Auteur: Gert de Jager

Hymnen, onder meer aan de duur

door Gert de Jager

Neerlandici bestuderen systemen. Twee elementen die lekker functioneren binnen het systeem van de moderne Nederlandse poëzie zijn Huub Beurskens en Piet Gerbrandy. De eerste heeft een oeuvre van zo’n vijftig titels op zijn naam staan, waarvan ongeveer de helft poëzie; de tweede is gerespecteerd dichter en ’s lands belangrijkste poëziecriticus. Beurskens’ werk vond vooral in de jaren negentig veel waardering; hij kreeg de VSB-prijs, de Jan Campertprijs, de Herman Gorterprijs. Voor de VSB-prijs werden bundels van Gerbrandy herhaaldelijk genomineerd; een centraler plaats in het systeem dan die van ’s lands belangrijkste poëziecriticus valt moeilijk voor te stellen. Beurskens en Gerbrandy hebben, voor zover ik weet, verder weinig met elkaar te maken. In het systeemjargon: tussen hen bestaan niet of nauwelijks contactrelaties.

Beiden publiceerden de afgelopen maanden een vertaling van buitenlandse poëzie die niet bepaald van recente datum is. Beurskens doet dat vaker: hij vertaalde Auden, Benn, William Carlos Williams. Van Gerbrandy heb ik alleen de vertaling van het proza van de Romeinse retor Quintillianus in de winkel zien liggen. De poëzievertalingen die ze de afgelopen maanden hebben gepubliceerd, behoren tot het beste wat ik de laatste tijd aan poëzie in het Nederlands heb gelezen – nee, zijn het beste. Het bijzondere is dat de gedichten die ze vertaalden, op elkaar lijken: ze zijn lang, ritmisch, hymnisch, vormen een poging om een metafysische essentie te formuleren of daaromheen te cirkelen. Onafhankelijk van elkaar vertalen twee dichters werk dat de lezer die ik ben als verwant ervaart – vooral ook omdat het zo afwijkt van wat er aan autochtone poëzie op de markt komt. Lees verder >>

De conventies van de geschoolde poëzielezer (2)

door Gert de Jager

Over Jeroen Dera etc., Dichters van het nieuwe millennium, Nijmegen 2016; zie hier voor het eerste deel.

In het openingshoofdstuk van Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen uit 2003 analyseren Vaessens en Joosten wat zij ‘de conventies van de geschoolde lezer’ noemen. Die lezer is door Merlyn en het New Criticism heen gegaan en verwacht van een fraai gedicht dat het a) een organische, natuurlijke eenheid vertoont die b) teruggevoerd kan worden op de authentieke stem van een lyrisch subject en c) bij alle ogenschijnlijke chaos op een hoger niveau een innerlijke coherentie kent. In postmoderne poëzie zijn die conventies niet langer zonder meer geldig. Noties als natuurlijkheid, authenticiteit en oorspronkelijkheid hebben door denkers als Lyotard en Derrida hun vanzelfsprekendheid verloren. De werkelijkheid herself beantwoordt niet aan een coherent intellectueel schema; wat postmoderne poëzie niet wil is de indruk wekken dat het wel het geval zou zijn. Wat poëzie de lezer kan bieden is een ervaring: de ervaring van een sublimiteit die conceptuele kaders en de traditionele moraal te boven gaat.

De dichters van het nieuwe millennium zijn vlak voor 2003 of in het decennium daarna gedebuteerd; ze vormen de generatie die volgt op de dichters wier werk voor Vaessens en Joosten het uitgangspunt was: Oosterhoff, Duinker, Van Bastelaere, Verhelst. Het betekent dat ze, als het goed is, zijn opgegroeid met poëzie die niet langer wilde voldoen aan traditionele lezersverwachtingen. Lees verder >>

De conventies van de geschoolde poëzielezer

Door Gert de Jager

Een paar maanden geleden verscheen Dichters van het nieuwe millennium; Marc schreef er al eerder over. Het is een bij Vantilt verschenen en dus fraai uitgegeven bundeling van 24 opstellen van 24 literatuurwetenschappers over het werk van 24 dichters die na het jaar 2000 debuteerden. Het boek is goed ontvangen en terecht, lijkt mij. Al was het alleen maar omdat het voorziet in een behoefte: een gedegen overzicht van de stand van zaken hoeven poëzieliefhebbers in kranten en tijdschriften niet meer te verwachten. In de 24 opstellen stellen de auteurs de dichters voor en trekken ze voorzichtige lijnen in een oeuvre. Die auteurs kunnen beginnende literatuurwetenschappers en eerbiedwaardige hoogleraren zijn; op een enkele uitzondering na is het niveau hoog.

