Auteur: Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.

Ondertussen op het Internet

Beste Ben,

“Iets meer dan een week geleden”, schreef ik in mijn eerste column voor Neder-L “opende NRC Handelsblad voor het eerst in zijn geschiedenis met een artikel over het Internet.”

Dat was in maart 1996. Zoals uit dit nummer blijkt, ben ik de enige columnist geweest die zelf stoutmoedig genoeg is geweest om zich aan jou op te dringen. Jij was toen al vier jaar bezig met Neder-L – dat toen nog geen website had, maar alleen via e-mail verstuurd werd – en ik kwam nog maar net kijken. Inmiddels leven we in een periode waarin het Internet alweer geen voorpaginanieuws meer is, maar tegelijk ook niet meer weg te denken is uit het leven van veel onderzoekers. Al is het maar vanwege e-mail. Ik ben inmiddels aan de veertigste aflevering van mijn column toegekomen. Een feit dat ik zo heugelijk vind dat ik binnen een half jaar drie verschillende nummers 40 gepubliceerd heb. (Eerdere nummers 40 waren: <http://www.neder-l.nl/bulletin/2001/12/011213.html> en <http://www.neder-l.nl/bulletin/2002/04/020433.html>.)

Inmiddels ben je tien jaar bezig, en is er behoorlijk wat veranderd. Bijvoorbeeld zijn allerlei onbevoegden zich gaan bemoeien met de spelling en het lidwoord van het woord ‘Internet’. (Ik heb je al jaren geleden beloofd deze zaak eens en voor altijd op te helderen in Neder-L.) Jij en ik en iedereen die er verstand van heeft schrijft al sinds jaar en dag ‘Internet’ en zes jaar geleden deed ook de NRC dat. ‘Internet’ is immers een eigennaam. Zo. Tot op een bepaald moment iemand bedacht dat ‘Internet’ net zoiets is als ‘televisie’, of dat het geen soortnaam is, of Joost mag weten wat voor waandenkbeeld er in het brein van die onverlaat naar boven kwam borrelen. Zo kwam dat woord met een idiote kleine letter in de woordenboeken en nu is dat zogenaamd de ‘correcte’ spelling. Dat er geen enkel zinnig argument is om het zo te doen, terwijl het tegelijkertijd het woordbeeld verstoort voor iedereen die óók Engels leest, tja, er bestaat nog steeds geen loket waarbij je daarover kan klagen.

Ik weet trouwens ook nog goed dat ik de eerste keer de uitdrukking ‘op Internet’ (of ‘op internet’) las en me verbaasde over de domheid van het bedrijf dat niet wist dat alle echte Internet-gebruikers ‘op _het _ Internet’ zeiden en schreven. Inmiddels is mijn kopij op dit punt al zo vaak ‘verbeterd’ dat ik zelf af en toe per ongeluk ook weleens spontaan het lidwoord vergeet.

Alleen in Neder-L kan ik de woorden nog altijd schrijven zoals ze echt horen te zijn: “op het Internet”. Elke keer vis je wel wat verschrijvingen uit mijn columns, voordat ze zelfs maar naar de rest van de redactie gaan, maar de dingen die juist zijn mogen van jou gelukkig blijven staan.

Wat is er verder veranderd? We hebben een paar dingen over het Internet geleerd. Bijvoorbeeld dat de ontwikkelingen er helemaal niet zo snel gaan. Ja, tussen het moment dat jij met Neder-L begon en ik met mijn column waren de ontwikkelingen even stormachtig. Eerst kwam het worldwide web op en daarna hadden we een tijdlang elke twee maanden een geheel nieuw browserprogramma met nog meer verbazingwekkende nieuwe mogelijkheden. Maar die technische storm hield snel na 1996 op: ik werk nu al ongeveer drie jaar met dezelfde versie van Internet Explorer zonder dat ik het gevoel heb dat ik iets mis.

Het is ook eigenlijk logisch dat de ontwikkelingen niet zo snel meer gaan. Er zijn nu zoveel mensen aangesloten op het netwerk, die krijg je nooit meer allemaal binnen korte tijd in beweging om een nieuw programma te installeren dat het mogelijk maakt om de nieuwste snufjes te bekijken. En als niemand die nieuwste snufjes kan bekijken, heeft het ook weinig zin ze nog aan je webpagina’s toe te voegen. En dus hebben de meeste mensen weinig reden om nieuwe programma’s binnen te halen. Het Internet is niet snel; het is traag.

De neerlandistiek is helemaal traag als het om dit soort ontwikkelingen gaat, maar dat konden we tien jaar geleden al weten. Toch is er al wel veel gebeurd, alles bij elkaar, in die tijd. Neder-L kreeg een website. Er zijn andere (gespecialiseerdere) elektronische tijdschriften gekomen, er wordt gewerkt aan digitale tekstenverzamelingen, grammatica’s, publieksvoorlichting en de verspreiding van vakinhoudelijke artikelen. Dat het meeste werk nog steeds gedaan wordt door een klein clubje mensen en dat de officiële instanties over het algemeen nog maar weinig tot stand hebben weten te brengen, dat nemen we maar even voor lief. Het is per slot van rekening feest. Het centrum van al die ontwikkelingen, de neerlandistiek op het Internet, is volgens mij altijd Neder-L gebleven. En de drijvende kracht achter Neder-L ben jij.

Gefeliciteerd!

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Zoals een Romeins legionair

Sommige dichters vinden het hun taak om zo onbegrijpelijk mogelijk te schrijven, maar weinigen gaan daarin zo ver als Gonçalo Neves. Veertien jaar lang heeft hij gedichten geschreven in het Esperanto, om tot de conclusie te komen dat die taal hem toch niet mooi genoeg is. Nu is hij overgestapt op het Ido, een kunsttaal die van het Esperanto is afgeleid en waarschijnlijk niet meer dan enkele tientallen sprekers heeft over de hele wereld. Van wie het maar de vraag is of ze van poëzie houden.

Het eerste boekje over het Esperanto werd gepubliceerd in 1887. Dat boekje bevatte behalve een grammaticale schets en een woordenlijst ook enkele literaire proeven: vertalingen en zelfs enkele oorspronkelijke gedichten, allemaal van de hand van L.L. Zamenhof, de auteur van de taal. Zamenhof vond dat een taal niet kon bestaan zonder literatuur en deed ook zijn best om te laten zien dat zijn taal als literaire taal kon worden gebruikt. Hij vertaalde in de loop van zijn leven onder andere het complete Oude Testament, alle sprookjes van Andersen en enkele stukken van Shakespeare met dat doel.

Niet iedereen was het met hem eens. Er waren taalkundigen — de beroemde Deen Otto Jespersen bijvoorbeeld — die vonden dat een taal niet door een relatieve taalkundige amateur als Zamenhof (een oogarts) kon worden gemaakt. Dat de taal als voertuig van literatuur moest dienen vonden ze vaak onzin: de taal moest vooral dienen als voertuig voor de wetenschap, de handel, de internationale politiek. Poëzie was een frivoliteit. Bovendien zagen ze rond 1907 dat het Esperanto nog steeds niet de grote doorbraak had gemaakt, en volgens hen lag dat aan de taalkundige tekortkomingen die ze in het Esperanto zagen (de taal gebruikte een accusatief! en het woord voor ‘student’ was ‘studanto’ in plaats van het veel wetenschappelijker ‘studento’!

Dus begonnen in 1907 een groepje mensen, voornamelijk geleerden als de voornoemde Jesperse en de wiskundige Couturat een eigen ‘verbeterd’ Esperanto, dat ze ‘Ido’ noemden. Ido betekent ‘nakomeling’ in het Esperanto.

Het probleem van het Ido was nu vooral dat het veel mensen aantrok die dol waren op het bedenken van steeds nieuwe ‘verbeteringen’ in de taal. Dat betekende dat de beweging snel versplinterde, want over de verschillende ‘verbeteringen’ konden de Idisten het onderling vaak niet eens worden. Jespersen publiceerde bijvoorbeeld een boekje Novial (Nieuwe International Auxiliary Language) met een geheel eigen versie kunsttaal die misschien niemand geleerd heeft. Bovendien: doordat de Idisten zo druk bezig waren hun taal te verbeteren, kwamen ze er niet echt toe te bouwen aan een taalgemeenschap of een literatuur, zoals de Esperantisten dat wel hadden gedaan. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is de Esperanto-beweging weliswaar niet groot, maar nog steeds redelijk levendig (een redelijke schatting is dat er honderdduizend actieve gebruikers zijn op de wereld), terwijl het Ido tot enkele jaren geleden steeds verder gemarginaliseerd raakte.

Toen gebeurde er iets. De meeste mensen hebben het niet zo in de gaten, maar de komst van het internet heeft van alles betekend voor kunsttaalbewegingen zoals dat van de Idisten. Ineens werd het financieel mogelijk om het handjevol liefhebbers in hun zelfgemaakte diaspora te organiseren, met elkaar te laten praten in nieuwsgroepen, elektronische krantjes uit te geven. Ineens werd het mogelijk om het Ido (en ook allerlei andere kleine idealistische kunsttalen) een wereldwijd podium te geven.

Gonçalo Neves maakt daar dankbaar gebruik van. Hij had het Ido ontdekt en gebruikte voortaan een Ido-nieuwsgroep om zijn eerste dichterlijke pogingen te publiceren en te laten toetsen. Waarom toch dat Ido? Neves schrijft er zelf over (in zijn brochure ‘Nia justifiko’ – Onze rechtvaardiging; ik geef eerst mijn vertaling, maar citeer het daaronder voor de aardigheid in het Ido):

“Om eerlijk te zijn is het de moeite helemaal niet waard om Ido te leren vanwege zijn huidige beweging (die heel minimaal is) en zelfs niet voor zijn huidige literatuur (die zeer mager is), maar alleen vanwege het gigantische esthetische plezier die de taal toestaat, en vanwege de hoop dat te zijner tijd zeer waardevolle schrijvers de schoonheid en de voordelen van het Ido zullen ontdekken en hem zullen gebruiken als krachtig cultureel instrument.”
“Se oni volas sincera opiniono, tote ne valoras la peno lernar Ido pro lua nuna movemento (qua es tre mikra) e mem ne pro lua tilnuna literaturo (qua es tre magra), ma nur pro la grandega estetikal plezuro quan grantas la linguo, e pro l’espero ke ultempe tre valoroza skripteri deskovros la beleso ed avantaji di Ido ed uzos ol kom potenta instrumento di kulturo.”

