Auteur: Gert de Jager

Fallotopia

door Gert de Jager
Over Fallicornia van Dirk van Bastelaere (3)
“De patroon van het Vlaamse postmodernisme” noemde ik Van Bastelaere eerder – het Vlaamse postmodernisme dat zich met de programmatische bloemlezing Twist met ons uit 1987, felle polemieken, een internationaal referentiekader en bundels waar niemand om heen kon, razendsnel een positie in het centrum wist te verwerven. Het kan een Noord-Nederlandse blinde vlek zijn, maar in retrospectie lijkt het centrum van zo’n jaar of twintig geleden steeds leger te worden. Claus, D’haen, De Coninck en Nolens – dat was het wel wat oudere generaties betreft, geloof ik. Daar kwamen in korte tijd Van Bastelaere, Spinoy, Hertmans en Verhelst bij.   
Van Bastelaere was de man met de spraakmakendste bundel: Pornschlegel en andere gedichten uit 1988. Al op de flaptekst laat de dichter weten dat hij streeft naar ‘ontordening’. In gedichten met een kraakheldere, klassieke vorm die aan Nijhoff doet denken, blijkt zelfs zoiets basaals als referentie twijfelachtig te zijn. Een cyclus van elf gedichten wordt gewijd aan Georg Trakl, de Oostenrijkse dichter die aan zijn ervaringen in de Eerste Wereldoorlog een cocaïneverslaving overhield. We lezen over zijn kledinggewoontes, zijn reis naar Venetië, zijn metaforen, zijn pathologie. Toch: de conclusie in het laatste gedicht luidt Het centrum Trakl houdt geen stand. Het centrum van referentie, met de auteur als autoriteit in wisselwerking met dat centrum, blijkt een illusie te zijn. Bij Van Bastelaere komt daar de metafoor van het rif voor in de plaats: Het dagboek dat groeit.// Het rif dat zich voortschrijft.  
Meer dan wie ook van zijn generatie was Van Bastelaere degene die zijn positie bevocht volgens een avantgardistisch stramien. Lees verder >>

Liftloze liftmuziek

door Gert de Jager
 
Over Fallicorniavan Dirk van Bastelaere (2)
 
Een vreemd, opvallend kenmerk van het taalgebruik van Van Bastelaere, in Fallicornia en eerdere bundels, is het gebruik van de punt. Soms staat hij wel en soms staat hij niet voor de hoofdletter die een nieuwe zin aanduidt. Wel bijvoorbeeld in deze strofe:
(…)
Boven Borrego draaien oude sterrenbeelden
herkenbaar in telefoons. De uilen
als naam
voor een geluidloze vlucht
(…)
En even later niet in deze strofe:
Men verstaat de beweging
van het zwemmen niet eens als een improvisatie op de grens met de leefbaarheid
en we zijn nergens
wakker In de witte bergen
sprak ik met Methusalem in hout dat alleen het onmerkbaar verdampende water
ziet bewegen
Meer dan veertig keer komt zo’n combinatie van een ontbrekende punt en een hoofdletter in de bundel voor; zo’n tien keer middenin de versregel. Het lijkt vaak een indicatie voor syntactische ambiguïteit van het soort we zijn nergens wakker in de witte bergen/ in de witte bergen sprak ik met Methusalem, maar misschien niet altijd.
Het simpele leesteken van de punt is ook in andere opzichten een gemarkeerd fenomeen in de bundel. Lees verder >>

Men, hernomen

door Gert de Jager
 

Dit gedicht op de kalender van Van Oorschot vandaag:

 

Men

Dat men voor alles zichzelf is
in zijn badkuip zijn oorlog zijn spiegel
 
dat men voor alles zijn huis is
met zijn inzicht zijn leesbril zijn spiegel 

dat men voor alles zijn uitzicht
met zijn siertuin zijn sikkel zijn spiegel
 
dat men voor alles zijn datum
in zijn stilstand zijn afgang zijn spiegel
 
dat men voor alles zijn ander
in zijn halfheid zijn heelhuid zijn spiegel
 
dat men voor alles van vlees is
op zijn sofa zijn kladblok zijn bord –

 
Het gedicht komt uit Totaal witte kamer, Kouwenaars bundel uit 2002 die in korte tijd zeven drukken beleefde.

