Auteur: Henk Wolf

Het reflex

Door Henk Wolf

Er zijn Nederlandstaligen voor wie reflex een onzijdig woord is. Laatst sprak ik met iemand die dingen zei als ‘het reflex’ en ‘een sterk reflex’. Ik vroeg of reflex voor haar een de-woord of een het-woord was en ze antwoordde zonder aarzelen: ‘een het-woord’.

Op internet zijn ook voorkomens te vinden van ‘het reflex’. Het zijn er geen duizenden, maar wel te veel om alleen typfouten te zijn. Hieronder staan een paar voorbeelden:

  • Het reflex zorgt voor de productie van endorfines, een neurotransmitter dat pijnstillend werkt en een fijn en verzadigd gevoel geeft.
  • Dat heeft te maken met het reflex dat ontstaat als je zenuwen geprikkeld worden. 
  • Het reflex wordt getriggerd door het kijken naar de hand waardoor een onbewuste knijpbeweging ontstaat.
  • Je kan je voorstellen dat het lastig is naar links te kijken en tegelijk je armen en benen mee te bewegen volgens het reflex (die ga je dan strekken).
  • Het reflex van de musculus stapedius zou normaal gesproken pas in werking treden als er een geluid harder dan 100 decibel wordt …
  • toeschietreflex zelfst.naamw. [biologie] het reflex van het naar buiten laten spuiten van moedermelk uit de melkklieren Bron: Wikiwoordenboek – toeschietreflex.
  • Hierna verdwijnt het reflex langzaam.
Lees verder >>

Op (het) Parliament Square

Door Henk Wolf

  • […] op het moment dat uit de speakers op Parliament Square de aantallen klinken – 329 voor, 300 tegen – klapt ze halfslachtig met een slap handje.

De zin hierboven stond afgelopen donderdag in een voorpagina-artikel van de Trouw. Met die zin is iets aan de hand: er staat geen lidwoord voor de naam van het plein Parliament Square. Dat is geen foutje: het lidwoord blijft heel vaak weg bij Engelstalige namen van straten, pleinen en parken. Nog een paar voorbeelden van internet:

Lees verder >>

Waarom hangen hun al ruim een eeuw aan de kapstok?

Door Henk Wolf

Misschien herinnert u zich nog de aflevering van De wereld draait door uit 2012 waarin taalkundige Helen de Hoop en toenmalig minister van onderwijs Ronald Plasterk spraken over het voornaamwoord hun. Bij m’n collega’s en mij op NHL Stenden Hogeschool is het een populaire onderwijsvideo. Ik gebruik ‘m zelf om studenten te laten zien hoe mensen gesprekstechnieken toepassen om derden te overtuigen.

De video illustreert hoe twee mensen wel aan dezelfde tafel kunnen zitten en ogenschijnlijk over hetzelfde onderwerp spreken, maar toch finaal aan elkaar voorbij praten. Ik heb bij het zien van de video altijd wat medelijden met Helen de Hoop, die probeert iets inhoudelijk interessants te vertellen, maar daar nauwelijks de ruimte voor krijgt en ook nog erg weinig respect krijgt van zowel Plasterk als de presentator.

Lees verder >>

Helje-en-bringservice

Door Henk Wolf

Als ik ’s morgens naar het werk rij, hoor ik voor de radio vaak een reclame van een bedrijf met een “helje-en-bringservice”. Dat is Fries voor ‘haal-en-brengservice’, maar wel opvallend Fries.

Het Nederlands heeft één type regelmatige werkwoorden, het Fries heeft er twee. Je hebt werkwoorden met een woordenboekvorm (onbepaalde wijs, infinitief, hele werkwoord) op -je en werkwoorden met een woordenboekvorm op -e. Die krijgen verschillende vervoegingen. Helje (‘halen’) is een -je-werkwoord. De vorm helje is onder andere de woordenboekvorm, de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd en de gebiedende wijs.

Wat helje niet is, is de stam. En aan de linkerkant van een samengesteld woord gebruik je in het Fries, net als in het Nederlands, de stam van het werkwoord. Dat is het stukje dat in alle regelmatige vormen wordt gebruikt, waarin het eventueel met voor- en achtervoegsels wordt aangevuld. Lees verder >>

Over lijken

Door Henk Wolf

Ik heb jarenlang een abonnement gehad op een Deenstalige krant. Daarin vielen me altijd de berichtjes op van het overlijden van bekende mensen. Die-en-die ‘er død’, stond er dan als kop: die-en-die ‘is dood’. In Nederlandse kranten zie je, dat is althans mijn indruk, doorgaans wat omfloerstere formuleringen.