Op dit moment is Neves bezig een vertaling uit te geven van het grote gedicht ‘O guardador de rebanhos de Fernando Pessoa’.

  Zoals gezegd, er zijn meer dichters die er eer in leggen onbegrijpelijk te zijn, maar Neves gaat wel heel ver. Het Ido ligt nog steeds vrij dicht bij het Esperanto en kun je praktisch als een dialect van die taal beschouwen, maar Esperantisten zullen geen Ido lezen. Het heeft iets heel ontroerends, natuurlijk, deze keuze voor de absolute schoonheid, voor een taal die je nu eenmaal mooi vindt, al kan niemand hem lezen.

Het thema van de Ido-dichter is overigens het onderwerp van een aardig Esperanto-gedicht, ‘La lasta’ van L.N. Newell. In mijn onvolmaakte vertaling:

    DE LAATSTE

In vriendschap opgedragen aan een Idistische dichter

Zoals een Romeinse legionair zingt
Eenzaam op wacht bij de laatste landsgrens
Vol goede moed op zijn post,
Barbaren slaan thuis alles stuk;

Zoals op het dode land doodsgezangen
Zingt voor zijn naasten de laatste mens
De sneeuwvlokjes dwarrelen stil,
De blinde wanorde komt snel:

Zo zing jij je lied, laatste Idist,
Bedroefd om een wereld, die zomaar de taal
Vergat waar jij zo van hield
Trouw dichtertje, wees gegroet!

L.N. Newell (1902-1968)

---

LA LASTA

Dedichita amike al Idista poeto

Kiel soldato kantas romana,
Sola che l' lasta landlim' forgesita,
Kuragha che sia posteno
Dum detruas patrujon barbaroj;

Kiel sur morta tero mortkantas
Siajn amatojn lasta homido,
Sub negheroj silente shvebantaj,
Atendante la blindan hhaoson:

Tiel Idisto lasta vi kantas
Morne al mondo, kiu forgesis
La lingvon de vi amegatan.
O poeto fidela, saluton!

L.N. Newell (1902-1968)

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Verwijzingen:

  • Gonçalo Neves. ‘Nia justifiko. Esayo pri la existo-yuro di Ido’. Editerio Sudo; Lisboa, 2002.
  • Gonçalo Neves. ‘Servi la Arton kaj Belon.’ La Ondo de Esperanto 2002.4.
  • http://www.esperanto.org/Ondo/90-lode.htm
  • Ido-discussielijst: http://groups.yahoo.com/group/idolisto/
  • Uit de diepten

    Is het een boetpsalm? Een Trappenlied? Een Liedt int hooghe coor? Een pelgrimslied? Een ghebedt, om vergiffenisse der sonden? Een liet Hammaaloth (Kan ook mede gezongen worden op de wyse van Wilhelmus van Nassouwe)? Alleen al over de aanduiding bovenaan psalm 130 zijn de dichters en vertalers het nooit eens geworden. Dat kun je concluderen uit De profundis, een onlangs verschenen verzameling van ruim tweehonderdvijftig vertalingen en berijmingen van deze psalm in varianten van het Nederlands uit alle eeuwen.

    De definities van de begrippen ‘vertaling’ en ‘Nederlands’ zijn nogal ruim genomen. Zo zijn ook allerlei bewerkingen en gedichten naar aanleiding van psalm 130 opgenomen, en zelfs het begin van Gerard Reves ‘Brief in de nacht geschreven’ uit Nader tot U:

    ‘In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk gedronken had, maar je kon niets aan hem zien. Een zang, terwijl hij naar de duisternis ging. Voor de orkestmeester. Een nachtlied. Een lied van overgave, want op U wacht ik, en op U alleen, o Eeuwige.’

    Volgens de samenstellers is deze tekst op de psalm terug te voeren om dat er vijf elementen zijn terug te vinden: (i) een zang, een lied, (ii) uit de diepten, de nacht, (iii) overgave, (iv) wachten, (v) gerichtheid op U, de Eeuwige. Maar als dat zo is, is het hele oeuvre van Reve een lange vertaling van psalm 130. Ook zijn er versies opgenomen die niet in het Nederlands zijn maar als basis van Nederlandse vertalingen hebben gediend (uit de Septuagint, de Vulgaat, Luther, en zo meer).

      Door de verzameling van achteren naar voren door te lezen, zoals ik heb gedaan, raak je in een soort roes. Dat almaar achter elkaar herhalen van de roep naar God vanuit de diepten, maakt die roep almaar scheller en machtelozer. Een antwoord is nog altijd niet gekomen. Bovendien biedt het boek een prachtige staalkaart van taalvarianten zoals deze in Nederland gesproken zijn of worden:

             Van der diepheit riep ic toten here
             (Het Psalter van Leningrad, 13e/14e eeuw)
             Uyt de diepten roepe ick tot u, o HEERE
             (Statenvertaling, 1636)
             Waer sal ick t’henen wenden?
             Ick ben gesoncken neer
             Ten afgrond der ellenden:
             Dies roep ick tot u, Heer.
             (Jacob Westerbaen, 1655)
             Uit diep’ en duistre kolken
             Schrei ik om troost tot God;
             Tot God, die in de wolken
             Getuig’ is van mijn lot.
             (Lucretia Wilhelmina van Merken, 1760)
             Ta Dy, o God, ta Dy myn rop yn leed!
             (Fries, Gerben Postma, 1906)
             Uit de dieptes roep ek U aan, o Here!
             (Afrikaans, Die Bybel, 1933)
             Oet alerdaipste noden
             roup ik Joe aan, o HEER
             (Gronings, Grunneger Psaalms en Gezangen, 1966)
             Vanuut de diepten ‘ae ik tot joe gerope, O ‘EERE
             (Zuidbevelands, Kousemaker, 1981)
             God nog aan toe, ik roep om jou!
             (Wim Spekking, Psalmen voor de jeugd, 1991)
             Ik valle smeakend dale. /Oet deepten kleenkt mien klacht
             um biej God hulp te halen, / opkloaring in mien nacht.
             (Twents, Gerrit Morsink, Twents Psalmbook, 1993)
             Na ini dipi plesi mi de krei na joe, mi Masra!
             (Surinaams, Njoe Testament nanga dem Psalm)

    Volgens de samenstellers zal het waarschijnlijk heel moeilijk zijn om een soortgelijke verzameling te maken voor andere talen dan het Nederlands. Ik wil dat graag geloven – nergens is het telkens opnieuw en beter vertalen van de bijbel, en dan vooral de psalmen zo’n volksbedrijf geworden als hier. Wil je een nieuw kerkgenootschap oprichten: vertaal de psalmen. Wil je laten zien hoe taalvaardig je bent: vertaal de psalmen. Wil je opkomen voor je streektaal: vertaal de psalmen.
     
    In Frankrijk, katholiek land, is bijvoorbeeld een veel geringere belangstelling voor dit soort ondernemingen. Toch verscheen daar eerder dit jaar een geheel nieuwe vertaling van de bijbel, met een eerste druk van 100.000 exemplaren en heeft de vorm van een koffietafelboek.
     
    Het aardige van deze vertaling is dat ze uitgaat van de gedachte dat de bijbel niet één boek is, maar een verzameling boeken die door zeer verschillende schrijvers in zeer verschillende perioden is vertaald. Dat je zo’n bijbel dus ook niet door een persoon of door een commissie moet laten vertalen (zoals vrijwel altijd gebeurt), maar dat je elk afzonderlijk bijbelboek in handen van een vertaler moet geven die er zijn eigen toon aan kan meegeven. Eigenlijk wordt elk boek in handen gegeven aan een duo: een bijbelgeleerde en een schrijver of dichter.

    Het resultaat is een bijbel die heel prettig leest, een ontdekkingstocht langs allerlei afgronden en uitzichten die je nog helemaal niet kende. Er doen dan ook bekende schrijvers aan het project mee als Jean Echenoz, Marie Borel, Florence Delay en Frédéric Boyer. Hoewel, nu, ik moet eerlijk zeggen dat ik van Boyer nog nooit gehoord had, maar hij was de hoofdredacteur van deze bijbel en leverde onder andere de indrukwekkende vertaling van Genesis. De vertaling van de psalmen is in handen van Olovier Cadiot en Marc Sevin. Ik vind dit niet de mooiste psalmvertaling die ik ooit gelezen heb, maar hij werpt toch ook weer een ander licht op de tekst:

             Chant par degrés
             De très profond
             Yhwh
             Je t’appelle

    Het doet je verlangen naar een Nederlandse versie van dit project: Harry Mulisch voor Genesis, J.J. Voskuil voor Deuteronomium, Jeroen Brouwers voor het boek Job, Judith Herzberg voor het hooglied, Arnon Grunberg voor het evangelie van Mattheus, Joost Zwagerman voor dat van Marcus en Renate Dorrestein voor de brieven van Paulus. Van de levende dichters zou Jan Kal dan de psalmen mogen doen:

             Vanuit de diepten roep ik U, o Heer.
             God, hoor mijn stem. Neig Uw opmerkzaam oor:
             geef aan mijn luide smekingen gehoor.
             Als U de fouten, Heer, voor immermeer
             blijft rekenen – God, wie heeft dan verweer?