Kouwenaar gebruikt ‘men’, schreef ik eerder, niet zozeer om algemene waarheden te verkondigen, maar om een moment te betrappen. Lees verder >>

Fallicornia

door Gert de Jager

Van Dirk van Bastelaere, de patroon van het Vlaamse postmodernisme, verscheen een nieuwe bundel met de titel die hierboven staat en onder meer de naam van een Amerikaanse staat verhaspelt. Het is, bibliofiele varianten niet meegerekend, Van Bastelaeres zesde bundel. Ook Fallicornia gaat een bibliofiele toekomst tegemoet: de bundel verscheen in 126 genummerde en gesigneerde exemplaren bij uitgeverij Druksel en zal, zoals dat altijd gaat bij Van Bastelaere, ongetwijfeld deel gaan uitmaken van een echte, volwaardige zesde bundel. Met deze veertien lange, meestal meerdere pagina’s beslaande gedichten zou zo’n bundel overigens al voor de helft gevuld zijn.  

Allemaal delen, van een geheel dat ontbreekt – om Van Bastelaeres bekendste poëticale uitspraak, uit het slotgedicht van Pornschlegel en andere gedichten uit 1988, nog maar eens aan te halen. De bundel werd bekroond met de Pernathprijs en in zijn dankwoord gaf Van Bastelaere een gebruiksaanwijzing voor zijn lyriek: 

Concreet wil dat zeggen dat ik gedichten probeer te schrijven die de illusie wekken leesbaar te zijn. Ik ga ervan uit dat elke zin afzonderlijk leesbaar moet zijn, maar dat het geheel van het gedicht zich niet mag laten vatten.

Dat laatste kan niet anders omdat de wereld nu eenmaal voorzien is van een ‘duizelingwekkende meerzinnigheid’. Lees verder >>

Literair systeem

door Gert de Jager
 
Het doet denken aan dit gedicht: 

Zeer vrij naar het Chinees 

de zon komt op. de zon gaat onder.
langzaam telt de oude boer zijn kloten.
 

En daarmee automatisch aan dit gedicht: 

Zeer vrij naar het Chinees 

De zon gaat op, de zon gaat onder.
Wat doet die boer nou toch weer?

 
Maar ook aan dit gedicht: 

Lees verder >>

Louche

door Gert de Jager
Het gaat om een adjectief dat ‘onguur, verdacht’ betekent.

De kwestie is bekend. Een strafpleiter uit Maastricht, producent van een reclamefolder die als boek op de markt wordt gebracht, zelfverklaard ‘dandy’ en ‘dwarsligger’, wil door een cartoonist niet als ‘louche advocaat’ worden neergezet. De cartoon wordt verspreid in een huis-aan-huisblad en argeloze Maastrichtenaren zouden wel eens aan ’s mans integriteit kunnen twijfelen. Omdat de karakterisering ‘louche’ de advocaat schaadt in zijn beroepspraktijk, probeert hij via de rechter rectificatie af te dwingen. De rechter wijst de eis toe. Ook voor een cartoonist is de vrijheid van meningsuiting soms beperkt.

De advocaat heeft nog andere kwaliteiten – als mens, zeg maar. Lees verder >>

Slot: men is/ ikzelf

Over de ontwikkeling van Kouwenaar, de autonomie van het kunstwerk en neerlandici die het lezen serieus nemen
Vervolg van (1), (2) en (3) 
door Gert de Jager
 
Het gedicht over de zelfmoord van Van Gogh: wanneer Kouwenaars ‘men’ een ‘hij’ wordt, lezen we niet veel meer dan een anekdote; wanneer ‘men’ ‘jij’ wordt, is er een geïmpliceerde ‘ik’ aan het woord die de zelfmoordenaar bestraffend toespreekt. Met de verandering van de voornaamwoorden correspondeert blijkbaar iets essentieel genreachtigs. De tien regels van het gedicht worden òf een narratieve tekst waarin de mogelijkheden van de narrativiteit worden uitgebuit en vertellerstekst en waarnemingen van het personage ongemerkt in elkaar overgaan, òf het wordt een dramatische tekst die zo naar een biopickan worden overgeplant. Een man strompelt over een landweg; we horen een voice-over. Een beetje melancholisch, een beetje belerend – het timbre van Hans Keller. 
Nogmaals het gedicht:

Vervolg: men is/ ikzelf

door Gert de Jager
Hoe onbepaald kan een voornaamwoord zijn? In Kouwenaars 1890: 27-29 juli zijn de data in alle betekenissen van het woord zeer specifiek: wat gegeven is, zijn de bijzondere omstandigheden van Van Goghs sterfproces dat zich binnen deze drie dagen voltrok. De ‘men’ die de weg terug loopt, is dat ene personage van wie de laatste dagen goed zijn gedocumenteerd. Lezers blijken, als het maar even kan, aan Kouwenaars ‘men’ een context te geven: het krijgt doorgaans de contouren van een Hollandse dichter met een tweede huis in Zuid-Frankrijk die als een soort ervaringsdeskundige uitspraken doet over de menselijke conditie. In 1890: 27-29 juli wordt het werk voor hen gedaan: context en contouren zijn tot in de titel terug te vinden.
Toch schreef Kouwenaar ‘men’ en niet ‘hij’. Lees verder >>

men is/ ikzelf

 
Wie is ‘men’ bij Kouwenaar? Men is men, aldus dichter Han van der Vegt onlangs in een beschouwing over Kouwenaars regel ‘men moet aan alles een vorm geven’:
 
Je denkt misschien dat hij ‘men’ gebruikt om geen ‘ik’ of ‘je’ te hoeven schrijven. Maar wie een aantal van zijn gedichten achter elkaar leest is er snel aan gewend. Kouwenaar schrijft ‘men’ omdat hij ‘men’ bedoelt.
 
Dat zien veel van Kouwenaars lezers toch anders. In zijn boek uit 2008 over de verschillende manieren waarop Kouwenaars poëzie benaderd wordt, Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen, stelt Gaston Franssen vast dat ook exemplarische lezers als Sötemann, Kusters en Groenewegen het bovenpersoonlijke al snel terugvoeren op het particuliere – ‘compleet met biografische details en persoonlijke doelstellingen.’ De ‘men’ die zich ophoudt in de buurt van een huis is geen geabstraheerde lyrische entiteit, maar een Hollandse dichter met een tweede huis in Zuid-Frankrijk. Zo, naar hartenlust contextualiserend, lezen lezers blijkbaar. Franssen laat het zien om vervolgens aan te tonen dat daarmee de problemen niet opgelost zijn. Kouwenaars poëzie is te principieel ambigu om zich te lenen voor welke totaliserende interpretatie dan ook.  

Hoezeer Kouwenaars poëzie zich tegen zo’n interpretatie kan verzetten, blijkt ook uit dit gedicht: 

Lees verder >>

men is/ ikzelf

door Gert de Jager 
“Je”. De lyrisch toegesprokene in de poëzie van Komrij die blijkbaar geen ‘ik’ wil zeggen: “Je denkt niet graag terug aan kinderjaren.” Alle Nederlandse voetballers sinds Johan Cruijff wanneer ze na afloop van de wedstrijd worden geïnterviewd. Kouwenaars ‘men’.
 
Wat er aan de hand is, leert misschien een reeks onderzoeken van Amerikaanse psychologen waarover gerapporteerd werd in het februarinummer van het Journal of Personality and Social Psychology. In de NRC van 31 januari maakte wetenschapsredacteur Ellen de Bruin melding van hun bevindingen en sindsdien zwerft er een knipsel over mijn werktafel. Een ongewoon lange titel: “Praten tegen jezelf is prima, maar nooit in de ik-vorm” en een vakkundigelead: “Praten over jezelf als ‘je’ of ‘zij’ schept afstand. Dat maakt het makkelijker om om te gaan met irrationele gedachten” geven samen een aardige indruk van wat de dames en heren psychologen zoal hebben geconcludeerd.
 
