Auteur: Jan Stroop

Jan Stroop is geen gastonderzoeker meer bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 3

door Jan Stroop

Mijn zoontje op bezoek op ’t Dialectenbureau, op z’n eerste verjaardag, 26 oktober 1966; voor hem drie stapels fiches

Ik kreeg opeens een idee. Oom en tante woonden in een bovenhuis aan de Sarphatistraat, vlak bij de Muiderpoort. Ik had in ’t verleden vaak bij ze gelogeerd. En dat was altijd leuk geweest. Misschien zouden ze me nu wel tijdelijk onderdak willen geven. En dat bleek ’t geval te zijn. Probleem opgelost. Bovendien: de Sarphatistraat is op loopafstand van de Nieuwe Hoogstraat: je loopt de  Plantage Middenlaan af en dan ben je er praktisch al.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), 2

door Jan Stroop

 

 

Mijn eerste werkdag, 15 augustus 1966, begon ik met een rondgang langs de drie afdelingen om me aan iedereen voor te stellen.  In ’t eerste lokaal zetelde de administratie. De drie meest rechtse ramen op de foto bij mijn vorige stukje waren dus die van de administratie. Er werkten daar zo’n drie of vier personen. In ’t lokaal ernaast, dat zijn de volgende drie ramen, zat ’t Dialectenbureau.

 

Lees verder >>

Jan Stroop: Neerlandistiek in de gloria

door Jan Stroop

Toen de Landelijke Vereniging van Neerlandici (de LVVN) in 2001 actie voerde onder ’t motto ‘Zorg om het schoolvak Nederlands’, lees mijn congrestoespraak, hadden we te maken met politici, die wel commissies instelden om te komen tot een vernieuwing van het examenprogramma Nederlands, maar die de rapporten van die commissies naast zich neerlegden of zelfs beleid bedachten dat inging tegen de aanbevelingen van de eigen commissies. Minister Netelenbos orakelde: ”Als je naar leraren luistert, verandert er nooit iets.”

Waaruit bleek dat ze naar niemand wilde luisteren. Net als haar opvolgster, minister Van der Hoeven. Toen de LVVN ’t resultaat van de actie, een pakket handtekeningen van leraren die veranderingen wilden, aan de minister mocht aanbieden, zei de minister vooraf, dus zonder dat ze kennis genomen had van ’t doel van actie, dat ze er zich niets van aan zou trekken. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik)

Door Jan Stroop

Dat ik begin 1966 solliciteerde bij ’t Dialectenbureau kwam door mijn promotor, prof. Weijnen. Die was er steeds op uit om zijn afgestudeerden aan een baantje te helpen. En dat lukte hem aardig:  het hele Instituut voor Lexicologie in Leiden bijvoorbeeld zat er vol mee: Piet van Sterkenburg, Hans Heestermans en Fons Moerdijk. Allemaal West-Brabanders trouwens, net als ik. Omdat er in Leiden geen vacature was, zocht Weijnen elders een betrekking voor me. Zo ging dat toen. Weijnen kende Jo Daan natuurlijk, ze waren collega’s en ze zaten in dezelfde commissies, en zo hoorde hij van haar dat er op ’t Dialectenbureau in Amsterdam een vacature was ontstaan. “Dat lijkt me wel iets voor u, mijnheer Stroop (we vousvoyeerden nog)”. Je kon op zo’n suggestie moeilijk ‘nee’ zeggen, maar ik was al lang blij dat ik niet naar dat ’t Woordenboek hoefde, want dat leek me niets. Bovendien had Amsterdam me altijd al getrokken, ik was er regelmatig bij familie op vakantie geweest. Daar nu een baan te krijgen, dat was eigenlijk wel wat.

Voor ’t sollicitatiegesprek moest ik me vervoegen op ’t adres Nieuwe Hoogstraat 17. Lees verder >>

Poldernederlands 20 jaar

Vandaag is ’t 20 jaar geleden dat ik ’t Poldernederlands ontdekte, toen ik Trijntje Oosterhuis tijdens de Dodenherdenking van 4 mei 1997  ’t gedicht ‘Geoorloofd’ hoorde voordragen. Dat fragment is hier te zien.

