Auteur: Henk Wolf

Sint en Piet als kunst (3)

Door Henk Wolf

[Dit is deel 3 van dit essay. Klik hier voor deel 1 en deel 2.]

Kunst kan emotie oproepen, maar kunst is vrij – autonoom, ambigu en vrij. Die vrijheid wordt beschermd tegen de druk van de negatieve emoties bij de waarnemers. Kunst kan spelen met een canon. Bijbelse kunst speelt altijd met een canon, de talloze sinterklaastoneelstukjes die jaarlijks worden opgevoerd spelen ook met een canon.

De protesten tegen de figuur van Zwarte Piet zijn protesten tegen die canon. Ze komen van mensen die die figuur negatief waarderen. Doordat kunst autonoom en ambigu is, is die interpretatie ook vrij, ze is legitiem. Ze is echter niet dwingend. Kunst is zelf niet beledigend of kwetsend, maar ze kan wel zo worden gewaardeerd. Dat oordeel is echter in een vrije maatschappij individueel en schept voor niemand rechten of plichten.

Wie demonstreert tegen een figuur als Zwarte Piet, die verheft z’n eigen interpretatie van een toneelstuk van een legitieme tot de enige legitieme. Hij ontkent de autonomie en de ambiguïteit van het toneelstuk. Hij miskent ook het bestaan van een canon. Dat zijn problematische visies op kunst. Nog ernstiger is dat een dergelijke demonstrant eist dat de kunstenaar zijn kunst richt naar de morele en artistieke opvattingen van de demonstrant. Dat is een antiliberale houding die gevaarlijk kan zijn voor de vrije kunst en daarmee voor de vrije samenleving. Lees verder >>

Sint en Piet als kunst (2)

Door Henk Wolf

[Dit is een vervolg op ‘Sint en Piet als kunst (1)‘.]

De ambiguïteit van kunst vinden we uiteraard ook in de traditionele theaterstukjes die horen bij de jaarlijkse sinterklaasviering. Hoe de figuur van Zwarte Piet daarin gewaardeerd moet worden, is onderwerp van veel discussie. Er bestaan allerlei opvattingen over die figuur en dat is een normaal verschijnsel. Een gevaar voor de vrijheid van expressie binnen de kunst is er wel, namelijk als gesuggereerd wordt dat Zwarte Piet maar op één manier kan worden geïnterpreteerd.

Er zijn allerlei niet-canonieke varianten op Zwarte Piet, zoals regenboogpieten en stroopwafelpieten, maar ook de canon is niet eenduidig. Wie wat sinterklaasboekjes van de afgelopen honderdvijftig jaar doorbladert, valt meteen op dat er onduidelijkheid bestaat over het aantal knechten van de Sint. Er is één Zwarte Piet (met hoofdletters), maar er zijn ook pepernotenfabrieken en stoomboten vol zwarte pieten (met kleine letters), zoals bijvoorbeeld Pinkeltje in het ene boek een uniek personage is en in het andere deel van een pinkeltjesgemeenschap. Lees verder >>

Sint en Piet als kunst (1)

Door Henk Wolf

Een beeldhouwer ziet op Schiphol hoe een klein jongetje struikelt. Huilend krabbelt het jongetje overeind, terwijl zijn moeder aangesneld komt om hem te troosten. Het jongetje lacht al lang weer als de beeldhouwer in zijn vliegtuig stapt. Het is het laatste wat hij ziet van zijn vaderland, want hij emigreert vandaag. De emotie van het moment blijft hem bij en in zijn nieuwe woonomgeving maakt hij in een nostalgische periode een beeld van dat huilende jongetje.

De buitenlandse gemeente waar de kunstenaar nu woont, koopt het beeld en plaatst het in een parkje. Op een dag komt er een oude vrouw met haar volwassen zoon langs. Ze kijkt er glimlachend naar en aait haar zoon vertederd over diens brede rug.
“Hij lijkt op jou, toen je zo klein was”, zegt ze. “Nu zo stoer, maar toen nog zo’n breekbaar klein mannetje.”