Het gaat om het verschijnsel self-distancing. Onderzoek naar taalgebruik van dichters die zelfmoord pleegden had al eerder geleerd dat het ertoe doet: in hun gedichten komt het woordje ‘ik’ veel vaker voor. Lees verder >>

De duivel, misschien wel

Over enkele regels van Lucebert
door Gert de Jager
Wie door Brabant of Limburg rijdt, komt ze bijna altijd tegen en wie er is opgegroeid, kent ze zeker: de immense gebouwencomplexen waar tot diep in de jaren vijftig de monnikspijen ruisten en de kappen van de nonnen niet gesteven genoeg konden zijn. Scholen zijn het geworden, appartementencomplexen, bedrijfsruimtes voor de creatieve sector. Nauwelijks twee generaties geleden waren het strak georganiseerde brandpunten van wereldverzaking: mannen en vrouwen van allerlei rangen en standen legden hun beloften af om te worden opgenomen in een parallelle wereld waarin onder meer het ideaal van de zuiverheid menselijke verhoudingen reguleerde. Zuiverheid of kuisheid: dat er af en toe gretig gezondigd werd, is de afgelopen jaren nogal duidelijk geworden. Aan het ideaal waarop het samenleven was gebaseerd, zal het niets hebben afgedaan. Het werd nog meer van een niet-menselijke orde dan het al was.
De parallelle wereld is verdwenen en daarmee, in de moderne westerse cultuur, de institutionalisering van de wereldverzaking. Lees verder >>

Een lasso van luister (slot)

Over drie gedichten van Jacques Hamelink, vervolg van (1), (2) en (3)
door Gert de Jager
 
Poëzie die alle taalmiddelen gebruikt die maar mogelijk zijn: die Vollkraft der Sprache. En ook thematisch een maximale inzet: ’s dichters autobiografie, de liefde, de kunst, in Germania opkomst en neergang van het Avondland. De goden. Je zou niet denken dat het mogelijk was, maar het bestaat: een poëtisch surplus. Hamelinks poëzie laat het zien samen met een tekort: een tekort aan ruimte voor de lezer. Interpretatieve ruimte, meditatieve ruimte. In de drie gedichten uit Onder de kastanje met de tegenstander transformeert Hamelink scènes uit een jeugd zo grondig dat er voor de lezer niets te transformeren overblijft. Wat Frans Kuipers, in het gedicht dat ik eerder besprak, voor elkaar kreeg, lijkt voor Hamelink geen criterium te zijn: een spel van reflectie en zelfreflectie dat de lezer bijna lijfelijk ondergaat. Hamelink schotelt ons scènes voor: anekdotes en – in andere bundels meer dan in Germania – beschrijvingen. Maar wat we beleven, beleven we op afstand. Meer dan een dichter is Hamelink een hyperprozaïst. 
De basis – oftewel het veldkampement – van dit alles is een niet al te spectaculaire anekdote. Die anekdote ondergaat een maximale transformatie en wordt een poëtisch artefact dat zijn artificialiteit en zijn poëtisch gehalte aan alle kanten uitdraagt. Hamelink was het afgelopen decennium een protagonist in maar liefst drie proefschriften – meer dan Kouwenaar, Ouwens, Faverey bij elkaar. Lees verder >>

Een lasso van luister (3)

door Gert de Jager
 
Wat is er aan de hand met Hamelinks poëzie? Nogmaals het eerste van de drie gedichten die ik citeerde uit Onder de kastanje met de tegenstander – een van de elf reeksen die samen Germania, een canto vormen.
Geen lediggang is het meer, van en naar school te gaan.
We lopen ons stuk kassei samen, lettend op onze woorden. 
Volle kracht van de zon met ons. Met de armen om elkaars
schouders komen we het speelplein op. Believen de staande, 
de kastanjebergschaduw heersend van de muurglasscherpten
tot anderzijds het bloeiseringenoverwolkte, smeedspiesenhek. 
We mogen kiezen wie van de Dioskuren we willen zijn, zijn
wederkerig bereid Pollux’ sterfelijke evenknie te wezen.
 