In z’n taalcolumn in de Trouw schrijft Ton den Boon vandaag over een verwante kwestie, namelijk die van de gevoeligheden rondom het woord lijk. Daarover wordt de afgelopen maanden wel vaker geschreven. De aanleiding is een initiatiefnota van Kamerlid Monica den Boer van D66. In die nota van november vorig jaar staat over het woordgebruik:

3.1 Gebruik niet het woord “lijk” op gemeenteformulieren

Nadat iemand is overleden en de arts een verklaring van overlijden heeft gegeven, moet een nabestaande of de uitvaartverzorger verlof tot cremeren of begraven aanvragen bij de gemeente (artikel 11 en 11a WBL). Pas dan kan iemand worden begraven of gecremeerd. De formulieren voor deze verloven zijn vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken. In deze formulieren wordt voor de overledene het woord “lijk” gebruikt. Uit de ervaring van gemeenten blijkt dat deze term als onnodig confronterend en soms zelfs als kwetsend wordt ervaren door nabestaanden. Deze formulieren voor de verloven moeten daarom gewijzigd worden, zodat deze minder emotioneel belastend zijn.
Vanuit deze gedachte kan ook de naam van de wet gewijzigd worden.

Lees verder >>

Hoe schrijft die zich ook al weer?

Door Henk Wolf

Mensen krijgen bijnamen. Van vrienden en familie, van collega’s en buren. Bekende mensen krijgen bijnamen van het grote publiek. Sommige mensen zijn op de hoogte van hun bijnaam, bij anderen wordt ie achter de rug om gebruikt. En sommige mensen hebben in hun woonplaats een bijnaam die bijna iedereen in het dagelijks leven gebruikt.

Vraag ik onze hogeschoolstudenten wie het gebruik van bijnamen op dorpen uit eigen ervaring kent, dan gaan er altijd handen omhoog. En dat zijn vrijwel altijd de handen van Friezen, doorgaans niet uit de grotere plaatsen, maar wel van de dorpen. Heel betrouwbaar onderzoek heb ik er niet naar gedaan en ik kan het best mis hebben, maar de indruk die ik zo langzamerhand krijg is dat die dorpsbijnamen in Friesland nog in levend gebruik zijn, terwijl mensen uit Groningen, Drente en Noord-Holland ze ‘iets van vroeger’ noemen. En waar de Friezen ze normaal of grappig of stoer vinden, reageren andere mensen vaak enigszins afwijzend met: “Maar dat is toch niet erg aardig.”

Hoe klinken ze dan? Ik heb eens rondgevraagd en ik kreeg een heleboel bijnamen aangereikt. Bijnamen zijn vaak sprekend. Familie van me woonde vroeger tegenover grouwe Evert (‘dikke Evert’) en die was niet mager, zoals Jan kop geen knappe kerel was. Dan was mijn grootvader als lytse Ytsen (‘kleine Ytsen’) nog goed af. Van anderen hoor ik meer uiterlijke bijnamen, zoals swarte Meindert en swarte Aldert voor mannen met zwart haar, Jochum drip (‘Jochum druppel’) voor een man met een chronische loopneus, lange Gerrit voor een grote kerel en reade Romke, die ongetwijfeld rood haar heeft.

Lees verder >>

Nimmer meer ‘vier appels meer’: verdwijnende tijd

Door Henk Wolf

Het Franse woord jamais heeft geen vaste vertaling in het Nederlands. Afhankelijk van de context kun je het als ooit, nooit of altijd vertalen (en er zijn misschien nog wel meer mogelijkheden). Kijk maar naar de onderstaande zinnen:

  • Tu es le pire client que j’ai jamais eu.
    (‘Jij bent de beroerdste klant die ik ooit heb gehad.’)
  • Je n’ai jamais vu autant de colère.
    (‘Ik heb nog nooit zoveel boosheid gezien.’)
  • Il est dans le tombeau pour jamais endormi.
    (‘Hij ligt in het graf, voor altijd ingeslapen.’)

