Auteur: Jan Stroop

Jan Stroop is geen gastonderzoeker meer bij de capaciteitsgroep Nederlandse taalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Van hem verschenen bij Athenaeum: Hun hebben de taal verkwanseld en Die taal, die weet wat . Dit is zijn website.

Afscheid van Wim Klooster

Toespraak bij zijn pensionering, 1 september 2000

door Jan Stroop

Wim Klooster (1935-2019)

Wim Klooster is bij elkaar het langst voorzitter van de vakgroep Nederlandse Taalkunde geweest van ons allemaal. Er was wel een soort rouleersysteem, waardoor zelfs ik een keer voorzitter werd, maar ieder ander werd telkens weer door Wim opgevolgd. Het lijkt erop alsof hij iedereen een kans wou geven, maar bij nader inzien toch besloot het zelf maar weer te doen.

De vakgroep taalkunde heeft de reputatie gehad ongeveer de roerigste te zijn geweest van de hele Letterenfaculteit. Dat is nu moeilijk voor te stellen, want we zijn bijna gereduceerd tot de omvang van de vakgroep Hettitisch in Utrecht. En met vier mensen, waarvan twee in deeltijd en twee in FUPtijd,  wordt er niet hard meer geroerd.

Lees verder >>

De meertaligheid van ‘Undercover’

door Jan Stroop

Er is altijd wel wat met Nederlandse films die in een regio spelen en waarin de voertaal de taal van die regio moet zijn.  Zo herinner ik me de serie over Merijntje Gijzen, die in West-Brabant speelt, maar waarvan de taal een  West-Brabander  doet huiveren. Voorbeeld: den (h)emel of den (h)el moet zijn den (h)emel of del.

In de film over Michiel de Ruyter speelt Frank Lammers de hoofdrol, maar wat er uit z’n mond komt, zou De Ruyter niet verstaan: Lammers spreekt een mengtaaltje, dat allesbehalve Zeeuws is, eerder Brabants. Ik heb daar toen een stukje over geschreven.

Lees verder >>

Houben, Ploumen, Ingenhousz

Familienamen: hoe spreek je ze uit

door Jan Stroop

Afgelopen voorjaar heeft de VPRO de tv-serie ‘Rond de Noordzee’ uitgezonden. Die serie is gemaakt door Arnout Hauben. Toen ik die naam in een reclamespotje hoorde, zag ik dit woordbeeld voor me: Houben en dacht: die presentator weet dus niet hoe je die naam moet uitspreken, namelijk zoals de naamdragers dat zelf doen. Die zeggen immers Hoeben [hubə]. Maar wie dat niet weet, zegt [hɑubə] als ie Houben ziet staan. Later zag ik in de gids dat er Hauben stond. En dat is een ander verhaal.

Lees verder >>

“als nominatief is ’t een leelyk woord“

door Jan Stroop

Bij ’t lezen in deel 10 van Multatuli, Volledige Werken

Over U

Als trouwe volger van de blogserie over Multatuli las ik ook deel 10, een spannend deel vanwege de opbloeiende relatie van Multatuli met Mimi. Maar toen ik stuitte op de zin “en U zal zien dat ik werken wil” (brief van 3 september 1859), begon ik wat nadrukkelijker op zijn taalgebruik te letten. Door dat ‘U zal’ herinnerde ik me namelijk dat Multatuli moeite had met de richting waarin ’t voornaamwoord voor de tweede persoon zich in zijn tijd ontwikkelde. In Idee 47 (1862) lucht ie er zijn hart over:

Lees verder >>

Waarom heet iemand eigenlijk Van Houdenhoven?

over de H in familienamen

door Jan Stroop

’t Idee voor dit stukje ontstond toen ik in een
krant de familienaam Van Houdenhoven
tegenkwam. Van Houdenhoven is natuurlijk een variant van Van Oudenhoven, maar een variant waar een verhaal aan vast zit, want ’t betreft hier niet zomaar een spellingvariant, als Janssen naast Jansen. Of De Craemer naast De Kramer.