Geoorloofd – Ted van Lieshout

Alles aan oorlog is fout.
Zelfs de vervoeging
van het woord houdt
zich niet aan de regels
van sterk en zwak:
de verleden tijd

van oorlog is vrede.
Maar de verleden tijd
van vrede is oorlog.
Is het daarom dat er steeds

weer oorlog is en steeds
weer vrede? Omdat tijd
wel voorbij kan gaan
maar nooit is voltooid?
1997

Lees verder >>

Gedicht: Giel van Gastel – Mei

MEI

De lucht zit vol vorjaor.
Overal ruuk ’t naor
pas gemaaid gras.
Op ’t vèldje vor ’t uis
zit òòns vaoder.
Z’nen aomer slao gaoten
in de stilte van d’n aoved.
t Blad van z’n zeissie, dà blienkt
in ’t licht van de ljigge zon.
’t Zal nie laang mjir duure,
of d’n buurman gienderwijd,
die begien-d-ok.

Oe zou ‘k ’t vegeete?
’t Kètse van ijzer op staol.
’t Vulde de buurt en m’ne kop
– aoved aon aoved –
jil ’t vorjaor dur. Lees verder >>

“Maar ’t is eigenlijk Oleislagers”

door Jan Stroop

Over persoonsnamen en de lexicale leemte

De opkomst van de diftongering van lange ii of ij [i:] ging aanvankelijk voorbij aan persoons- en familienamen. Die bleven buiten schot, overeenkomstig mijn ‘theorie’ van de lexicale leemte, net zoals dat bij plaatsnamen ’t geval was; zie mijn eerdere stukje. Een naam is ’t bezit van een persoon of familie. Die bepalen hoe hun naam wordt uitgesproken.

Alle familienamen waarin een ij voorkomt, werden vroeger, laten we zeggen tot 1600, uitgesproken met een lange ie [i:], net zoals dat bij gewone substantieven ’t geval was: [ki:ken, wi:n, Spi:kers, Pi:pers].

Lees verder >>

Straatmadrein

Door Jan Stroop

Op 3 januari heb ik op de Facebookpagina Kring Surinaams-Nederlands dit bericht geplaatst:

“In de Surinaamse kringen waar ik in verkeer gebruikt men de benaming ‘straatmandarijn’ voor iemand die maar op straat rondhangt in plaats van rustig thuis te zijn. Is dat woord algemener bekend?”

Daar kwamen nogal wat reacties op die allemaal te vinden zijn op genoemde facebookpagina. Ze komen aan de orde in wat nu volgt.

Lees verder >>

Kiek in de pot

over plaatsnamen en de lexicale leemte

door Jan Stroop

kijk-in-de-pot-2-scan0004Klankveranderingen als de diftongering van de lange [i:] verbreiden zich woord voor woord, schreef ik in m’n vorige stukje. Ze hebben een woord als voertuig nodig zou je kunnen zeggen. Als een woord in ’t ontstaansgebied van de klankverandering ontbreekt, blijft dat woord in ’t ontvangende gebied onveranderd. Waarom zeggen ze in  West-Brabant spieker? Omdat Antwerpen ’t woord spijker niet kent.  Dat is daar een leemte in ’t lexicon.

Lees verder >>

De leraar Nederlands en z’n spagaat

Door Jan Stroop

Schriftelijke weergave van mijn spreekbeurt op de conferentie Het schoolvak Nederlands te  Gent, 19 november 2016.

spagaatDe leraar in de moedertaal heeft ’t moeilijker dan iemand die anderstaligen Nederlands moet onderwijzen. Hij heeft te maken met een tegenstelling tussen twee krachten, die ik nu maar noem natuur en cultuur.

Onder natuur versta ik de gave die de mens heeft om zich vanaf zijn geboorte in een razend tempo te ontwikkelen tot een perfecte spreker van de taal die hij anderen hoort spreken. Dat proces is al min of meer voltooid voor ie naar school gaat.

Lees verder >>

Waarom ze in West-Brabant ‘spieker’ bleven zeggen

Door Jan Stroop

Over woordinruil en lexicale leemtes

Op 26 oktober publiceerde Marc van Oostendorp een blog waarin hij ’t verschil beschreef tussen veranderingen van een klank die in alle betrokken woorden tegelijkertijd en in dezelfde mate gebeuren en klankveranderingen die zich woord voor woord voltrekken.

Het eerste type verandering illustreert hij met de verlaging van ij naar aai, die van ’t Poldernederlands dus. Van klankveranderingen die woord voor woord verlopen, geeft ie als voorbeeld ’t Engels waar soms weleens een slot-d of –t wegvalt, maar niet altijd. Wel bijvoorbeeld in ice cream (van iced cream), maar (nog) niet in mashed potatoes.