Een paar dagen later loopt er een man door het parkje. Hij kan zijn tranen nauwelijks bedwingen. Hij heeft zijn hondje moeten laten inslapen. Bij het standbeeld blijft hij staan. Hij begint te huilen. De dagen daarna loopt hij elke dag een paar keer naar het standbeeld. Op de een of andere manier heeft hij het gevoel dat het stenen jongetje met hem huilt. Gek genoeg is dat een troostrijke gedachte. Na een tijdje komt hij minder en dan koopt hij een nieuw hondje. Lees verder >>

Een voorhene interesse

Door Henk Wolf

Recent omschreef een uiterst fatsoenlijke Friese wetenschapper op Facebook het woord neuken als ‘in foarhinne taboewurd’. Dat is in het Fries net zo gek als in het Nederlands, waar voorheen ook normaal niet als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt.

Normaal niet, maar ook niet helemaal niet. Toen ik ging googelen, vond ik negen vindplaatsen met ‘een voorhene’. Voorbeelden zijn: ‘een voorhene interesse’, ‘een voorhene versie’ en ‘een voorhene kerk’. Lees verder >>

Nedersaksisch: naast het Fries, onder het Nederlands

Door Henk Wolf

‘Nedersaksisch is nog steeds geen Fries’ stond er donderdag in Trouw. Ook andere media meldden dat de vage beleidsvoornemens voor het Nedersaksisch niet in de buurt komen van de Friese taalpolitiek. Dat is natuurlijk waar, maar waarom de vergelijking tussen die twee talen getrokken?

Toen ik wat googelde op ontwikkelingen rond het Nedersaksisch, kwam ik in het Twentse regionale dagblad Tubantia een paar artikeltjes tegen van een ambitieuze ijveraar voor het Nedersaksisch, het Overijsselse Statenlid Jos Mooiweer. Mooiweer wil het Nedersaksisch graag in officiële functies kunnen gebruiken. Daarbij vergelijkt hij de positie van zijn streektaal met die van het Fries. Hij zegt:

“[…] het gekke is dat een Friestalige in het officiële circuit veel meer mag dan een spreker van het Nedersaksisch. Ik wil aandacht vragen voor deze ongelijke behandeling. Want het steekt mij dat ik, als volksvertegenwoordiger in Overijssel, de eed niet in onze eigen taal mag afleggen. Maar, en nu komt het, ik mag als niet-Fries de eed wel in het Fries afleggen. Dat is toch bizar?”

Lees verder >>

It tsjerke

Door Henk Wolf

Wanneer er in het Fries iets verandert, dan is het resultaat meestal dat die taal ietsjes meer op het Nederlands is gaan lijken, óf dat de verschillen tussen de twee talen wat regelmatiger zijn geworden. Een opvallende uitzondering daarop is de geslachtsverandering van het woord tsjerke (‘kerk’). Dat is vanouds net als in het Nederlands een de-woord, maar een groeiend deel van de jongeren gebruikt het met het lidwoord it (‘het’).

Dat ‘de tsjerke’ ‘it tsjerke’ werd, viel me begin 2013 voor het eerst op in een tentamen van een eerstejaarsstudente. Ik dacht dat het een slordigheidje was en besteedde er geen aandacht aan, maar kort daarna kwam ik het nog een paar keer tegen. Toen schreef ik er een stukje over.