Wat in eerste instantie vooral opvalt, is de zinsbouw. Een voorop geplaatst naamwoordelijk gezegde met een onderwerp aan het slot: ‘van en naar school te gaan’. De tweede regel kent een tegenwoordig-deelwoordconstructie die meer bij het Engels lijkt te passen dan bij het Nederlands. Een ellips: ‘volle kracht van de zon met ons’. Geen onderwerp bij ‘believen’ – dat moet een samengetrokken ‘we’ zijn, maar als dat na ‘believen’ zou staan, loopt de zin vanaf de derde strofe nogal stroef. Dat doet die derde strofe toch al met vier samenstellingen die Van Dale vast niet kent en komma’s waardoor de combinatie van een adjectief en een zelfstandig naamwoord een opsomming van het min of meer gelijkwaardige wordt: ‘de staande, de kastanjebergschaduw’ en ‘het bloeiseringenoverwolkte, smeedspiesenhek’. Het meest normaal oogt de vierde strofe, al lijkt ‘wederkerig’ nogal pleonastisch als er twee keer ‘we’ staat en is ‘sterfelijke evenknie’ geen gangbaar Nederlands, maar classici-Nederlands. 
Zes zinnen die wanneer ze in een prozatekst voorkwamen, hardhandig door een redacteur verbeterd zouden worden. Lees verder >>

Een lasso van luister (2)

door Gert de Jager
 
Kenmerkend voor poëzie, en wellicht ook die van Hamelink, zou bijvoorbeeld dit kunnen zijn: 
Poëtisch taalgebruik zal de woorden, die in de primaire code – het dagelijks taalgebruik – conventioneel en willekeurig zijn en hun betekenissen uitsluitend aan afspraken danken, een iconische functie opdringen, waardoor zij deel gaan hebben aan het wezen van wat zij aanduiden. Woorden worden in de poëzie tot iconen (29). 
Het citaat komt uit Lessen in lyriek, de – volgens de ondertitel – ‘nieuwe Nederlandse poëtica’ die W. Bronzwaer in 1993 publiceerde en die veel weerklank vond. Een manier van poëzie lezen, die van Fens, Oversteegen, Rein Bloem, werd gecodificeerd in een boek dat snel zijn weg vond op de universiteiten. Eerstejaars kregen een houvast; onderzoek dat zich niet met Bourdieu-achtige strategieën wenste bezig te houden kon zich bewegen binnen een theoretisch kader dat een eindeloze hoeveelheid waarnemingen leek te beloven. Belangrijke waarnemingen, interessante waarnemingen: een dichter gebruikt zijn taal anders en dat doet hij om zijn lezer betekenissen voor te toveren die alleen op deze manier over te dragen zijn. Het onderzoeksparadigma vond zijn voorlopige eindpunt in Leegte, leegte die ademt, het proefschrift van Yra van Dijk uit 2006 waarin het wit van enjambementen en strofegrenzen de dimensies kreeg van alles waarover men niet spreken kan. Het wit is er niet zomaar – het staat daar omdat het iets wil betekenen en de lezer iets wil laten ervaren: zenachtige leegte, mystieke vervuldheid.  

Een lasso van luister (1)

door Gert de Jager
 

Taal, stijl, poëtische taal, poëtische stijl. In deze cyclus van drie gedichten bijvoorbeeld:

 
1.

 

Geen lediggang is het meer, van en naar school te gaan.
We lopen ons stuk kassei samen, lettend op onze woorden.
 
Volle kracht van de zon met ons. Met de armen om elkaars
schouders komen we het speelplein op. Believen de staande, 

de kastanjebergschaduw heersend van de muurglasscherpten
tot anderzijds het bloeiseringenoverwolkte, smeedspiesenhek. 

We mogen kiezen wie van de Dioskuren we willen zijn, zijn
wederkerig bereid Pollux’ sterfelijke evenknie te wezen.
 

Onbekommerdheidsblauw

door Gert de Jager
 
 
Ik weet niet zoveel. In ieder geval niet genoeg om dit gedicht direct te begrijpen:
 

   (lied van het W. Müllerbos)

Door het W. Müllerbos te S.
liep ik een zomerdag.
De zon scheen op mijn mosbegroeide pad
en het was ritselragfijntjilpen stil.