Van veranderingen die woord voor woord gaan zijn ook een andersoortige voorbeelden te geven dan deze incidentele assimilaties. Die voorbeelden betreffen bijvoorbeeld de klankverandering in ’t stadium dat voorafging aan de verlaging ei/ij > aai.

Lees verder >>

Wat dat te gaat

door Jan Stroop

In de NRC van donderdag 11 augustus signaleert Ewoud Sanders ‘een opmerkelijk taalverschijnsel’, namelijk de uiting ‘wat dat te gaat’ voor wat officieel luidt ‘wat dat aangaat’, in de betekenis ‘wat dat betreft’. Zelf heb ik op zijn aanwijzing al geconstateerd dat ‘wat dat te gaat’ inderdaad al heel wat keren op internet te vinden is. Sanders concludeert dan: “Kennelijk is de uitdrukking wat dat aangaat ( wat dat betreft ) niet meer bij iedereen bekend. Bovenstaande voorbeelden komen van jongeren.”

’t Oudste voorbeeld bij Google is uit 2002: “Episode III is wat dat te gaat een verhaal apart; onwijs cool, sterk geacteerd.” Daarna komt de uitdrukking gemiddeld één keer per jaar voor. Pas vanaf 2009 wordt ie frequenter.

Ik vraag me af hoe deze variant heeft kunnen ontstaan. Lees verder >>

Hofland over taal

door Jan Stroop

Hofland“ Als ik me eenzaam voel schrijf ik een stukje over de taal en de brieven stromen binnen.”

De laatste column over taal die Henk Hofland als S. Montag schreef, heette  ‘Oorverdoving’. Hij stond op zaterdag 28 mei 2016 in de krant en ging o.a. over ‘superleuk’ een ‘nieuwe’ term om extreme waardering uit te drukken woord. Een typisch Hoflandiaanse taalcolumn: hij signaleert een nieuw verschijnsel, meestal een woord, beschrijft wat hij opgemerkt heeft en zoekt in zijn geheugenarchief naar parallelle gevallen.

Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘hark’

 

houten hark3Terwijl we bij de hooivork en de etensvork in een vorige column zagen dat we hun namen voor een belangrijk deel (hooivork) of zelfs allemaal (etensvork) te danken hebben aan de Romania, ’t Latijns-Franse taalgebied, is dat bij de hark niet ’t geval. Alle benamingen zijn Germaanse ‘erfwoorden’. Ik heb er in 1966 bijgaande proefkaart van getekend. Die toont de verspreiding van de namen van de houten hooihark, maar die is vrijwel gelijk aan die van de namen voor de ijzeren tuinhark.  Ik onderscheid de volgende types:  reek, rijf, hark, griessel en toge.

Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etensvork’

door Jan Stroop

Met een vork eten, dat doet de mensheid nog niet zo lang. Eerst was er alleen een mes of iets wat daarop leek, daarna de lepel. Er waren wel vorken, al in de Romeinse tijd. Maar die werden in de landbouw gebruikt, onder andere om hooi en stro te verplaatsen.  Zie mijn vorige blog.

De oudste vermeldingen van de etensvork zijn uit de vroege Middeleeuwen. De vorken zijn dan nog van goud of zilver en worden alleen gebruikt door de adel en andere hooggeplaatsten. De Byzantijnse prinses Maria Agyropoulaina baarde in 1004/5 opzien door in Venetië een kleine gouden vork te gebruiken. Dat was ze thuis in ’t ouderlijk paleis gewend!  Jacob van Maerlant kende ’t verhaal en hij schrijft er in zijn Spiegel Historiael(1301-1325) met verbazing over: 

Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaarten ‘hooivork’ en ‘houten vork’

door Jan Stroop
Een van de aardigste bezigheden die ik op ’t Meertens instituut te doen had, was ’t tekenen van proefkaarten voor de Taalatlas. Je voelde je een beetje ambachtsman en bij dat tekenen kon je ook regelmatig verrast worden. Geen twee taalkaarten zijn namelijk ’tzelfde en terwijl je doende bent de symbooltjes een voor een op de invulkaart in te tekenen, nemen de verschillende woordgebieden hun unieke vorm aan. Lijkt een beetje op ’t ontwikkelen van een foto, waarbij de afbeelding ook langzaam tevoorschijn komt.