Nou zat de geslachtswisseling van tsjerke die ik in 2013 tegenkwam nog maar in een voorfase. Dat moet ik even uitleggen. In het Fries krijgt een klein aantal de-woorden na een voorzetsel namelijk soms het lidwoord ‘t. Zo zeggen Friezen wel ‘de winter is kâld’, maar ook ‘fan ’t winter is it kâld’. En het Fries heeft ‘de soad’ (‘de kook’), maar ook ‘by ’t soad’ (‘in grote hoeveelheid’, letterlijk ‘bij de kook’). Het woord tsjerke hoort vanouds niet bij die groep woorden met zo’n lidwoordverandering, maar ging er nu wel aan meedoen. Yn 2013 zeiden een paar studenten dus wel ‘de tsjerke is moai’, maar ook ‘yn ’t tsjerke is it kâld’. Lees verder >>

Die meneer

Door Henk Wolf

Een collega van mij gebruikt de woorden meneer en mevrouw op een opvallende manier. Zet ze er een naam achter, dan is er niets ongewoons aan. De persoon over wie ze het heeft, wordt dan op een neutrale of positieve manier aangehaald. Meestal zijn die meneren en mevrouwen met een naam mensen uit eerdere levensfasen. Zo zou ‘meneer Hilbertsen’ een leraar kunnen zijn van wie ze ooit les heeft gehad en ‘mevrouw Smit’ een oude buurvrouw.

Wel ongewoon is hoe ze meneer en mevrouw zonder naam erachter gebruikt. Het duurde even voor ik het systeem in de gaten had, maar ze gebruikt die woorden altijd pejoratief. Nooit is ‘een meneer’ een student. Nooit is ‘een mevrouw’ een collega. Nooit is ‘die meneer’ de ambtenaar met wie we hebben overlegd. Als mijn collega op het station ‘een meneer’ zag die iets deed, dan was het altijd een zwerver of iemand die niet helemaal goed bij z’n hoofd was, of een onverzorgd, verlopen persoon. Werd ze aangesproken door ‘een mevrouw’, dan had die nooit iets damesachtigs. Lees verder >>

Nog wat over de z’n-constructie d’r benoeming als genitief

Door Henk Wolf

Een paar dagen geleden stond hier een stukje van mij waarin ik beargumenteerde dat we in woordgroepen als ‘Jan z’n fiets’ het stukje ‘Jan z’n’ als één woord moeten beschouwen en dat dat woord in de tweede naamval staat, de genitief. (Het stukje is hier te lezen.)

Niet iedereen was overtuigd. Ik kreeg een aantal reacties en daarin zaten in elk geval twee gerechtvaardige kritiekpunten, die allebei een reactie verdienen. Het ene kritiekpunt is dat het gek is om elementen zoals z’n als naamvalsuitgang te beschouwen, omdat ze ook achter woordgroepen kunnen staan. Het andere kritiekpunt is dat je Jan in ‘Jan z’n fiets’ ook als bepaling bij het bezittelijk voornaamwoord z’n kunt beschouwen.

Punt 1: naamvalsuitgangen op woordgroepen

In m’n stukje schreef ik al dat de uitgang -s, die we traditioneel als genitiefuitgang benoemen, ook achter woordgroepen kan staan. Zo zijn er Nederlandstaligen die woordgroepen kunnen gebruiken als:

Lees verder >>

Je distantiëren van degene die je citeert

Door Henk Wolf

Op Facebook plaatste van de week iemand een link naar een filmpje over de kosten van een omschakeling naar andere vormen van energievoorziening. Het filmpje stond op de website van de partij Forum voor Democratie. De Facebookvriend schreef als begeleidend zinnetje bij de link: ‘Niet dat ik een fan ben van FvD, maar ze hebben wel een behoorlijk punt’.

Ik bedacht dat ik op Facebook heel vaak vergelijkbare zinnetjes bij weblinks tegenkom. Mensen linken naar een artikel of een video, maar distantiëren zich in algemene termen van de bron. Zeker weten doe ik het niet, maar vermoedelijk heb ik dat zelf ook weleens gedaan.

