Auteur: Gert de Jager

Passage (slot)

Gert de Jager
 
Over Piet Gerbrandy, Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces, Rimburg 2013. Vervolg van (1) en (2)
 

Een vergeten literaire hype van jewelste: The Outsider van Colin Wilson. Het boek verscheen in 1956. De auteur was een 24-jarige die op zijn zestiende van school was gegaan en zijn hoofd had gevuld met wat er in de British Library te vinden was. Een jongen uit een eenvoudig arbeidersmilieu schrijft een boek over de rol van lucide, visionaire buitenstaanders: van Van Gogh tot Roquentin – de held van Sartres La Nausée -, van William Blake tot Lawrence of Arabia. Toen het boek verscheen met aanbevelingen op de kaft en in de krant van opperste gezagsdragers als Cyril Connolly en Arnold Toynbee, de meest gerenommeerde criticus en de meest gerenommeerde historicus, mannen van de leeftijd van Wilsons grootvader bovendien, was de eerste druk van 5000 exemplaren binnen 24 uur uitverkocht. Herdruk op herdruk aan beide kanten van de oceaan. De auteur die daarvoor regelmatig de nacht doorbracht op een bankje in Hampstead Heath, werd een gewild societyfiguur. Op feesten en partijen zocht Marilyn Monroe zijn gezelschap.
 
Er zou een mooie studie te schrijven zijn over de ideologische continuïteit tussen de duffe jaren vijftig en de opwindende jaren zestig. Het heldhaftige individu dat het in dagen van burgerlijkheid en koude oorlog opneemt tegen de macht van de collectiviteit – we komen het tegen in Hollywoodfilms en sciencefictionromans. Jazz, visnetten en de zwarte coltruien van het existentialisme. Wanneer die plaatsmaken voor popmuziek, lang haar en fleurige hippiejurken, is het niet de algehele mentale conceptie die verandert, maar de emotie waarmee ze wordt beleefd. Lees verder >>

Passage (2)

Gert de Jager

De schrijver als de gids die de lezer een wereld binnenvoert waar de vertrouwde conceptuele categorieën niet meer gelden. Van een eenduidig bestaansuniversum naar een meerduidig lezersuniversum om daarna het bestaansuniversum gezuiverd te aanschouwen. Twee keer gaat de lezer een drempel over. Kenmerkend voor de dichter Faverey is dat hij de lezer het overschrijden van die drempel, de limen, laat ervaren. Het geeft aan zijn ogenschijnlijk van de wereld losgezongen taalconstructies een existentiële lading. Als ‘manifestaties van het liminale’ blijken juist die verstoringen van logica, zinsbouw en referentie uiterst betekenisvol te zijn. Het kan worden gevangen in het begrippenapparaat van de antropologie: wat Favereys lezer doormaakt, is ‘in samengebalde vorm’ een rite de passage.

Dat is wat Piet Gerbrandy beargumenteert rond pagina 25 van Een vlok duister; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces. De notie van het liminale is niet helemaal onbekend in de neerlandistiek: in zijn proefschrift uit 1991 analyseerde Anthony Mertens Raadsels van het rund van Vogelaar in het licht van diens ‘liminale poëtica’. De drempel is de drempel van taal en rede; wat een auteur als Vogelaar probeert is om met behulp van de taal die drempel te passeren. Eén drempel is dat. Nieuw bij Gerbrandy, en kenmerkend voor zijn antropologische invalshoek, is de tweede drempel die de lezer terugvoert naar het leven van alledag. Lees verder >>

Passage (1)

Gert de Jager

Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott: de beroemde uitspraak van Leopold von Ranke die elke historicus als eerstejaars te horen krijgt en een literatuurhistoricus, als het goed is, niet veel later. Elk tijdperk staat recht voor God: middeleeuwen zijn niet belangrijk omdat ze duizend jaar lang ergens tussenin zitten; een term als preromantiek is onzinnig; wie een historische periode ziet als een voor- of naspel van een Gouden Tijdperk, duwt iets wat op zichzelf een existentie heeft in een teleologische mal. Geen toeschouwer amuseerde zich met een toneelstuk omdat even later Shakespeare geboren zou worden. De wereldgeest maakte zich niet eeuwenlang druk om tot rust te komen in het Pruisen van Hegel.
 