Lees verder >>

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit” (Vincent van Gogh)

 door Jan Stroop

De bijzin zonder ‘dat’, anno 2016

<!–Bij mijn lectuur van de brieven van Vincent van Gogh waren me twee grammaticale eigenaardigheden opgevallen. De eerste is ’t overvloedige gebruik van ’t wederkerend voornaamwoord bij begrijpen: ik begrijp me dat heel goed. Daar ging mijn vorige stukje over.

Het tweede verschijnsel dat me opviel is de gewoonte van Van Gogh om ’t onderschikkende voegwoord dat weg te laten in zinnen als:  ik hoop het hem goed zal gaan (7 augustus 1873);  ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit (22 september 1884)

 

Zinnen die beginnen met de frase ik hoop, ik denk, ik geloof of ik ben blij die gevolgd wordt door een bijzin zonder dat zijn in Van Goghs brieven frequent aanwezig. Een kleine selectie:
Ik hoop zoo wij elkaar voor dien tijd nog eens zien zullen, 17 maart 1873
Ik hoop het hem goed zal gaan, 7 augustus 1873
Ik ben blij het jelui zoo goed gaat, 16 oktober 1873
Ik geloof hij een beste kerel is, januari 1873
Ik ben blij je in Amsterdam geweest bent, 20 februari 1874
Ik denk wel gij het goed zult vinden ik meteen er op doorging om iets vasts te bewerken, 18 december 1883 (in deze zin zelfs twee keer een ontbrekend dat)

Maar ook in zinnen met een andere inleiding wordt dat weggelaten:
’t Is een jaar geleden ik ziek werd, 23 december 1889
het is maar goed ik niet in Parijs ben gebleven, idem

Leuk onderwerp voor een volgend stukje, dacht ik dus. Ik was al volop bezig met verzamelen, toen ik bij ’t uitbreiden van m’n horizon dit artikel van Joop van der Horst tegenkwam: ‘Is weglating van het voegwoord dat typisch voor 19de-eeuwse vrouwen?’ ’t Is uit 1990. ’t Antwoord op zijn vraag kon ik met mijn hand op Van Gogh al geven, maar wat verder in dat artikel stond, maaide alle gras voor m’n voeten weg. Daar gaat mijn stukje, dacht ik.

Want ’t is niet niks wat Van der Horst gevonden heeft. Dat de constructie al in ’t Middelnederlands voorkomt, dat je ’m in de erop volgende eeuwen ook aantreft, zij ’t spaarzaam, en dat ’t gebruik in de 19e eeuw sterk toeneemt. ’t Idee dat ’t vooral vrouwen zijn die ’t deden, blijkt, ook volgens Van der Horst, geen stand te houden. Verder is ’t een verschijnsel van de schrijftaal, maar wel zijn ’t in meerderheid ‘minder geoefende schrijvers’ die dat weglaten, als hoedanig ik Van Gogh trouwens niet zou willen kwalificeren.

Hiermee was alles wel gezegd, dacht ik, totdat ik las: “Voor zover mij bekend komt ze [de constructie zonder dat] tegenwoordig niet meer voor”, wat Van der Horst later nog eens herhaalt: “In de tweede helft van de 20e eeuw verdween de dat-loze constructie”. Voorgoed, lijkt dat te suggereren. Maar dat is toch anders gelopen. In de jaren vanaf 2000 is een opvallende ontwikkeling te zien en daar wil ik nog wel wat over te zeggen.

In de 21e eeuw zijn de dat-loze constructies namelijk volop aanwezig en dat in toenemende mate. Met wat vernuft zijn ze ook goed te vinden. Bedenk wel, ik moest zoeken naar iets wat er niet is! Hoe doe je dat? Ik besloot uit te gaan van de frases die bij Van Gogh veel voorkomen: ik hoop.., ik ben blij.., ik denk.., en dergelijke.

Dit zijn de resultaten van Google, waarin ik, net als bij de overige resultaten, het weggelaten dat weergeef met ø.
Vóór 2000: geen gevallen
Oudste voorbeeld: ik ben blij ø ik op de pinto ben, 24 februari 2002.
Daarna t/m februari 2016 101 gevallen van:
Ik denk ø ..
Ik dacht ø ..
Ik ben blij ø ..
Ik geloof ø ..
Ik wou ø

Bij Delpher vond ik deze zinnen uit de tweede helft van de 20e eeuw:
Ik dacht ø hij allang dood was, 1952
We zijn blij ø we geen les meer hebben, 1966
Ik dacht ø hij je dochter gekrabd had, 1983
Ik dacht ø hij ziek was, 1987
Ik dacht ø hij mijn droomprins was, 1994
Helemaal afwezig is de constructie in deze periode dus niet. Gegevens uit de 21e eeuw heeft Delpher op dit moment nog niet.