Heterogene auteurs en heterogene dichters: de verleiding is groot om in te gaan op allerlei individuele merites. Dat geldt vooral voor de dichters: in een boek als dit voltrekt zich voor onze ogen een proces van canonisering. Lees verder >>

Alle tranen van de eenzaamheid

door Gert de Jager

Op de poëziekalender van Van Oorschot een klassieker van Lodeizen:

ik ben het zuiverste dier op aarde
ik slaap met de nacht als met mijn lichaam
en de nacht wordt groter in mijn hart

in het donkere weefgetouw van je vingers
borduur ik een nacht van eenzaamheid
veelkleurig veeleisend veranderlijk

ik ken alle tranen van de eenzaamheid
sla mij maak mij open
ik ben een roos van vrolijkheid

kom hier vertrouw mij
ik gooi de wind vol sterren

als een boot van overvloed
in de spaarzaamheid van de zee

nu ben je niet gekomen
en zachtjes ga ik dicht.

Met Lodeizens reputatie is het altijd raar gesteld gesteld geweest. In het begin van de jaren vijftig was hij even de Jacques Perk van de Vijftigers – in de tijd dat Vinkenoog de Vijftigers aan het volk voorstelde in zijn bloemlezing Atonaal. Lees verder >>

Het aura van de hobbyclub

Over de nominaties voor de VSB-prijs (6 en slot)
 
door Gert de Jager
Prozaprijzen worden soms uitgereikt aan debutanten of bijna-debutanten en in ieder geval zijn ze tussen de genomineerden vrijwel altijd te vinden. Uit het recente verleden herinner ik me Niña Weijers, Joost de Vries, Peter Buwalda, Jamal Ouariachi, Miquel Bulnes. Op de Librislijst die ik voor me heb, staan de debuten van Raskin, Jongstra, Pointl, Thomése, Benali, Mortier, Novaire, Bakker, Vuijsje en dan zijn me er vast nog een paar ontgaan. Het groepsportret van de VSB-prijs 2016, vier door levenservaring getekende oudere heren plus een jonge vrouw, is voor de grote prozaprijzen niet goed denkbaar.
Het moet te maken hebben met een verschil tussen poëzie en proza. Hoe komt het dat de kwaliteit van schrijvers als Jongstra, Benali, Thomése en Mortier meteen te zien is en die van dichters pas na een langetermijninvestering van de uitgeverij en henzelf? Waarom spelen juist bij poëzie de selectiecriteria van drie of vier uitgeverijen zo’n belangrijke rol en vertrouwt een VSB-jury blindelings op de poortwachtersfunctie die blijkbaar iedereen ze toekent?
Belangrijk is, denk ik, dat uitgeverijen steeds meer als enigen die poortwachtersfunctie zijn gaan vervullen. Het is vaker gezegd: de poëziekritiek is bijna helemaal verdwenen uit de dag- en weekbladen. Eigenlijk kent Nederland op dit moment nog maar één echte papieren poëziecriticus die wat er op de markt komt consequent volgt en er kritisch en intelligent over schrijft: Piet Gerbrandy in De Groene. Tijdschriften als Awater en Poëziekrant proberen de lacune op te vullen, maar die hebben het aura gekregen van de hobbyclub. Lees verder >>

