Auteur: Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.

Framing met lef

Door Marc van Oostendorp

Tegenwoordig schijnt vaker voor te komen dat ouders van studenten naar de universiteit bellen, maar in 1987 was het nog iets dat de ronde deed onder de Leidse neerlandici. Ton Anbeek, de hoogleraar Nederlandse Letterkunde had net een roman gepubliceerd met de dubbelzinnige titel Gemeenschap, en die dubbelzinnigheid werd in het boek waargemaakt. Was het wel veilig om je dochter bij zo iemand te laten studeren?

Lees verder >>

Als ik nu met jou spreek, wanneer moet ik dan met een ander spreken?

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (1: Nachoem Wijnberg, Joodse gedichten)

Door Marc van Oostendorp

Van de drie klassieke hoofdgenres – lyriek, epiek, dramatiek – spelen persoonlijk voornaamwoorden de intrigerendste rol in het eerste genre. In toneel is vrijwel altijd volkomen duidelijk wie er met ik of jij bedoeld wordt: degene die nu aan het woord is, degene tot wie de spreker zich richt. In verhalen kan het soms wat ingewikkelder worden – romans met vertellers in de ik-vorm, boeken waarin ineens de lezer wordt aangesproken – maar ook hier geldt doorgaans dat de personages weliswaar verzonnen zijn, maar zich toch meestal houden aan de conventies van wie er de eerste, de tweede of de derde persoon is.

Lees verder >>

Zijn neus, gelijk de regenboog, Is bont en krom en zelden droog

Door Marc van Oostendorp

Ah, de negentiende eeuw: tijd waarin we bij wijze van kinderfeestje nog onbekommerd konden lachen om joodjes met kromme neuzen. Want dat was toen onze cultuur – een cultuur van duizenden jaren. Toen men nog niet zo politiek correct was om zich wat aan te trekken van de medelanders die huiliehuilie deden omdat ze geen gevoel voor humor hadden!

Lees verder >>

‘Ik mis de verrukking van Hella’

Door Marc van Oostendorp

Voetnoten zijn een bedreigd genre. Ze verdragen zich niet goed met digitaal lezen. Steeds minder publicaties doen eraan – ook Neerlandstiek niet. Terwijl er in een goede voetnoot vaak een hele wereld verborgen zit.

Het boek Het masker van Rob Nieuwenhuys van Tom Phijffer is een voetnoot in de vorm van een boek. Het gaat blijkens de ondertitel om ‘de reconstructie van een vergeten reis naar Indonesië’. Het is, denk ik, niet overdreven om te zeggen dat slechts heel weinig mensen op de wereld ernaar verlangden dat uitgerekend die reis – van de letterkundige Rob Nieuwenhuys in 1971, in opdracht van de Nederlandse regering – aan de vergetelheid zou worden ontrukt. Maar Phijffer heeft dat toch maar mooi gedaan.

Lees verder >>

In jezelf praten

Door Marc van Oostendorp

Een van de wonderlijkste taalkundige verschijnselen is misschien wel in jezelf praten. Een mens heeft voortdurend gedachten en soms nemen die gedachten ineens een klankvorm aan: ze klinken in je hoofd.

Hoe wonderlijk dit verschijnsel van de innerlijke monoloog ook is, taalkundigen houden zich er niet mee bezig. Het is helemaal niet duidelijk of we met ons allen niet de hele dag veel meer zinnen denken dan we daadwerkelijk uitspreken – en toch zijn er complete scholen van taalwetenschap die beweren gebaseerd zijn op ‘echte taaldata’ zonder ooit ook maar één zin die iemand in zichzelf zei in de beschouwing te betrekken.

Lees verder >>

Geen kus

Nene leert Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Gisterenavond tijdens het eten was mijn rol in Nene’s taalontwikkeling voltooid. Ik zei peinzend “dus”, en zij riep snel “Een klap is geen kus”.

De belangrijkste zin uit de Nederlandse taal! Ik leerde hem ooit van iemand die hem zelf weer geleerd had van iemand waardoor ik zeker weet dat deze observatie over geweld en liefde al minstens tachtig jaar oud is (het is ook de titel is van een kinderboek van Bart Moeyaert, wat me een aanwijzing lijkt dat het in het hele taalgebied bekend is).

Lees verder >>

Het probleem van de moedertaalspreker

Door Marc van Oostendorp

De Amsterdamse politicoloog Dawid Walentek deed gisteren op Twitter een schokkende mededeling: Radio 1 had hem willen spreken om zijn deskundigheid, maar hem uiteindelijk afgebeld om zijn accent. Dat zou “te veel afleiden van de inhoud”.

Schokkend, maar niet nieuw. De Nederlandse publieke omroep straalt sowieso een groot verlangen uit naar uniformiteit. Iedereen moet liefst klinken alsof hij of zij 43 is, en geboren in Amersfoort. De rest leidt maar af van “de inhoud”.