Dan de krantenbank LexisNexis, die de complete tekst van alle Nederlandstalige dag- en weekbladen vanaf de jaren 1990 bevat. ’t Oudste citaat daar is uit 1992: Ik denk ø hij gelijk heeft als men de invloed van de kerken in Nederland bestudeert. Vóór 2000 zijn er dan nog zeven gevallen. Vanaf dat jaar tot nu toe heb ik er 63 geteld.

De meeste LexisNexis-citaten zijn van sportjournalisten en het betreft dan vaak aangehaalde woorden van spelers en trainers:
“Ik denk ø hij zijn comeback nu echt heeft aangekondigd”, 2012
“Ik denk ø hij het nu al waarmaakt door gewoon te zijn wie hij is”, 2013
“Ik denk ø hij hier snel een hecht team van zal weten te smeden”, 2013
“Ik denk ø hij in een man-tot-man-gevecht de snelste is”, 2014
“Man, ik ben blij ø ik even met jullie kan praten”, 2014
“Ik ben blij ø ik toch belangrijk kon zijn”, 2014

Opvallend frequent is in de moderne krant de ø-zin die met ik dacht begint:
Ik dacht ø hij boos was, 2012
Ik dacht ø hij in Duitsland was, 2013
Ik dacht ø hij misschien bijkluste, 2013
Ik dacht ø hij zichzelf zou redden, 2015
Ik dacht ø hij heel arm was, 2015
Ik dacht ø ze zou schieten, 2016 (door de verleden tijd zou is dit een bijzin)

Minder frequent zijn die met een ander onderwerp als:
Hij dacht ø hij in mekaar geslagen zou worden’, 2012
Ze dacht ø ze zwanger was van één baby, 2012

Ook in ’t Corpus Gesproken Nederlands heb ik enkele (4) ø-zinnen gevonden:
Ik denk ø we veilig kunnen zeggen dat meer onderzoek gewenst is.
ik denk ø ’t toch een soort evenwichtsstoornis is.

Mijn verzameling is zeker niet volledig, maar omvat, schat ik, toch wel 90% van de ø-zinnen uit drie data-verzamelingen, Delpher, Google en LexisNexis. Ik veroorloof me daarom de volgende constateringen.

De nieuwe zinnen-zonder-dat zijn geen voortzetting van die uit de eerste fase.  Er is een tussenfase, van ongeveer 1950 tot ca 2000, waarin de ø-zin sporadisch voorkomt. Na 2000 neemt ’t gebruik ervan ‘explosief’ toe.

Het verschijnsel doet zich voor bij alle (?) verba dicendi en sentiendi. Verreweg de meeste bijzinnen zijn objectszinnen. Na ik ben blij volgt een oorzakelijk voorwerpszin. Bij Van Gogh kom je ook subjectszinnen tegen. Die zullen er ook in de corpora wel zijn. Gericht zoeken is vrijwel onmogelijk. Daarom daarvan maar één voorbeeld: Tis al langer dan een jaar geleden ø we in de Revue hebben gespeeld. Google 2015.

Was de zin zonder dat tot circa 1950 alleen in de schrijftaal aanwezig (voor zover we weten), tegenwoordig hoort ie juist specifiek tot de spreektaal of de informele schrijftaal van Google. En dat is meestal ook spreektaal, bijvoorbeeld als in dit geval: “Ik denk ø hij foto’s maakt voor de krant”, antwoordde ik (was in 2001 gezegd en geschreven door Ewoud Sanders). Belangrijk is wel dat de citaten gevonden zijn via frasen als ik denk, die meestal spreektaal genereren.

Anders dan in de 19e eeuw blijkt het weglaten van dat onderdeel te zijn van een algemenere tendens. Je kunt nu ook zinnen vinden waarbij of weggelaten is:
Google:
Ik vroeg ø hij me wilde helpen om de plug er eventjes uit te halen
, 2010
Ze vroeg ø wij meegingen naar een café hier op de markt, 2010
Hij vroeg ø ik hem wilde starten, 2010
Toen ik vroeg ø hij hierbij kwam, vertelde de man mij het volgende, 2013
Als ik vroeg ø hij vreemd ging, zei hij van niet, 2014

Van der Horst heeft in 1990 ook een verklaring voorgesteld voor de bijzinnen zonder dat. Na de Middelnederlandse periode waarin voegwoorden vaak gecombineerd werden met dat (doe dat, want dat, wat dat, enz. ), verdween dat daar als ongewenst. Dat had tot gevolg dat onzekere schrijvers dat ook weglieten waar het ‘al bijna verplicht geworden is’: hypercorrectie dus.