Het aura van de ernst

 
Over de nominaties voor de VSB-prijs (5)                                      
door Gert de Jager
Het aura van de uitgever en de auteur: van de bundels die genomineerd werden voor de VSB-prijs besprak ik er drie en die bleken van zo’n aura niet los te denken. In een fraai stuk schreef iemand die zich Lezeres des vaderlands noemt over iets anders dat voor vier van de vijf bundels ook heel belangrijk lijkt te zijn: het aura van de rijpere man. Boskma, Tellegen, Pfeijffer, Van Istendael – ze zijn allemaal boven de vijfenveertig en in sommige gevallen daar ruim boven. Hun rijpe manzijn blijkt uit een aantal passages die de Lezeres vrolijk citeert. Puur vergeestelijkt worden oudere mannen: zo zetten ze op hun bundels covers die geen vrouw zich kan permitteren. Pfeijffer op zijn verzamelbundel De man van vele manieren; Nolens met Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen:

Mannen mogen alle ruimte innemen die ze willen, zelfs naakt en koketterend met hun lichamelijk verval. Als een vrouw dat zou doen, zou niemand haar meer serieus nemen, laat staan het over haar poëzie hebben.

Aldus de nationale lezeres.

Het aura van de ernst, van de mannelijke gerijptheid – ik geloof dat we mogen vaststellen dat het bij de genomineerde poëzie vooral daarom lijkt te gaan. Heel anders ligt het bij proza, ook geen misselijk genre. Voor Libris, Ako en Gouden Uil worden regelmatig jonge mannelijke schrijvers genomineerd; soms wordt zo’n prijs zelfs toegekend aan een debutant. Lees verder >>

Dit goede dal


door Gert de Jager


Vandaag dit gedicht op de kalender van Van Oorschot:

Madurodam

Nu ben ik groot genoeg,
de straat ligt aan mijn voet.

Beloop hier de essentie van het land:
een gracht met pand,
een koe met waterkant.

Alles houdt zijn maat:
het regiment, de dirigent,
de torenklok die steeds maar slaat.

De optocht maakt een zacht kabaal,
men fluistert Nederlandse taal,
ook Surinamers zijn op schaal.

Wij reuzen doen geen kwaad,
omhelzen kerken,
doven nog een waakvlambrand
en nemen afscheid van dit goede dal.

Het leven is er niet te groot,
de mensen gaan er heel klein dood.

Het komt uit Viewmaster, de debuutbundel uit 1997 van Co Woudsma. Misschien ligt het aan mij, maar het doet mij heel sterk denken aan dit beroemde bloemlezingengedicht: Lees verder >>

Hoe het is

Over genomineerde dichtbundels en hun aura (4)

door Gert de Jager


Wat voorafging. Bundels die genomineerd worden voor de VSB-prijs, de prijs voor de beste dichtbundel van het jaar, zijn afkomstig van een beperkte hoeveelheid uitgeverijen. Wie de prijs krijgt toegekend, lijkt bepaald te worden door een rouleerschema. Dat het aura van de uitgeverij doorslaggevend is, blijkt uit de casus van Pieter Boskma die na meer dan vijftien bundels overstapt naar de Bezige Bij en dat in een gedicht beschrijft als een drempelervaring. Zijn bundel Zelf is de eerste in zijn hele oeuvre die voor de prijs wordt genomineerd.

Ik zou een vraag proberen te beantwoorden: wat blijft er over van de poëzie in de vijf genomineerde bundels wanneer je het uitgeversaura wegdenkt? Zou ze deze jury nog steeds zijn opgevallen – of welke jury dan ook? Het is lastig om zo’n vraag te beantwoorden zonder kwaliteitsoordelen te vellen en een eigen top vijf te poneren, maar daar gaat het niet om. Het gaat om een inzicht, een diep inzicht, in de mechanismen van het ‘veld’.