Hier is uitspraak mee gemoeid. De vorm Van Houdenhoven komt uit de mond van iemand wiens moedertaal de H niet kent en die ook ’t schriftbeeld van de echte naam niet voor de geest heeft; hij is analfabeet. Hoewel hijzelf Van Oudenhoven heet, vermoedt hij dat die naam wellicht met een H begint en hij spreekt hem dus zo uit. En de gemeenteklerk schrijft ’m dan ook zo op: Van Houdenhoven. Zo zou ’t toegegaan kunnen zijn.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), aflevering 19 (slot)

’t Is gedaan

door Jan Stroop

Na dat secretariaat van de Commissie tot behoud van het Meertens Instituut had ik geen directe betrekkingen meer met ’t Instituut. Ik kwam er overigens nog wel regelmatig om materiaal te verzamelen voor een artikel of een stukje. Dat is aanzienlijk minder geworden omdat al ’t materiaal, ‘de kip met de gouden eieren’ (zoals ’t evaluatierapport heette dat in de afgelopen cruciale periode door de medewerkers van ’t Bureau  was samengesteld), volledig digitaal beschikbaar is. De laatste schakel tussen ’t oude Dialectenbureau en mijzelf was Jo Daan.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 18

Meertens Instituut gered

Door Jan Stroop

Begin 1996 verscheen ’t eerste deel van de romanserie Het Bureau van J.J. Voskuil. Dat had al meteen een overweldigend succes. Van dat eerste deel werden er volgens de uitgever in minder dan 3 weken al 5000 exemplaren verkocht. Er volgden herdrukken. Bij elk nieuw deel nam dat succes telkens toe.

Door dat succes bleef ’t echte Bureau niet buitenspel. Eerst  waren de reacties nog neutraal: een fascinerend boek, groot stilist, geestig, enzovoorts, maar gaandeweg werden ook ’t P.J. Meertens Instituut en zijn medewerkers erin betrokken en werd er geoordeeld over ’t werk dat daar verricht werd. En dat viel niet mee.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), aflevering 17

’t Jaar 1986 zou een belangrijk jaar worden, want directeur Dick Blok ging met de vut. Dat beloofde niet geruisloos te gaan, want de Akademie had plannen om het Instituut nu eens flink op te schudden, ‘door te lichten’, en dat moest de nieuwe directeur gaan doen. Dat moest dus wel iemand met ‘poid’ zijn, in de woorden van Blok. Dat ‘doorlichten’ werd door sommigen gevoeld als ‘begin van het einde’ van ’t Instituut.

Op 7  september 1985 verscheen er een lange advertentie in de Volkskrant en in  NRC-Handelsblad:

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), aflevering 16

Dat ik me toch meer met ’t Dialectenbureau verbonden voelde, dan ik had verwacht, er zelfs een beetje aan gehecht was geraakt, merkte ik in de zomer na mijn ontslag, in 1974, toen we kampeerden in Frankrijk, in de Périgord. In de vakantiemaanden was ’t gebruikelijk dat de vakantiegangers hun achterblijvende collega’s een ansichtkaart-met-groet stuurden. Ik had daar nooit aan meegedaan maar deze keer wilde ik ’t doen, uit een soort sentiment. ’t Kwam misschien ook doordat ik een bijzondere kaart vond, die zich leende voor een toepasselijk bijschrift.

Die kaart belandde op de tafel in de koffieruimte van Het Bureau, waar ie ook door Voskuil bekeken werd. Hij doet daar verslag van:

Lees verder >>

Over ‘bezjoer’

door Jan Stroop

’t Kaartje dat ik op 15 juni op Twitter geplaatst heb, heeft, naast onwaarschijnlijk veel weergaves (tot 10 juli ruim 214.000),  de nodige kritiek gehad. Er klopt een hoop niet, was de strekking. Nu zijn de kaartjes in de Dialectatlas van het Nederlands bedoeld om globaal beeld te geven van de dialectverscheidenheid in ons taalgebied. Niet om de taalwerkelijkheid tot in detail recht te doen. Zeker ook niet de taalwerkelijkheid van 2018.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik) aflevering 15

door Jan Stroop

De afgelopen week kreeg ik op Twitter te maken met massale aandacht voor mijn kaart ‘Dag’ (afscheidsgroet) in de Dialectatlas van het Nederlands. Op de dag dat ik dit schrijf, dinsdag 19 juni  staat de teller op 200.035 weergaven. Dat is nog niet vaak gebeurd bij een tweet met een taalkundig onderwerpje, vermoed ik. ’t Gekleurde kaartje bij die tweet is overigens een versimpelde weergave van mijn kaartje uit 1973.

Lees verder >>

Piet van Sterkenburg weet van geen ophouden

door Jan Stroop

Nu is er weer een boek van hem verschenen, nog dikker dan ’t vorige (Van woordenlijst tot woordenboek, 2011) en even mooi uitgegeven: Leienaars. Leidse achternamen en Leidenaars van naam. Totaal 687 bladzijden, met bijna op elke bladzijde wel een paar illustraties.

Als er één stad is waarvan de familienamen wel interessant moeten zijn dan is ’t Leiden. Leiden is vanouds een stad van immigranten. En als één persoon geschikt en bekwaam is om zo’n boek voor een breed publiek te schrijven dan is ’t Piet van Sterkenburg, lexicograaf bij uitstek, vergroeid met Leiden, en hij beschikt over een vlotte pen. Ik zeg ‘breed publiek’ want zijn boek is niet alleen voor Leienaars en Leidenaars interessant, iedereen vindt er wel iets van zijn gading in.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), aflevering 14

door Jan Stroop

Gedurende ’t jaar 1971 werkte Jo (thuis!) intussen ook aan haar uitgave van de kluchten van Bredero die deel zou gaan uitmaken van de complete Bredero, die bij Tjeenk Willink aan ’t verschijnen was. Ze had al naam gemaakt met haar uitgave van de Klucht van de Koe. Daar had ik haar ook een paar tips bij gegeven. Die uitgave van ‘de Koe’ maakte Jo de aangewezen persoon voor ’t deel met kluchten. Jo vroeg me of ik genegen was de teksten van de verschillende drukken van de kluchten te vergelijken, te ‘collationeren’. ’t Zou betaald worden. Ik zei ja. En zo ging ik in deze periode na ’t werk naar de UB om Bredero te doen. In de uitgave vergat ze mijn aandeel te vermelden. Wel kreeg ik deze mooie, veelzeggende opdracht in mijn exemplaar:

.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), aflevering 13

door Jan Stroop

In de zomer van 1971 verscheen er opeens een Amerikaan op ’t Dialectenbureau. Hij zou gaan assisteren bij ’t onderzoek van taalinterferentieverschijnselen op de bandopnames die Jo Daan uit Amerika had meegebracht. Verder was ie van plan zich in Amerika te verdiepen in de Nederlandse archieven van de kolonie van Nieuw-Nederland. Hij heette Charles Gehring. We konden ’t goed met elkaar vinden o.a. vanwege onze gedeelde belangstelling voor popmuziek. Hij kwam ook bij ons thuis.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 12

door Jan Stroop

Een of twee keer per jaar organiseerde ’t Dialectenbureau een symposion. Preciezer geformuleerd: “hield de Dialectencommissie een symposion”, dat door ’t Dialectenbureau georganiseerd werd. De Dialectencommissie was een gezelschap van 6 à 7 heren die hun sporen op ’t terrein van ’t dialectonderzoek of dat van de historische taalkunde ruimschoots verdiend hadden. De commissie fungeerde als toezichthouder; veel ideeën of opdrachten hebben ons vanuit die commissie overigens niet bereikt. Voorzitter was in die jaren professor Klaas Heeroma uit Groningen. ’t Hoofd van ’t Dialectenbureau, Jo Daan dus, was secretaresse.