Hypercorrect kun je ’t weglaten van dat tegenwoordig natuurlijk niet meer noemen. Vraag is wat dan wel de oorzaak is van deze (nieuwe) ontwikkeling. Je kunt ø beschouwen als een een lege complementeerder, zoals die voorkomt in ’t Engels: He asked ø she said yes, I knew ø you knew ø he knew. Die laatste frase is ook de titel van een artikel van Jaap de Rooy uit 1965 (Taal en Tongval). De Rooy doet daarin verslag van een onderzoek naar ’t gebruik van zinnen zonder dat in de Nederlandse dialecten.

Bij hem gaat ’t om objectszinnen met hoofdzinsvolgorde: de meid zei hij had gelijk; de brouwer zegt het is te duur…. .  Maar terwijl in ’t Engels daar een voegwoord wel mogelijk is, I knew that you knew him, het betreft daar bijzinnen, is dat in ’t Nederlands onmogelijk of, voorzichtiger gezegd, ongebruikelijk: *de meid zei dat hij had gelijk. 

Ook de hierboven genoemde werkwoorden kunnen zonder voegwoord gevolgd word door een bijzin in hoofdzinsvolgorde:
Ik denk hij heeft gelijk; ik geloof ze heeft gelijk  (Google)
Maar ik hoop hij zal wel wat soetter worden (scheepsbrief uit 1777)
Ik meen hij is accountant of zo iets  (uit Awater, Nijhoff)

Maar ook in deze zinnen kun je geen voegwoord dat invoegen, vanwege die hoofdzinsvolgorde. Ik heb in de corpora geen zinnen aangetroffen als *Ik geloof dat ze heeft gelijk; *de meid zei dat hij had gelijk. Ik kan ze zelf ook niet zeggen. Dus is daar ook geen lege complementeerder aanwezig.

Over de echte zinnen-zonder-dat zegt  Reichling (Het woord 1935, 280): “Dat ‘woord’ [dat] is volstrekt niet noodzakelik om de betrekking te ‘denken’. [….]. Ook wíj kunnen zeggen: Ik geloof, dat-ie komt en: Ik geloof, hij komt. Maar in het eerste geval hebben we de afhankelikheid van het tweede zinslid ten opzichte van Ik geloof, uitdrukkelik verwoord, in het tweede geval niet.”  Voor de duidelijkheid, Reichling bedoelt met zijn tweede voorbeeld natuurlijk ook een bijzin, al kun je dat niet zien.

Tegenwoordig zeggen we dat in zinnen als ik geloof dat ze gelijk heeft en Ik vroeg of hij me wilde helpen de complementeerder dat resp. of aanwezig is. Is ie afwezig dan zou je kunnen spreken van een lege conplementeerder. Waarom die complementeerder tegenwoordig weggelaten kan worden en, zoals we gezien hebben ook steeds vaker weggelaten wordt, blijft nog de vraag.

Misschien leiden de volgende constateringen naar een antwoord. In mijn West-Brabants komen zinnen voor met de complementeerder at. Dat at verschijnt in verschillende gedaantes en verschijnt soms ook niet.
Ik denk ad Annie thuis is
Ik denk a Willem thuis is
Ik denk Willem thuis is

In bepaalde gevallen is alleen ’t assimilerende effect zichtbaar, een nagelaten spoor:
Ik wou fader meeging, waar de v van vader f geworden is door assimilatie aan de t van at, dat zelf onwaarneembaar blijft. Aan die f hoort de luisteraar dat er een bijzin volgt. Is er geen at dan blijft die v een vIk wou vaders verrassen.