Hoe makkelijk voorstelbaar was het daar
lopend in het W. Müllerbos te S.
niet in het W. Müllerbos te S.
maar in het midden van het F. Kuipersbinnen
– daar waar
als een octopus met vangarmen aders o.a. aorta
onverpoosd het hart pulseert –
leukocytklein,
Alice-gewijs in spirillenland verzeild geraakt te zijn.
 

Het is van Frans Kuipers, komt uit zijn bundel Wolkenherdersliederen uit 2009 en staat vandaag op de poëziekalender van Van Oorschot. Ik ken één bundel van Kuipers – het dit jaar verschenen Molwerk dat in de NRC juichend werd besproken door Guus Middag. Een sympathieke dichter, die Kuipers. Het bleek ook bij een optreden in het Amsterdamse poëziecentrum Perdu waar hij Molwerkintegraal voorlas. Perdu, normaliter een bolwerk van maatschappijbetrokken avantgardisme op conceptuele grondslag, werd even integraal ingepakt door Kuipers’ charmante neologismen, zijn zuidelijke g en een consequent naïeve blik aangaande de zaken des levens. Wandelen over de Vughterheide, beseffen wat daar gebeurd is en toch oog blijven houden voor ‘het onbekommerdheidsblauw van de hemel’. Zoiets.
 

Gelijkenis

door Gert de Jager
  
Niet direct de fysionomie, maar lichaamsbouw, schedelvorm.
Koppen waarmee je een gat in de grond kunt boren. Je komt uit bij Paaseiland.
Mijn grootste tekortkoming? Dat ik naïef ben. Dat lieg je, zegt de door de wol geverfde interviewer. Nee, ik ben naïef. We zien: als er iets is wat hij oprecht meent, dan is het dat.
De ander: ik ben te goed van vertrouwen en word altijd bedrogen.
Niet alleen een systeem of systemen, maar het toeval uitsluiten. De spelersbus – die heb ik gemaakt.
De ander laat geen mus zomaar van het dak vallen en als het wel gebeurt, is het om iets mee te delen over een wereld waarin de mussen zomaar van het dak vallen. Lees verder >>

Bericht uit het labyrint

door Gert de Jager
 
Een schrijver, een immigrant, gaat ten onder in de labyrintische stad waarin hij zijn toevlucht heeft gezocht. Zijn nieuwe stamcafé – een woord dat niet echt lijkt te passen bij beschaafd mediterraan slempen – is de Bar met de Spiegels. Een labyrintische stad, spiegeleffecten: het personage dat ten ondergaat wordt meestal Ilja genoemd en soms Leonardo. De schrijver die gisteravond de Librisprijs in ontvangst nam, zag er niet verlopener uit dan voor zijn vertrek. We zagen een gelukkig man.  
 
In een interview in de NRCrond de verschijning van La Superbaliet Pfeijffer er geen twijfel over bestaan: „Ik kan de krantenlezer geruststellen dat de roman niet autobiografisch is: ik heb het hier prima naar mijn zin en anders dan mijn personage ben ik vooralsnog niet hopeloos ten onder gegaan.” Het personage Ilja Leonard dat aan lager wal raakt en van zijn identiteit wordt beroofd,  is een personage in een roman. Lees verder >>

Oude jazz

 
Over Hans Verhagen (2)                                                                     
door Gert de Jager
 