In Een vlok duisternis; de poëzie van Hans Faverey als ritueel proces lijkt Piet Gerbrandy een nieuwe vorm van teleologisch denken te ontwikkelen – nieuw in ieder geval voor de literaire kritiek en de literatuurbeschouwing. Dat in Favereys poëzie iets ritualistisch schuilt, is niet zo’n verrassende vaststelling – al was het alleen maar door opmerkingen van Faverey zelf die zijn gedichten als ‘onthechtingsoefeningen’ betitelde. Wat in het mooi uitgegeven boekje van Gerbrandy – dichter, classicus, criticus – wel nieuw is, is de antropologische invalshoek. Lees verder >>

Ook eenheid

Gert de Jager

Omdat Judith Herzberg het niet in Doen en laten heeft opgenomen, haar – naar ik aanneem – eigen keuze uit eigen dichtwerk, kende ik het niet:

 

Vliegen en rijden 

Van boven lijken wolken niet alleen
op slagroom, pakijs, bloemkool, stoom
maar ook op nooit geziene polen.
(Hij schreef de pool die is waanzinnig mooi
en maakte zo het woordje mooi onmogelijk.)  

In ouderwetse treinen is ook eenheid.
Banken met grijs gestreept velours, coupés
met leer bekleed en dan de derde klas
met gele planken. Beter dan bungalows
die door het raam te zien zijn. 

Boeken staan vol van leegte,
het tanen van moraal en steden
de treurigheid van bouwval. Natuur
heeft weinig vormen, landhuis
Ons Leven waarlangs we flitsen, is er één.

Het gedicht komt uit de bundel Strijklicht uit 1971. Ik las het een paar dagen geleden op de poëziekalender van Van Oorschot en sindsdien houdt het me nogal bezig – langer dan meestal het geval is bij Herzbergs gedichten. Voor zover ik ze ken, zijn dat gedichten die niet meer dan één korte sessie van aandachtige lectuur vergen voor een respons. Een glimlach, melancholische herkenning, existentiële instemming: alleen of in combinatie – mooie dingen zijn dat.
Lees verder >>

Oude stilte

Gert de Jager

‘Jezus, een dichter in Domburg!’ Wanneer zijn vriend Toni, een forse hockeyer met hockeygewoontes, hem het huis wijst van J.C. van Schagen, bloost Abel Roorda en volgt deze uitroep. Niet dat hij ooit iets van Van Schagen gelezen heeft, net zo min als Toni of enig ander personage in Oek de Jongs Pier en oceaan. Meer nog dan de uitroep is daar het blozen. Subtiel laat De Jong zien wat er aan ambities en verlangens huist in een achttienjarige die we al bijna zevenhonderd pagina’s op de voet volgen en die zojuist eindexamen heeft gedaan. 

Vandaag staat er een gedicht van Van Schagen op de poëziekalender van Van Oorschot. Een titelloos gedicht – drie gedichten misschien wel: 
 

ergens moet het zijn
een soort verwilderde tuin
van oude stilte 

Lees verder >>

Zin

Gert de Jager

Toevallig ben ik bezig in Het boek Ont, de roman van Anton Valens waarvan de eerste zin zojuist werd bekroond met de Tzum-prijs 2013. De beste zin van 2012 is hier te vinden met de motivering van de jury. De zinnen waaruit de jury kon kiezen, staan hier 

Een aardige zin wat mij betreft. Mooie motivering ook: muziek, nostalgie, paradijsvogels. Geen perfecte zin: twee keer ‘dat’ op een parallelle plaats – de eerste keer een aanwijzend en de tweede keer een betrekkelijk voornaamwoord. Bij mij doet het de lectuur stokken. Dat is niet helemaal de bedoeling van een eerste zin, geloof ik. Het boek Ont bevat 349 bladzijden en daarmee duizenden zinnen. Daar zitten er meer tussen die onhandig of omslachtig zijn geformuleerd.  