Pieter Boskma debuteerde bij In de Knipscheer voordat hij overstapte naar Bert Bakker/Prometheus en een paar decennia later naar De Bezige Bij. De poëzie in Zelf: hoe zouden we die waarnemen wanneer Boskma bij In de Knipscheer was gebleven? Het is goed voorstelbaar: In de Knipscheer is zo ongeveer de sympathiekste uitgeverij van Nederland en die zou deze gedreven oeuvrebouwer alle ruimte hebben gegund. Lees verder >>

Het aura zelf

Over de nominaties voor de VSB-prijs en het Iljaeffect (3)

door Gert de Jager

Het experiment van Ilja Gort – wijn uit een gewone fles, wijn uit een plastic fles, wijn uit een luxe fles en dat allemaal voorgezet aan heuse wijnkenners – is nogal lastig na te volgen als het om poëzie en het aura van een uitgever gaat. Aan welke proefpersonen zou je poëzie uit VSB-bundels kunnen voorzetten? Wat zijn het voor poëziekenners die gedichten van Boskma, Van Istendael, Pfeijffer, Tellegen, Vanhauwaert niet herkennen – van in ieder geval twee of drie van hen? Beter, heel veel beter, is het om als een nijvere taalkundige te vertrouwen op gedachte-experimenten en de hoogsteigen intuïtie. 

Bij de bundel Zelf van Pieter Boskma is dat nog het minst nodig. Vlak na het verschijnen schreef criticus Chrétien Breukers dit:

Stel, dacht ik na lezing van het gedicht, dat een volledig onbekende dichter mij dit zou sturen? Wat zou ik doen? Ik zou allereerst zeggen: snoei alle stoplappen. Lees verder >>

Auratische variabelen: het Iljaeffect

Over de VSB-prijs (2)

door Gert de Jager


De andere Ilja: een mediapersoonlijkheid die, met alpinopet en al, zo voldoet aan het cliché van een Franse wijnboer dat ook hij een personage van Marten Toonder had kunnen zijn. Waar Van ’t Hof in zijn vrolijke filmpje naar verwijst is een heuse proefneming. Connaisseurs krijgen van Ilja wijn ingeschonken uit een gewone fles, een plastic fles en een fles waarvan het glas ruim een euro kost. De wijn uit de plastic fles wordt soms met een vertrokken gezicht uitgespuwd, die uit de luxe fles verzaligd opgedronken. Toch gaat het, u raadt het al, om dezelfde wijn.

Het zijn proefnemingen die vaker in de media opduiken en waarmee goedkope supermarkten willen scoren. Een beetje kinderachtig misschien wel: dat veel producten het vooral of ook van een aura moeten hebben, weten we allemaal. Perfecte imitaties, zelfs wanneer als het gaat om massaproducten als tassen of parfums, zijn minder waard omdat ze het aura van de authenticiteit missen. Als er één product is dat het moet hebben van auratische toeschrijvingen dan is het wel wijn. Het jargon van vinologen dient vast heel veel doelen, maar creëert op de eerste plaats een gemeenschap van kenners en autoriteit.

Wat kennen kenners? Lees verder >>

Het Iljaeffect

Over de VSB-prijs
 
door Gert de Jager
 
De jury die de bundel Nieuwe zon; een megagedicht van Jacob Groot niet nomineert: alsof je in het jaar dat Ulysses verschijnt, aarzelt tussen een prozaprijs voor Herman Robbers en Jo van Ammers-Küller. Hoe valt het te verklaren?
Het is niet de eerste keer dat de nominaties voor de VSB-prijs voor verbazing zorgen – verbazing, discussie en verontwaardiging horen bij het ritueel van literaire prijzen en ook vorige week knetterde Facebook. Maar bij de VSB-prijs is er misschien iets anders aan de hand. De afgelopen jaren wees Ton van ’t Hof – dichter, essayistisch blogger en uitgever (van onder meer, ik zeg het maar even, deze veelgelezen prachtbundel die, ik zeg het maar even, verscheen na de sluitingsdatum voor de VSB-prijs) – in blogberichten en vrolijke filmpjes op wat een heuse bias zou kunnen zijn: bundels die genomineerd worden, zijn afkomstig van een kleine groep uitgeverijen. Dankzij die bias valt er zelfs tot op grote hoogste iets te voorspellen: niet de namen van de bundels die genomineerd zullen worden, maar die van de uitgevers die op de titelpagina zullen staan. Tot bij de uiteindelijke bekroning laat de bias zich gelden. Wie er wint lijkt bepaald te worden door een rouleerschema.
Op Facebook plaatste Van ’t Hof dit geactualiseerde overzicht:

De hoogste ogen

door Gert de Jager


Ze zijn onzinnig, het resultaat van een consensus, een politiek compromis waarin rekening gehouden wordt met van alles en nog wat: leeftijd, sekse, een evenwichtig beeld van de verschillende stromingen, poëticale opvattingen, Vlamingen, Nederlanders. Op zijn hoogst één experimentele dichter. Altijd ook één dichter die echt goed te begrijpen valt.

