Auteur: Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.

Horlepiep als doodsbedreiging

In de discussie die is ontstaan over het vorige week gepubliceerde gedicht van de Duitse Nobelprijswinnaar Günther Grass heeft zich nu ook de Nederlandse schrijver Leon de Winter gemengd. Hij doet dat op zin beurt ook weer met een (Duitstalig) gedicht, waarin hij nogal zware beschuldigingen uit: de Nobelprijswinnaar zou een antisemiet zijn en uit zijn op de vernietiging van Israël. Daarnaast zou hij ook nog eens niet-rijmende gedichten schrijven:
Lees verder >>

Het eerste Nederlands op Twitter?

Het zou eigenlijk makkelijk moeten zijn: taalarcheologie op het internet, maar het blijkt nog geen sinecure. Wat is bijvoorbeeld het oudste Nederlands dat op het internet gebruikt wordt?

In 2004 schreef de toenmalige redactie van Taalpost daarover een prijsvraag uit over die vraag. Het antwoord dat onze lezers toen vonden was ‘Nederlandse Vereniging voor Kunstmatige Intelligentie’, uit een usenet-bericht van 27 juli 1982. Het eerste volledige zinnetje luidde Oftwel je gaat je gang maar broer en kwam voor in een nieuwsgroependiscussie van 15 februari 1984. (De voorloper van het internet werd op dat moment alleen gebruikt in Amerika, het zinnetje kwam voor in een berichtje van een Nederlandse onderzoeker in Amerika die waarschijnlijk voor de grap zijn gesprekspartners wilde verwarren met zijn idiomatische Engels.)

Sindsdien heeft de taalarcheologie weer volledig stilgelegen. Lees verder >>

Dure woorden in de 18e eeuw

Indruk maken met ‘dure’ woorden is van alle tijden. Je zou bijna denken dat andere talen ervoor zijn uitgevonden om ons van voldoende moeilijke woorden te voorzien om indruk te maken. Maar lachen om mensen die proberen moeilijke woorden uit vreemde talen te gebruiken maar dat net verkeerd doen is waarschijnlijk even precies even oud. Ha, kijk hem eens plechtig doen!

Deze week verscheen er in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren een heerlijk nieuw werkje voor de liefhebber: het achttiende-eeuwse Barbarologia van Salomon van Rusting. Dat boekje bevat een lange lijst met ‘boerenlatijn’, verbasterde moeilijke woorden uit de mond van lager (of niet) opgeleiden uit Noord- en Zuid-Holland.

Mij interesseert vooral de manier waarop die verbastering dan in zijn gang ging. Lees verder >>

‘Zijn koffie zwart drinken’ is dubbelzinnig

Jan-Wouter Zwart denkt dat de zinsbouw van menselijke taal heel eenvoudig in elkaar zit. Dat is vermoedelijk de reden waarom het interview in NRC Handelsblad afgelopen zaterdag geen eenvoudige lectuur was. Een simpel idee kan in zijn uitwerking heel ingewikkeld zijn.

Het is overigens wel een prettig stuk om te lezen, vind ik, al is het maar omdat er eens wordt afgerekend met het eeuwige idee in de wetenschapsjournalistiek dat er een gigantische strijd aan de gang is tussen mensen die denken dat taal aangeboren is en mensen die denken dat dit niet zo is. Zwart legt overtuigend uit dat die filosofische kwestie er voor het handwerk van de grammaticus nauwelijks toe doet.

Waarom is het artikel dan ingewikkeld? Lees verder >>

Te moeilijk voor natuurkundigen

In een interview met het Amerikaanse webtijdschrift Slate zei de taalkundige Noam Chomsky deze week:

Neem nu de natuurkunde. Dat vak beperkt zich tot extreem eenvoudige vraagstukken. Als een molecule te ingewikkeld wordt, geven ze het door aan de scheikundigen. Als het te ingewikkeld wordt voor de scheikundigen, geven die het door aan de biologen. En als het systeem ook voor hen te ingewikkeld wordt, geven ze het door aan de psychologen… en zo verder tot het in de handen komt van geschiedkundigen of romanschrijvers.

Daar zit wat in, vond ik, maar toen ik het mijn vriendin wilde uitleggen, begon ze meteen te protesteren: natuurkunde is juist een heel moeilijke studie, veel moeilijker dan psychologie of geschiedenis. En natuurkundigen zijn ook vaak veel slimmer dan geesteswetenschappers.