Lees verder >>

Realistisch frame (slot)

Gert de Jager
 
Merkwaardig in Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur van Thomas Vaessens is dat er iets ontbreekt wat doet denken aan zijn framebegrip en in de jaren tachtig furore maakte in de literatuurwetenschap: het concept literatuuropvatting. Het werd min of meer gelijktijdig geïntroduceerd door J.J. Oversteegen en Hugo Verdaasdonk – door de eerste in zijn boek Beperkingenen door de tweede in een serie artikelen in De Revisor en in zijn proefschrift Literatuurbeschouwing en argumentatie. Verdaasdonk liet zien dat veel literatuurwetenschappelijk getheoretiseer nauw verbonden was met een poëtica en niet het soort kennis opleverde dat je van wetenschappelijke kennis mocht verwachten. Veel bevindingen zijn niet wetenschappelijk, maar – mijn adjectief is het niet – literatuuropvattelijk. Omdat dat het geval was vond Oversteegen dat de literatuurwetenschapper zich in zijn vraagstellingen moest beperken. Wie streeft naar algemene geldigheid van zijn uitspraken zal vaak de denkbeelden van anderen beschrijven: hij wordt een analyserende historicus. 
 
Veertien opvattingen omtrent de rol van literatuur onderscheidde Oversteegen in heden en verleden. Hij definieerde het concept literatuuropvatting als ‘de beschrijving van de denkbeelden van een (groep) auteur(s) of een (groep) lezer(s) omtrent aard en funktie van de literatuur, uitgebreid met een beschrijving van de strategieën als deze een programmatisch karakter hebben’ (66). Het ligt niet zo heel ver af van de manier waarop Vaessens het begrip ‘frame’ definieert: als ‘een denkraam, een cognitief schema dat bepaalt hoe we de wereld zien’ (111). Wat Vaessens wel heeft en Oversteegen niet, is de psychologische theorievorming rond het concept. Lees verder >>

Een kleine kroniek

Gert de Jager
 
‘Doe het niet, zou je willen schreeuwen’. Het is de kop boven een interview met historicus Bart van der Boom dat op 12 juli in NRC Handelsblad verscheen. De aanleiding voor het interview was zijn boek Wij weten niets van hun lot waarin hij aan de hand van 164 dagboeken, van joden en niet-joden, probeerde te reconstrueren wat er in de oorlogsjaren aan kennis circuleerde over deportatie en holocaust. Niemand had een helder beeld, is zijn conclusie, de berichten waren tegenstrijdig. Dat de gedeporteerden terecht zouden komen in gruwelijke werkkampen, was nog de meest voorkomende verwachting. Het verklaart waarom zo vaak werd besloten om niet onder te duiken. ‘Veel joden dachten dat ze in Polen minder gevaar liepen dan in de onderduik. Gesnapte onderduikers gingen naar Mauthausen, zo wist iedereen, en daar was je na drie weken dood. Maar uitroeiing door arbeid zou enige tijd vergen, terwijl men dacht dat de oorlog heel snel zou zijn afgelopen. Dus was het voorstelbaar dat gaan minder gevaarlijk was dan duiken. In werkelijkheid bood onderduik zestig keer zo veel overlevingskans als deportatie.’

Aanleiding voor het interview zijn ook de felle reacties waartoe Van der Booms aanpak en observaties leidden. Dat weinig Nederlandse joden de oorlogsjaren overleefden, is niet het gevolg van het wegkijken en de onverschilligheid van de omstanders, maar van een verkeerde risicoanalyse bij omstanders en slachtoffers – ‘zestig keer zo veel’. De motieven van omstanders en slachtoffers worden op die manier gelijkgetrokken en gereduceerd tot een misrekening. Het interview leidde eveneens tot felle reacties. Een week later vult de krant een pagina met een selectie uit de ingezonden brieven.

Een van de brieven is afkomstig van de historici Baggerman en Dekker, die het debat uit de morele sfeer willen trekken en methodologische kritiek leveren. Hun belangrijkste bezwaar betreft Van der Booms materiaalkeuze: dagboeken. Dat is geen eenduidig materiaal. Lees verder >>

Realistisch frame (6)

Gert de Jager
 
Afkomst van Den Brabander volgens het modernistische frame en dus als een perfect mechaniekje. Wat valt er te zien? 

Afkomst 
 
Hij maakte haar een kind;
dat kind ben ik.
Hij heeft haar nooit bemind:
hij was niet snik.
’t Was kermis en hij was bezopen;
‘t werd een weerbarstig broek-afstropen…
En toen kwam ik.
Voor het fatsoen heeft men mij laten dopen.  