Vergaderzaal van de KNAW. Foto: Wim Ruigrok.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 11

door Jan Stroop

De verhuizing naar de Keizersgracht bracht een ingrijpende verandering met zich mee in ’t koffiegebeuren. Aan de Hoogstraat was dat nauwelijks een ’gebeuren’ geweest: de koffie werd door de conciërge rondgebracht en geserveerd. In ’t nieuwe gebouw werd koffiedrinken een gezamenlijke aangelegenheid. De tweede hal kreeg de functie van ‘koffieruimte’. Twee keer sochtends  verzamelden de medewerkers van de drie afdelingen zich daar. Ze konden hun koffie ophalen aan een doorgeefluik, dat in ’t verleden dienst gedaan had als loket; bedenk onze nieuwe behuizing  Keizersgracht was een voormalig bankgebouw.

Smiddags was er collectieve thee. Één keer maar.  Daar kwamen altijd maar een paar mensen.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 10

door Jan Stroop

Midden 1969 kregen we te horen dat we zouden gaan verhuizen. De Anna Visscherschool werd te klein. Er was van de kant van de Akademie geld vrijgekomen om nieuwe medewerkers aan te trekken, maar de oude school had daar te weinig ruimte voor. We zouden naar een voormalig Bankgebouw gaan aan de Keizersgracht, nummer 569-571.

Ruim van te voren werd er vergaderd over de verdeling van de ruimtes, welke afdeling komt op welke verdieping. In ’t oude gebouw zaten we  gelijkvloers en de verdeling van de ruimtes daar was een gevolg geweest van anciënniteit. De afdeling die ’t  er eerste was, was Dialectologie. Die hoefde dus niet te kiezen. De andere Volkskunde en Naamkunde werden later opgericht en die kregen dus wat er aan kamers overbleef (Volkskunde) of wat er speciaal voor bijgebouwd was (Naamkunde).

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 9

door Jan Stroop

Mevrouw Daan was er al vroeg (1957) bij om een bandrecorder aan te schaffen – sommigen zeiden nog bentrecorder –  om er dialecten mee op te nemen. De toenmalige directeur Meertens voelde er niet veel voor: nieuwlichterij. Maar Daan zette door en die recorder kwam er. Behalve voor dialectopnames voor de collectie van ’t bureau gebruikte ze hem ook voor de enquêtes voor de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (de RND).  Binnen dat project was Daan de provincie Noord-Holland toebedeeld.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 8

Door Jan Stroop

“Wat zou u ervan vinden om ook eens dialectopnames te gaan maken”, vroeg mevrouw Daan me onverwacht. Ik was verrast want ik had dat nog nooit gedaan en ik vroeg of ik dat wel zou kunnen. “Nou, zo moeilijk is dat niet. U hebt toch wel eens met een bandrecorder gewerkt? ’t Belangrijkste is dat je je mond houdt en de mensen laat praten. U gaat met juffrouw Francken en die heeft genoeg ervaring.” ’t  Leek me ook wel een mooi avontuur. OK dus.     [opname in Melik (L.), 23 maart 1972]

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 7

door Jan Stroop

Behalve bij de contactbijeenkomsten opereerden de drie afdelingen van ’t Instituut niet vaak gezamenlijk. Als er eens een jubilaris was dan zochten we die allemaal op en dan luisterden we naar de toespraakjes en zongen “Lang zal ze/tie leven”, gevolgd door “Hij/Zij leve hoog, ja hoog.”  Gevolgd door koffie met gebak.

Één keer in de zoveel jaar kregen we instructieles van een brandweercommandant. De medewerkers van ’t hoofdgebouw en wij begaven zich dan naar de zolder van ’t Trippenhuis, alwaar ons uitgelegd werd wat we te doen en te laten hadden, als er brand was. Toen heb ik geleerd dat je beter een gebouw met zware eiken balken kunt hebben zoals ’t Trippenhuis, dan een met stalen of ijzeren balken. Houten balken branden nauwelijks, die van staal en ijzer ook niet, maar die buigen door.