    Marc van Oostendorp

    Dirk Duijzer (red.) De profundis. Psalm 130 in de Nederlandse taal. Zoetermeer, Mozaïek, 2001. ISBN 90-239-9053-6.
    Frédéric Boyer et al. La bible. Nouvelle traduction. Paris: Bayard/Montréal: Médiaspaul, 2001. ISBN 2-227-35800-9. Meer informatie op http://www.biblebayard.com

    Weg van hier

    Zes jaar geleden was het warm in augustus, maar zat ik tegenover Willem Kuiper in café In de Wildeman in de binnenstad van Amsterdam. Ik was net begonnen met het Project Laurens Jz. Coster als een onderdeel van De Digitale Stad. Nu ging Willem, de nestor van de digitalisering van de Nederlandse literatuur, mijn nieren proeven.

    De Digitale Stad was toen nog een idealistische club mensen die de burger op het Internet wilden brengen omdat ze dachten dat die burger daar van alles bij te winnen had. Dat mensen via het Internet allerlei informatie gratis ter beschikking zouden stellen waar je verder nauwelijks of alleen met moeite aan kon komen. Dat die informatie gratis zou zijn. Dat je op het Internet kon samenwerken met allerlei mensen die je nog nooit in levenden lijve gezien had.

    Nou, dat dacht ik eigenlijk ook allemaal zo’n beetje. Ik had wat kennissen bij de Stad en ik had net mijn proefschrift af. Daarin beschreef ik hoe er in het moderne Nederlands soms wel (hellep, marrek) en soms niet (hart, pers) een sjwaklinker wordt ingevoegd tussen twee medeklinkers. Nu wilde ik weten of dat in oudere taalfasen anders was geweest, en daarvoor had ik een corpus nodig. Dus begon ik rond te vragen of er ergens een Nederlandse tegenhanger was van de Amerikaanse en Duitse Gutenberg-projecten, waarin toen al heel veel elektronische literatuur verzameld was.

    Zo’n tegenhanger was er niet. “Dan begin jij er toch zelf een”, zeiden mijn kennissen bij De Digitale Stad. Zo was Laurens Jz. Coster geboren. En ik was blij dat er zo’n club bestond als De Digitale Stad. Veel beter dan de universiteiten, waar helemaal niks werd gedaan aan internet.

    Dat alles vertelde ik aan Willem, en we dronken nog een bier, en toen moest Willem weer naar huis, want hij komt uit de Zaanstreek en daar is men overal voor in, als men maar met etenstijd thuis is. Hij beloofde dat ik te zijnertijd misschien ook nog wel wat van zijn teksten zou krijgen, en dat hij ook verder zou helpen, en ik was geloof ik min of meer goedgekeurd.

    *

    Een maand geleden was het een regenachtige ochtend in juli. Ik zat in het kantoortje van De Digitale Stad te praten met Joost Flint, de directeur van het bedrijfje dat DDS inmiddels geworden is. Ik had hem in al die jaren nooit eerder gezien, maar nu had hij me gemaild om te zeggen dat ik contact met hem moest opnemen in verband met hun nieuwe plannen.

    We dronken sterke koffie en ondertussen vertelde hij me wat de stand van zaken was. Eind 1999 is De Digitale Stad van een stichting een bedrijfje geworden, waarbij de verschillende activiteiten – redactiewerk, websites bouwen, computerruimte bieden aan websites – in verschillende deelbedrijfjes werden ondergebracht.

    Nu was eind 1999 zo ongeveer het ongelukkigst mogelijke moment om een dergelijke stap te zetten. Al snel daarna begonnen de klappen te vallen in de Internet-economie. De meeste onderdelen van De Digitale Stad werden dan ook aan de kant gezet. Ik hield in die tijd mijn adem in, maar met Coster gebeurde er niks. Af en toe groeiden we uit ons jasje – dan hadden we weer alle ons toegewezen computerruimte gebruikt – maar ik hoefde dat maar te melden, of we kregen er weer 10 Mb bij.

    Nu, op deze regenachtige morgen, werd me duidelijk dat het definitief was afgelopen. Van een bloeiende, vrolijke club mensen waar de hele tijd Jan en alleman op bezoek kwam en iedereen bruiste van enthousiasme, was het nu een klein bedrijfje dat angstvallig probeerde het hoofd boven water te houden. De nieuwste noodgreep heette ‘breedband’ – De Digitale Stad gaat een bedrijfje worden dat breedband en breedbandtoepassingen van Internet gaat aanbieden – dat wil zeggen een heel snelle vorm van Internet-verbinding waarmee je thuis op je computer naar de televisie kunt kijken.

    Het Coster-project paste niet echt in dat ‘concept’. Misschien wilde Flint, uit sympathie, nog wel sponsoren, maar waarop die sympathie precies gebaseerd was, werd niet erg duidelijk. Hij kende de site eigenlijk nauwelijks. We waren uit elkaar gegroeid – het Coster-project was in zijn ogen duidelijk een anachronisme, sympathiek misschien, maar duidelijk stammend uit de tijd waarin we allemaal nog jong en enthousiast waren, en dachten dat de zon voor niets opging.

    We dronken nog maar wat van onze koffie, en toen zei Flint dat hij me binnen enkele dagen mobiel zou bellen om te vertellen wat zijn beslissing zou zijn over de toekomst van Coster. Daar heb ik nog steeds niks van gehoord.

    *

    De volgende ochtend zat ik op mijn eigen werkkamer met Willem Kuiper te werken. We waren inmiddels collega’s geworden – Willem werkt een dag per week op het Meertens Instituut, en ik werk daar vier dagen in de week. Het was het eind van de dag en ik legde hem de kwestie voor. In een mum van tijd had hij de oplossing: hij zou de technische mensen op de Universiteit van Amsterdam er wel even van overtuigen dat ze een deel van hun computer moesten openstellen voor Coster. Hij besefte toen nog niet dat je bij zoiets altijd stuit op bedenkelijke gezichten. Maar ik besefte niet dat Willem Kuiper al die bedenkelijke gezichten binnen een paar dagen toch kan laten doen wat hij wil.

    Zo is Coster dus verhuisd. Wat is het jammer dat De Digitale Stad zoals hij zes jaar geleden was niet kon blijven bestaan – dat zoveel mensen aan e-commerce en nieuwe economie zijn gaan doen in plaats van mee te helpen iets moois te maken van Internet. En wat is het prettig dat er nog universiteiten zijn.
    Het nieuwe Internet-adres van het Project Laurens Jz. Coster-project luidt: http://www.hum.uva.nl/dsp/ljc/

    Marc.van.Oostendorp@Meertens.KNAW.nl

    De geeuw van de lil

    Ik zat op een terras margarita’s te drinken met iemand die ‘gil’ hetzelfde uitsprak als ‘geeuw’, maar die tegelijkertijd een duidelijk verschil beweerde te horen tussen het woord ‘verst’ dat ‘meest ver’ en het woord dat ‘meest vers’ betekende. Dat is voor mij precies andersom.

    Mensen zoals mijn vriend zullen volgens mij de fonologie van het Nederlands weer interessant maken. Niet dat hij nu zelf zo’n briljante fonoloog is, integendeel, zijn kennis overstijgt nauwelijks dat van een willekeurige toekomstige bachelor in de Nederlandse taal- en letterkunde. Maar omdat hij de woorden op zo’n interessante manier uitspreekt, en daarin vast niet de enige is.

    Dat mensen Niels en nieuws hetzelfde uitspreken, en veel laten rijmen op leeuw, daar hoor je al niet meer van op; het verschijnsel is al door verschillende taalkundigen beschreven. Ik doe het zelf geloof ik ook wel, in ieder geval in de genoemde woorden. Er valt ook wel een min of meer plausibel verhaal te vertellen over waarom ik dat doe, waarom zoveel mensen het doen: dat de l aan het eind van de lettergreep toch al de neiging heeft om dik te zijn en dat die dikke l heel dicht bij een w-klank ligt.

    Nederlanders hebben dat eeuwen geleden al een keer gedaan. Die begonnen op een bepaald moment ‘oud’ te zeggen in plaats van ‘old’ en ‘koud’ in plaats van ‘kalt’. We beginnen nu gewoon aan een nieuwe ronde.

    Het was een warme avond op een terras in Den Haag. Daar kwam mijn vriend ook vandaan en bovendien had hij een beetje een dubbele tong, want we zaten al aan onze derde margarita. Maar daar lag het allemaal niet aan – hij is vijfentwintig jaar en behoort volgens mij gewoon tot de voorhoede van de nieuwste fonologische verandering.

    Maar zijn er dan echt mensen die hun tong helemaal optillen aan het eind van geel? Die daar echt een l zeggen net als in leeg? Ik gaf tien jaar geleden al college aan propedeusestudenten. Ik vertel daarin altijd dat mensen het liefst klinkers en medeklinkers laten afwisselen. Dat ze daarom [melluk] zeggen tegen melk. Maar de laatste jaren zijn er nauwelijks nog studenten die dat nog geloven. ‘We zeggen toch gewoon [mewk]?’ roepen ze dan. En ik moet toegeven dat ik zelf ook steeds vaker [mewk] zeg en steeds minder [melluk].

    Bij mijn vriend was er nog iets meer gebeurd, ontdekte ik. Voor hem hadden de klinkers voor een l en trouwens ook voor een r het verschil in lengte verloren. Gil klonk voor hem hetzelfde als geel, Cor hetzelfde als koor. Ook dat is een verschijnsel dat je bij meer mensen hoort, al ken ik er eigenlijk geen literatuur over.

    Maar is dat dan geen polder-Nederlands? Ja, dat is wat iedereen tegenwoordig zegt als je een taalverandering observeert, vooral als die iets met klinkers te maken heeft. Maar volgens mij heeft Jan Stroop, de vader van het polder-Nederlands, nog nooit iets over die klinkerlengte gezegd.”

    Wat mij nog niet eerder was opgevallen, was dat de twee verschijnselen konden samenvallen – en dat je zo margarita’s kon drinken met iemand voor wie de woorden ‘gil’, ‘geel’ en ‘geeuw’ allemaal hetzelfde klonken. En toch is mijn vriend er nog nooit door in de war geraakt.

