Auteur: Jan Stroop

Jan Stroop is geen gastonderzoeker meer bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.

Hoe zeggen we ‘suiker’?

door Jan Stroop
(Dit is de uitwerking van de presentatie die ik op 15 december 2013 te Roosendaal gehouden heb, in ’t kader van de expositie ‘Suikergoed’.)




Van ’t woord suiker bestaan in de  Nederlandse dialecten minstens negen verschillende uitspraken:  suiker, suker, sökker, soiker, seuker, soeker, soker, sokker en sukker. En ze gaan allemaal terug op één oervorm.

De herkomst van ’t woord suiker is bekend. De oudste vorm is sakkharâ. Dat woord is uit India, waar ’t eerst riet verbouwd werd dat suiker opleverde. Vanuit India zijn de rietsuikercultuur en de benaming voor ‘suiker’ overgenomen door andere gebieden in ’t Midden-Oosten. Rond 600 leerden de Perzen die techniek van suiker winnen; de benaming kreeg een Perzische gedaante: šakar. Daarna maakten de Arabieren er kennis mee. Zij verbreidden de kunst van het telen van suikerriet naar Egypte, in de 8e eeuw naar Andalusië en vervolgens naar Sicilië.

Lees verder >>

Hoe zou De Ruyter echt gesproken hebben?

door Jan Stroop

In De Taalstaat (programma op radio 1, zaterdag van 11 tot 13 uur) van 31 januari ging ’t over de film Michiel de Ruyter. Wie verwacht had dat het dan in elk geval ook over de taal zou gaan die in de film gebruikt wordt, kwam bedrogen uit. ’t Ging vooral over hoe ’t scenario tot stand gekomen was en over ’t grappige feit dat zowat alles aan de film over de monumentale Zeeuw De Ruyter Brabants is: scenarioschrijver, regisseur en hoofdrolspeler.
Er is wel discussie geweest naar aanleiding van de film, onder andere over de vraag of de historische feiten wel recht gedaan is. Maar dat De Ruyter in de film spreekt met een sterk Brabants accent, daarover is geen woord gezegd. Blijkbaar is dat niemand opgevallen, terwijl ’t een vaststaand feit is dat de echte De Ruyter geen Brabants gesproken heeft.

’t Poldernederlands is toch echt iets aparts

door Jan Stroop
Op Wikipediavind je ook een hoofdstuk over het Poldernederlands. Dat gaat over mijn ontdekking en beschrijving van dit sub-ABN. Een intrigerende passage in die tekst is de volgende:   
“Critici van het concept Poldernederlands wijzen erop dat het verschijnsel van de lager aangezette diftong op zichzelf niet nieuw is. De verlaging van de diftongen in de Hollandse dialecten is reeds sinds de zestiende eeuw gaande, zowel in het Nederlands als in de andere West-Germaanse talen.”

Wie deze critici zijn weet ik niet, maar ’t zijn zeker geen dialectologen, want die zouden nooit gesuggereerd hebben dat de verlaging in de Hollandse dialecten te vergelijken is met de verlaging die de essentie is van het Poldernederlands. In mijn boek Poldernederlands (1998) wijs ik dat verband al met argumenten van de hand.

Lees verder >>

Die Muur, was dat ook een Taalmuur?

door Jan Stroop
Door alle aandacht die ’t 25-jarig jubileum van de Val van de Berlijnse  Muur krijgt, komt bij mij de herinnering boven aan ’t  Colloquium ‘Dialect and Standard Language’ dat in Amsterdam plaatsvond, aan de Vrije Universiteit, van 15-18 oktober 1990, dat wil zeggen nog geen jaar na de val van die muur.
Aan dat congres nam ook deel Professor Dr. Helmut Schönfeld,  lid van de Akademie der Wissenschaft der DDR. Die hield een voordracht over ‘Dialekt, Umgangssprache und Standardsprache auf dem Gebiet der ehemalige DDR im 20. Jahrhundert’. Het enige wat in zijn lezing herinnerde aan de actuele toestand was dat ‘ehemalige’ in de titel.

