan met vuur datgene verdedigen dat je een paar maanden geleden nog met grote stelligheid afwees. Je kent alle argumenten van de andere kant, en kunt ze dus nog effectiever bestrijden.

In mei was ik nog faliekant tegen de iPad. Ik wond er hier op Neder-L geen doekjes omheen: niks voor mij, zo’n nieuw gadget: “Voorlopig lijkt een iPad me vooral leuk om spelletjes op te doen om video’s op te bekijken, maar voor allebei die dingen heb ik jammer genoeg niet zoveel tijd,” schreef ik. “Ik wil lezen.” Wat was ik toen nog jong en onbesuisd.

Gelukkig zijn er mensen die mij beter kennen. Van een van hen kreeg ik dit jaar dan toch zo’n ding cadeau. Ik zette er wat video’s op en wat spelletjes, maar ontdekte al snel dat ik daar eigenlijk toch geen tijd voor had. Ik wilde lezen! En lezen doe ik inmiddels uit alle macht. Het is waar, wat ik in mei schreef, dat het scherm van de iPad, anders dan dat van de gemiddelde e-booklezer, licht geeft, en daarmee te onrustig is voor je ogen om er de hele Ilias op te lezen. Je kunt daarvoor toch nog steeds beter terecht op het grijzige elektronische papier dan op een gewoon computerbeeldscherm, dat een iPad toch ook heeft.

Maar er is zoveel anders te lezen. Om te beginnen kranten en tijdschriften. Mijn papieren kranten heb ik dit voorjaar al weggedaan, om ze voortaan op mijn e-boeklezer te downloaden; maar hoeveel prettiger is dan de interface van zo’n lezer. Je kunt de hele opmaak van de krant zien, de kleurenfoto’s zien er prachtig uit, en de teksten zijn toch kort genoeg om niet af te kunnen dwalen. Ik begrijp inmiddels niet meer wat de lol ervan is om iemand door weer en wind naar je huis te laten fietsen voor een miezerige uitdraai van zoiets moois.

Omdat het bijna kerstvakantie is, heb ik ook een groot aantal tijdschriften gedownloaded: de prachtige nieuwe elektronische Vrij Nederland, de New Yorker, Internazionale en nog een paar. Ik blader er met evenveel genoegen doorheen als door de echte tijdschriften, en ook hier weer is er zulke fijne extra’s: de gedichten in de New Yorker die je ook door de auteur kunt laten voorlezen.

En zelfs boeken ga ik af en toe op de iPad lezen. Geen romans, maar wel dichtbundels, waarvoor je toch niet de hele tijd naar het scherm kijkt – ik had dat eigenlijk nooit gemerkt, maar ik lees zo’n bundel eigenlijk door een aantal regels tot me te nemen, en daar dan een beetje op te suffen – en vooral ook nonfictie-boeken. Ik ben nu bijvoorbeeld een boek aan het lezen van de Italiaanse journalist Beppe Severgnini over Berlusconi, La pancia degli italiani (De onderbuik van de Italianen). Dat is een voorbeeld van hoe het moet: het ongelooflijke verhaal dat Severgnini weet te vertellen wordt gestaafd door links naar YouTube-filmpjes waar je Berlusconi die bizarre dingen inderdaad zelf hoort uitspreken, en naar pdf-bestanden waaruit inderdaad blijkt dat Forza Italia een semi-religieuze beweging was. Omdat je ook nog aantekeningen kunt maken, blijkt de iPad een geweldig apparaat om te studeren. Wie nu nog papieren boeken in huis haalt, is een hopeloze romanticus. Dat beweer ik met grote stelligheid.