Nederlandstaligen vinden het vaak wat gek dat een woord drie zulke verschillende betekenissen in zich kan verenigen. Toch heeft het Nederlandse ooit naast de betekenis ‘op enig moment’ ook weleens de eigenschap ‘op elk moment’, die we meer met het woord altijd zouden associëren. Kijk maar naar de volgende zinnen:

Lees verder >>

Het raad?

Door Henk Wolf

  • Zeker, en we weten daar nog altijd geen goed raad mee.

Bovenstaande zin stond op 1 juli in de Volkskrant. Hij is opgetekend uit de mond van historicus Gert Oostindië, die geïnterviewd werd door Sander van Walsum. Het is een aparte zin, althans het stukje geen goed raad is onverwacht.

Waarom? Wel, raad is allereerst geen het-woord, maar een de-woord. En tussen geen en een de-woord krijgen bijvoeglijke naamwoorden de uitgang -e. Kijk maar:

  • geen goed huis (‘het huis’)
  • geen goede schuur (‘de schuur’)

Natuurlijk kan ‘geen goed raad’ een typfoutje zijn, dus ik heb even gegoogeld om te kijken of het vaker is gebruikt. Dat bleek zo te zijn. De woordreeks ‘geen goed raad’ komt honderden keren op internet voor. Er lijkt dus iets aan de hand te zijn.

Lees verder >>

Een neem-meepakket voor een meeneemprijs

Door Henk Wolf

In het Nederlands kun je twee of meer woorden combineren tot een samengesteld woord of samenstelling. Als je daarbij een werkwoord gebruikt en dat is niet het laatste woord van de samenstelling, dan moet je de stam van dat werkwoord gebruiken. Voorbeelden zijn:

  • drijven + sijsje = drijfsijsje
  • lopen + rek = looprek
  • zweven + vliegen = zweefvliegen

Wil je iets in zo’n samenstelling opnemen wat bij het werkwoord hoort, zoals een partikel of een plaatsbepaling of een lijdend voorwerp, dan komt dat in een uitgeklede vorm links van de werkwoordstam. Een paar voorbeelden:

  • mee + nemen + prijs = meeneemprijs
  • op de bank + zitten + premie = bankzitpremie
  • auto’s + verkopen + cijfers = autoverkoopcijfers
Lees verder >>

Een zwangere koe

Door Henk Wolf

“Kun je niet eens wat schrijven over al die zwangere koeien die je tegenwoordig in de media tegenkomt?” vroeg een collega me laatst. Ze wees me op een krantenartikel waarin gesproken werd over een koe die ‘zwanger’ was. Ik vond het een komische combinatie, die me deed denken aan de zin ‘een zwanger paard eet graag appeltaart’ uit het herkenningsliedje van de televisiekwis Waku Waku.

Voor mijn collega en mij kunnen alleen mensen zwanger zijn (afgezien van metaforisch gebruik als ‘de lucht was zwanger van geuren’). Nou was me wel vaker opgevallen dat nieuwsmedia soms woorden gebruiken die voor mijn gevoel niet bij nutsdieren passen. Zo vond ik op internet:

  • Hoe zorgen ze ervoor dat een koe zwanger raakt van een stier?
  • De familie Stassen in Valkenburg heeft vrijdag een zwangere koe moeten laten inslapen.
  • Dit signaal geeft een koe vlak voor ze gaat bevallen – en dat rechtstreeks aan de boer via sms.
  • De koe heeft al negen kalveren gebaard en is in verwachting van het tiende.
  • Hij bedoelde het lijk van een koe, denk ik.
Lees verder >>

Hansworst

Door Henk Wolf

Ik heb de klemtoon in het woord hansworst altijd op worst gelegd. Ik wist ook niet beter of iedereen deed dat. Tot iemand een paar jaar geleden verbaasd uitriep: “Wat zeg je nou?”

Zij zei namelijk HANSworst, met de klemtoon op de eerste lettergreep. Dat vond ik weer heel erg gek. Uiteraard hebben we toen rondgevraagd en tot onze verbazing waren beide uitspraakvarianten in onze omgeving ongeveer even sterk vertegenwoordigd.

Mijn Groot Woordenboek der Nederlandse Taal van Van Dale (twaalfde druk) noemde alleen mijn variant, met de klemtoon op worst. Dat was raar, als die andere variant ook zo vaak voorkwam.