Ze zijn van belang omdat ze tot aandacht en discussie leiden.

De verkoop van een bundel vertienvoudigt soms. Dichters die jarenlang de deur niet uitkwamen, hebben opeens optredens. Sommigen van hen kunnen 25.000 euro heel goed gebruiken.

Het simpele feit van waardering alleen al. Niets zo onzinnig – daar is het woord weer – als jarenlang schaven aan een bundel die nog geen twintig lezers vindt. Erg prettig als de particuliere rechtvaardiging van een bestaan minder particulier wordt. Lees verder >>

Een esthetica van affect en verlangen

Over Als een beek van Kees Ouwens (4)

door Gert de Jager

Hoe lees ik Ouwens? In een romantisch-modernistische traditie die vanaf het eind van de negentiende eeuw zowel de poëzie als de kritiek in haar greep heeft gehad. “Als reactie op het grote moderne trauma – de dood van God – zoekt deze lijn van literaire kritiek het absolute in de literatuur. Lezen wat er niet staat heeft hier iets heel fijnzinnigs en belangrijks: het stelt je in contact met het ontastbare dat ons met elkaar verbindt.Aan het woord is Sarah Posman op de dag van de literatuurkritiek op 14 oktober in Brussel. Als ik in de drie gedichten van Ouwens die ik tot nu toe besproken heb op één ding gespitst was, dan was het op een ultieme tekstuele samenhang die tegelijkertijd tekortschiet of iets verzwegen laat. De gedichten in Als een beek, met al hun hebbelijkheden en onhebbelijkheden, lijken moeiteloos in een mal van hoogstaande betekenisgeving te passen. 
 
Posman stelt daar een “esthetica van het affect en het verlangen” tegenover. Literaire teksten zijn met myriaden draden aan een context gebonden en datzelfde geldt voor een lezer. Bij het lezen ontmoeten contexten, ritmes, ervaringen elkaar. “Literatuur komt niet alleen ingewikkeld tot stand, ze vraagt ook aan lezers om hun ingewikkeldheden aan die van haar te koppelen. Of dat een werkbaar onderzoeksprogramma oplevert, weet ik niet direct en ook niet of Posmans esthetica veel meer is dan een variant van de receptie-esthetica uit de jaren zeventig. Van welke lezers zijn de ingewikkeldheden interessant? Lees verder >>

Voorbij de muren

Over Als een beek van Kees Ouwens (3)

door Gert de Jager
 
Zekere kenmerken van Ouwens’ poëzie wekken bij nogal wat poëzielezers enige irritatie. Het tweede gedicht in Als een beek biedt die kenmerken volop:
 
Muren

 

Een laatste wandeling leerde de onomkoopbaarheid van het lot dat klaar lag.
Een laatste blik leerde ontzag voor de constante in het huis dat al ver terug lag.
Een enkel raam maakte gewag van de lamp die brandde nu toch de nacht gearriveerd was. 

Ik nam een pen als maatstaf voor het waar gebeuren, het voorval schreef in monochrome
kleuren de lezing voor die in mijn aard gereed lag. 

Daar ik een minnaar ben van die vier koude muren, zet zich een daad
op schrift binnen het uur, die zijn ontstaan, gesteldheid dankt aan
de schriftuur, aan letterlijkheid toch minder zwaar tilt dan het feit
dat zich vertilt aan de realiteit.