Waarom eigenlijk, vroeg ik me af. Allereerst betekent het linken naar iets toch geen instemming met wat daarin gezegd wordt? En als dat wel zo is, dan is er toch geen reden om in te gaan op je relatie met de schrijver of de maker van het gelinkte? Die doet immers voor de boodschap niet ter zake. Lees verder >>

Verengelsing is eerder instrument voor onderwijstoerisme dan voor cultuuruitwisseling

Door Henk Wolf

In de studiegidsen en later in de online-onderwijscatalogus van de instelling waar ik werk, staat zolang ik me kan herinneren bij elke cursus in welke taal of talen die wordt aangeboden. Nou heb ik me daar nooit veel van aangetrokken. Tenzij de vaardigheid in een specifieke taal de kern van de cursus vormt, pas ik de taal eigenlijk altijd bij de groep aan. Zo heb ik de afgelopen jaren in vijf talen onderwijs gegeven, soms met verschillende talen binnen één college. Ik heb studenten daarbij altijd aangemoedigd om zoveel mogelijk hun eigen taal te gebruiken, als ze zich daarbij prettiger voelden. En als iemand die taal niet verstond, dan vatte ik het gezegde even samen.

Uitwisseling als doel

Natuurlijk had dat wel grenzen. Ik heb een paar studenten gehad met Lingala of Arabisch als eerste taal. Die talen beheers ik niet, dus die studenten moesten bij het beantwoorden van hun tentamenvragen en bij het stellen van vragen tijdens het college uitwijken naar een andere taal. Dat vind ik jammer, maar ik heb wel geprobeerd om bij cursussen taalwetenschap steeds voorbeelden uit die talen als illustratie te gebruiken.

Voor mij is dat hoe internationalisering eruit zou moeten zien: zoveel mogelijk van de rijkdom aan culturen en talen tot gelding laten komen. Als internationalisering ergens toe moet leiden, dan is dat volgens mij dat mensen in contact komen met cultuurelementen die ze anders niet zouden tegenkomen, om ervan te leren. En taal is waarschijnlijk een van de opvallendste elementen van iemands cultuur – en een van de leerbaarste. Internationalisering waarbij de taal van het gastland geen voornaam en vanzelfsprekend deel van de leerwinst vormt, is zoiets als een met veel tamtam aangekondigde wijnproeverij in de Dordogne, waar alleen één aangelengde niet-Franse wijn wordt geschonken. Als een masterclass van Wibi Soerjadi en Jaap van Zweden, die daarbij alleen maar op de kazoo mogen spelen. Als een Venetië dat voor het gemak van haastige toeristen een aantal kanalen dempt. Dat kun je volgens mij beter laten. Lees verder >>

Nedersaksisch is niet opeens officieel ‘deel van het Nederlands’

Door Henk Wolf

Delen van Nederland waar Nedersaksisch wordt gesproken

In het oosten van Nederland en het noorden van Duitsland worden Germaanse dialecten gesproken die in de taalwetenschap traditioneel als Nedersaksisch worden benoemd. Die term is een paar decennia geleden wat algemener bekend geraakt, vooral door de streektaalbeweging in het Nederlandse deel van het verspreidingsgebied. In 1996 kreeg de naam zelfs een plaatsje in de wet, toen het Nederlandse parlement het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden goedkeurde. Dat is een document waarin nationale overheden beloven goed voor hun erkende kleine inheemse talen te zorgen. De Nederlandse regering erkende het Nedersaksisch als een van die talen.

Het Fries heeft altijd een veel specifiekere vorm van stimulering gekregen dan de andere erkende kleine inheemse talen van Nederland (Nedersaksisch, Jiddisch, Limburgs en Romani). De vorm van die stimulering hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en het provinciebestuur van Friesland uitgewerkt in een serie schriftelijke afspraken, zogenaamde convenanten of bestuursafspraken. Nu was er afgelopen woensdag nieuws: de besturen van de provincies waar Nedersaksisch wordt gesproken, hebben voor die taal toen ook zo’n convenant met het Rijk gesloten.

“Deel van de Nederlandse taal”

De media hebben van de ondertekening van dat convenant iets heel vreemds gemaakt. Verschillende nieuwssites, omroepen en kranten melden namelijk dat het Rijk het Nedersaksisch “als deel van de Nederlandse taal” zou hebben erkend. Zelfs het Genootschap Onze Taal deed dat op z’n website. Hier een paar voorbeelden: Lees verder >>

Ga lekker genieten!