Lees verder >>

De geordende kijk op aardrijkskunde van de standaardtaalspreker

Door Henk Wolf

Wie geen streektalen kent, vindt soms andere dingen normaal dan wie er wel een spreekt. De standaardtaalspreker heeft bijvoorbeeld een veel overzichtelijker visie op aardrijkskunde dan de streektaalspreker.

Een paar dagen geleden schreef ik een stukje over het gebruik van lidwoorden in aardrijkskundige namen. In het Standaardnederlands bestaan wel namen van landen, eilanden, plaatsen enz. met lidwoorden, maar ze zijn ongewoon. Veel van die lidwoorden zijn bovendien ‘opgeslokt’ in de naam en geen echt lidwoord meer. In veel Nederlandse streektalen, misschien wel in alle, is dat anders. Daar zijn lidwoorden voor aardrijkskundige namen juist heel gewoon. Lemmer is in het Fries de Lemmer en Ameland is it Amelân. Leek is in het Gronings de Laik en Schiermonnikoog wordt in het Gronings vaak t Ailaand genoemd. Marcel Plaatsman schreef hier dat op Texel ’t Skil voor Oudeschild werd gezegd, Wikipedia vertelt me dat Meterik in het Limburgs De Mieëterik en België ’t Belsj wordt genoemd en zo zijn er nog talloze andere voorbeelden te bedenken.

Lees verder >>

Hoe vind je de klemtoon in een woord?

Door Henk Wolf

Klemtonen zijn rare dingen. Een klemtoon maakt een lettergreep opvallender dan overige lettergrepen, maar dat kan op verschillende manieren: beklemtoonde lettergrepen kunnen bijvoorbeeld luider zijn dan hun onbeklemtoonde buren, maar ook op een hogere toon worden uitgesproken of langer worden aangehouden. Nederlandstaligen gebruiken vooral de laatste twee manieren.

Iedereen die als moedertaal Nederlands spreekt, legt klemtonen. Als anderen spreken, hoor ik waar die klemtonen liggen. Dat geldt alleen niet voor iedereen. Elk jaar weer kom ik studenten tegen die met wanhoop in hun stem vragen hoe ze in vredesnaam de klemtoon kunnen vinden. Soms hebben ze al hun toevlucht genomen tot internet en daar allerlei vuistregels gevonden, maar zelf horen doen ze het niet, niet eens in hun eigen spraak.

Uiteraard hebben we het als docenten onderling over zo’n probleem. Dan wisselen we ook de didactische aanpakken uit die we gebruiken om studenten te helpen bij de oplossing van dat probleem. Omdat ik bij het googelen niets vond wat de wanhopige student helpt, zet ik er maar een paar op een rijtje.

Lees verder >>

Nederlandse Rijksoverheid tevreden over eigen beleid voor minderheidstalen

Door Henk Wolf

De Nederlandse Rijksoverheid heeft zichzelf ertoe verplicht zorg te dragen voor vijf kleine talen: het Fries, Nedersaksisch, Limburgs, Jiddisch en Romanes. Dat is gebeurd door het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden te ratificeren. Om de drie jaar onderzoekt een groep deskundigen (juristen, politici, onderzoekers) in opdracht van de Raad van Europa of Nederland z’n verplichtingen wel nakomt en om de paar jaar moet het Ministerie van binnenlandse zaken een zelfrapportage schrijven. De laatste is deze week verschenen en heel veel verantwoordelijkheidsbesef spreekt er niet uit.

In het document, waarin geen auteur wordt genoemd, gaat het ministerie vooral in op kritiek en suggesties van drie partijen: de genoemde groep deskundigen, het Comité van ministers van de Raad van Europa en het eigen adviesorgaan voor de Friese taal Dingtiid. Die zijn op diverse vlakken niet zo tevreden, maar de kritiek wordt luchtig weggewuifd.

Lees verder >>

Het is even met Henk

Door Henk Wolf

Toen er nog geen nummerherkenning was, moest je jezelf als beller expliciet bekendmaken aan de persoon die de hoorn had opgenomen. Daar zijn allerlei standaardzinnetjes voor:

  • Je spreekt met Flip.
  • Jansen spreekt u.
  • Flip hier!