 
Het zijn vooral de abstracta in een gedicht als dit waar poëzielezers zich aan storen. En dan gaat het om zoiets als goede smaak. Lees verder >>

Opdracht

Over Ouwens en Achterberg

door Gert de Jager

Het blijft, vind ik, een van de bijzonderste bundels uit de Nederlandse poëzie: Als een beekvan Kees Ouwens. Na het Reviaanse debuut Arcadiaen de daarop volgende Intieme Handelingenmet zijn lange volzinnen die een tamelijk losse relatie leken te aan te gaan met de lange versregels waarover ze werden uitgespreid, was Als een beek een echte dichtbundel met strofen en veelbetekenende enjambementen. Alsof inderdaad een relatie werd hersteld: versregels en strofen als feilloze partituur voor wat een lezer in zijn hoofd laat weerklinken. 
 
Het was de eerste bundel van Ouwens die ik las. Een jonge student herinnerde zich een recensie van Bernlef en kwam de bundel in grote stapels tegen in de uitverkoop van V&D; of Bijenkorf. Het colofon van de bundel deelt mee dat de bundel was verschenen ‘in een oplage van 500 gebonden en 1000 gebrocheerde exemplaren.’ Uitgeverij Polak & Van Gennep BV volgde in 1975 een hoge, esthetische missie.
 
Wat las ik? Lees verder >>

Het mooiste verhaal

Door Gert de Jager


Joost Zwagerman vond Vestdijks Een twee drie vier vijf het mooiste verhaal uit de Nederlandse literatuur. Ik lees het elk jaar met mijn zesde klas om ze iets over het interbellum en de stream of consciousness duidelijk te maken. Tien bladzijden met de gedachtestroom van een personage. Heel anders dan bij Couperus of Van Deijssel, maar: denken we echt zo? Zo verbaal?

Wat Zwagerman onder meer aangesproken zal hebben is de de manier waarop Vestdijk de eigentijdse werkelijkheid, die van de jaren dertig, een rol liet spelen in het verhaal. Het hoofdpersonage is een werkloze intellectueel die geen geld heeft losgekregen bij vrienden en kennissen, niet het recht heeft om te stempelen, geen uitweg meer ziet. Hij komt thuis, spreekt met zijn vrouw of vriendin Mea en wat we lezen is wat er vervolgens in vijf minuten door zijn hoofd gaat – vandaar de titel.
Lees verder >>

Script

Over Mens Dier Ding van Alfred Schaffer (slot)

door Gert de Jager

‘Het ging me om het plezier van het script, de waanzinnige belichting, de schoonheid van je hallucinaties’. Aan het woord is de dichter die op het punt staat de bundel Mens Dier Ding te publiceren en zich richt tot de hoofdpersoon in diezelfde bundel: de legendarische, negentiende-eeuwse Zoeloekoning die in de roman van Thomas Mofolo, de voornaamste inspiratiebron voor de bundel, Chaka wordt genoemd, op de achterkaft waaruit dit citaat afkomstig is Shaka en in de bundel zelf Sjaka. Niet alleen de overvloed aan anachronismen in de bundel maakt duidelijk dat het Schaffer niet te doen was om het vastpinnen van een personage in zijn historische context. Zelfs het meest banale conceptuele sys-teem dat zo ongeveer denkbaar is, een spellingsysteem, laat zien dat historische identiteiten en essenties gedoemd zijn om aan eenduidigheid te ontsnappen.  

Een dichter die zegt dat hij plezier heeft in een script, zou een uitspraak kunnen doen over zijn arbeidsvreugde. Wanneer hij de hallucinaties van een bloeddorstige dictator bewondert, is er meer aan de hand. Lees verder >>

Heilige motoren

Over Mens Dier Ding van Alfred Schaffer (2)

door Gert de Jager

Onder meer door het motto erbij te betrekken beargumenteert Laurens Ham in De Reactor dat Mens Dier Ding veel méér is dan de casestudy van een dictator. Dat motto komt niet uit een van de boeken over het leven van Sjaka waarop Schaffer zich heeft gebaseerd, maar uit een Franse film met een Engelse titel: Holy Motors van Leos Carax uit 2012. Geen dictator, maar een acteur is daarin het belangrijkste personage: een acteur die van geheimzinnige opdrachtgevers een lijst met rollen krijgt toebedeeld die hij simpelweg moet spelen. Met die rollen intervenieert hij in alledaagse situaties waarin zijn medespelers soms ook acteurs met een opdracht blijken te zijn en soms overduidelijk niet. Logische inconsistenties maken het uiteindelijk onmogelijk om uit te maken wat ‘echt’ is en wat geacteerd: wie normaal in de werkelijkheid rondloopt lijkt niet minder een marionet van een onzichtbare instantie dan het acteurspersonage. Wat vooral gerelativeerd wordt in de film zijn menselijke accessoires als de vrije wil en het verlangen naar zelfbestemming: aan het slot lijken alle grenzen tussen mensen en dieren en tussen mensen en dingen opgeheven. In het slotbeeld, het beeld waarmee de bioscoopganger de avond wordt ingestuurd, krijgen de dingen zelfs menselijke eigenschappen – op een manier die sterk doet denken aan een beroemd verhaal van Bordewijk.