Han Voskuil had zijn onderzoek verlegd van immateriële zaken als kabouters, dwaallicht, omgang met de nageboorte van ’t paard, naar materiële zaken, de wanden van het boerenhuis in Nederland bijvoorbeeld. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 6

door Jan Stroop

Om ’t contact met de correspondenten/medewerkers in den lande te onderhouden organiseerde ‘t Instituut elk jaar een paar bijeenkomsten, telkens in een andere provincie. Er werd een centraal gelegen plaats gekozen, waar een zaaltje afgehuurd werd. ’t Was altijd op een zaterdag. Die bijeenkomsten werden altijd goed bezocht.

De eerste bijeenkomst die ik meemaakte was in Drachten, in Friesland. De collega’s van de drie afdelingen hielden een praatje. Ik was toen nog toehoorder. Mevrouw Daan begon haar verhaal over waar haar afdeling mee bezig was, o.a. de Taalatlas en de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling (ANKO). Ze sloot  af met een hommage aan de medewerkers. “Zonder uw medewerking kunnen wij ons werk niet doen. Hartelijk dank daarvoor.”

Lees verder >>

“Wij zeggen gewoon Van Uitrecht”

door Jan Stroop

Familienamen met uu/ui en de lexicale leemte

In een eerder stukje van me ging ’t over familienamen met een lange ii [i:] die zich aan de diftongering onttrokken hebben; een voorbeeld is Van Strienen. Omdat tegelijk met de diftongering van de lange ii [i:] tot tweeklank ei [εi], ook de lange uu [y:] ging diftongeren en ui [œy] werd, is ’t te verwachten dat er ook familienamen met een uu zijn die niet aan de diftongering hebben meegedaan.

Maar er is wat de verhouding klinker-letterteken betreft een belangrijk verschil. Terwijl ’t letterteken ij voor de lange [i:] door de diftongering vanzelf ’t letterteken voor de [εi] werd, voorbeeld fijn, behield ’t teken uu voor de [y] z’n oorspronkelijke klankbetekenis. Elke uu in een hedendaagse familienaam wordt dan ook uitgesproken met een [y], bijvoorbeeld: Kuus.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 5

door Jan Stroop

“Wat is ’t hier warm, kan er geen raam open?”, zo stoof ze binnen, mevrouw Daan, op die ochtend. Ik stelde voor: ”Zal ik de kachel dan ook maar uitdoen”? Zij: “Jij bent echt niet goed snik, Jan Stroop”.

Die kachel, dat was een enorm beest. In elk lokaal stond er zo een. Ze hadden een flink vermogen. Dat mocht ook wel want zo’n hoog lokaal was moeilijk warm te krijgen. Onze kachel haperde ook weleens. Dan was ie ongemerkt uitgegaan, terwijl de olietoevoer toch rustig bleef doorstromen. Als ik dat ontdekte, want ik zat er vlak naast, moest ik alarm slaan en de conciërge waarschuwen. Die kwam dan aanzetten met een stapel wc-rollen om de olie-overstroming mee op te nemen en te deppen. Als de kachel weer aangestoken werd, bleef ie de eerste tijd loeiend staan branden, vanwege de royale hoeveelheid olie die er toch nog in stond.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 4

door Jan Stroop

Tekenaar De l’ Orme, juffrouw Francken, juffrouw Nieuwkerk, mijn vrouw en mijn zoontje, én de stoel van mevrouw Daan.

De afdeling Dialectologie telde eind 1966 vier vaste medewerkers: mevrouw Daan, hoofd van de afdeling, Henk Heikens en ik, beiden wetenschappelijk ambtenaar, en Reimer van der Schaaf, die de administratie deed. Af en toe kwam er ook wel eens een student wat werk verrichten. Daarnaast waren er twee dames die part time werkten: Juffrouw Francken, oud-onderwijzeres, die mevrouw Daan assisteerde bij haar werk aan de ANKO (de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling) en ook dialectopnames maakte, en juffrouw Nieuwkerk, die correctiewerk deed.

Lees verder >>