Lees verder >>

Een vet accent

“Dat taalachterstand aan de basis ligt van alle integratieproblemen, is een misvatting”, schreef David Pinto gisteren in de Volkskrant. Je zou zeggen, nogal wiedes: alle integratieproblemen, die hebben natuurlijk toch niet een unieke oorzaak.

Pinto reageert met zijn stuk op een eerder artikel van de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher (PvdA). Nu is het een beetje overdreven om te stellen dat Asscher inderdaad denkt dat taalbeleid alle problemen zou oplossen. Maar de kritiek van Pinto is voor een deel wel terecht. Lees verder >>

Het meest droog

Ik heb het misschien al honderden of duizenden keren gelezen, maar maandag viel mijn oog er ineens op: een zinsnede in het korte weerbericht van de Volkskrant:

– In het zuiden is het meest droog.

Wat een raar gebruik van het woord meest, dacht ik ineens, zo als bijwoord. Ik schreef erover op Twitter en Rutger Kiezebrink van de Taaladviesdienst meldde onmiddellijk dat het in Van Dale staat, met als betekenisomschrijving ‘meestal’ en als voorbeeld:

Lees verder >>

Niet in het minst

Gisteren werd bekend dat J.L. Heldring (94), de grand old man van de Nederlandse (taal)columnistiek, ermee ophoudt: vanavond staat zijn laatste column in NRC Handelsblad. Volgens de berichten houdt hij ermee op omdat de ‘inspiratie’ op is.

Heldring schreef al jarenlang niet meer over taal, maar lange tijd besteedde hij in zijn rubriek regelmatig aandacht aan het onderwerp. Zoals dat in de vaderlandse journalistiek nog steeds een beetje geldt betekende aandacht voor taal daarbij eigenlijk alleen: aandacht voor taalfouten. Heldrings laatste taalstukje dateert van veertien jaar geleden en staat nog op het internet.

Lees verder >>

A megool!

Precies een maand geleden schreef ik er nog over: de armzalige staat waarin de Nederlandse aanspreekvormen verkeren. Waar is de tijd dat wij elkaar nog aanspraken als “O mijn edele vriend!” Dat O, dat lijkt helemaal verdwenen.

Gelukkig, de redding is nabij. Jonge Nederlandstaligen spreken elkaar weer op een klassieke manier aan. Ze gebruiken daarvoor alleen niet O! maar A!, en zeggen dus niet O hartedief maar A megool! Dat leerde ik uit een cursus Marokkaans-Nederlands op YouTube van de cabaretier Salaheddine (de uitleg van de a-constructie begint na 15 seconden:

Lees verder >>

In ’t Armehuis een overrijke stof

Vondel had behalve een kousenwinkel ook een dichterij. Om zijn werk te verkopen, leurde hij niet bij uitgevers, zoals een moderne dichter zou doen, maar bij hooggeplaatste opdrachtgevers. Zo verkocht hij bijvoorbeeld zijn vertalingen van het werk van Vergilius. Zoals de Romeinse voorganger was opgebloeid onder de bescherming van Augustus en voor diezelfde Augustus een meesterwerk had geschreven, de Aeneis, zo bood Vondel impliciet zijn diensten aan onder meer Frederik Hendrik aan — zonder succes overigens, zoals Sophie Reinders en Frans Blom laten zien in hun lezenswaardige artikel voor het tijdschrift De zeventiende eeuw.
Het is zo te zien toeval dat het eerste nummer van het tijdschrift De zeventiende eeuw dat gratis online verschijnt (hoera, dat hetzelfde binnenkort maar voor alle tijdschriften moge gelden) gaat over ‘Loopbaan en carrière in de Gouden Eeuw’ en dat er dus verschillende artikelen instaan over de economische ontwikkeling van het schrijverschap en het uitgeversvak gaan. Aan die economische posities is op dit moment van alles aan het veranderen en het verschijnen van Open Access-tijdschriften is daar natuurlijk een uiting van.
Lees verder >>

Is gnuiven een Nederlands woord?

Zijn er Nederlandse woorden met slechts één medeklinker, vraagt Bertold van Maris zich af in het nieuwe nummer van Onze Taal dat gisteren in de bus lag. Hij geeft er ook meteen een antwoord bij — er zijn er volgens hem zelfs drie, die alle drie tussenwepsels zijn: m, f en t.