Het dialoogje dat Schaffer als motto heeft gekozen, is halverwege de film te vinden:

Lees verder >>

Knorrende beesten

Over Mens Dier Ding van Alfred Schaffer (1)

door Gert de Jager

Ruim een jaar geleden verscheen Mens Dier Ding, de omvangrijke bundel van Alfred Schaffer waarin het leven van de legendarische Zoeloekoning Sjaka min of meer wordt naverteld. De bundel kreeg enthousiaste recensies, was de beste van het jaar volgens de verzamelde poëziecritici, werd genomineerd voor de VSB-prijs die tot verbazing van bijna iedereen naar iemand anders ging. Op Poetry International hoorde ik collega-dichters met veel respect over Mens Dier Ding spreken. Alsof de bundel, met zijn narratieve structuur en zijn hyperhistorische ik-personage, iets openbrak: het besloten wereldje van de Nederlandse lyriek. Geen keurige gedichten vol beschaafde ontregeling en vervreemding van een lyrisch subject dat je, beschaafd ontregeld en vervreemd, op dichtersborrels tegen kunt komen, maar een poging om werkelijk door te dringen tot de belevingswereld van een ander: een gruwelijk personage dat de Geschiedenis naar zijn hand wist te zetten.

Het was misschien wel om die reden dat ik met enige scepsis aan de bundel was begonnen. Waarom, in godsnaam, zou ik interesse moeten opbrengen voor het leven van een vroeg negentiende-eeuwse Afrikaanse tiran? De eerste kritieken die ik tegenkwam en die al heel snel verschenen, stimuleerden de nieuwsgierigheid niet echt. Wat de dames en heren met veel bewondering en respect gelezen hadden, leek het meest op een psychopathologische studie: de studie van een naar wreedheid en bloeddorst afglijdend individu. Lees verder >>

Vrijheid

door Gert de Jager


Even geen emoties, maar proposities:

1.   Een organisatie die zich associeert met het bezoek van Westergaard, verliest in de moslimwereld elke morele autoriteit.

2.   Een organisatie die zich distantieert van het bezoek van Westergaard, verliest in de westerse wereld haar morele autoriteit.

3.   PEN komt op voor vervolgde schrijvers en journalisten en daar zijn er in de moslimwereld veel van.

4.   PEN Nederland heeft een pragmatische, verstandige beslissing genomen.
Lees verder >>

Een roodgeschilderde houten kraaiekop

door Gert de Jager
 

Het woord ‘aards’ gaan we veel tegenkomen in necrologieën. Maar neem dit gedicht:

Boodschapper mompelend tegen de boomtoppen

Boomtoppen! Jullie zijn zo hoog en mijn verzegelde
boodschap is leeggewaaid: van welk hof ik kwam en
naar welk hof ik vlucht, het is mij ontvallen… Je
zegel ben jezelf, roept een roodgeschilderde houten

kraaiekop tussen de dennen: was vast vogelschrik,
ooit. En het mos is mij welgezind, draagt lieflijk
groengouden kussen aan. Beekje trommelt. Blauw is
de zingende augustushemel die zwaluwen heft zonder

tal. In groene verten vallen brokjes geblaf onder
zacht stuivende pollen uiteen. Boodschapper was ik
zoals ook het ijzeroer een doel heeft. Zoals (…ver)

hondegeblaf het verjagen van dieven dient. O water!
Als jou te zijn… Boomkruinen, als jullie te zijn:
uitziend. Ik versmelt met mos, beek en hemelblauw.