Een in Friesland gebruikelijk zinnetje is (in de Friese en de Nederlandse versie):

  • It is even mei Henk.
  • Het is even met Henk.

Wie het beter weet, moet het zeggen, maar mijn indruk is dat het gebruik bij de provinciegrens ophoudt. Groningers reageren er over het algemeen wat verbaasd op en thematiseren het ook geregeld als ‘iets wat Friezen doen’. Ik kon op internet ook alleen Friestalige voorbeelden vinden:

Lees verder >>

Extra lange klinkers in het Nederlands

Door Henk Wolf

De fouten die Nederlandstaligen maken bij het leren van een vreemde taal, kunnen je soms ook wat leren over hoe het Nederlands in hun hoofd zit. Zo zie ik regelmatig dat Nederlandstaligen zich bij bepaalde klinkerlengtes gemakkelijker voelen dan bij andere.

Een van mijn taken is het geven van cursussen Fries. Daar komen mensen op af met heel verschillende moedertalen, maar de grote meerderheid spreekt toch Nederlands als eerste taal. Doordat Nederlands en Fries nauw verwante talen zijn, die al heel lang in hetzelfde gebied gesproken worden, kunnen Nederlandstaligen al snel een behoorlijk niveau bereiken. Wel hebben ze hun eigen specifieke problemen. Een daarvan zijn, wat ik nu maar even de ‘extra lange klinkers’ noem.

Lees verder >>

Onderwerp en persoonsvorm als ANWB-echtpaar: een pleit voor meer narratieven in het grammaticaonderwijs

Door Henk Wolf

Leerlingen die goed zijn in ontleden, zijn niet altijd goed in ontleden. Zeker, ze kunnen een hoog cijfer verdienen door zorgvuldig geselecteerde woorden en zinsdelen in speciaal geconstrueerde zinnetjes juist te benoemen. Maar vaak snappen ze niet wat er nou eigenlijk in een zin gebeurt.

Het probleem

Een kleine illustratie: ooit vroeg ik een groep eerstejaarsstudenten Nederlands tijdens hun eerste studiedag om me te vertellen wat een lijdend voorwerp was en een meewerkend voorwerp en een voorzetselvoorwerp. Op die vragen kwamen antwoorden die getuigden van een goed geheugen, maar niemand wist me een antwoord te geven op de vraag wat nou eigenlijk een voorwerp was – zonder iets van lijdend of meewerkend ervoor. Of een bepaling. Het is alsof ze een herdershond en een keeshond kunnen onderscheiden, maar geen idee hebben dat er een zoiets als een hond bestaat.

Lees verder >>

Van Oekraïne naar het Ameland

Door Henk Wolf

Van welk land is Kiev de hoofdstad? Sommige Nederlandstaligen zullen zeggen: van Oekraïne, terwijl anderen van de Oekraïne zullen zeggen. De landsnaam komt zowel mét als zónder lidwoord in het Nederlands voor.

Een journalist vertelde me dat hij de lidwoordloze vorm gebruikte, omdat dat duidelijk maakte dat er sprake was van een onafhankelijke staat. Toen ik even zocht, vond ik bij het Genootschap Onze Taal de observatie dat de namen van landen doorgaans geen lidwoord krijgen. Onze Taal baseert daar het volgende advies op:

“Hoewel sommige naslagwerken de Oekraïne al verouderd noemen, is dit niet in overeenstemming met de praktijk. Maar om recht te doen aan de onafhankelijke status van het land, verdient de aanduiding Oekraïne zoals gezegd de voorkeur.”

Lees verder >>

‘Ga jij dan even van terugbrengenstein?’: een Nederlandse antipassief?

Door Henk Wolf

De meeste Nederlandstaligen zijn op school de termen actieve (of bedrijvende) vorm en passieve (of lijdende) vorm wel tegengekomen. Als je een zin omzet van de actieve naar de passieve vorm, dan doe je iets waardoor het oorspronkelijke onderwerp van de zin niet langer het onderwerp is. Als opfrisser een voorbeeld met dezelfde zin in beide vormen:

  • De boer slaat de ezel. (actieve vorm, de boer is onderwerp)
  • De ezel wordt geslagen. (passieve vorm, de boer is weggelaten)
  • De ezel wordt door de boer geslagen (passieve vorm, de boer staat wel in de zin, maar niet als onderwerp)

Nou kwam ik recent het proefschrift van Raina Heaton tegen, A Typology of Antipassives, uit 2017. Zij beschrijft daarin een veel minder bekende vorm die zinnen ook kunnen krijgen, de zogenaamde antipassieve vorm. Daarin doe je eigenlijk precies het omgekeerde van wat je bij de gewone passief doet: je verwijdert niet het onderwerp uit z’n functie, maar het lijdend voorwerp.