Veel parallellie, om te beginnen. De tweede, de vierde en de zevende regel met hun rijm en hun vier woorden van één lettergreep.  De inversie in de regel die eindigt met ‘ik’ en die terugkomt in de andere regel die eindigt met ‘ik’ – één regel na het begin, één regel voor het einde. De overige vijf regels die visueel de versregel steeds verder opvullen. Syntactische parallellie en rijm in één en drie en in vijf en zes. Antimetrie en een merkwaardige samenstelling in regel zes: iconische versnelling. De slotregel loopt metrisch ook niet helemaal lekker en is bovendien de langste van allemaal. Na regel zes moet hij wel iconisch worden opgevat: achteloos en razendsnel wordt de boreling opgenomen in de wereld van het fatsoen.
 
Bronzwaers Lessen in lyriek is binnen het Nederlandse taalgebied de ultieme codificatie van zo’n wijze van poëziebeschouwing. Iconiciteit vormt daarin het ultieme leerstuk. Wat, na het romantische en het realistische frame, opvalt is dat zaken van een andere orde worden waargenomen. De authentieke expressie van een subject, een panorama van gelabelde tegenstellingen – het vereist een andere blikrichting dan de waarneming van tekstuele samenhang; de waarnemingen hoeven elkaar bovendien niet uit te sluiten. Wie leest, kan blijkbaar multifocaal framen. Lees verder >>

Realistisch frame (5)

 Gert de Jager

Twee soorten lezers. De lezers van literatuur die in de afgelopen tweehonderd jaar bij hun lectuur in totaal vijf frames hebben ingezet: historische lezers. En de lezers tot wie Thomas Vaessens zich richt in Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur en die de frames kunnen gebruiken als ‘productieve leesstrategie’. Die laatste lezers, door Vaessens consequent met ‘je’ aangesproken – voor zichzelf reserveert hij de pluralis modestiae ‘we’; een retorische strategie die ik associeer met brave fenomenologen uit de jaren vijftig: F.J.J. Buytendijk kijkt samen met ons naar ‘De vrouw’ of ‘De pijn’; al kijkend vormen we samen een gemeenschap, een ‘we’; een beetje katholiek waren die fenomenologen wel – zijn wij, anno 2013. Als lezende onderzoekers kunnen we, als we het romantische of het realistische frame inzetten, betekenissen produceren die niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met wat historische lezers aan romantische of realistische betekenissen zagen. Het frame is ons frame. Dat ligt anders bij het avantgardistisch frame dat zo is gedefinieerd dat het alleen maar de leeservaring van een ander kan weergeven: de ervaring van een lezer die gedesoriënteerd raakte dankzij nieuwe en ongewone procedés.  

Daarmee staat het haaks op het modernistische frame: het modernisme à la T.S. Eliot, Nijhoff en Faverey. Dat is het modernisme dat een literaire tekst ziet als een complex mechaniek met een ultieme samenhang die niet zomaar te doorgronden valt. In die samenhang biedt het een alternatief voor een wereld die als chaotisch wordt ervaren, is het een protest tegen de massacultuur die de verworvenheden van de moderne wereld kritiekloos aanvaardt en van individuen consumenten maakt. Autonomie is het sleutelbegrip: de autonomie van de literaire tekst met elementen die uitnodigen tot een technische analyse van hun onderlinge verwevenheid. De lezer leest met een timmermansoog. Lees verder >>

Realistisch frame (4)

Gert de Jager
 
Wat voorafging:

Vijf ‘frames’, cognitieve schema’s die bepalen hoe we de wereld zien, hebben de afgelopen tweehonderd jaar een belangrijke rol gespeeld in de literatuurgeschiedenis. Aldus Thomas Vaessens in zijn Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur. Of en in hoeverre daar iets voor te zeggen valt, zou moeten blijken aan de hand van het gedicht dat vorige week zondag op de poëziekalender van Van Oorschot te vinden was: Afkomst van Gerard den Brabander. Het realistische frame belichtte zekere aspecten van het gedicht, het romantische frame weer andere. Een probleem was de koppeling van de frames aan onbehagen met typische aspecten van de moderne wereld – een cruciaal element in Vaessens’ redenering. Het onbehagen in het gedicht van Den Brabander lijkt daar los van te staan. Dat onbehagen gaat verder. Of dieper.

 

Het derde frame is het avantgardistische frame: 

‘De literaire tekst wordt opgevat als een interventie; hij grijpt in in het leven van de lezer doordat hij die lezer confronteert met vormen en uitdrukkingswijzen die zodanig nieuw en ongewoon zijn dat ze desoriënterend en activerend werken (270).’ 