Door Henk Wolf

Recent plaatste iemand in de Facebookgroep ‘Leraar Nederlands’ een foto van een reclamebord met het opschrift ‘geniet van onz Strandbok Bier’. Ik denk dat de plaatser vooral op de gekke spelling van onz of de onconventionele omgang met spaties en hoofdletters wilde wijzen, maar ik vond de gebiedende wijs geniet het opvallendst. Waarom? Omdat die op een bord bij de ingang van een restaurant stond. Ik zou een zin als ‘geniet van ons bier’ alleen gebruiken tegen mensen die al een biertje voor zich hebben.

De zin op het bord is dan ook geen wens zoals ‘slaap lekker’, ‘wees gezegend’, ‘krijg de pip’ of ‘kom veilig thuis’. Hij is eigenlijk een oproep om zelf genot op te roepen door een biertje te gaan kopen. Geniet is dus een aansporing tot actie en voor mijn taalgevoel kan dat niet. Bij mij is genieten namelijk geen werkwoord dat een actie uitdrukt, maar een zogenaamd ervaringswerkwoord – en ervaringen kun je mensen alleen maar toewensen.

Als je in het Nederlands van de negentiende en twintigste eeuw geniet als gebiedende wijs tegenkwam, dan was dat wel een aansporing, maar nog geen heel actieve. De luisteraar werd ertoe aangespoord om acht te slaan op iets wat hem voor de voeten kwam, om zich open te stellen voor een ervaring. Voorbeelden zijn:

Lees verder >>

Jou schelm!

Door Henk Wolf

Wie een ander wil uitschelden, die kan dat doen met alleen een scheldwoord, zoals lummel of rotzak. Hij kan daarvoor ook het voornaamwoord jij zetten. Dan krijg je uitspraken als ‘jij lummel!’ en ‘jij rotzak!’.

In wat ouder Nederlands vind je in plaats van dat jij ook vaak de vorm jou. Zo laat Bredero bijvoorbeeld in De klucht van de koe een boef schelden met ‘jou kinckel’ en ‘jou schelm’. E. du Perron laat in Nutteloos verzet schelden met ‘jou schoelje!’. Zelfs in de moderne tijd duikt die vorm af en toe nog op. Taalkundige Cornelis de Vooys noemt in de jaren vijftig in zijn Nederlandse spraakkunst ‘jou rakker’ nog als dan hedendaags taalgebruik. Wie googelt op ‘jou schoft’, vindt verschillende treffers uit de jaren zeventig. En wie op ‘jou lummel’ googelt, vindt een heleboel voorbeelden uit het Afrikaans van de twintigste eeuw.

Waar dat jou vandaan komt, is al lang onderwerp van discussie. In de jaren twintig opperde de taalkundige Moritz Schönfeld dat de vorm onstaan was in de constructie ‘o jou schelm!’, waarin de uitroep o als een soort voorzetsel werd opgevat. En na voorzetsels krijg je de vorm jou, niet jij. Lees verder >>

Stilgeboren

Door Henk Wolf

Begin 2016 kwam ik voor het eerst het woord stilgeboren tegen. Het betekent ‘doodgeboren’. Toen ik er in die tijd op googelde, vond ik een handjevol vindplaatsen. In juli 2016 schreef ik er een artikeltje over. Toen waren het er al honderddertig. Nu, in oktober 2018, geeft Google zo’n vierhonderdvijftig pagina’s waarop het woord voorkomt.