    Wat ik ook nog niet wist is dat je kennelijk nog wel iets met die lengte doet: omdat het er kennelijk toch niet toe doet maak je je klinkers in de laatste lettergreep net even langer. De klinker in jouw gil en geel klinkt meer zoals die van mij in geel dan zoals die van mij in gil.”

    Ook de klinker in ver bleek langer te zijn bij mijn vriend dan bij mij. Maar die verlenging gebeurt alleen als de klinker door niet meer dan één medeklinker gevolgd wordt: wel in ver, niet in vers of kerst. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom dat zo is: er moet wel ruimte zijn voor die verlenging, en met teveel medeklinkers is die ruimte er niet.

    Welke medeklinkers tellen mee? Bij mijn vriend kennelijk alleen die van de stam. Bij verder en (ik spring het) verst zijn de s en de t kennelijk onzichtbaar: de e wordt langer, net als in de eenvoudige vorm ver. Maar vers begint in de eenvoudige vorm al met twee medeklinkers die de klinker het verlengen beletten: die s is dus wel zichtbaar.

    Dat verklaart het verschil tussen verst en verst, en daar namen we nog maar een margarita op.

    Neerlandistische tijdschriften op Internet: 2001 en daarna

    Hoe staat het ervoor met de neerlandistiek op Internet? Het gaat volgens mij de goede kant op. Een handjevol pioniers klaagt al jaren dat het allemaal veel te traag gaat, maar langzaam begint er toch schot in te komen. Er is een heus centrum voor tekstedities, de DBNL, er is het onvolprezen Neder-L, en er zijn her en der toch al aardig wat onderzoeksgroepen die op zijn minst minimale informatie geven over hun eigen werk. Zoals het er nu uitziet is Neder-L over een jaar eindelijk niet meer het enige neerlandistische tijdschrift op Internet. Als alles goed gaat, komen er volgend voorjaar minstens drie bladen bij, die zich exclusief op het Internet richten:

    • Neerlandistiek.nl: een wetenschappelijk tijdschrift met langere wetenschappelijke en gereviewde artikelen onder redactie van vijf neerlandici (Bregje Holleman, Matthias Hüning, Johan Koppenol, Marc van Oostendorp, Thomas Vaessens) van verschillende disciplines en onder technisch beheer van het NIWI.
    • Vliegende Bladen: een tijdschrift met zeer korte beschouwingen en observaties over taalkundige en letterkundige artikelen — het soort stukjes dat in de taalkunde ‘squibs’ genoemd pleegt te worden. Dit tijdschrift zal vanaf dit voorjaar maandelijks moeten verschijnen, maakt deel uit van de Digitale Biblotheek van de Nederlandse Letteren en zal onder redactie staan van onder andere René van Stipriaan.
    • Taalschrift: de elektronische versie van het journalistieke magazine van de Taalunie zal (mogelijk onder een andere naam) ook dit voorjaar van start gaan. Hierin zullen vooral langere journalistieke stukken worden gepubliceerd.

    De verschillende tijdschriften hebben precies verschillende doelstellingen. Bij elkaar (en in combinatie met enige bestaande websites voor het grote publiek, zoals http://www.onzetaal.nl/) kunnen ze de kern gaan vormen voor een nieuwe informatieinfrastructuur voor het hele vak — een infrastructuur die gebaseerd is op het Internet. Neder-L vormt van deze infrastructuur overigens de spil: het is het informatieblad, de snelste vorm van informatieverstrekking, die hopelijk ook steeds meer boeksignalementen en congresbesprekingen zal plaatsen en die bijvoorbeeld de lezers precies op de hoogte kan stellen van wat er in de bladen allemaal gebeurt. Een beetje neerlandicus leest Neder-L en maakt op basis daarvan zijn keuze uit de andere tijdschriften.

    Het is geloof ik ook niet de bedoeling van deze drie nieuwe initiatieven om te concurreren met de bestaande tijdschriften. De redacties van al deze tijdschriften zijn nog huiverig voor Internetpublicatie, maar als ze over deze angst heen zijn, zijn ze van harte welkom om met hun elektronische zusters te praten. Wij, en waarschijnlijk ook de andere redacties, zullen ze graag voorzien van alle technische adviezen om ook elektronisch te gaan publiceren. Ik ben pas tevreden als Nederlandse Taalkunde, Nederlandse Letterkunde, TNTL, Madoc, Taal en Tongval, en al die andere bladen ook elektronisch raadpleegbaar zijn, en als ze allemaal tegelijkertijd kunnen worden doorzocht in één groot digitaal elektronisch archief.

    Zelfs dan zijn we overigens nog niet klaar. De ideale wetenschappelijke infrastructuur voor het vak ziet er volgens mij veel eerder als volgt uit. Er is een grote centrale database waar iedereen die dat wil al zijn artikelen en boeken in een eenvoudige digitale vorm kan aanbieden (laten we voor het gemak zeggen: Word-bestanden met een minimale hoeveelheid opmaakcodes). Alle materiaal wordt in die grote database opgenomen. Er is geen enkele redactionele controle, wat betekent ook dat alles te vinden is, ook onzin en onbetrouwbare gegevens. Auteurs kunnen nieuwe versies van hun artikelen maken, maar bij grote revisies blijft de oude versie ook gearchiveerd.

    Een mens kan niet alles lezen, een mens heeft behoefte aan een zeef die de goede van de minder goede artikels scheidt, en daarom blijven de tijdschriftredacties ook bestaan. Auteurs bieden hun werk nog steeds bij die redacties aan, althans, ze maken hen erop attent dat ze een artikel aan de database hebben toegevoegd. De redacties behandelen zo’n artikel vervolgens op de manier die hen goeddunkt: ze laten hem beoordelen door proeflezers, ze stellen wijzigingen voor, enzovoort. Pas als een artikel de vorm heeft die de redactie van het tijdschrift bevalt, verleent zo’n redactie haar goedkeuring aan het desbetreffende record in de database.

    Tijdschriften kunnen vervolgens hun eigen webpagina inrichten waarin ze op gezette tijden lijsten publiceren met door hen goedgekeurde artikelen. Ze kunnen deze artikelen desgewenst ook op papier afdrukken, er een kaftje omheen doen, en deze naar hun abonnees sturen. Daarnaast blijven de artikelen ook in de database staan met een labeltje: goedgekeurd door de redactie van Nederlandse Letterkunde. Een artikel kan op deze manier ook door meerdere redacties worden goedgekeurd, en dus tot meerdere tijdschriften tegelijkertijd behoren.

    Vooral voor de lezers van neerlandistische tijdschriften — en alle onderzoekers zijn natuurlijk ook lezers — biedt dit scenario grote voordelen. Als lezer kun je in de database zoeken op elk willekeurig onderwerp. Als dat onderwerp heel klein en specialistisch is, of als je alles over dat onderwerp wilt weten en daarbij het risico durft te nemen om onbetrouwbare informatie tegen te komen, kun je kiezen binnen de *hele* database. Wie bang is overspoeld te raken, of alleen de echt betrouwbare stukken wil zien, kan ervoor kiezen zijn zoekopdracht te laten filteren door de redactie van TNTL, of Taal en Tongval, of allebei deze tijdschriften.

    Omdat alle informatie in deze database terechtkomt, heeft het weinig zin om dezelfde onderzoeksresultaten op verschillende manieren op te schrijven en deze aan verschillende tijdschriften aan te bieden. Auteurs kunnen en moeten zich er dus toe beperken die resultaten één keer op te schrijven, maar dan wel zo duidelijk mogelijk. De hoeveelheid overbodige artikelen kan daarmee hopelijk iets worden ingedamd.

    We zijn nog lang niet zover. De algemene database voor het hele vak is waarschijnlijk nog ver weg en wordt in deze vorm bijvoorbeeld nog door de redactie van geen enkel papieren of elektronisch tijdschrift nagestreefd. Uiteindelijk zou dat volgens mij wel zo moeten. Ik ben bereid eraan te werken.

    Marc van Oostendorp

    Autocue

    Holland Media Groep overweegt zijn zenders RTL 4, RTL 5 en Veronica binnenkort ook integraal via Internet uit te zenden. Doordat het steeds goedkoper wordt om televisieprogramma’s te maken zal het aantal zenders binnenkort naar verwachting explosief toenemen. […] Ook voor kleinere doelgroepen zullen er speciale, commerciële zenders komen. […] Televisieprogramma’s zullen ‘on demand’, op elk gewenst moment van de dag, bekeken kunnen worden.
    (Persbericht HMG, 5 februari 2000)

    “Goedemorgen, goedemiddag, goedenavond of goedenacht, kijkers. Ook vandaag heeft TV Taal weer voor elk wat wils. Om ons vijfjarig bestaan luister bij te zetten hebben we vandaag een extra uitgebreid programma samengesteld. Ik weet zeker dat velen onder u ons hele programma zullen willen bekijken, maar ik noem toch even de onderdelen.”

    “We beginnen met een nieuwe aflevering in onze serie “Nederlandse taalkundigen” met een extra lange uitzending over Jac. Van Ginneken. Voormalige leerlingen, familieleden en ordegenoten van deze kleurrijke Nijmeegse hoogleraar vertellen over zijn leven en werk. Ook ziet u enig archiefmateriaal en animaties die de denkwereld van Van Ginneken voor een modern publiek verduidelijken. Het belooft een spannende uitzending te worden waarin ook eindelijk het laatste woord wordt gesproken over Van Ginnekens houding tijdens de oorlog!”

    “Daarna is het tijd voor onze wekelijkse Grote Fonologie Bingo, met veel zang, dans en fonologen. Ook vallen er weer allerlei aantrekkelijke prijzen te winnen! De hoofdprijs — dat mag ik u wel verraden — is deze keer een levenslang abonnement op Natural Language and Linguistic Theory. Elke maand krijgt u een nieuwe spannende natuurfilm via uw kabel in huis!”