Lees verder >>

Voor het eerst veertig

Door Henk Wolf

Vindt u de onderstaande zin onlogisch?

  • Toen ze voor het eerst veertig was, heeft ze een auto gekocht.

Er zullen Nederlandstaligen zijn die deze zin raar vinden. Voor hen kan voor het eerst alleen ‘de eerste van diverse malen’ betekenen. En omdat een mens doorgaans maar één keer veertig wordt, is de zin voor hen inhoudelijk vreemd.

Er zullen ook Nederlandstaligen zijn, vermoedelijk een minderheid, die de zin wel zo interpreteren dat die een voor de hand liggende betekenis heeft. Voor hen betekent voor het eerst in deze zin ‘net’, ‘nog maar even’.

Deze laatste groep is vermoedelijk niet zo groot, want in de betekenis ‘net’ is voor het eerst vrij zeldzaam. Een paar voorbeelden van internet:

Lees verder >>

Het Nederlands is ook een beetje een gebarentaal

Door Henk Wolf

Het menselijke brein zit zo in elkaar dat het allerlei regelmatigheden ontdekt in de taal van anderen en die zo onthoudt dat ze ook weer gebruikt kunnen worden, grotendeels onbewust. Al in onze vroegste jeugd gaan de hersenen met dat project aan de slag. Dan verwerven kinderen hun moedertalen. Blijkbaar bestaat er een voorkeur voor om in die moedertalen klanken te gebruiken, want de meeste culturen gebruiken gesproken talen. Een wet van Meden en Perzen is dat niet, want in dovengemeenschappen ontstaan gebarentalen. Die zijn overigens voor horende mensen ook goed te leren en een horend kind kan ook prima met een gebarentaal én een gesproken taal als moedertalen opgroeien. Het brein is flexibel.

We vereenvoudigen de werkelijkheid eigenlijk een beetje als we zo’n strikt onderscheid maken tussen ‘gesproken talen’ en ‘gebarentalen’. Veel gebarentalen hebben naast zichtbare ook hoorbare elementen, de zogenaamde ‘gesproken componenten’.

En andersom? Zitten er in gesproken taal ook gebaren? Ja, tuurlijk communiceren we met gebaren, bijvoorbeeld tegen je voorhoofd tikken of in je handen klappen, maar die horen niet bij ons taalsysteem. Blijven er dan nog gebaren over die wel deel van het Nederlands of een andere gesproken taal vormen? Dat je taal kunt opschrijven en dan per definitie geen gebaren aan je lezer kunt laten zien, lijkt erop te wijzen dat gesproken taal gebarenloos en echt volledig op klank gebaseerd is. Maar dat is niet helemaal waar.

Lees verder >>

Hoe(zo) ben je zo dik? Miratieve modaliteit in het Nederlands en Fries

Door Henk Wolf

Het vraagwoord hoe komt in zowel het Nederlands als het Fries voor, maar er is een subtiel verschil, dat ik nog nooit beschreven heb gezien.

Eerst de overeenkomsten. In beide talen kom je zinnen tegen als de volgende:

  • Hoe ben je zo dik geworden?
  • Hoe bist sa grou wurden?

Daarin is hoe dubbelzinnig. Het kan vragen naar de oorzaak en is dan ongeveer synoniem aan waardoor. In dat geval is het antwoord op de vraag zoiets als ‘Ik heb te veel bier gedronken’. Hoe kan ook wat betekenen als ‘op welke manier’ en dan is het antwoord op de vraag iets in de trant van ‘Ik kreeg er elk jaar een kilootje bij’. In beide gevallen is hoe een bijwoord bij het hele gezegde ‘dik worden’.

Enigszins moeizaam is het als je hoe gebruikt voor het bevragen van alleen dik. Je vraagt dan:

  • Hoe ben je dik? <beetje raar>

Op zo’n vraag zou een antwoord kunnen komen als ‘Peervormig’, maar dat blijft een beetje raar.