‘Die lezer’ – welke lezer is dat?  Lees verder >>

Realistisch frame (3)

Gert de Jager
 
Opvallend aan Vaessens’ romantische frame is dat het zo lijkt op het realistische frame. In plaats van de realistische tegensteling tussen ‘menselijk’ en ‘onmenselijk’ hebben we nu een romantische tussen ‘organisch’ en ‘mechanisch’. Het mechanische kennen we van het realistische frame en daar had het dezelfde negatieve lading.  Dat heeft alles te maken met de moderniteit: ‘de term ‘mechanisch’ veronderstelt de subteksten van de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw en het denken van de Verlichting,’ schrijft Vaessens op blz. 156. Wie vanuit die subteksten framet, koppelt het mechanische aan begrippen als: star, gefixeerd, lineair, doelgericht, koud. Een echte romanticus wil het organische:  

‘De term ‘organisch’ veronderstelt een biologische subtekst: de wereld van de in vrijheid levende en groeiende dingen en de wijze waarop die wereld metaforen levert voor de kracht van de menselijke verbeelding en creativiteit.’

Wat de lezer nu waarneemt is spontaan, warm, natuurlijk, beweeglijk, ongepland.

De attitude van de lezer – daarin zit het echte verschil. Lees verder >>

Realistisch frame (2)

Gert de Jager

 
De frames van de lezer en het gedicht van Den Brabander. Ik citeer het nog een keer: 

Afkomst 

Hij maakte haar een kind;
dat kind ben ik.
Hij heeft haar nooit bemind:
hij was niet snik.
’t Was kermis en hij was bezopen;
‘t werd een weerbarstig broek-afstropen…
En toen kwam ik.
Voor het fatsoen heeft men mij laten dopen.
 

De literair-historische achtergrondkennis waar ik het eerderover had, kennis van het Nederlands en andere vormen van boerenintuïtie maken dat ik het realistische frame als eerste probeer in te zetten. Een kwestie van wegstrepen. In Vaessens’ realistische frame wordt een literaire tekst opgevat ‘als een representatie van de werkelijkheid en als onderdeel van de geschiedenis: de tekst presenteert een wereld die de lezer kan herkennen’. En: ‘De belangrijkste poëticale norm die in het realistische frame geldt, is de norm van menselijkheid: goede fictie maakt de abstracties van de geschiedenis invoelbaar door echte, herkenbare mensen op te voeren als actoren in die geschiedenis’ (220). 

Echte, herkenbare mensen hebben we hier wel. Lees verder >>

Realistisch frame (1)

Gert de Jager

En toen de praktijk. Het gedicht op de kalender van Van Oorschot vandaag: 

Afkomst 

Hij maakte haar een kind;
dat kind ben ik.
Hij heeft haar nooit bemind:
hij was niet snik.
’t Was kermis en hij was bezopen;
‘t werd een weerbarstig broek-afstropen…
En toen kwam ik.
Voor het fatsoen heeft men mij laten dopen.

 

Niet direct een wereldgedicht, maar wel een gedicht waarop Vaessens’ frames vat zouden moeten hebben. Uit de Verzamelde verzen van Gerard den Brabander, fameus bohemien uit het midden van de twintigste eeuw. Samen met Hoornik en Van Hattum een van de Drie op één perron, de bloemlezing uit 1938 waarin de werkelijkheid van de crisistijd níetwerd ontkend in lyrisch geruis. Lees verder >>

Tegen het gestandaardiseerde

Door Gert de Jager
 
 
De letterkundige neerlandistiek: Bourdieu; internationaliseren; onderzoeksresultaten. 

Het moet zich laten samenvatten. 

Vandaar:  

op Poetry International volgden 6,3 miljoen Chinezen gisteren het middagprogramma via een Live Stream; 

in China zijn ISBN-nummers onbetaalbaar; 

Lees verder >>

Vijftien jaar opvoeding

Door Gert de Jager

 
God verwierp ik tijdens een pauze, in de derde klas van het ’s-Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium, in het gezelschap van Gerard.

De jonge godloochenaar die hier aan het woord is, is het ik-personage in Gesloten huis van Nicolaas Matsier. Zo makkelijk kan het dus gaan: afscheid nemen van een metafysisch stelsel dat je van jongs af aan als weg en waarheid is voorgehouden. Nauwelijks getob, geen estafette van slapeloze nachten, geen existentiële crises waar een zielzorger of ander therapeutisch personeel aan te pas moet komen. Toch: wat er aan voorafging was indoctrinatie vanaf de wieg. Eeuwenlang beproefd bovendien in gezin, school en kerk – behoorlijk alomvattende instituties, zou je zeggen. Consequente en systematische nurture – bij de generatie waartoe Matsier behoorde, verdwenen de  resultaten van al die inspanningen sneller dan een tatoeage bij een vijftienjarige van nu. Met een gladde ziel stapte men de wereld in.