    “We vervolgen met onze gebruikelijke uitzending van het dagelijks nieuws. Van onze presentator Koos de Klaver hoort u zodadelijk wat de onderwerpen zijn. In de nieuwe aflevering van Het Taalkundige Boek hoort u wat een deskundig panel vond van recent verschenen taalkundige boeken en andere boeken over taal. Vandaag spreekt het panel over het zojuist verschenen vierde deel van het monumentale boek over taalverandering van William Labov.”

    “Daarna volgt een speciaal programma ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan van TV Taal. Het is alweer vijf jaar geleden dat een groepje enthousiaste jonge taalkundigen uit de kringen van het toenmalige tijdschrift Neder-L besloot gebruik te maken van de mogelijkheden die het Internet bood om heel goedkoop een wekelijks programma aan te bieden aan iedereen die geïnteresseerd is in taal. De wekelijkse frequentie werd zoals u weet al snel omgezet in een dagelijkse en de kijkdichtheid van TV Taal is in de loop der tijd almaar gegroeid. De collegezalen puilen uit, het lijkt wel alsof ineens iedereen taalkunde wil studeren! Om dit grandioze succes te vieren, bieden we u een bijzondere, feestelijk programma aan, met interviews met de pioniers en veel onbekommerde vrolijkheid.”

    “Zoals elke dag sluiten we af met Linguïstisch Miniatuurtje: een taalkundige analyseert een gedicht of andere tekst naar keuze. Vandaag: Martine Ruiter over de syntaxis van het gedicht ‘ik draai een kleine revolutie af’ van Lucebert.”

    “U hoort het wel: het belooft een mooie avond te worden. Maar nu eerst: veel plezier bij de extra lange aflevering van “Nederlandse taalkundigen”!”

    De gouden bergen van de naamkunde

    Wat is in een naam? Voor sommigen vooral een zak met geld. Vorige week kreeg ik een brief onder ogen van een Noors namenbedrijf. In de brief vroeg het bedrijf aan het instituut waar ik werk om de tienduizend frequentste achternamen. Die bedrijven wilde het laten vastleggen als zogenoemde Internetdomeinnamen: jansen.nl, devries.nl, delange.nl, vanoostendorp.nl en nog zoveel mogelijk andere.

    Het wordt steeds populairder om je eigen website en je eigen e-mailadres te hebben. Een e-mailadres als Gerrit@Komrij.nl klinkt niet alleen als een klok, maar kun je ook gemakkelijk meenemen als je van werkgever of van Internetaanbieder verandert. Dat adres kun je, net als je naam zelf, je leven lang meenemen. Het eindigt weliswaar op .nl, maar zolang je je wortels niet verloochenen wil, kun je het ook meenemen als je emigreert.

    Het is dus erg aantrekkelijk om zo’n adres te hebben. Dat heeft het bedrijf van wie ik de brief las kennelijk ook begrepen, en er duiken her en der meer van dat soort bedrijfjes op. Wie nu het adres verkruijsse.nl weet te reserveren kan immers in de toekomst Piet@Verkruijsse.nl, Joop@Verkruijsse.nl én Marie@Verkruijsse.nl allemaal een prachtig e-mailadres aanbieden. Hij kan daar dan geld voor vragen, maar hij kan die adressen zelfs ook gratis aan de naamdragers aanbieden en ze af en toe vertroetelen met een advertentie. Omdat hij inzicht heeft in de e-mailcorrespondentie kan hij de advertenties nog op maat snijden ook. Wie veel berichten schrijft waarin gewag wordt gemaakt van auto’s, krijgt op een goede dag een prachtige aanbieding van de firma Citroën in de elektronische brievenbus.

    Daar komt nog bij dat zo iemand in één klap een groot aantal namen voor websites ter beschikking heeft (http://www.piet.verkruijsse.nl/), die eventueel ook met allerlei advertenties kunnen worden opgetuigd. Het is daarvoor niet nodig dat degene die die Internetnamen registreert zelf ook maar enige connectie onderhoudt met iemand die Verkruijsse heet. Hij hoeft alleen maar de eerste te zijn die op het idee komt de namen vast te leggen. Vandaar dat het bedrijfje waarvan ik die brief onder ogen kreeg zoveel belangstelling had voor de frequentste 10.000 namen in Nederland.

    Natuurlijk is het instituut waar ik werk niet op het voorstel ingegaan: onderzoeksinstellingen zijn er niet om bedrijven aan een monopolie te helpen. De brief heeft mij trouwens meteen wel een interessant avondje surfen bezorgd, toen ik van zoveel mogelijk kennissen, vrienden en collega’s probeerde te achterhalen of ik hun naam nog kon kopen. Neem mijn mederedacteuren. De adressen http://www.verkruijsse.nl/ en http://www.salemans.nl/ zijn nog vrij; http://www.kuiper.nl/ behoort aan een bureau voor ruimtelijke ordening; http://www.coppen.nl/ is al wel vergeven maar het is nog niet helemaal duidelijk aan wie. En wie aanspraak denkt te maken op een e-mailadres dat eindigt op vanOostendorp.nl kan deze tegen kostprijs van een paar gulden verkrijgen bij
    Marc@vanOostendorp.nl

    Voorbeelden van namenbedrijfjes: http://www.basenames.nl/, http://www.internetadres.nl/, http://www.nameplanet.com/, http://www.realnames.com/.

    Een digitale ivoren toren voor de geesteswetenschappen

    Heerste er vijf jaar geleden in ambtelijke kringen nog vooral desinteresse en cynisme over alles wat met het Internet te maken had, ineens is digitialisering een buzzword. Een eerzaam onderzoeker kan de straat niet op, of hij wordt besprongen door een ambtenaar die hem wil overhalen een database samen te stellen. Dan moet je pas echt op je hoede zijn. Nu heeft het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen van NWO weer een nota doen uitgaan, onder de titel Een Digitale Bibliotheek voor de Geesteswetenschappen. Dat is heel verheugend, zou je denken. Tot je die nota daadwerkelijk begint te lezen.

    In de inleiding wordt hoog van de toren geblazen. Er moet een virtuele digitale bibliotheek komen voor álle geesteswetenschappen én voor de cultuur. Wat de zin van die combinatie van vakgebieden is wordt niet duidelijk gemaakt. Uit het rapport blijkt vooral dat de digitale wensen van onderzoekers in de verschillende geesteswetenschappen minstens evenveel van elkaar verschillen als van onderzoekers in allerlei andere disciplines. Een database voor taal- en spraaktechnologie heeft voor een theoloog evenveel waarde als de gegevens van de Hubble-telescoop. Aan de andere kant zou een sociolinguïst wel eens heel vruchtbaar gebruik kunnen maken van de gegevens uit een sociologische database. Het heeft, kortom, behalve om ambtelijke redenen, weinig zin om de Geesteswetenschappen digitaal bij elkaar te zetten zonder na te denken over de onderlinge verbanden, en die met andere onderzoekers.

    De opsteller van de nota heeft ook weinig oog gehad voor de veranderingen die het Internet echt teweeg kan brengen — dat iedereen met iedereen heel gemakkelijk kan samenwerken; de mensen van het onderzoek met de mensen van de cultuur, de mensen van de archieven met de mensen die om zogenaamd oneigenlijke redenen geïnteresseerd zijn (laten we zeggen om de eigen familiegeschiedenis na te speuren). Volgens deze nota moet er met niemand buiten het officiële academische onderzoek samengewerkt worden; de onderzoekers van de universiteiten moeten alles zelf doen, en ook vooral verder niet nadenken over de manier waarop het onderwijs of het grote publiek iets aan al hun materiaal zou kunnen hebben. “Educatieve projecten en projecten voor het grote publiek kunnen […] beter niet met onderzoeksprojecten gecombineerd worden, tenzij speciaal rekening gehouden wordt met de wensen van de onderzoekers”, stelt de nota, en vervolgt: “Onderzoeksprojecten op basis van digitaal materiaal bieden wel een interessant uitgangspunt voor het opzetten van educatieve projecten en publieksprojecten.” Met andere woorden, als anderen eventueel de door de onderzoekers bijeengebrachte Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant — een project dat in deze nota zo vaak genoemd wordt dat je de indruk krijgt dat dit er in ieder geval wel zal komen — willen gebruiken om iets aan scholieren of aan het brede publiek te vertellen, mogen ze hun gang gaan. Maar vraag dit alles niet aan de onderzoeker.

    Die onderzoeker stelt in de beslotenheid van zijn digitale ruimte een wetenschappelijk verantwoorde editie samen ten bate van zijn collega, zonder zich erom te bekreunen dat precies hetzelfde materiaal met een paar filters gemakkelijk geschikt kan worden gemaakt voor andere geïnteresseerden, terwijl dit niet eens ten koste hoeft te gaan van de wetenschappelijke kwaliteit van zijn bestanden. De nota is er zoals gezegd zelfs expliciet tegen dat de onderzoeker zoiets vernieuwends doet. Zoals de nota ook geheel voorbijgaat aan het feit dat mensen zonder doctorandusdiploma soms op het Internet dingen doen waar je als onderzoeker iets aan hebt, al is het maar als onderzoeksobject. Ik heb zelf een verzameling links naar websites in streektalen gemaakt, die materiaal biedt voor bijvoorbeeld onderzoek naar verschillen in dialectattitude tussen regio’s. Ook dat valt niet binnen de door NWO goedgekeurde activiteiten. ‘Een digitale ivoren toren voor de Geesteswetenschappen’ was een betere titel voor de nota geweest.

    Wie geïnteresseerd is in sterrenkunde kan via Internet de prachtigste onderzoeksresultaten op zijn scherm krijgen: foto’s, uitleg over projecten, rapportages. Voor een belangrijk deel wordt die voorlichting gedaan door de onderzoeksinstellingen zelf. Wie vorig jaar ineens geïnteresseerd raakte in het werk van de Nederlandse natuurkundigen ’t Hooft en Veltman, kon daar in een mum van tijd een heldere uitleg over krijgen — op de pagina’s van ’t Hooft. In die vakken is het kennelijk niet nodig om een enorme barrière te leggen tussen de leek en de vakman. Waarom zou dat dan in de geesteswetenschappen wel moeten?