In 2003 verschenen Verhagens verzamelde gedichten onder de titel Eeuwige vlam – met daarin de tweede versie van het openingsgedicht uit Sterren cirkels bellen die ik eerderciteerde -, werd er een tentoonstelling gewijd aan zijn werk in het Letterkundig Museum en kwam er onder de titel Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in een Schrijversprentenboek uit waaraan moderne grootheden als Jan Mulder en Ilja Pfeijffer meewerkten. Na twee decennia waarin van Verhagens reputatie niet veel meer over leek te zijn, was dat een wonderbaarlijke wederopstanding.
Het was vooral de dichter zelf die opstond. Niet direct met Kouwe voeten dat na een pauze van twaalf jaar verscheen in 1983 en ook niet met Autoriteit van de emotie uit 1992 – beide bundels werden matig ontvangen. Het veranderde pas echt met Echoput & luchtkasteel uit 1995. In 2000 verscheen Triomfantelijke wandelingen, in 2002 Quasi-kamikaze: niet alleen een dichter leek weer in zijn dichterschap te geloven, maar dat deden ook een uitgever die zijn werk liefdevol uitgaf en spraakmakende critici als Pfeijffer en Gerbrandy. De goegemeente geloofde met hen mee. 
Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in gaat vergezeld van een dvd met fraaie fragmenten uit Het gat van Nederland – het legendarische VPRO-programma dat onder redactie van Hans Keller de buitenissigheid van het vaderland registreerde, twee seizoenen werd uitgezonden, met de Nipkowschijf werd bekroond en de standaard zette voor een VPRO-documentairestijl die het decennia heeft uitgehouden. Lees verder >>

Spatie

Over Hans Verhagen (1)                                                                       Gert de Jager

  

Ik rij wat rond,
maar meestal zit ik binnen,
te creëren.
 
Als de zon schijnt gaan de tuindeuren open.
 
Je kan de gouden regen ruiken.

 Of:  
 
Ik rij wat rond,
maar meestal zit ik binnen,
te creëren. 

Als de zon schijnt gaan de tuindeuren open.
 
Je kan de goudenregen ruiken.
 

 
Wie in een antiquariaat de planken met poëzie afstruint, heeft de bundel waarvan dit gedicht het openingsgedicht is, op zijn minst gezien. Sterren cirkels bellen van Hans Verhagen verscheen in 1968 niet alleen in de oplage van een Literaire Reuzenpocket van de Bezige Bij, maar de bundel was ook spectaculair vormgegeven door Wim T. Schippers. Vijf, zes kleuren met dan ook nog drie verschillende tinten blauw, op de voor- en achterkaft een portret van de dichter als John Lennon, sterren, cirkels, rechthoeken, rafelranden, een palmboom, een ganzenveer – het lijkt een psychedelische uitdragerij, maar wie de bundel ooit in handen heeft gehad, ziet een heldere esthetiek in de traditie van Piet Zwart en Dick Elffers. Wat de vormgeving betreft is het zonder twijfel de mooiste bundel die ooit in Nederland verschenen is. Lees verder >>

Labov en de literatuurwetenschap

Gert de Jager
 
William Labov, de sociolinguïst aan wie Marc zo’n mooie serie wijdde, is de laatste taalkundige geweest die een diepgaande invloed op de literatuurwetenschap heeft uitgeoefend. Dankzij hem vielen nogal wat letterkundigen van een talig geloof af. Het heeft alles te maken met zijn sociologische blik.
 
Wat was het geloof of paradigma? Dat was de overtuiging dat het taalgebruik in literaire teksten zich op de een of andere manier onderscheidde van het taalgebruik in niet-literaire teksten. Wat zo ijverig door neerlandici en andere brave werkers in het literaire veld werd bestudeerd, verdiende dat vanwege een bijzondere structuur, afwijkend taalgebruik, de niet-referentialiteit der taaltekens, een bijzondere gelaagdheid, bijzondere kunstgrepen. Wat het precies was – daar kon je over twisten. Het getwist maakte de literatuurwetenschap in de jaren zestig en zeventig tot een levendig vak dat als Theoretische Literatuurwetenschap op de universiteiten werd geïnstitutionaliseerd. Een vak met richtingen, stromingen, ‘scholen’. Lees verder >>

Wie is van glas?

Gert de Jager
 
 
‘Charles VI (‘Le fol’, 1368-1422) leed aan waanideeën. Hij meende o.a. letterlijk van glas te zijn.’ Zo luidt de aantekening van vertaler Maarten Elzinga bij een regel uit het gedicht The Conversationsvan Les Murray, de Australische dichter van wie onlangs een omvangrijke bloemlezinguit zijn werk verscheen. Meer dan vijfhonderd bladzijden en – geloof deze recensie niet – doorgaans uitstekend vertaald. Prachtig uitgegeven bovendien. Een obese, lichtelijk door Asperger bezochte boerenzoon uit de Outback met een encyclopedische tic en die zijn poëzie opdraagt aan de glorie Gods – hij is de grootste levende dichter van dit moment. Er zijn dagen dat ik hem de grootste levende dichter ooit vind. 
 