Het blijft ook niet beperkt tot de radio. Nederlanders beschouwen het Nederlands als hun eigendom, als iets waar anderen vanaf moeten blijven. Met die anderen praten wij wel Engels, laten ze met hun tengels van ons idioom afblijven.

Lees verder >>

Denken we in taal?

Door Marc van Oostendorp

Is er een verschil tussen zinnen en gedachten? Een heleboel zinnen lijken gedachten uit te drukken, en als je bij jezelf naar binnen probeert te kijken als je denkt, kun je daar soms zinnen zien ronddartelen.

Maar denken wij ook in taal? In ieder geval lijkt taal in een opzicht op denken: de creativiteit, die er vooral uit bestaat dat we eindeloos steeds weer nieuwe woorden – in taal – of dingen – in het denken – met elkaar kunnen combineren. Een nieuwe zin is een nieuwe combinatie van bestaande woorden, en zo zou je kunnen zeggen dat een nieuwe gedachte een nieuwe combinatie is van bestaande concepten. Zoals je zinnen kunt maken door twee zinnen met elkaar te combineren (‘Ik ben Job en ik heb een sticker op mijn kop’), zo kun je uit twee gedachten weer een nieuw idee kleien.

Lees verder >>

Neerlandistiek en de letterkundige neerlandistiek

Door Marc van Oostendorp

Een van de charmante hebbelijkheden van moderne letterkundigen is dat ze ‘neerlandici’ zeggen als ze ‘moderne letterkundigen’ bedoelen. Ze weten wel dat wij taalkundigen en taalbeheersers en historisch letterkundigen ook bestaan, en natuurlijk willen ze zelfs erkennen dat wat wij doen ook zijn waarde heeft, maar met ‘de neerlandici’ bedoelen ze zichzelf.

Wanneer collega Jos Joosten in zijn nieuwe bijdrage aan TNTL dus zegt dat “de professionele neerlandistiek” zich niet kan onttrekken aan het publieke debat zoals zich dat bijvoorbeeld op internet ontrolt, bedoelt hij daarmee duidelijk alleen zijn letterkundige collega’s. Niet omdat hij vindt dat wij taalkundigen en taalbeheersers en historisch letterkundigen niet op internet hoeven te verschijnen, maar omdat hij ons niet bedoelt met die uitdrukking.

Lees verder >>

Verplicht leesplezier

Return of the verleden tijd van lijken

„We gaan de verplichte lesstof wijzigen en leesplezier en leesmotivatie toevoegen aan het curriculum. (…) Het zorgt ervoor dat leesplezier wordt verankerd in de eindtermen, dan is het niet meer vrijblijvend.”

(Arie Slob, in NRC gisterenavond)

Door Marc van Oostendorp

“Wouter!” bromde Sophie, de boomlange topambtenaar van OCW, verontrust.

“Minister Pieterse “, zei Wouter. “We zijn hier in functie.” Dat was ironisch, dat wist ze ook wel. Hij was altijd ironisch als ze hem niet bij zijn titel aansprak. Ze legde haar tablet voor hem op tafel. “Kijk!”

Lees verder >>

Multatuli als taalkundige

Door Marc van Oostendorp

‘Ik beweer, met terugzicht op deze en dergelyke beschouwingen, dat er geen dankbaarder vak van onderzoek is dan algemeene-taalkunde. (…) Wysgeerige taalkunde is de geologie van ’t levende woord. Het oudste monument van Kunst of Nyverheid is jong, en in z’n stomheid onbeteekenend, by vergelyking met de eerste klanken die de mensch opving van de Natuur, en gebrekkig nastamelde met ongeoefende keel. Er was al veel gebeurd, voor men zich waagde aan den eersten medeklinker. En de stam die ’t eerst de r duidelyk wist te onderscheiden van de l, heeft in zyn tyd aan ’t hoofd der beschaving gestaan!’

(Idee 1047d)

Er zijn waarschijnlijk weinig Nederlanders geweest voor wie de taal zo zwaar woog als voor Multatuli. Natuurlijk is taal voor iedere schrijver belangrijk – het is zijn instrument. Maar voor Multatuli was het vinden van het juiste woord, de juiste formulering zó belangrijk dat het hem soms belemmerde te schrijven. Hij wilde geen ‘frasen’ maken – de clichés waarop hij menig andere schrijver meende te betrappen – en daarvoor was het nodig om enerzijds zo precies mogelijk te zijn en anderzijds om zich zo natuurlijk mogelijk uit te drukken. En die twee dingen waren misschien wel hetzelfde. In de taal waren allerlei dingen aangekoekt, dood hout dat moest worden weggesnoeid, om te komen bij de ware taal, de levende.

Lees verder >>

Week van het Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Het is de Week van het Nederlands en daarom vertelt onze hoogleraar Marc van Oostendorp over de relevantie van het Nederlands en de Nederlandse literatuur! Ben jij nou ook geïnteresseerd in de Nederlandse taal, cultuur en/of literatuur? Bekijk dan onze website over de bacheloropleiding Nederlandse Taal en Cultuur in Nijmegen.