    Er zijn meer lacunes aan te wijzen. Bepaalde respectabele vakgebieden in de Letteren ontbreken bijvoorbeeld volledig of nagenoeg volledig. Zo krijg je de indruk dat met ‘taal en spraak’ vooral ‘taal- en spraaktechnologie’ wordt bedoeld, en dat er in ieder geval gekozen is voor het moderne Nederlands. Andere talen komen nauwelijks aan de orde, maar ook dat er misschien wel eens taalkundigen geïnteresseerd zouden kunnen zijn in corpora van teksten van voor de twintigste eeuw, is de notaschrijver ontgaan. Zo iemand zou namelijk meestal meer baat hebben bij een redelijk omvangrijke collectie met allerlei soorten teksten van allerlei soorten auteurs en dat is wat we volgens de nota nu net niet moeten hebben. (De Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant zijn vooral voor allerlei soorten onderzoek natuurlijk heel geschikt, maar nu net niet om een doorsnede van het Nederlands uit Jacobs tijd te krijgen.)

    Bovendien ontbreken er heel wat toepassingen die een digitale bibliotheek zou kunnen hebben. Bijna alle aandacht gaat uit naar het verzamelen van primaire bronnen — corpora en databases. Er wordt gesuggereerd dat de komst van deze bronnen van de geesteswetenschappen pas échte wetenschappen zullen maken: “De inmiddels klassiek geworden uitspraak ‘de bibliotheek is het laboratorium van de geesteswetenschapper’ krijgt daarmee voor het eerst een reële betekenis”. Maar veel onderzoekers hebben helemaal geen behoefte aan overstelpende hoeveelheden materiaal — zelfs de informanten voor de nota zélf bleken over het algemeen al die digitale middelen belangrijker te vinden voor het vakgebied als geheel dan voor hun eigen onderzoek. Toch hebben die onderzoekers baat bij elektronische middelen, bijvoorbeeld als publicatiemedium. Een belangrijk communicatiemiddel als Neder-L wordt (voor zover ik kan nagaan) nergens genoemd, noch de gedachte dat er misschien depots van (ongepubliceerde) artikels, en dat er geredigeerde digitale tijdschriften zouden moeten komen.

    Zoals er ook geen aandacht wordt besteed aan het gebruik van het Internet zélf als onderzoeksobject voor mensen die belang stellen in allerlei aspecten van de moderne taal en cultuur. Moeten er geen goed geannoteerde lijsten komen van primaire en secundaire bronnen die nu al buiten de digitale ivoren toren zijn opgebouwd? Moeten sommige websites niet ergens gearchiveerd worden, zodat hun materiaal niet verloren gaat als de eigenaars het bijltje erbij neergooien? Moeten er geen digitale instrumenten worden ontwikkeld om het Corpus Internet te kunnen bestuderen? Op dat soort vragen gaat de nota niet in. De ‘digitale bibliotheek’ van NWO is goed beschouwd een heel gewone bibliotheek die toevallig gedigitaliseerd is zodat je er snel in kan zoeken. Met een stevige muur eromheen, zodat niemand naar binnen kan die niet minstens een doctoraaldiploma van de juiste faculteit op zak heeft. Een echte visie op het wezen van de digitale ruimte, en de veranderingen in denkwijze die deze voor de onderzoeker meebrengt (de geïnteresseerde leek kan als het ware elke dag op je vingers meekijken; je kunt heel makkelijk gebruik maken van materiaal dat anderen voor je verzamelen, maar er moet een standaard bedacht worden voor de manier waarop dat soort verrijkingen worden opgeslagen; het grote woelige Internet zélf zou wel eens een belangrijk onderzoeksobject kunnen worden voor contemporain onderzoek; enzovoort) ontbreekt.

    Ach, zou je kunnen denken. Er wordt toch in ieder geval geld in digitalisering gestoken? En iedereen zou toch al heel blij zijn als in ieder geval die editie van Van Maerlant er is? Daarmee is toch niets verloren? Ik zou heel blij zijn met die digitale Van Maerlant. Maar volgens mij is ook deze nota weer een gemiste kans: weer heeft niemand zijn nek durven uitsteken, weer is er geen visie ontwikkeld. De desinteresse en het cynisme zijn er in ambtelijke kringen en bij de meeste onderzoekers nog steeds. Al zijn ze door de hype wat ondergronds geraakt.

    Marc van Oostendorp oostendo@euronet.nl

    Dr. E. Viskil. Een digitale bibliotheek voor de geesteswetenschappen. Aanzet tot een programma voor investering in een landelijke kennisinfrastructuur voor geesteswetenschappen en cultuur. NWO-Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen, december 1999.

    Millenniumprijsvraag 1999: Wandelen van Oud naar Nieuw

    Een traditie moet van tijd tot tijd veranderen. Toen het instituut van de Grote Neder-L Kerstprijsvraag enkele jaren geleden werd ingesteld, besloot de jury deze prijsvraag de vorm te geven van twaalf vragen over de Nederlandse taal en literatuur, waarop de deelnemers een antwoord moesten vinden met gebruikmaking van het Internet.

    De kerstprijsvraag van 1998 leverde in drie opzichten een groot schandaal op. In de eerste plaats deden er slechts twee personen mee, in de tweede plaats wonnen allebei deze personen de hoofdprijs, in de derde plaats hebben allebei de winnaars door een administratieve vergissing hun hoofdprijs nooit ontvangen.

    Zo kon het niet langer, besloot daarom onlangs de het bestuur van de stichting. De vorige jury werd van haar taken ontheven, er werd een nieuwe jury geformeerd die de moeilijke taak kreeg een nieuwe formule te bedenken “die ook de jongeren in het studiehuis zou aanspreken” en de inderhaast samengestelde nieuwe jury verbond zich ertoe om de hoofdprijs van dit jaar in ieder geval ook uit te reiken aan de deelnemers van het vorige jaar, en dat op zo kort mogelijke termijn.

    De Grote Neder-L Millenniumprijsvraag heeft niet langer de vorm van een oubollige kwis. De tijd dat je al een wizzkid moest zijn om iets op het Internet te kunnen vinden is voorgoed voorbij. Bovendien vindt de jury het nodig om ook de creatieve gaven van de deelnemers dit jaar aan te spreken. Een laatste voorwaarde was dat ook in Neder-L nu eindelijk eens aandacht moest worden besteed aan de hoe dan ook met rasse schreden naderende millenniumwisseling, al was het maar in de vorm van een verwijzing naar de rijke historie.

    Het geheel nieuwe opgaveconcept luidt: maak een virtuele wandeling over het Internet van ‘oud’ naar ‘nieuw’. ‘Oud’ staat in dit verband voor een digitale editie van het fragment ‘hebben olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu uuat unbidan uue nu’, dat u ergens op Internet kunt vinden en dat we voor het gemak zullen beschouwen als de eerste Nederlandstalige tekst. ‘Nieuw’ staat voor het laatste artikel uit Neder-L van dit jaar (uitgezonderd het tijdschriftenoverzicht), dat wil zeggen de column van Willem Kuiper, die het einde van het millennium behandelt. De wandeling moet een manier zijn om van het ene document naar het andere te komen door alleen maar hyperlinks te volgen; iemand die op het begindocument begint en vervolgens alleen zijn muis gebruikt, moet de wandeling kunnen volgen om uiteindeijk op het einddocument uit te komen.

    Onderweg moeten in chronologische volgorde minstens vijf hoogtepunten uit de Nederlandse taal- of literatuurgeschiedenis worden aangedaan. Deze hoogtepunten moeten gepresenteerd zijn op websites die (a) al bestaan op het moment dat deze wedstrijd gepubliceerd wordt, (b) elk op een andere servercomputer staan (u mag dus bijvoorbeeld hooguit een van de pagina’s van de Koninklijke Bibliotheek als hoogtepunt aanmerken). Waarschijnlijk hebt u telkens enkele tussenliggende stappen nodig om van het ene hoogtepunt naar het andere te komen. Deze mogen zo nodig wel van dezelfde servercomputer komen (u mag net zoveel pagina’s van de Koninklijke Bibliotheek in uw wandeling betrekken als u nuttig lijkt, maar er mag slechts één hoogtepunt zijn.)

    Er zijn waarschijnlijk oneindig veel van dergelijke wandelingen te bedenken. De jury zal bij de beoordeling van de inzendingen onder meer letten op kortheid van de wandeling, originaliteit, de interessantheid van de hoogtepunten en van de wandeling als geheel en breedheid van de onderwerpkeuze. De inzending bestaat uit een lijst van alle Internet-adressen die onderweg worden aangedaan, met een markering van welke vijf adressen als ‘hoogtepunt’ worden aangemerkt.

    De hoofdprijs bestaat uit naar keuze het boek Computers en taal van Marc van Oostendorp (Sdu/De Standaard, 1999) of de Onze Taal Taalkalender (Sdu/De Standaard, 1999). Zoals gezegd zal een van deze boeken ook gaan naar de winnaars van 1998 (meld u!). Als zij dit jaar weer winnen, krijgen zij allebei de boeken. De inzendingen moeten voor 29 januari 2000 08:30:00 (Middeneuropese tijd, volgens de computers van het Meertens Instituut) via e-mail ontvangen zijn op het adres
    Marc.van.Oostendorp@Meertens.knaw.nl. Zoals elk jaar wordt elke manier om de jury goedgunstig te stemmen in de overweging betrokken.

    Taalkunde en taalgevoel

    Door Marc van Oostendorp

    Aan mensen met taalgevoel heb ik een broertje dood. Ze hebben vaak zo weinig plezier in het leven. Muziekliefhebbers kunnen nog wel eens enthousiast vertellen over een mooie opname van de Winterreise zonder de hele tijd aan je kop te zeuren over het deuntje dat het 8-uurjournaal inluidt.