Lees verder >>

Een stukkie over kissies die gekaapt zijn

door Jan Stroop
In de titel boven deze tekst staan twee woorden die je in deze vorm niet vaak in geschreven taal zult tegenkomen. Stukkie dan nog wel een enkele keer, bijvoorbeeld als het gaat om een product van de tekstverwerker. Carmiggelt noemde z’n kronkels zo. In romans en verhalen die in volksbuurten spelen, van o.a. Brusse, Querido en Heijermans, kom je kissies tegen, maar alleen als er spreektaal weergegeven wordt.
Google levert bij kissie maar twee hits op, alle twee gezongen. ‘t Stijfselkissie van Zwarte Riek (‘M’n wiegie was een stijfselkissie’) en een ander speciaal kissie van Nico Haak: ‘Honkie tonkie pianisie met je sinasappel kissie’ (spelling voor zijn rekening). Bij kassie als verkleinwoord van kas of kast is de Google-oogst al even klein: de combinatie kassie kijken, voor tv kijken, en als naam voor een dobbelspel: kassie-zes.

Lees verder >>

Ofzo: het landingsgestel van de Nederlandse zin

Door Jan Stroop
of               zo

In mijn boek Hun hebben de taal verkwanseld staat een hoofdstuk ‘Wauwelwoorden’. Dat gaat onder andere over zeg maar en ofzo. Ik noemde ze daar stopwoorden, omdat ze geen betekenis hebben en dus overbodig zijn. Betekenis hadden ze aanvankelijk natuurlijk wel en soms nog, in deze zin bijvoorbeeld): ik vermoed dat wij ongeveer op een negende plaats van veertien ploegen staan of zo. Of zo kan hier betekenen: ‘ongeveer op de negende plaats’. De zin is uit het Corpus Gesproken Nederlands, zoals alle zinnen in dit stukje.

Ook zeg maar in bijvoorbeeld: d’r moet gewoon hele nieuwe sfeer gecreëerd worden zeg maar, heeft betekenis. Spreker vindt dat ’t woord ‘sfeer’ niet helemaal uitdrukt wat hij wil zeggen. Het ofzodat in deze zinnen gebruikt wordt, kunnen we herleiden tot of zoiets (of zoiets). Van die betekenis is bij het tegenwoordige ofzo niet veel  meer over, maar waarom wordt het dan toch zo vaak gebruikt?

Tropisch Nederlands

Wie draait d’r tong?

door Jan Stroop

Surinamers spreken geen Poldernederlands. Dat constateer ik na de drie weken dat ik in Paramaribo geluisterd heb naar radio, tv, op straat en in de collegezaal (met alleen maar vrouwen!). Ik geef toe, ’t is maar een indruk, maar ik durf zo langzamerhand wel op m’n gehoor te vertrouwen.  
Door die afwezigheid van dat Poldernederlands lijkt Suriname wel wat op Vlaanderen, waar ook geen Poldernederlands gesproken wordt. Maar terwijl er in Vlaanderen ook nooit meer recente Nederlandse taalveranderingen overgenomen worden omdat de wil daartoe ontbreekt, gebeurt dat in Suriname aan de lopende band. Groetwoorden als doei doei, inclusief ’t eraan voorafgaande stadium doei, zijn niet van de lucht. Net als andere  woorden en uitdrukking in ’t alledaagse taalgebruik: fijne dag (verder of nog), klopt, plek, en zeg maar.  Maar ook meer verheven termen als naschoolse opvang kom je er tegen. Een taalverschijnsel  hoeft in Nederland maar even zijn kop op te steken of ’t duikt al op in Suriname.

Lees verder >>

In ’t zuiden wordt niet meer ALS gezegd dan elders.

door Jan Stroop

  
 

Met de conclusie die Hubers en De Hoop trekken kan ik ’t eens zijn. Ze presenteren die aan ’t eind van hun artikel “The effect of prescriptivism on comparative markers in spoken Dutch”, waar Marc van Oostendorp onlangs de aandacht op gevestigd heeft. H&H; hebben ’t Corpus Gesproken Nederlands onderzocht op ’t gebruik van als en dan bij vergelijkingen. Hun conclusie luidt, vrij vertaald:  Zonder de strenge normatieve regel (na een comparatief volgt DAN) zou dat danallang door als vervangen zijn. En dat gaat gebeuren want als is veel geschikter voor de functie van markeerder van de comparatief dan dan. Maar zover is ’t niet. Het Nederlands heeft twee voegwoorden bij een vergrotende trap, die allebei gebruikt worden.