In de Reeks Nederlandse Dialectatlassen, deel Noord-Brabant, vond ik deze zinnen:
Ik wou ’t (h)ondje een brief aar (aar is ‘had’)
Ik wou te post een brief brocht   (lidwoord te uit: at + deatte  > te)

Misschien moeten we gewoon maar constateren dat die complementeerder weggelaten kan worden omdat je aan de zinsvolgorde al ziet dat ’t een bijzin is en door het voorafgaande werkwoord zelfs ook wat voor een bijzin ’t is:
Ik vroeg hij met ons meeging
Ik twijfel hij nog komt
Ik verwacht hij nog komt
Ik denk ik kom morgen

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit”

Zich beseffen, zich bedenken, zich begrijpen

door Jan Stroop
Een paar weken geleden (12 januari) hoorde ik ’t weer, een nieuw wederkerend werkwoord. In ’t programma Nieuwsuurop NPO2 was oud-politiecommissaris Eric Nordholt present vanwege de voorvallen in Keulen. Hij ontrolde daar de volgende zin: “Ik denk dat, waar hij niet de problematiek, zoals die in Keulen was en is, eerder aan de orde heeft gesteld, kan ik me wel begrijpen dat als zoiets gebeurt, dat hij nu weg moet, omdat ie de zaken verzwegen heeft.” 

Nordholt zegt: me begrijpenOmdat ik ’t al eens gehoord heb uit de mond van oud-minister Jan Pronk, begin ik me af te vragen of we hier misschien met een taalverandering van doen hebben, van ’t type beseffen wordt zich beseffen

Lees verder >>

Kerst of Kerstmis

door Jan Stroop

Als mijn indruk juist is dan zeggen de meeste katholieken kerstmis, de overige  Nederlanders kerst. Dat zou dan ook geografisch enigszins zichtbaar moeten zijn: meer kerstmis-zeggers in ’t zuiden van Nederland, meer kerst-zeggers in ’t noorden. Maar daarover bestaan geen gegevens. Waar wel gegevens over zijn is de verandering in de verhouding tussen die twee in de loop van de tijd.

Lees verder >>

Hinderrijk

door Jan Stroop
Blijkbaar is ’t aan de aandacht van de lexicofielen ontsnapt, ’t woord waarmee ProRail zijn beleid voor ’t komende jaar typeerde: hinderrijk. ’t Stond in een kop in de Volkskrant van 15 oktober j.l.: “ProRail voorziet ‘hinderrijk’ jaar voor reizigers”. In ’t artikel werd de hinder gespecificeerd: “De ingrijpende werkzaamheden bij het belangrijkste spoorknooppunt van Nederland, Utrecht Centraal, leiden voor de treinreiziger tot een ‘hinderrijk’ 2016. De gevolgen van het werk in Utrecht, in combinatie met dat aan andere trajecten en stations, zijn zo verreikend dat spoorbeheerder ProRail nu al een waarschuwing afgeeft.” ’t Is geen alledaags woord. Waarschijnlijk hebt u ’t nog nooit ergens gelezen en zeker nooit gehoord.

Lees verder >>

Nogmaals Klaas Woudt (1923-2012)

door Jan Stroop
Op 6 november schreef Bart FM Droog in zijn blog over de legendarische Zaanse drukker, uitgever, publicist en dichter Klaas Woudt (1923-2012). Een  belangrijk aspect bleef daar onvermeld, diens belangstelling voor dialect. Klaas Woudt publiceerde jarenlang over ’t Zaans dialect, o.a. verzameld in Zaans voor beginners, en hij schreef verhalen in dialect. 
Woudt betoont zich in die stukken en verhalen een scherp waarnemer en een bekwaam beschrijver van de kenmerken van ’t Zaans. Hij is een van de eerste geweest die de befaamde overgang van Zaans oi in eu gesignaleerd heeft. Van het koike loopt in de keukenaar het keuke loopt in de keuke. Zijn stukken over dialect zijn, samen met een aantal verhalen, gebundeld in Deer hoor ik je. Gedachten over de Zaanse streektaal, 1984. De titel betekent: dat ben ik met je eens.  
In 1971 verzorgde Woudt ook een prachtige heruitgave van Boekenoogens De Zaansche Volkstaal, met een voorwoord van de dialectologe Jo Daan. Woudt heeft aan ’t idioticon een groot aantal nieuwe lemmata toegevoegd, o.a. dat van doeg, de van oorsprong Zaanse afscheidsgroet, die inmiddels, vooral in de gedaante doei, overal in Nederland en Suriname ingang gevonden heeft. ’t Boek werd, met weer nieuwe aanvullingen, nogmaals herdrukt in 2004.
Woudt heeft honderden lezingen gehouden over ’t Zaans, de Zaanse (streek)cultuur en de Zaanse molens. In 1991 maakte hij deel uit van de eindredactie van de Encyclopedie van de Zaanstreek. In 1984 is Klaas Woudt onderscheiden met de Cultuurprijs van de Gemeente Zaanstad.
Nog een paar titels:
De Zaanse Schans en recepten uit de keuken van De Hoop op d’Swarte Walvis, (met Anneke Ammerlaan en Jan Kuiper, 1993.
Molens: Een eerste kennismaking met een boeiend fenomeen, 1981.
Een stad aan de Zaan (Zaanstad), 1996.
Meer over de ‘andere’ Klaas Woudt:

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etter’

door Jan Stroop



’t Vakgebied dat mijn werkterrein werd toen ik in 1966 aangesteld werd bij ’t Dialectbureau, ’t latere Meertens Instituut, was de taalgeografie, meer in ‘t bijzonder de woordgeografie. Dat is   een vakgebied dat zich bezighoudt met de
verspreiding van heteroniemen en de verklaring van hun verspreidingspatronen op de landkaart. De woordgeograaf verzamelt de verschillende benamingen (heteroniemen) voor een bepaald begrip of een voorwerp, meestal door middel van vragenlijsten. 
De vragenlijsten die ’t Dialectbureau jaarlijks naar zijn correspondenten rondstuurde waren ook met dat doel opgesteld. De binnengekomen vragenlijsten werden dan doorgenomen om te zien of de antwoorden op een bepaalde vraag voldoende variatie vertoonden. Was dat ’t geval dan werden de antwoorden een voor een op fiches genoteerd die vervolgens naar naamtype geordend werden.

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart kaft

(met twee kaarten)
Door Jan Stroop
Van augustus 1966 tot augustus 1974 was ik medewerker van het Dialectbureau van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Mijn werk was o.a. ’t ontwerpen en uitgeven van kaarten voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland. Aflevering 9 van die Atlas is zodoende onder mijn supervisie tot stand gekomen. Ook de Toelichting met commentaren bij de tien taalkaarten. Vier van die commentaren zijn van mij.  
Na de voltooiing van de 9e aflevering ben ik doorgegaan met het maken van proefkaarten als voorbereiding voor aflevering 10. De bedoeling van proefkaarten was na te gaan of een onderwerp taalgeografisch interessant genoeg was voor publicatie in de Taalatlas. Het materiaal voor de proefkaarten werd voornamelijk geleverd door de korrespondenten van het Dialectbureau die de jaarlijkse vragenlijsten beantwoordden.
Aflevering 10 van de Taalatlasis door collega’s voltooid, toen ik al weg was bij ’t Dialectbureau. Voor een aantal van de gepubliceerde kaarten heb ik nog wel ’t voorwerk verricht, o.a. in de vorm van zulke proefkaarten. Dankzij de pas gelanceerde Kaartenbank van Nicoline van der Sijs, heb ik ze na bijna 50 jaar weer onder ogen gekregen. En ik was verrast. Misschien aardig om er voor Neder-L wat over te vertellen.

Lees verder >>

De nummer één

door Jan Stroop

Kortgeleden zag ik op de website Taalmeldpunt.nl de volgende melding: “Flexa, het nummer één verfmerk voor doe-het-zelvers.” De melder vond kennelijk dat het nummer één een vreemde formulering is en inderdaad je leest en hoort in dit soort combinaties steeds de nummer één met ’t lidwoord de.  Paar voorbeelden uit Google:  De nummer één uien leverancier van Europa. Waarom is Engels de nummer één wereldtaal?  
Meestal gaat ’t bij de nummer één om sportverslaggeving, zoals hier:
Novak Djokovic is weer de nummer één op de wereldranglijst.
In mijn ogen is Barça nog altijd de nummer één van Europa.
De Oranje Dames zijn nog steeds de nummer één van de wereld.
Agassi de nummer een, maar Becker is er ook nog.
om zodoende de nummer één spits te worden in Amsterdam.

Nogmaals OOM en NONKEL

Oorspronkelijk verschenen in de Dialectatlas van het Nederlands (red. Nicoline van der Sijs, Amsterdam 2011)
(met een verbeterde kaart)

door Jan Stroop

Dit is een hoofdstukje uit de Dialectatlas van het Nederlands. Ik publiceer ’t opnieuw omdat ik de tekst en ’t bijhorende kaartje op een belangrijk punt heb moeten verbeteren: ik ging er eerst ten onrechte van uit dat Zuid-Limburg bij het oom-gebied hoort. Dat is niet juist: in Zuid-Limburg wordt nonk gezegd net als in Belgisch-Limburg.

Lees verder >>