    Vogelliefhebbers leven hun liefde niet alleen maar uit door ingezonden brieven te schrijven over de lelijkheid van de tegenwoordige duiven op de Dam. Van sommige francofielen heb je de indruk dat ze liever over een fles goede wijn praten dan over een natte kurk. Maar voor taalminnaars lijkt de ergernis zwaarder dan het enthousiasme: hen hoor je nooit over een prachtige nieuwe ontwikkeling in de taal, hen hoor je alleen maar klagen over hoe lelijk alles is en hoeveel lelijker alles almaar wordt. Lees verder >>

    Leibniz in de Bijlmer

    Door Marc van Oostendorp

    Sommige zeventiende-eeuwse wetenschappers waren ontevreden met de bestaande talen, die rommelig in elkaar staken, vol kronkels zaten en waarin de structuur van het woordenboek geen enkel verband hield met de structuur van de werkelijkheid; als je de woorden alfabetisch rangschikte kwamen er woorden naast elkaar te staan die geen enkel verband met elkaar hielden.

    Ze lieten het er niet bij zitten. Ze bedachten nieuwe, ‘filosofische’, talen die gemakkelijk te leren zouden zijn en waarmee wetenschappers in heel Europa op een efficiënte manier konden communiceren. Een van hen, Gottfried Wilhelm von Leibniz, dacht zelfs dat zo’n filosofische taal een instrument zou kunnen zijn om het denken aanzienlijk te verbeteren: wat de microscoop was voor het oog, was een verbeterde taal voor het rationele denken en zoals de formule ‘a2 + a3‘ in zekere zin makkelijker te begrijpen en in gedachten te manipuleren is dan ‘de som van het kwadraat van een getal en de derdemachtswortel van datzelfde getal’, zo zou de juistheid of onjuistheid van zinnen in de armetierige bestaande talen zoals het Latijn veel gemakkelijker kunnen worden aangetoond als ze werden omgezet in een filosofische taal. Lees verder >>

    Lang leve de leunstoel

    Door Marc van Oostendorp

    In de vakbladen smaalden onlangs sommige onderzoekers over de leunstoel als onderzoeksinstrument, dat volgens hen alleen in een ivoren toren paste. Leunstoeltaalkunde was een scheldwoord voor het soort theoretische taalkunde dat vooral de intuïties van een klein groepje moedertaalsprekers tot zijn data rekent. Echte wetenschappers deden veldwerk! Zij gingen de straten op, de laboratoria in, de wereld door!

    Omgekeerd is er natuurlijk ook jarenlang gesmaald op die onderzoekers die zo dom waren de leunstoel te verlaten, maar langzamerhand wordt het volgens mij een beetje mal om nog verschil te maken tussen leunstoeltaalkunde en andere soorten onderzoek naar taal. De leunstoel wint ook in de minder hermeneutische takken van de taalkunde terrein. Je kunt tegenwoordig zo enorm veel gegevens met zoveel gemak bereiken zonder je leunstoel te verlaten, dat het verschil tussen die zogenaamde leunstoeltaalkunde en andere vormen van taalkunde wel moet vervagen: een theoreticus zou wel gek zijn als hij af en toe niet eens even snel een hypothese testte aan de hand van het corpus dat het Internet is; en iemand die dol is op gegevens hoeft zijn leunstoel ook niet meer uit. Lees verder >>

    Studio Taalwetenschap

    Door Marc van Oostendorp

    Zolang ik de taalkunde van nabij ken, heerst er malaise in het vak. Twaalf jaar geleden deed ik mijn propedeuse. No nonsense was het toverwoord in de politiek en de maatschappij, de mensen zeiden tegen elkaar dat het ‘slecht ging met de economie’, en er kon dus geen geld meer worden uitgegeven aan luxeartikelen, zoals het vak dat ik net was begonnen me eigen te maken. Ik kan me maar één docent herinneren die zich één keer een béétje optimistisch over de toekomst van het vak uitsprak: de docent syntaxis zei dat we in de academische wereld nu duidelijk een dieptepunt beleefden, dat het vanaf nu alleen maar beter kon worden; als wij zouden afstuderen, konden we AiO worden en daarna lag de wereld voor ons open.

    Sinds die tijd is het alleen maar slechter geworden. De economie is, zegt men, tot grote bloei gekomen, het geld kan men bij wijze van spreken zo van de straat scheppen, maar bij de taalkundeafdelingen (en, neem ik aan, de letterkundeafdelingen) van de universiteiten is in die twaalf jaar nauwelijks iemand komen werken die voor die tijd niet al ergens aan een universiteit werkte. Voor luxeartikelen zoals het vak dat ik me nog steeds wanhopig probeer eigen te maken is misschien wel geld, maar kennelijk heeft niemand zin om het geld ook op die manier uit te geven. Lees verder >>

    Uitslag kerstprijsvraag 1998

    Door Marc van Oostendorp

    Onlangs werd ook mij een baan aangeboden met een goed salaris, een lease-auto en een mobiele telefoon. De onbekende die me over deze baan aanschreef, werkte bij een bedrijf dat `erotische websites’ maakte. Het bedrijf zocht iemand die veel van zoekmachines wist om hen te helpen hun website `vindbaar’ te maken. Mijn correspondent had de indruk dat ik zo iemand was omdat ik wel over zoekmachines geschreven heb. Ik heb het aanbod maar niet aangenomen. Ik zoek nog verder naar een passende werkkring.

    Gezien de rijkdom en roem die je met goed zoeken op Internet moeiteloos verwerven kunt, is het misschien een wonder dat er toch nog twee deelnemers aan de prijsvraag hebben deelgenomen. Waarom je talenten verspillen aan het winnen van een t-shirt als je met evenveel moeite in het bezit kunt komen van een driedelig pak?

    De twee deelnemers waren allebei nog even goed ook: ze misten allebei 1 vraag. Dat was gelukkig niet dezelfde. Daarnaast lieten ze in de details van de beantwoording allebei af en toe een steekje vallen, maar daar was weinig verontrustends bij. De vergadering van de jury kon daarom dit jaar zeer kort zijn. Het enige punt van discussie was nog dat een van de inzenders een kamergenoot was van de juryvoorzitter: was het wel veroorloofd om zo iemand een prijs te geven? De voorzitter maakte echter spoedig een einde aan deze discussies door erop te wijzen dat de reglementen wel familieleden van Neder-L-redacteuren uitsluiten, maar geen kamergenoten. Lees verder >>

    Kerstprijsvraag: faits divers

    Door Marc van Oostendorp

    Je hoort wel eens dat de ontwikkelingen op het Internet zo snel gaan, maar in de neerlandistiek is het allemaal best bij te houden. Zeker, in het afgelopen jaar hebben een paar belangrijke organisaties eigen websites geopend: de Taalunie, het Constantijn Huygens Instituut, het INL en het Letterkundig Museum bijvoorbeeld. Maar echt indrukwekkend groot en rijk zijn die websites nog niet. En de instituten voor neerlandistiek blijven met enkele uitzonderingen (die vorig jaar ook al uitzonderingen waren) nog steeds een beetje achter.

    De vragen in de traditionele kerstprijsvraag van dit jaar beperken zich dan ook tot faits divers uit het vakgebied; er worden weinig substantiële kwesties in aangesneden. De enige reden is dat ook u allen die dat leest vooralsnog lijkt te weigeren echt massaal uw onderzoeksresultaten op Internet te publiceren. Voor diepgang moet je nog steeds niet op het Internet zijn. Lees verder >>

    De witte Cadillac van Harry Mulisch

    Door Marc van Oostendorp

    Nu de Nobelprijs voor de literatuur alweer aan Harry Mulisch voorbij is gegaan, doet zich de vraag voor in welk vak we hem een eredoctoraat moeten uitreiken. Mulisch’ nieuwste roman De procedure voegt twee nieuwe vakken toe aan het lijstje waarvoor Mulisch toch al in aanmerking kwam (scheikunde, filosofie, muziekwetenschap, politicologie): de informatiekunde en de taalwetenschap.

    De informatiekunde eerst. Je kunt je afvragen waarom De procedure eigenlijk gedrukt is. De schrijver spreekt zijn lezer aan het begin in vertrouwen toe: jij en ik gaan samen op een speurtocht, want een ontdekking doe je met zijn tweeën. Tegelijkertijd maakt de verteller herhaaldelijk duidelijk dat hij zijn letters op zijn beeldscherm tovert. Hoeveel overtuigender zou het dan niet zijn als je als lezer diezelfde letters op datzelfde scherm zou kunnen lezen. Je zou je kunnen voorstellen dat de schrijver aan de ene kant van het glas zijn woorden plaatst en jij het aan de andere kant zat toe te kijken. De procedure zou daarom heel wat intiemer lezen van een beeldscherm dan van het afstandelijke papier: als je goed keek zag je de schrijver zitten. Lees verder >>

    Siliconenborsten aan de top

    Door Marc van Oostendorp

    Een gerenommeerd liefhebber van woordenboeken heb ik wel eens horen vertellen dat hij het als kind leuk vond om stiekem vieze woorden op te zoeken in de naslagwerken in de boekenkast van zijn ouders. Aan het gesnuffel en gezoek naar verboden woordjes in deftige ingebonden boeken had hij een levenslange fascinatie voor taal overgehouden.