Lees verder >>

Ken ik nog effe van uw tijd roven?

door Henk Wolf

Franstaligen zeggen niet ‘Mon père mange petits pois’, mar ‘Mon père mange des petits pois’, met des als een in Nederlandstalige oren volkomen overbodig extraatje. In het Nederlands hebben zelfstandige naamwoorden in het meervoud helemaal geen lidwoord of ander bepaalwoord nodig, maar in het Frans staat er dan altijd iets voor wat lijkt op een lidwoord en wat in andere contexten ‘van de’ of ‘van het’ zou betekenen. Dat extraatje wordt delend lidwoord genoemd. De betekenis ervan komt een beetje in de buurt van ‘enkele’ of ‘enige’ of ‘een zekere hoeveelheid’. Het komt trouwens niet alleen bij meervoudige zelfstandige naamwoorden voor, maar ook bij ontelbare zelfstandige naamwoorden (stofnamen), zoals in de l’eau en du fromage.

Het delend lidwoord

Rond die delende lidwoorden zijn allerlei theorieën gebouwd. Er zijn taalkundigen die aannemen dat ze in het Nederlands ook bestaan en zelfs verplicht zijn, maar dan in een onhoorbare vorm. En er is zelfs een wel hoorbare Nederlandse variant die je in wat uitgebreidere grammaticaboeken tegenkomt, namelijk van die. Hoe je die precies zou moeten benoemen, weet ik niet. Delend aanwijzend voornaamwoord ligt misschien wel voor de hand. Willy Vandeweghe kiest in zijn prachtige Grammatica van de Nederlandse zin voor het wat bredere begrip partitieve determinator (‘delend bepaalwoord’) en hij geeft als voorbeeldzinnen:

Lees verder >>

Waarom laat ons taalgevoel ons in de steek bij de voltooide tijd van ‘verblijven’?

Door Henk Wolf

Bij verreweg de meeste voltooide deelwoorden kiezen Nederlandstaligen feilloos uit een van de twee hulpwerkwoorden hebben en zijn. Ik denk niet dat iemand zegt dat ie ‘een boek is gelezen’ of dat ie ‘heeft gearriveerd’.

Er zijn wel wat werkwoorden die beide hulpwerkwoorden van de voltooide tijd toestaan, doorgaans met een verschil in focus of betekenis. Zo zeggen Nederlandstaligen doorgaans ‘ik heb door de stad gelopen’ als ze de vraag ‘Wat heb je gedaan?’ beantwoorden, terwijl ze ‘ik ben door de stad gelopen’ antwoorden op de vraag ‘Hoe ben je hiernaartoe gekomen’. In ‘Parijs is aan de Seine gelegen’ en ‘De handdoek heeft aan aan de Seine gelegen’ is de tijdelijkheid van het liggen vermoedelijke de factor die het hulpwerkwoord bepaalt – als is in de eerste zin nog een hulpwerkwoord is, tenminste.

Wat vrije variatie is er ook. In allerlei regio’s komt bij geweest bijvoorbeeld zowel hebben als zijn voor, zonder betekenisverschil. En vrij algemeen is de variatie in ‘het is me goed bevallen’ en ‘het heeft me goed bevallen’.

Lees verder >>

D’r zij licht

Door Henk Wolf

Er zijn veel Nederlandstaligen die het woordje dat we als er schrijven net zo uitspreken als het woordje d’r, dus met een [d] aan het begin, dan eventueel een sterk gereduceerde klinker (de sjwa) en daarna een [r]. Die begin-[d] is historisch, want in veel contexten is er ontstaan uit daar.

Ook de uitspraak waarbij er rijmt op ver (zonder [d], maar met een duidelijke klinker) komt voor. Ik let er weleens op en mijn heel voorzichtige indruk is dat het vooral jonge vrouwen zijn die die uitspraakvariant gebruiken.

Ongetwijfeld wisselen veel Nederlandstaligen tussen beide uitspraakvarianten, maar dat kan niet in alle contexten. Zo merk ik dat ik in ‘er komt een man bij de dokter’ alleen de d’r-uitspraak kan gebruiken, terwijl ik in ‘er was eens een meisje dat Roodkapje heette’ die d’r-uitspraak kan gebruiken, maar er ook op ver kan laten rijmen.

Lees verder >>