Nieuw woord

Voor zover ik dat heb kunnen nagaan, zijn alle teksten met het woord stilgeboren erin in de afgelopen tien jaar gepubliceerd en dan hoofdzakelijk in de tweede helft daarvan. In mijn woordenboeken is het woord niet te vinden. We lijken dus een gloednieuw Nederlands woord te pakken te hebben gekregen. Het is ook een woord met potentie, als je kijkt naar de naam van de stichting Stil, die foto’s maakt van doodgeboren kindjes. Lees verder >>

De ‘Friese zachte g’

Door Henk Wolf

Al een jaar of twintig geleden zei een Duitse kennis tegen me dat naar zijn idee jonge Friezen Nederlandser klonken dan oudere. Hij kwam vaak in Friesland en had een scherp oor voor taal, dus ik nam zijn opmerking serieus en vroeg hem wat er volgens hem veranderde. Vooral de uitspraak van de g, zei hij. Bij jonge Friezen klonk die net als in het Nederlands schraperig, bij oudere mensen niet.

Dat gesprek kwam begin 2015 weer bij me op. Ik zat toen in de trein en in het zitje naast mij zaten drie conducteurs over de Friese g te praten. Ik begreep uit het gesprek dat een van hen uit Gelderland kwam, een ander uit Groningen en de derde uit Friesland. De Friese conducteur had net omgeroepen dat de trein om ‘negentien uur veertien’ op het station zou aankomen. De Gelderse conducteur had de uitspraak van de g in negentien opvallend gevonden en er tegen z’n Groningse collega een grapje over gemaakt. Toen de Friese collega weer aanschoof, had de Geldersman de Friese uitspraak gecontrasteerd met wat hij ‘de ABN-uitspraak’ noemde. Lees verder >>

Fiat Croma en Smart: ongelukkig gekozen namen en opschriften

Door Henk Wolf

Namen zijn overal. Mensen hebben namen, bedrijven hebben namen, producten in de supermarkt hebben namen. Veel van die namen zijn in de publieke ruimte te horen of te lezen. Dat geldt ook voor opschriften, bijvoorbeeld op gevels, reclameposters en motorkappen.

Wie zo’n naam of opschrift in de publieke ruimte brengt, heeft daarbij waarschijnlijk een bepaalde taalgemeenschap in gedachten op wie de naam of het opschrift een bepaalde indruk maakt. In een wereld waarin duizenden talen worden gesproken is het alleen niet onwaarschijnlijk dat er ook mensen zijn die de naam of het opschrift heel anders ervaren.

Het in Nederland bekendste voorbeeld van zo’n voor anderstaligen ongelukkige naam is vermoedelijk die van de Fiat Croma, die in Italië ongetwijfeld een leuke, frisse naam had, maar die in Nederland geassocieerd werd met een pakje bakboter. Ik heb weleens gelezen dat dat de verkoop van de auto in Nederland geen goed zou hebben gedaan, maar ik weet niet of dat waar is. Lees verder >>

Het as

Door Henk Wolf

Een paar dagen geleden bekeek ik op nu.nl een video over cremeren. In die video had de voice-over het een paar keer over ‘het as’. Dat vond ik opvallend, want voor mij is as uitsluitend een de-woord.

Ik heb eerst op de online-woordenboeken WNT en Van Dale nagekeken of die as als het-woord kennen. Dat bleek niet zo te zijn. Toen heb ik op meldpunttaal.nl een melding van de vondst gemaakt. Dat kan ik iedereen die iets aparts hoort of leest, aanraden, want daar onstaat een mooi databankje van opvallende vernieuwingen in het Nederlands. Hulde aan de bedenkers! Lees verder >>

De nieuwe genitief is de oude genitief z’n concurrent

Door Henk Wolf

In plaats van ‘de buurmans auto’ en ‘Afkes hond’ kun je ook ‘de buurman z’n auto’ en ‘Afke d’r hond’ zeggen. Dat is best een gekke constructie, vooral omdat je niet zo snel ziet in welke naamval ‘de buurman’ en ‘Afke’ staan’.