Ik heb het gedicht overgenomen uit de bundel die ik bij de hand heb: de complete, drie delen tellen Laaglandse hymnen uit 2003. In de recente uitgave van Ter Balkts verzamelde gedichten, Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens, zal, neem ik aan, de spelling – kraaiekop, hondegeblaf – zijn aangepast.

Dat zal ongetwijfeld niet gelden voor de twee ongrammaticaliteiten in dit gedicht: “Je/ zegel ben jezelf” en “Als jou te zijn…” Lees verder >>

Parasitaire mimesis

door Gert de Jager
Over Fallicornia van Dirk van Bastelaere (5 en slot)
Het meest fundamentele kenmerk van Van Bastelaeres poëzie berust op wat het meest een misvatting is – een misvatting die al tot uitdrukking komt in een geforceerde titel als Fallicornia en waaruit een groot verlangen naar referentie of mimesis spreekt. Van Bastelaere is taalscepticus genoeg om te weten dat zijn taal, elke taal, en de werkelijkheid van de eenendertigste staat der Verenigde Staten door een afgrond gescheiden werelden zijn. Taal is in essentie retorisch, proclameert hij in het voetspoor van Nietzsche en Paul de Man tegenover Hugo Brems en andere kleinburgers die denken dat taal op de een of andere manier een afgeleide is van de ervaring. Van Bastelaeres misvatting blijkt uit wat hij vervolgens niet doet: zijn retorische middelen gretig inzetten.
Een ervaring van sublimiteit wil hij bereiken bij zijn lezers: een ge-nieting, een tijdelijk verlies van het ik. De niet te vatten meerzinnigheid van de wereld moet niet worden weerspiegeld, maar worden opgevoerd – ‘geen platte mimesis, maar performantie’ in de formulering van Van Bastelaere. Wat de lezer onder ogen krijgt, is het resultaat van de performantie en vervolgens kan de lezer zelf ook zo’n performantie voltrekken – door de lectuur van Fallicornia bijvoorbeeld. Letters en woorden heropvoeren: het lijkt een normale omschrijving van het leesproces, maar kenmerkend voor Van Bastelaere is wel degelijk de rechtstreekse koppeling van eigenschappen van de wereld aan eigenschappen van poëzie. In de meerzinnigheid van de poëzie vindt de lezer zijn meerzinnige wereld terug. Lees verder >>

Een lichte kruik

door Gert de Jager
 
Over Fallicornia van Dirk van Bastelaere (4) 
 
Een gedicht met de kracht van het Egidiuslied:
 
Pappies kleine meid
 
Omdat er afwezigheid
is is
 
er poëzie. Zoals het meisje in wie ik mag kunnen
wegrollen als een zich onder de kast wegspoedende knoop,
schreeuwend met haar zwarte kleine haar
in de onheldere zon die de mijne is
het licht opslorpt als een lichte kruik,
zo ben ik verondersteld, neergezet
bij haar bed onder het schuine raam waar de vrijdag vanaf stroomt
als regen, als een zichzelf voor haar opheffende, maar niet daar.
 
Of dan buiten
op een tafel weggezakt in de tuin een rubberen handschoen de weg
wijst
naar tijden zonder hand, of er ligt naast
een zandstenen kubus een bal van graniet,
in de omgeving waarvan zelfs de plantengroei trager verloopt,
 
door sommigen wordt deze situatie herkend
als een klassiek geval van melancholie,
door anderen als een flits van wanorde die de wereld bepaalt.
 
 
 
Het gedicht is afkomstig uit Van Bastelaeres derde bundel, Diep in Amerika uit 1994 – de opvolger van Pornschlegel en andere gedichtenuit 1988 en daarmee de tweede buiten de bibliofiele circuits. De moeizame totstandkoming van de bundel vormt een inmiddels vaak vertelde casus: Theo Sontrop van de Arbeiderspers vond de bundel ‘volstrekt onbegrijpelijk’ en wilde hem ondanks het succes van Pornschlegelniet uitgeven. Lees verder >>