Geen overhaaste generalisatie, echt niet. Ik ben zelf een eerstelichtingongelovige en daar zijn er in Nederland nogal veel van. Dat het eigenlijk merkwaardig is dat die massale geloofsafval zo soepel verliep, realiseerde ik me toen ik Pier en oceaan las – een boek waarvoor de ondertitel van het boek van Matsier, Zelfportret met ouders, niet minder geschikt zou zijn. Ook het milieu dat De Jong schetst, komt sterk overeen. Lees verder >>

Een gedicht van Kouwenaar

10 mei 1994
 
            voor lucebert
                  voor tony 
 

Vanavond gehoord van je dood op een uur
dat de dag haast stilstond van vrede

maar onder een andere hemel verstreek een andere tijd
ontplofte het licht en je was verdwenen

hier in mijn schemer vonkt nog het oude volledige leven
en bekvecht het uitgesteld vlees met de geest
 
een verwonderde muze wacht op het donker en vlecht
nog een kraai en een nachtegaal tussen de regels 

niets is voor niets geweest nu niets meer beweegt
voorgoed lig je vast in je taal en je tekens
in wat je steeds luider totaler verzwijgt – 


Een gedicht van Kouwenaar, natuurlijk. Het eerste gedicht in de afdeling Van woorden gemaakt in de bundel De tijd staat open uit 1996.  

Ik geloof niet dat er overdreven veel commentaar nodig is. Lucebert heeft het in zijn beroemde gedicht over ‘het volledig leven’. Ik ken Lucebertspecialisten die zich over zo’n lapsus goed kunnen opwinden. 

Lees verder >>

Ideaal

Gert de Jager
 
Een gedicht van Frida Vogels op de kalender van Van Oorschot vandaag. 
 
In dromen is er niet wat er geweest is
ook niet wat had kunnen zijn, maar
een werkelijkheid die men haat; die men eigenlijk wel
eens werkelijk zou willen beleven, om er
in rond te trappen als een paard in een porseleinkast,
maar die, tergend opdoemend, een spel van schimmen blijft
waarin men ook maar als schim meespeelt.
 
Titelloos, zoals alle gedichten in De harde kern 3. Om en nabij de driehonderd gedichten, verdeeld in twaalf afdelingen en voorzien van een datum. Dit gedicht komt uit VII en werd geschreven op 8 december 1966. Een werkelijkheid van Romeinse cijfers en dagtekeningen.

Zelfs dromen zijn bedrog, zou je kunnen zeggen. Lees verder >>

Discipline

Gert de Jager
 
Eeuwige roem door in 356 v. Chr. een Artemistempel in brand te steken, een verhaal in Sartres Le mur, een gedicht van Menno Wigman ter gelegenheid van de troonswisseling. Het werd afgelopen woensdag gepubliceerdop het literaire weblog Tzum en op de website van de Slaa. Ik neem aan dat ik het integraal mag citeren. 

Herostratos

Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
Ze naaien mijn gedachten op.
            Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,
            zo hevig en dramatisch dat mijn naam
            in alle kranten komt te staan. 

Lees verder >>

Polyfonie

Gert de Jager
 
Een polyfone roman met één hoofdpersonage – dat is Pier en oceaan. Polyfoon volgens de auteur zelf: “Daarom heb ik een polyfone roman geschreven, over individuele levens in verscheidene generaties.” Aldus De Jong in een interviewin Vrij Nederland.  Dat er in ruim achthonderd pagina’s doorgaans één stem opklinkt, die van het achter Friese en Zeeuwse dijken opgroeiende personage Abel Roorda, zal iedereen erkennen die de roman gelezen heeft. Ook De Jong doet daar niet moeilijk over. In een ander interview, in NRC Handelsblad, gaat hij in op het autobiografische gehalte van het boek. Pier en oceaan werd geschreven om een tijd te evoceren – de tijd van een jeugd.