Wat doet die k in winterkoninkje en koninkrijk?



  door Jan Stroop

Onze taal kent een aantal woorden die een k bevatten die je daar niet zou verwachten:  koninkrijk, koninklijk, oorspronkelijk,  jonkvrouw, (on)afhankelijk, aanvankelijk, aanhankelijk, vergankelijk, toegankelijk, ontvankelijk, gevankelijk en nog een paar.  Ik bedoel de k’s midden in die woorden. Dat zou toch in al deze gevallen een gmoeten zijn want koninkrijk hangt immers samen met koningoorspronkelijkmet oorsprong, aanvankelijk met aanvang, enzovoorts. Hoe dat komt, laat de geschiedenis van deze woorden zien.
Lees verder >>

Driewerf natuurlijk

door Jan Stroop 
                                                                          over een verminkt katholiek gezang

In de periode dat de katholieke kerk aan vernieuwing deed, is ook ’t smeekgebed  aan ’t begin van de mis, ’t Kyrie eleison, onder handen genomen. Dat Gregoriaanse gezang bestond vanaf de 8e eeuw uit drie maal drie Griekse tekst- annex muziekregels: 

Kyrie eleison  (‘Heer ontferm u onzer’
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Christe eleison
Christe eleison
Christe eleison
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Er bestaan op die tekst verschillende melodieën, genoteerd zoals op dit voorbeeld uit Vierde mis. Achter elke regel is met [iij] aangegeven hoe vaak die gezongen wordt. De allerlaatste (9e) regel heeft een extra versiering.

Lees Renate Rubinstein!

door Jan Stroop

’t Zal Karel van het Reve wel weer geweest zijn (of W.F. Hermans) die zei dat de houdbaarheid van een schrijver niet afhangt van de inhoud van zijn verhaal maar van zijn stijl. Als iemand daar ’t  bewijs van is, is ’t wel Renate Rubinstein. 
Terwijl ik bezig ben aan een artikel over dan in combinaties als niets dan afgunst, niemand dan Marc, en ook ’t beruchte niet dan nadat, schiet me te binnen dat ik over dat laatste bij Renate Rubinstein wel eens ’n slimme opmerking gelezen heb. Ik wil die in dat artikel citeren want ’t wordt er beslist aardiger door.
Maar waar staat die passage?! Ik weet alleen: ergens op een linker bladzijde. De drie delen Verzameld Werk van RR, die na haar dood verschenen, dat zijn bij elkaar ruim 1200 linkerbladzijden! Dus maar bladeren, bladeren, bladeren. Gaandeweg werd dat bladeren lezen, want er is geen bladzijde in die gigantische stapel papier die niet minstens even, en vaak langer je aandacht vasthoudt. En eindelijk toch die passage gevonden, op ’n rechterbladzijde!  Hij volgt hier.

Lees verder >>

Vlinder en zijn heteroniemen

door Jan Stroop

Afgelopen weekend was er tuinvlindertelling, georganiseerd door de Vlinderstichting. Een gelukkig toeval was dat het weer de tellers bijzonder mee zat. Er werden meer dan 180.000 vlinders geteld. De winnaar was de dagpauwoog,  nummer twee de gamma-uil en drie ’t koolwitje. De complete lijst van alle getelde vlinders omvat 36 namen voor even zoveel soorten vlinders.  Of er voor bepaalde vlinders in bepaalde dialecten nog andere benamingen bestaan of bestonden, weet ik niet. ’t Zou kunnen, want voor de ‘vlinder-in-het algemeen’ waren die er wel. Dat is te zien op onderstaand dialectkaartje. 

Lees verder >>

Als De Schutter dat geweten had, of zou geweten hebben…

door Jan Stroop


Georges de Schutter betoogt in zijn artikel ‘De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?’ dat metrum en ritme belangrijke factoren zijn bij de keuze van de volgorde in de werkwoordsgroep. ’t Is een artikel dat zich niet leent voor lezing bij hoge temperaturen. Marc van Oostendorp geeft er in zijn blog de essentie van weer: we zeggen liever gelopen had dan had gelopen, omdat de eerste volgorde beter klinkt. Dat laatste vind ik ook, maar de vraag is of dat ‘klinken’ wel uit dit onderzoek geconcludeerd mag worden. De Schutter baseert zich namelijk op geschreven taal, een roman van Hella Haasse en teksten uit twee Vlaamse kranten (Knack en De Standaard) van journalisten die beide volgordes door elkaar gebruiken, de rode (had gelopen) en de groene (gelopen had) volgorde. Zo heten ze nu eenmaal, sinds ze met die kleuren door Anita Pauwels op haar dialectkaarten weergegeven werden.