The Conversationswerd in de vertaling Gesprekthema’s;The glass king of France feared he’d shatter’ werd ‘De glazen koning van Frankrijk vreesde in stukken te breken’. Last van gekte kreeg deze Karel vanaf 1392. Zijn bijzondere ziektebeeld kende ik uit de biografie van Caspar Barlaeus: dat wonderlijke mengsel van geleerdheid, goedhartigheid en vreemde angsten en obsessies (hij verbeeldde zich soms van glas te zijn, of voeten van stro te hebben).’ Het citaat komt uit Het licht der schitterige dagen, Hella Haasses biografische schets van P.C. Hooft. Hooft stierf in 1647; Barlaeus overleefde zijn goede vriend maar een paar maanden. Op een winterdag in 1648 liet hij zich vallen in een regenput. 
 
Er waren er meer van glas. In Huygens’ ‘t Kostelick mal uit 1621 bijvoorbeeld:

Zonder string

Gert de Jager
 
De enige bundel van de vijf die ik gelezen heb. Een bundel waarvoor noch Van den Berg in NRC Handelsblad, noch Schouten in Vrij Nederland enige waardering kon opbrengen. Voor de eerste werd ‘de poëzie bedolven in te veel tropisch gekleurd taalgeweld’;  de tweede zag een dichter die ‘wel mateloos exotisch en grensoverschrijdend in de weer [was] met e-mailtjes en bluesliedjes, bedelaars en zeeleeuwen maar toch ook nogal ongeconcenteerd’. In De Groene beleeft Gerbrandy hetzelfde nogal anders: hij is ‘meegenomen op een zintuiglijk overweldigende tocht naar oorden die de meeste West-Europeanen exotisch zouden noemen’. Bij hem mondt het uit in een ‘fysieke leeservaring’ die in de buurt komt van een ‘trance’. 
 
Het laatste – dat vind ook ik iets moois. Lees verder >>

Examen

Gert de Jager
 
1.         Het tekort aan huispersoneel en de toekomstige inrichting der woningen.
2.         Verzetspoëzie. 
3.         Onze manieren in het publieke leven. 
4.         Wat heeft de H.B.S. mij gegeven? 
5.         Zwarte handelaars en zwarte kopers. 
6.         De werkijver na de oorlog. 
7.         Het leven op het platteland. 
8.         Hoe droom ik mij het herstel van de verwoesting in mijn woonplaats? 
9.         Nederland bleef trouw.
 
Het eindexamen Nederlands van de Hogere Burgerscholen A en B in 1947, afgenomen in de namiddag van 3 juni. Een simpele opgave: maak een opstel. De kandidaat kreeg tweeëneenhalf uur de tijd.
Voor wie niets kon bedenken was er opdracht 10:  

Schittering

Gert de Jager


Vanochtend kwam het bericht dat Gerrit Krol is overleden. Op zaterdag 22 april 2012 stond een van zijn gedichten op de poëziekalender van Meulenhoff.  De laatste strofe:

Want alle vlees, het is als gras
en het witte, leven brengende kroesje
een vlinder, een libel misschien wel,
die schittert in de zon, vooral na een fikse regenbui.
Zijn poten houden met kracht een rietstengel vast,
dragen het vliesdun overschot,
dat trilt in de wind.

————————————————————————-

Een gedicht van Gerrit Krol op de Meulenhoffkalender vandaag.

Gerrit Krol is de schrijver die ik in mijn studententijd het meest las. Zijn nuchtere en weemoedige stijl, de theorieën waarmee zijn eenzame mannen greep probeerden te krijgen op leven, werk en vrouwen, zijn experimenteren met de romanvorm dat nooit een geforceerde indruk maakte.