”In de datief, natuurlijk!’ roepen nu een paar lezers die verstand van naamvallen hebben. En ze houden op met lezen, want ze denken dat ze dit verhaal al kennen. Een aantal van die lezers herinnert zich ook nog dat ik een paar jaar geleden ergens heb gezegd dat het een genitief zou zijn en dat vonden ze onzin. Daarom wil ik uitleggen waarom zij en ik allebei gelijk hebben. En ik een beetje meer. Lees verder >>

De eerste ouderdomsrimpels van ‘kúnst’ en ‘pluk de dag’

Door Henk Wolf

Het proberen te betrappen van nieuwe taalveranderingen (en daar dan wat over schrijven) is een hobby van me. Nou heb je taalveranderingen ruwweg gezegd in twee soorten: er kan in een taal iets bij komen en er kan iets uit de taal verdwijnen. Taalveranderingen van het eerste type zijn een stuk makkelijker te vangen dan zulke van het tweede type.

Deze week heb ik er twee keer een aanwijzing voor gevonden dat iets uit de taal lijkt te verdwijnen. Lees verder >>

De twaalf Friese vertalingen van ‘je’, ‘jij’ en ‘u’

Door Henk Wolf

In het Engels is iedereen die je aanspreekt you. Dat is makkelijk. In het Frans moet je kiezen tussen tu en vous. Dat is al wat lastiger. Het Nederlands is nog een stapje complexer: daarin moet je kiezen tussen je, combinaties van je/jij/jou en u. Kies je verkeerd, dan oogst je hilariteit of bega je zelfs een faux pas.

De complexiteit ontstaat doordat er verschillende schalen zijn die mede bepalen welk voornaamwoord als gepast wordt gezien. Dat zijn in elk geval:

  • solidariteit (hoezeer is de ander iemand die ik als mens zie): een hoge mate van solidariteit maakt het gebruik van onwaarschijnlijk
  • respect (hoezeer verdient de ander een eerbetoon): een hoge mate van respect maakt u waarschijnlijk en jij onwaarschijnlijk
  • vertrouwdheid (hoe intiem is de relatie met de ander): een hoge mate van vertrouwdheid maakt u onwaarschijnlijk en jij en je/jij waarschijnlijk
  • formaliteit (hoe formeel is de gesprekssituatie): een hoge mate van formaliteit maakt u waarschijnlijk en jij onwaarschijnlijk

Lees verder >>

Hij heeft de foto’s zien gelaten

Door Henk Wolf

Een collega van me schrijft ‘sjenlitten’ altijd aan elkaar, alsof de Friese woorden sjen (‘zien’) en litten (‘gelaten’) samen één woord vormen. Dat is ook niet zo gek, want het is in het Fries niet meteen duidelijk of je nu met één of met twee werkwoorden te maken hebt.

Ik kan me best voorstellen dat ‘laten zien’ als betekeniseenheid wordt opgevat. Immers, die twee woorden samen betekenen vrijwel hetzelfde als het ene werkwoord ‘tonen’. Dan is het niet zo gek om ze als één werkwoord te gaan zien. De schrijfwijze van mijn collega verraadt dat zij in het Fries vermoedelijk zo denkt. Ik heb het voor de zekerheid nog even nagevraagd en inderdaad ervaart ze de twee als één woord.

Het voltooid deelwoord als lakmoesproef

In het Nederlands kun je veel makkelijker nagaan of je met één werkwoord te maken hebt of met twee. Anders dan in het Fries heeft het aantal werkwoorden namelijk invloed op de vorm van de voltooide tijd. Heb je in het Nederlands één werkwoord dat je in de voltooide tijd zet, dan krijgt dat de vorm van het voltooid deelwoord. Heb je twee werkwoorden, dan hebben ze allebei de vorm van de infinitief (het ‘hele werkwoord’). Zie het volgende voorbeeld: Lees verder >>

Wat is het nou?