KLOPT!

Door Jan Stroop

Als je mag afgaan op ’t Corpus Gesproken Nederlands (CGN) komt de uitdrukking dat klopt (of kortweg: klopt) in de spreektaal gemiddeld ongeveer twee keer per uur voor. Dat klopt scoort in ’t CGN 1671 keer, dat wil zeggen 311 keer in ’t Vlaamse deel, 1360 in ’t Nederlandse. De totale omvang van ’t CGN is ongeveer 900 uur, vandaar ‘ongeveer twee keer per uur’. In percentages haalt Vlaanderen 18,6 %, Nederland  81,4 %  en dat wil zeggen, gelet op de kwantitatieve verhouding tussen ’t Vlaamse en ’t Nederlandse deel (40%-60%), dat de Nederlandse sprekers veel vaker dat kloptzeggen dan de Vlaamse. Ook blijkt dat dat klopt in alle soorten gesproken Nederlands voorkomt, behalve in ’t subcorpus ‘ceremonious speeches/sermons’.

Lees verder >>

Rijksmuseum: Geschiedjuweel

door Jan Stroop

Kijk bij een bezoek aan ’s Rijks museum  in Atrium West ook eens langs de  linkermuur omhoog. Dan zie je een groot  paneel met een interessante tekst.  Er staat:




“Aen d’Amstel en aan ’t Y, daer doet sich heerlijck ope
Sy die, als Keyserin, de kroon draeght van Europe.”
’t Geschiedjuweel, dat blinkt aan dien doorluchten krans
Vindt in dit heiligdom zijn echten wederglans. 

Lees verder >>

Rijks museum

door Jan Stroop

In haar column van maandag 8 april (Volkskrant) uit Aaf Brandt Corstius haar ongenoegen over de spatie tussen Rijks en museum zoals die te zien is in ’t nieuwe logo van ’t museum. Ze is niet de eerste. Zelden heeft een lege ruimte zoveel beroering veroorzaakt, in kleine kring welteverstaan. Aaf stoort zich vooral aan de argumenten van ontwerpster Irma Boom. Twee ervan gaan over ontwerpaspecten, maar ’t tweede argument raakt de taalkunde en dus mij.  Ik citeer Aaf: “Voor haar ‘gevoel’ zijn het twee woorden, vanwege de koosnaam Rijks.”  Haar is dus Irma Boom.

Ik denk ook dat Rijks en museum twee woorden zijn, maar dan vanwege de historie.
Lees verder >>

TEEN

Over regel 5 uit ’t Egidiuslied

Door Jan Stroop

Door de recente verschijning van ’t kapitale boek van Frits van Oostrom, Wereld in Woorden, over de 14eeeuwse literatuur, kwam de herinnering aan een oude kwestie weer bij me op: de interpretatie van regel 5 van ’t Egidiuslied uit ’t Gruuthusehandschrift. Ik heb jaren geleden over die regel een voorstel gedaan in de afscheidsbundel voor Wim Klooster, maar niet bij iedereen geloof gevonden. Omdat ik intussen nog weer meer argumenten verzameld heb en omdat ik ervan houd ’t laatste woord te hebben, kom ik er nog eens op terug.

Lees verder >>

Dubben

Bij het doorzoeken van de Statenbijbel naar het gebruik van als en/of dan kwam ik opeens deze zin tegen:

 “Als radeloose, die met gedurich dencken, ende dubben, den tijt vast slijten, ende niet sekers besluyten, nochte tot de sake en doen (Statenbijbel, Genesis XLII 1637).
Een mooie vondst want dit citaat ontbreekt in het Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT).
Maar ik was vooral verbaasd. Dat gebruik van dubben leek wel een omgekeerd anachronisme. Voor mijn gevoel was dubben namelijk een modern woord dat je al helemaal niet in die statige Statenbijbel zou verwachten. Dat gevoel bleken nog een paar mensen te hebben, reden om eens na te gaan waar dat gevoel vandaan komt of op berust. 

Lik op stuk


“Net als voorgaande jaren zal er ook tijdens de komende jaarwisseling hard worden opgetreden tegen veroorzakers van ongeregeldheden. Zoveel mogelijk wordt lik-op-stuk-beleid toegepast.” Aldus een persbericht van het Openbaar Ministerie van 21 december. De personen die ’t betreft weten natuurlijk dondersgoed wat dat lik-op-stuk-beleid inhoudt:  (super)snelrechtzittingen en  meteen uitzitten van opgelegde gevangenisstraffen, maar waar de uitdrukking vandaan komt en wat ie oorspronkelijk betekende, daarover zullen zich wel nooit ’t hoofd gebroken hebben, vermoed ik. Dat heb ik wel gedaan.