De m is het gemakkelijkst te begrijpen, dat is de klank die je maakt als je wil zeggen dat je iets lekker vindt of als je even wil nadenken. Hoe het met de f zit, weet ik niet helemaal zeker. Van Maris vond een aantal Vlaamse voorbeelden in het Corpus Gesproken Nederlands (CGN), een grote verzameling alledaags gesproken Nederlands en het schijnt zoiets te betekenen als ‘ik weet het ook niet’ of tsja.

Ik bleef even haken aan de klank die Van Maris en het CGN als t of T schrijven. Lees verder >>

Waarom sushi?

Een van de fijne kanten van het leven als taalkundige is dat je je af en toe onbekommerd kunt overgeven aan pietluttige details. Ik bezoek momenteel een congres in Potsdam en daar hoorde ik gisteren een lezing over het Japanse woord voor waarom.

Ik neem aan dat je zelf al behoorlijk ver heen moet zijn om te kunnen begrijpen hoe fijn dat is, maar het wordt nog gekker, want mijn gedachten dwaalden af doordat ik ineens iets inzag over het verschil tussen de Nederlandse woorden waarom en wanneer.

Stel dat Anneke vertelt:

Lees verder >>

Hebbie en heppie

Terwijl u lekker de hele dag op een terrasje zit, gaat het werk aan het Taalportaal gewoon door — een website van een groep taalkundige van een aantal Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstellingen die de hele grammatica van het Nederlands én het Fries wetenschappelijk in kaart willen brengen.

Ah, nu jok ik. Het werk aan dat Taalportaal gebeurt ook soms op een terras, waar ik gisteren een espresso kreeg van Ton van der Wouden en we spraken over het verschil tussen hebbie en heppie. Ton en ik zijn allebei Zuid-Hollanders en we waren het er al snel over eens dat de volgende twee zinnen iets verschillends betekenen:

  • Hebbie dat gedaan?
  • Heppie dat gedaan?

De eerste zin betekent ‘heb je dat gedaan’ en de tweede ‘heeft hij dat gedaan’. Niet iedereen is het daarmee eens. In Leiden is er bijvoorbeeld een muurgedicht te zien met een tekst van Joke van Leeuwen:
Lees verder >>

Lekker onbegrijpelijk

Kunnen hypotheekcontracten en gezondheidsvoorlichting niet duidelijker? De grootste onderzoeksfinancier van Nederland, NWO, dacht van wel en schreef een subsidieronde uit voor onderzoek naar ‘begrijpelijke taal’.

De eerste tekst die uit het project kwam — de aankondiging welke projecten gehonoreerd waren — is duidelijk genoeg. Er valt wel iets op: de beschrijvingen van deelprojecten volgen steeds dezelfde, ongetwijfeld wetenschappelijk uitgedokterde, formule. De eerste zin stelt een vraag of is een stelling, in de tweede zin wordt aangekondigd wat het project met die vraag gaat doen: Lees verder >>

Waarom zebrapad een mooi woord is

Ik heb een theorie over mooie en lelijke woorden. Mensen vinden klanken die je achter in de mond of in de keel maakt vaak lelijk: het Nederlands is onder andere zo weinig geliefd vanwege de overvloed aan g-klanken die je achterin de mond maakt. Juist klanken voor in de mond vinden mensen over de hele wereld mooi om te horen.

Ik heb die theorie al een tijdje, maar het wordt steeds makkelijker om hem te bewijzen. Bijvoorbeeld aan de hand van de lijst kandidaat-mooie woorden die de stichting Bru-Taal gisteren presenteerden. Het is de bedoeling dat niet-moedertaalsprekers van het Nederlands daar binnenkort het mooiste woord uit kiezen: Lees verder >>

De slimste man van Nederland maakt taalfout!

Men zoemde dit weekeinde op Twitter: Robbert Dijkgraaf heeft een fout gemaakt! De slimste man van Nederland schreef in zijn column in NRC Handelsblad:

– Die factor 1200 in veiligheid tussen trein en motor zou men toch gemakkelijk tot een fan van het openbaar vervoer maken.

In die zin gebruikte Dijkgraaf men als lijdend voorwerp, en normaal gesproken mag dat niet, zegt bijvoorbeeld de ANS en vermoedelijk ook het taalgevoel van de meeste Nederlandstaligen: wij zien men klinkt heel raar, men ziet ons niet.