(Bekijk deze video op YouTube)

Kom niet aan Antoine Braet

Door Marc van Oostendorp

Dat Nederlandse jongeren niet graag lezen, dat ze het lastig vinden om ingewikkelde teksten te doorgronden: het is allemaal de schuld van die vermaledijde Braet die ‘als eerste’ begon over ‘alinea’s en alineaverbanden’ en de term ‘signaalwoorden’ bedacht’, en daarmee uiteindelijk de schoolboeken ‘volledig heeft overgenomen’.

Die uitspraak wordt Wim Daniëls in de mond gelegd in de Volkskrant van gisteren. Maar enig bewijs voor die boude stelling wordt niet gegeven. De aanval is ongefundeerd en onterecht. Als je nu iemand niet kunt verwijten dat het vak zo verschraald is, is het Braet.

Lees verder >>

Weggooiteksten, in de zuiverste zin van het woord

Iedere vreugdekreet over het Nederlandse toneel slaat al snel om in een jammerklacht. Dat geldt natuurlijk vooral in de huidige duistere periode waarin iedereen die ooit dacht zijn geld te kunnen verdienen door op een podium te gaan staan, zich inmiddels vertwijfeld afvraagt hoe lang het nog zal duren voor de schijnwerpers moeten worden verkocht. Maar het geldt al veel langer, zo blijkt uit het onlangs verschenen boek In reprise.

Lees verder >>

Een taalkit zonder hamer

Door Marc van Oostendorp

Een van de ongemakkelijke aspecten van het boekje Het taaldier mens van de Parijse hoogleraar Nederlands Jan Pekelder is de titel ervan. In 1974 publiceerde de Leuvense hoogleraar Flip G. Droste een boekje met precies dezelfde titel. Dat is toch wel wat zonderling. Mag iemand anno 2020 een boek schrijven over Jacob van Maerlant en dat Maerlants wereld noemen? Over het heelal en dat dan A Brief History of Time noemen?

Is het begrip taaldier een vakterm die iedere taalkundige kent? Nee, ik geloof niet dat hij buiten deze twee boekjes voorkomt. Is Pekelders boek veel beter dan dat van Droste? Het omgekeerde is, vrees ik, het geval.

Lees verder >>

Hut regende zon

Door Marc van Oostendorp

Van de week luisterde ik weer eens naar het liedje Het regende zon van Ellen ten Damme (een van de mooiste Nederlandstalige liedjes ooit, acht jaar geleden schreef ik al eens over een heel ander aspect ervan, je zou een boek kunnen schrijven over dat liedje en dan nog zouden de kwaliteiten ervan niet voldoende beschreven zijn):

Ineens viel me op dat Ten Damme in de refreinregel die ook de titel is de h uitspreekt!

Lees verder >>

Een nog gedeeltelijk geklede Eduard Douwes Dekker ligt op een naakte vrouw

De Multatuli-leescursus (81 – toegift)

Door Marc van Oostendorp

– Had Multatuli in de vele jaren dat hij in Duitsland woonde maar meer in het Duits geschreven dan altijd in dat Hollands van hem! Dan was er dit jaar zeker een fraai hoorspel verschenen over zijn woelige leven.

– Jij weet wel hoe je een reünie gezellig moet beginnen.

– Zeg nu zelf, de scripts die Ger Beukenkamp verzamelde in dit boek Multatuli. Het leven van een klokkenluider in twintig dialogen, die hadden toch moeten worden uitgevoerd?

Lees verder >>

Gedichten lezen met alles wat je in en aan je hebt

Door Marc van Oostendorp

Een probleem met veel lesboeken over poëzie is dat er net in wordt gedaan alsof gedichten eigenlijk iets gewoons zijn: taal, maar dan wat ingewikkelder, zowel qua vorm en inhoud. Je moet er even doorheen prikken, maar dan heb je ook iets waardevols. Het gevolg daarvan is dat je gedichten moet analyseren. Hoeveel er ook gebeurd is in het poëzie-onderwijs, het indringend lezen is nooit ver weg.

Het probleem daarmee is dat die opvatting niet klopt. Er is natuurlijk niets tegen close reading, maar dan toch vooral voor gevorderden – een techniek om te begrijpen waarom iets mooi is en niet een sleutel om het mooi te vinden. Geen lezer is ooit voor de poëzie gevallen vanwege het cryptogram: het was die ene regel die je op onverklaarbare wijze raakte, de stem die vanaf een bladzijde tot je sprak, de beelden die je nooit zo kan zien als voor je geestesoog.

Daarom is het goed dat de door de Utrechtse neerlandica Kila van der Starre serie ‘doeboeken’ Woorden temmen er is, waarin jonge letterkundigen en dichters samen laten zien hoe veelzijdig de poëzie is, dat het niet alleen maar een intellectuele puzzel is, maar iets dat je hele wezen raakt: hart en ziel, lichaam en geest. Onlangs verscheen het tweede deel, Van kop tot teen met Charlotte Van den Broeck en Jeroen Dera.

Lees verder >>