Lees verder >>

Zaaddodend

In NRC Handelsbladvan zaterdag 15 december kwam ik twee keer ’t adjectief zaaddodend tegen in figuurlijke betekenis. Dat verbaasde me, want je komt dat woord in die betekenis zelden tegen, zei mijn gevoel. Dat gevoel heeft me niet bedrogen, want de Krantenbank wijst uit dat dit zaaddodend gemiddeld één keer per jaar voorkomt.
De eerste attestatie is in een artikel in De Volkskrant van 20 februari 1995. Marcel van Lieshout schrijft daar over het ‘zaaddodend proza’ dat ie in ’t blad Opzij aantreft. Ik noem hem omdat hij hoogstwaarschijnlijk de eerste is die zaaddodendzo gebruikt, want ook in de database ‘Historische Kranten’ van de Koninklijke Bibliotheek heb ik geen ouder voorbeeld  aangetroffen.
Lees verder >>

Oorrijm

’t Stukje van Bas Jongenelen  over oogrijm (Neder-L van 26 november) herinnerde me aan een versje van Constantijn Huygens dat je vanwege de rijmwoorden als een geval van oorrijm zou kunnen zien. Nu is rijm altijd een kwestie van klankovereenkomst, maar in dit geval speelt ’t oor toch een bijzondere rol. ’t Versje dateert van 21 April 1685: 
Masteluijn.
Tom is geneight
To studie at night,
Most of his cares
Zijn by de kaers.


Lees verder >>

Sub Signo Libelli begint ’n tweede leven

De belangrijkste ‘drukker in de marge’ van Nederland, Ger Kleis, heeft een streep gezet onder zijn activiteiten als drukker/uitgever. Die activiteiten beslaan de periode 1974 tot 2011. Het drukken zelf gebeurde in de marge van zijn baan als docent Nederlands aan ’t Barlaeusgymnasium te Amsterdam. Kleis heeft roem verworven met zijn exclusieve bibliofiele uitgaven van werk van onder anderen Gerrit Komrij, Boudewijn Büch en Frédéric Bastet. In totaal omvat de lijst van het drukwerk Sub Signo Libelli 258 titels.

Lees verder >>

Raar

De r en de l vormen samen de groep van de liquidae, de vloeiklanken, die zo heten omdat  de lucht vrijelijk langs de tong kan uitstromen. Hun articulatieplaats is dezelfde, maar bij de ene, de l, ligt de tong stil, bij de andere ratelt die r. Dat ratelen is trouwens maar betrekkelijk: er zijn heftige ratelaars, de tongpunt r bijvoorbeeld, en er zijn r’s waarbij de tong nauwelijks of niet beweegt. Door hun identieke articulatieplaats zijn ze sterk verwant. Dat blijkt bijvoorbeeld doordat ze in sommige talen in elkaars plaats kunnen komen.  Dat is mooi te zien bij de leenwoorden in ’t Surinaams,  ’t Sranan.

Jan Stroop: Waarom niet Nederlandistiek?

’t Weblog dat heden jubileert, kennen we als Neder-L. De ondertitel luidt: “Elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek”. Vreemd die verschillende vormen, Neder- en Neer-. Een beetje halfslachtig ook. Ze herinneren aan de discussie die jaren geleden gevoerd werd over de naam van ’t vak dat wij beoefenen. ’t Was de Groningse hoogleraar Heeroma die ermee begon en die voorstelde de traditionele benamingen neerlandistieken neerlandicus te vervangen door nederlandistiek en nederlandist, Hij gebruikte die benamingen zelf al sinds 1958.

In zijn boek  Sprekend als Nederlandist(1968) legt Heeroma uit dat ie tijdens zijn verblijf in ’t buitenland gemerkt had dat de term neerlandicus daar onbruikbaar is en bevreemding wekt, o.a. doordat ie afwijkt van benamingen als germanist en romanist. Neerlandicus is trouwens potjeslatijn, aldus Heeroma. ’t Is een 19e-eeuwse creatie, net als ’t vak Nederlands zelf; zie ’t stuk van Joop van der Horst.

Lees verder >>