    Zo’n verhaal prikkelt de fantasie. Dat zoeken naar verboden vruchten kan op Internet natuurlijk op een veel grotere schaal. Is dat geen manier om mensen voor het vak te interesseren? Door over seks te beginnen en dan langzaam maar zeker de aandacht om te buigen naar andere zaken? ‘Als we de klankrij van dat woord omdraaien krijgen we skes. Dat klinkt vreemd; liever zouden we sches zeggen. Hoe komt dat? Welnu,’

    Peter-Arno Coppen heeft deze truc dit jaar al een paar keer toegepast in zijn reeks Linguïstische Miniatuurtjes. Dat leverde titels op als ‘Seks: Versnapering of pech?‘ en ‘Kut op Dirk, waar slaat dat op?‘. Werkt die truc ook? Dat is een vraag die op Internet gemakkelijk te beantwoorden is. Lees verder >>

    Phonological reality

    Door Marc van Oostendorp

    Ik heb onlangs een reis gemaakt door de aardlagen van Nederland. Op verschillende plaatsen — nabij Rotterdam, in de Waddenzee vlak onder Schiermonnikoog, in het Mergelgebied — groef ik een gat van enkele kilometers diep, en vervolgens trok ik een stuk door een olieveld of volgde ik een steenlaag. Een vriend van mij is programmeur bij een geologische dienst en hielp me de reis te maken. In zijn werkkamer liet hij me zien hoe de techniek van virtual reality — een driedimensionale weergave van de werkelijkheid op het beeldscherm — geologen behulpzaam kan zijn. Hoe je kunt zien dat een humuslaag op de ene plaats nog onder een zandbank ligt, maar er tien kilometer verder overheen geschoven lijkt te zijn; hoe gevarieerd het geologische landschap zelfs in een betrekkelijk saai eenvormig land als het onze nog is, en hoe mooi.

    Als ik zoiets zie, denk ik meteen aan fonologie. Wat prachtig zou het mooi zijn als we op deze manier ook driedimensionale kaarten hadden van het dialectologische landschap van Nederland, waar je bij het Mergelgebied kon prikken om het verval van de Bernrather linie te volgen, of bij Rotterdam voor de vorm hebbie in plaats van heb je. Lees verder >>

    Sittardse diftongering

    Door Marc van Oostendorp

    Als er één taalkundig leven verfilmd moet worden, is het dat van Willy Dols. Een lange film hoeft het niet te worden.

    Dols schreef vlak voor de oorlog een proefschrift bij Jac. van Ginneken over diftongering in het Sittards. Van Ginneken vond dat proefschrift briljant, en hij probeerde zijn leerling al voor de verdediging een baan te bezorgen. Sterker nog, zelfs voordat Dols afstudeerde, was er al een hoogleraarspost voor hem geregeld in Estland. Jammer genoeg voor Dols kreeg hij, toen de zaak bijna rond was, concurrentie van de Duitse Exil-geleerde Agathe Lasch. Dat leverde nogal wat vertraging op. Voordat de Esten konden beslissen, vielen de Duitsers hun land binnen en werd de hoogleraarspost opgeheven. Dit was nog geen onoverkomelijke ramp — een paar maanden later kreeg Dols al een nieuwe baan aangeboden: lector Nederlands in Praag. Als voorbereiding op die baan stortte Dols zich op de studie van het Tsjechisch bij de beroemde Leidse slavist Nicolaas van Wijk. Toen vielen de Duitsers ook Tsjechië binnen.

    Niet lang daarna was heel Europa in oorlog geraakt. Willy Dols schreef aan zijn proefschrift en werkte ondertussen als leraar op een paar middelbare scholen in Limburg. In het voorjaar 1944 zag Van Ginneken zijn emeritaat naderen en bepaalde in een notitie dat Dols hem dan maar moest opvolgen in Nijmegen. Dols besloot toen tijdens zijn zomervakantie zijn proefschrift in Arnhem te voltooien. Lees verder >>

    Een onderzoek naar linguïstische competenties in de LOT-prijsvraag

    Door Marc van Oostendorp

    In deze bijdrage willen we ingaan op de vraag wat de mogelijke factoren zijn die veroorzaken dat een proportioneel groot aantal publicaties van neerlandici slechts door een kleine groep belangstellenden gelezen wordt. We richten ons hierbij in de eerste plaats op de volgende in de literatuur nog nauwelijks onderzochte, maar daarom niet minder relevante deelvraag: is het het geval dat een linguïstische opleiding ook een grotere linguïstische competentie tot gevolg heeft? Hierbij is de term ‘competentie’ een technische term die ontleend is aan de theoretische linguïstiek en die daarom voor een breder publiek in eerste instantie een nadere uitleg verdient. Uit de vakliteratuur kunnen we opmaken dat de term verwijst naar de totale hoeveelheid van kennis en vaardigheden, mogelijkerwijs deels onbewust aanwezig, die een mentale representatie heeft gekregen in de geest van de spreker of — zoals in dit concrete geval — van de schrijver. Het is overigens van belang om op te merken dat het hier een zogeheten ‘leenvertaling’ uit het Amerikaans Engels betreft, al kunnen we op deze kwestie niet nader ingaan, vanwege de aan dit artikel toegekende hoeveelheid ruimte.

    De hierboven geformuleerde vraag is op dit moment in zoverre actueel en daarom geschikt voor een populariserend betoog, dat de Landelijke Onderzoeksschool Taalkunde (in de wandelgangen ook wel kortweg LOT genoemd) dit jaar voor de derde keer een ‘prijsvraag’ heeft uitgeschreven waarin ze alle onderzoekers die bij deze organisatie zijn aangesloten, opgeroepen heeft om een essay te schrijven dat ‘recent taalkundig onderzoek’ tot thema heeft en dat op een dusdanige manier geschreven zal moeten zijn dat het geschikt mag worden geacht voor een breder publiek, dat wil zeggen een publiek zonder speciale linguïstische training of professionele achtergrond. We mogen veronderstellen dat ook dit jaar weer vele onderzoekers een poging zullen doen de hierboven genoemde prijs in de wacht te slepen, en dat ze hierbij niet zullen schromen hun linguïstische competentie (definitie: zie boven) in te zetten. Lees verder >>

    Waar wachten we nog op?

    Door Marc van Oostendorp

    Om te zien wat de toekomst van de neerlandistiek is, heb ik tijdens de laatste koninginnedag langs de Oudegracht in Utrecht gewandeld. Dat viel niet mee: er waren veel meer mensen op hetzelfde moment langs dezelfde gracht aan het wandelen, al had ik niet de indruk dat die mensen allemaal vooruitgestuwd werden door de vraag wat unbidan we nu.

    In het centrum van Utrecht woont en werkt Arjan den Boer. Hij heeft er een appartementje waarin hij naast het aanrecht een groot bureau heeft staan met een snelle computer, een groot beeldscherm, twee luidsprekers en een scanner. Achter dat bureau maakt hij cd-roms en websites voor musea, voor kunsthandelaren en voor archeologische verenigingen. Heel mooi, vind ik het werk van Den Boer: smaakvol vormgegeven en technisch knap. Lees verder >>

    Nieuwe woorden

    Door Marc van Oostendorp

    In Onze Taal wordt sinds enige tijd een discussie gevoerd over de vraag hoe snel de woordenschat van het Nederlands groeit. Vorig jaar schreef Frank Jansen in het blad dat er zestig woorden per dag bij komen. Een paar maanden later schreef Joop van der Horst in het onzetaalboek Taalalmanak dat deze telling overdreven was: volgens hem komt er maar één woord per dag bij. In het laatste nummer van het blad komt Jansen dan weer op de kwestie terug. Volgens hem was zijn schatting eerder te laag dan te hoog.

    Een opmerkelijk aspect aan de hele discussie is dat ze zo duidelijk vanachter de leestafel wordt gevoerd. Jansen en Van der Horst `bewijzen’ hun stellingen door nummers van NRC Handelsblad en enkele andere kranten door te nemen, en de woorden die ze vinden te vergelijken met de woorden in gedrukte woordenboeken. Woorden op radio en woorden op televisie tellen niet mee, en de woorden op Internet evenmin. Lees verder >>

    Theo Welpen

    Door Marc van Oostendorp

    Onverhoeds haalde de man die in de trein tegenover me zat het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde tevoorschijn. Ik keek nog eens goed: ik wist zeker dat ik deze man nog nooit op de TiN-dag had gezien. Kennelijk had hij in de gaten dat ik hem bespiedde want hij keek op en glimlachte.

    ‘Het nieuwste nummer van Nederlandse Taalkunde,’ zei ik. ‘Ja’, zei hij. ‘Kent u dat blad?’ Ik legde uit dat ik in een ver verleden wel eens een recensie van een proefschrift bij de redactie van NT had ingeleverd en dat dit stuk nog steeds op publicatie wachtte.

    ‘Ach,’ zei hij. ‘U bent ook taalkundige. Nu ja. Er staan deze keer mooie stukken in hoor; maar liefst twee artikelen over de /h/ bijvoorbeeld. Dat vindt u misschien vreemd, maar daar smul ik van!’
    Nu had ik al gehoord dat er artikelen zouden verschijnen van Trommelen & Zonneveld en Nijen Twilhaar, maar ik had nog niets gezien. ‘Wat schrijven ze?’ vroeg ik. Lees verder >>

    De psychologie van de juryvoorzitter

    Door Marc van Oostendorp

    Om de hoofdprijs van de kerstprijsvraag van Neder-L in de wacht te slepen, is alles geoorloofd. Eén deelnemer had zich er dit jaar op toegelegd de ziel van de maker van de prijsvraag te doorvorsen. Deze deelnemer had mijn eigen webpagina uitvoerig bestudeerd en zo gevonden wat mijn favoriete zoekmachine was, en op welke pagina’s ik mijn favorieten bijhield. `Zeg mij wie de vragen heeft bedacht en ik zal u zeggen wat de antwoorden zijn,’ schreef die deelnemer.
    Voor de tweede keer organiseerde ik vorig jaar een Internet-prijsvraag voor neerlandici. Ik stelde 12 vragen; de deelnemers werden geacht de plaats op het net aan te wijzen waar het juiste antwoord te vinden zou zijn.

    Vorig jaar waren er drie deelnemers geweest die een min of meer acceptabele verzameling antwoorden hadden ingestuurd. Deze keer dongen vijf lezers van Neder-L mee naar de hoofdprijs.
    Inderdaad bleek het wat moeilijker om goede vragen te formuleren dan vorig jaar. Het Internet begint meer structuur te krijgen, en met een combinatie van drie hulpmiddelen bleek vrijwel alles te vinden te zijn (de algemene zoekrobot HotBot, http://www.hotbot.com/; het archief van Neder-L, http://www.neder-l.nl/; en de verzameling koppelingen van Onze Taal, http://www.onzetaal.nl/. Lees verder >>