Door Henk Wolf

Zoals religieuze discussies zich vaak verhouden tot natuurwetenschappelijke, zo verhouden publieke discussies over taal zich vaak tot taalkundige. In beide gevallen contrasteert de wil om voor te schrijven met de wil om te beschrijven, contrasteren dogma’s met nieuwsgierigheid, contrasteert het zoeken naar bevestiging met het zoeken naar ontkrachting. En net als het religieuze discours heeft het publieke taaldiscours formuleringen waaraan veel gewicht wordt toegekend, maar die bij nadere beschouwing niets betekenen en waaraan iedereen die zich geroepen voelt betekenis kan geven.

In het religieuze discours zijn voorbeelden van betekenisloze maar gewichtige formuleringen zonde en onrein. Die woorden betekenen precies wat de spreker ermee wil bedoelen. En ook sprekers die er niets mee willen bedoelen, gebruiken ze, in de verwachting dat er ergens een betekenis verborgen is, die de schriftgeleerden hun kunnen mededelen. Het zijn de mensen die een dominee mailen met de vraag of een voorhuwelijkse kus zonde is. Lees verder >>

Ik boei me niet voor de poppetjes

Door Henk Wolf

In een reactie op geenstijl.nl van een paar maanden geleden schrijft iemand ‘ik boei me niet voor de poppetjes’. Dan volgt er wat onsmakelijk geweldpraat, maar het gaat me hier ook niet om de inhoud. ‘Ik boei me voor’ is namelijk een constructie waarvan ik het ontstaan verwacht had. Af en toe googelde ik erop, afgelopen woensdag voor het laatst. En de verwachting is nu dus uitgekomen.

Waarom verwachtte ik die constructie? Wel, dat zou passen in een trend die al eeuwen bezig is: de Germaanse talen maken een ontwikkeling door waarbij personen het onderwerp van de zin worden. Lees verder >>

Studeren aan ‘Dinges Instelling’

Door Henk Wolf

Tien jaar geleden stond aan de Rengerslaan in Leeuwarden nog de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, afgekort: NHL. In 2009 werd de naam gewijzigd in NHL Hogeschool. Dat is in veel opzichten een raadselachtige naam. Het opvallendste raadsel is natuurlijk waarom het woord Hogeschool nog eens gebruikt wordt als dat ook al in de afkorting zit. Raadselachtig is ook de aanwijzing van de pr-afdeling om vóór ‘NHL Hogeschool’ geen lidwoord te zetten. Studenten volgden in de folders college aan NHL Hogeschool, niet aan ‘de’ NHL Hogeschool.

Een nog groter raadsel vind ik dat ik niet weet hoe ik NHL Hogeschool moet uitspreken. Immers, waar ligt in die vreemde naam de klemtoon? In een gewone samenstelling (met lidwoord, zonder spatie) als ‘de Beatrixschool’ of ‘het ANWB-lid’ ligt de klemtoon op het eerste lid van die samenstelling, dus op ‘Beatrix’ of ‘ANWB’. In een lidwoordloze naam zoals ‘PTT Post’ en ‘Unicef Nederland’ (met spatie) krijgt juist het laatste stukje de klemtoon, alleen lijkt dat laatste stukje daar steeds de naam van een afdeling binnen het eerste stukje te zijn. Dat is bij NHL Hogeschool natuurlijk niet zo. Lees verder >>

Het gaat niet goed met het schoolvak Fries

Door Henk Wolf

Het schoolvak Fries is geen groot succes. Een flink deel van de Friese scholen haalt de wettelijke kerndoelen niet. Dat blijkt uit onderzoek dat Albert Walsweer en Nynke Anna Varkevisser van de NHL Stenden Hogeschool de afgelopen jaren hebben uitgevoerd. Ze presenteerden de resultaten daarvan afgelopen donderdag in Heerenveen op de conferentie Frysk yn it ûnderwiis.

Walsweer en Varkevisser hebben zeer gedetailleerde gegevens van vrijwel alle scholen verzameld. In hun lijvige rapport It is mei sizzen net te dwaan is te zien dat van de basisscholen in het Friese taalgebied net iets meer dan de helft alle of bijna alle doelen haalt. Van de scholen voor voortgezet onderwijs is dat ongeveer tweederde. Lees verder >>