Wanneer één stem overheerst in iets wat polyfoon bedoeld is, zou het zomaar eens kunnen dat na achthonderd pagina’s de compositie behoorlijk uit het lood is geslagen. Dat gebeurt niet – het is althans niet mijn ervaring. Met die polyfonie valt het ook wel mee. Met uitzondering van de eerste honderd pagina’s, waarin de lotgevallen van een toekomstig ouderpaar worden beschreven, ligt het perspectief bij het hoofdpersonage. Perspectief is een te magere term. Het personage wordt met al zijn zintuigen de zaken van het leven gewaar, denkt over die zaken na en probeert zich een manier van doen aan te meten. Lees verder >>

Perspectief

Gert de Jager
Nauwelijks een groter tegenstelling dan die tussen Frits van Egters en de mevrouw van Kleyntjes uit De tienduizend dingen. De benauwde bovenhuiswereld van De avonden versus de sensualiteit van een tropische plantage. Uitzicht op de Schilderskade of een zee met in de verte de contouren van een Moluks eiland. Een winterverhaal of geen winterverhaal.
 
Toch komt het einde van beide boeken behoorlijk overeen. Frits verzoent zich met zijn bestaan in zijn kosmos en Felicia met dat in de hare. Het klinkt een beetje wee en het gebeurt wel meer. Lees verder >>

Lied en waarheid

Gert de Jager
 
Le pacte autobiographique – het is de titel van een baanbrekende studie van Philippe Lejeune uit 1975. Hoeveel manco’s het geheugen ook kan vertonen, wat de schrijver van een autobiografie zichzelf ook wijsmaakt, hoeveel fictie een autobiografie noodzakelijkerwijs bevat: de schrijver van een autobiografie maakt met de lezer een afspraak. Wat u gaat lezen, lezer, is het verhaal van mijn leven zoals dat zich in werkelijkheid voltrok. Het is – ik zweer het op mijn authenticiteit – de waarheid en niets dan de waarheid. Lejeunes kroongetuige is Rousseau die voor lezers die door Freudiaanse wateren zijn gewassen, zich in zijn Confessions een slag in de rondte fabuleert. De structuren van Rousseaus zelfbegoocheling: het is fascinerend om ze aan het licht te brengen, maar ze krijgen pas betekenis in het licht van het pact.  

Dat de schrijver met zijn lezer een pact sluit is een notie die gemeengoed is geworden in de literatuurwetenschap en zelfs tot een Nijmeegse lezing is doorgedrongen.  Schrijver Peter Buwalda werkt aan een tweede roman en, anders dan aanvankelijk de bedoeling was, gaat die niet te veel afwijken van de eerste. Buwalda heeft met de lezer een pact gesloten voor een bepaald soort roman. Als bestsellerauteur kan hij zich niet permitteren het pact op te zeggen. Ik lees mijn eerste alinea over en zie ergens het woord ‘authenticiteit’ staan. Buwalda deed zijn uitspraak in een jaarlijkse lezing ter ere van Frans Kellendonk.    

Ik moest overigens niet aan het pact denken omdat ik me zat op te winden over een De Wereld Draait Door-Dan  Brown. De afgelopen week las ik Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen. Lees verder >>

Mar in staetlike rôffûgel hie ik wêze wollen

Gert de Jager
 
Vorige week overleed Tsjêbbe Hettinga – de Friese dichter die in zijn eentje de rechtvaardiging was voor een heel taalgebied. Nederlands gestudeerd in Groningen, lees ik in de biografieën, beïnvloed door Slauerhoff en Dylan Thomas, vertalingen in het Duits, Engels, Frans en Spaans, overal optredens, de nationale gedichtendagbundel van 2010. De eerste tweetalige: Aan schor en Stad Niks voorbij/ Oan leech en Stêd Niks foarby. Voor moderne kosmopolieten, de sociaal gestratificeerden tot wie de meeste lezers zich zullen rekenen en voor wie Barcelona dichterbij ligt dan Bolsward of Burgwerd, zal het vaak de enige keer zijn dat ze de rare lettercombinaties en manische circonflexen van het Fries onder ogen krijgen. Ik blader door Aan schor en Stad Niks voorbij en zie binnen een paar regels spjirring, bêd fan ‘e dea en tillevyzje. Spiering, bed van de dood, televisie – het geeft al iets van Hettinga’s geestelijk klimaat aan, maar tillevyzje…Slowaaks? Oudkerkslavisch?

Ik leerde Hettinga’s werk kennen in De Revisor van de jaren negentig. Lees verder >>