Een andere men op Twitter merkte echter al snel op:

Lees verder >>

Lezen en schrijven zonder moeite

Al dat dat geschrijf op het internet — waarom moeten mensen dat allemaal doen? Tijdschriften als Wired en weblogs als Sargasso besteedden de laatste tijd aandacht aan het Amerikaanse bedrijfje Narrative Science. Dat bedrijfje biedt de volgende dienst aan: je geeft ze een bak met data (allerlei tussenstanden in voetbalwedstrijden, of de fluctuaties op de beurs) en de computer maakt er een leesbaar verhaal van, of een serie tweets, of krantenkoppen, of zakelijke rapporten.

Wat een mogelijkheden! Lees verder >>

Belastingdienst als Engels woord

"De Engelse taal groeit nog steeds aan", schreef onder andere De Standaard deze week, "maar minder snel." De krant baseerde zich daarbij op een wetenschappelijk artikel van een soort dat de laatste jaren wel vaker verschijnt: zich baserend op enorme databases voeren onderzoekers enkele slimme statistische bewerkingen uit en komen daarna met allerlei grandioze beweringen die meteen rondzoemen door de internationale pers.

Het klinkt op het eerste gezicht nog wel plausibel: het Engels is al zo’n rijke taal, daarin is eigenlijk alles wel zo’n beetje gezegd. Omdat er nieuwe technische snufjes beschreven moeten worden, komen er ieder jaar nog wel wat bij ("een onderzoek vorig jaar telde 8.500 nieuwe woorden per jaar", in de woorden van De Standaard) maar het is langzaam maar zeker een aflopende zaak.

Dat klinkt goed: gedegen onderzoek dat wat grappige feitjes naar voren brengt voor een stukje in de vrijdagochtendkrant. Toch zijn er ook wel wat problemen mee, en één is dat woorden veel makkelijker te tellen zijn dan talen als ‘het Engels’.

Lees verder >>

Zomaar een gesprekje in crisistijd

(22 maart 2012; de sprinter van Amsterdam Zuid naar Leiden. Het treinverkeer is al de hele dag ontregeld. Een conducteur treedt de coupé binnen. Een reiziger kijkt sikkeneurig.)

-Goedenavond.
– Nee hoor, het is twee minuten voor zes, dus u moet zeggen: goedemiddag.
– Nee, ik wil zeggen: goedenavond!
– Heus, meneer, het klokje op mijn telefoon staat uiterst nauwkeurig afgesteld. kijk maar.
– Maar vind u het nu echt fijner als ik u voor twee minuten een goede middag toewens, dan wanneer ik uw hele avond van zes uur lang prettig wil laten zijn?
– U bent een wijsneus, wist u dat? Goedemiddag zeg je nu eenmaal tussen twaalf en zes, en goedenavond van zes tot twaalf.
– En wat zegt u daarna?
– Nou, goedemorgen natuurlijk. Wat moet je anders zeggen?
– Dus u zegt om half één ’s nachts al goedemorgen? Die morgen duurt dus twaalf uur? Waarom niet goedenacht?
Goedenacht zeg je als je maar bed gaat.
– Ook als u hele nacht hebt doorgewerkt en om kwart voor zes naar bed gaat?
– Als ik om kwart voor zes naar bed ga heb ik dus niet de hele nacht doorgewerkt.
– Wie is er hier een wijsneus? Met u valt niet te praten. Goedemiddag!
– U bedoelt goedenavond, het is inmiddels twee over zes.

De toekomst van het Nederlands

Kun je de toekomst van het Nederlands voorspellen? Natuurlijk niet. Om te weten wat er met onze taal gaat gebeuren in de komende 500 jaar, moet je weten wat er met de Nederlanders gaat gebeuren — en wie kan dat weten?

Het is wel leuk om het te proberen. Het onvolprezen Vlaamse tv-programma Man over woord had vorig jaar een item waarin ze een simpel dialoogje in de taal van 1000 jaar geleden probeerden te reconstrueren. Het gesprekje luidde:

Lees verder >>

De wereld veroveren met lelijke zinnen

De Jonge Akademie is een sympathieke club van vijftig wetenschappers uit allerlei vakgebieden, van medicijnen tot en met letterkunde, die nadenken over de plaat van de wetenschap in de Nederlandse samenleving. Vrijdag brachten ze een ook al sympathiek rapport uit, Tussen onderzoek en samenleving, waarin aanbevelingen worden gedaan over hoe de wetenschap dichter bij ‘het grote publiek’ moet worden gebracht.

Sympathiek, sympathiek, jazeker. Helaas staan er in het rapport zinnen als:
Lees verder >>