Auteur: Gerrit Bloothooft

Traditionele namen, modenamen en Zipf

Voornamendrift (5)

door Gerrit Bloothooft

We geven nu heel andere voornamen aan kinderen dan vroeger. De traditionele vernoemingsnamen zijn van meer dan 75% naar minder dan 5% teruggevallen, en daar zijn in de loop van de 20e eeuw modenamen voor in de plaats gekomen. Voor de voornamen van de hele bevolking geldt een Zipfiaanse relatie, die het aantal namen met een bepaalde frequentie voorspelt. Maar is die relatie gelijk voor traditionele namen en modenamen?

Lees verder >>

Zipf plus Zipf blijft Zipf

Voornamendrift (4)

Door Gerrit Bloothooft

Onze voornamen zijn een mengelmoes. Er zijn traditionele voornamen van christelijke of germaanse oorsprong, er wordt geleend van omringende talen in Europa, en door migratie kunnen we voornamen uit de hele wereld tegenkomen. En toch vinden we alles bij elkaar voor de hele bevolking een aantal voornamen met een bepaalde frequentie dat grotendeels voorspelbaar is, van uniek tot meest populair. Dat is vergelijkbaar met de vraag of als we woorden gaan tellen in een serie boeken die in verschillende talen geschreven zijn, de wet van Zipf over de hele telling nog steeds op gaat. En ja, dat zal zo zijn wanneer Zipf + Zipf = Zipf.

Lees verder >>

De lotgevallen van een stadsnaam in het buitenland: ‘Den Haag’ in het Italiaans

´Io non ci capisco un’acca!´
´Ik begrijp er geen h van!´

Door Martin H. Hietbrink

Het is in Nederland gebruikelijk om namen van buitenlandse steden onveranderd te laten, dan wel met minimale aanpassingen over te nemen. In Italië is het gebruikelijker dergelijke zogenoemde exoniemen te ´italianiseren´, waarbij soms een opvallend verschil ontstaat tussen de oorspronkelijke en de Italiaanse naam. Zo wordt de Franse hoofdstad Paris in Nederland aangeduid als ´Parijs´, maar in Italië als ´Parigi´. En wat te denken van de Italiaanse naam ´Monaco´ voor het Zuid-Duitse Mūnchen?

Lees verder >>

Pas verschenen: Veldnaemen van Stellingwarf VII: Oosterwoolde

Door Henk Bloemhoff

Gedurende zo’n zeventien jaar hebben de Stellingwarver Schrieversronte (Stellingwerfs streektaalinstituut) en de Historische Verening van Oosterwolde gestaag doorgewerkt om te komen tot een uitvoerig boek over de veldnamen van Oosterwolde, het hoofddorp van de gemeente Oost-Stellingwerf in Zuidoost-Friesland. Op 20 oktober jl. werd het resultaat gepresenteerd, aan het eind van een symposium met twee veldnaamkundige en twee landschapshistorische lezingen. Emeritus-hoogleraar historische geografie dr. Guus Borgers karakteriseerde in zijn bijdrage deze jongste uitgave in de reeks Veldnaemen van Stellingwarf als goed, mooi en vernieuwend. Dat laatste was met name vanwege de intensieve samenwerking van twee auteurs uit verschillende disciplines, nl. landschapsgeschiedenis en taalkunde.

Lees verder >>

Teknoniemen en de naam Leentvaar

Door Michiel de Vaan

 Een patroniem koppelt jouw naam aan die van je vader, en is wereldwijd een van de meest voorkomende naamgevingsmotieven. Als je vader Arend heet, kun je de naam Arends ‘die van Arend’ of Arendszoon, Arendsdochter krijgen. Ook metroniemen komen vrij algemeen voor, hoewel – cultureel bepaald – minder dan patroniemen. Een derde soort familieverwijzing is het teknoniem (van Grieks téknon ‘kind’), waardoor jouw naam aan die van je kind(eren) refereert. Ook deze mogelijkheid komt wereldwijd op alle continenten voor. Teknonymie kan benadrukken dat een mens pas wanneer hij kinderen krijgt volledig tot de groep der volwassenen behoort. In andere gevallen kan kinderloosheid ermee worden verbloemd, of dient de naam als titel van respect. In het Arabisch wordt het verschijnsel als kunya betiteld. Indien bijvoorbeeld een man die Hasan heet een zoon Zayn krijgt, kan Hasan informeel als Aboe Zayn ‘Vader van Zayn’ betiteld worden. De ‘Moeder van Malik’ krijgt de naam Oemm Malik. Bekende voorbeelden zijn Aboe Bakr, de schoonvader van Mohammed en de eerste kalief volgens de Soennieten, en de Egyptische zangeres Oemm Koelthoem (1904-1975).

Een dergelijk stelsel kennen we in het Nederlands niet, hoewel…

Lees verder >>

Zien we eruit als onze voornaam?

Door Gerrit Bloothooft

 Kim? Luca? Marina? Evi? 

In mijn paspoort staan mijn gezicht, naam en leeftijd. Niemand anders heeft precies hetzelfde gezicht en in mijn geval ook niet dezelfde naam. Ik kan me dus identificeren. Maar hoe redundant zijn gezicht en naam, wat valt er meer uit af te leiden? Uit een gezicht zijn bijvoorbeeld leeftijd en etnische achtergrond te schatten. Dat doen we allemaal, niet alleen de politie. Veel subtieler ligt het met persoonlijkheid, intelligentie en sociale achtergrond. Het zijn eigenschappen die deels genetisch maar ook door levensomstandigheden bepaald zijn. Als die zich in het gelaat op een stereotype manier verankeren zou een goede waarnemer dat misschien kunnen zien. Dan zou er zelfs een versterking kunnen plaatsvinden: omdat iemand op een bepaalde manier wordt benaderd gaat die er zich naar gedragen en uitzien.

Nu is onze voornaam het eerste sociale label in ons leven. Lees verder >>

Over Masscheroen en Macron

Door Frans Debrabandere

Aan het Nederlandse woord masker beantwoordt in het Frans masque. Het gaat  terug op Laatlatijn masca ‘tovenares, spook, duivel’, met de grondbetekenis ‘zwart’. Het woord werd uitgebreid tot maskara, in Italiaans maschera ‘masker’, Spaans mascara ‘zwartsel, roet, masker’, Portugees mascara ‘vlek’. Dat werd ons woord masker. Een masker was dus oorspronkelijk een zwartgemaakt gezicht. Zwart stond in verband met tovenarij, de zwarte kunst, en met de duivel. We begrijpen uiteraard dat het Spaanse woord mascara ook de naam geworden is van de zwarte kleurstof voor wimpers en wenkbrauwen. Denk erom dat ook het woord grime, grimeren, net als grijm ‘roet’, teruggaat op Germaans grima ‘zwartgemaakt gezicht, masker’. Lees verder >>

Wat is nu de naam van dat plekje?

Door Karel Leenders

De Blaak op de topografische kaart van rond 1925.

In de zestiende eeuw was de rivier de Mark waar ze tussen Etten en Zevenbergen doorstroomde erg breed. Te breed, omdat door het bedijken van de gorzen de functie van dit water veranderde van getijdengeul in die van regenrivier. Door die omschakeling trad er opslibbing op: er ontstond een vlak zanderig eilandje in de rivier, een plaat. In 1611 werd die voor het eerst in de archieven vermeld, 7½ hectare groot. Het jaar daarop werd het eilandje verkocht. Langzaam werd het groter en zo groeide het vast aan de Ettense oever. In 1677 heette die grond De Plaat. In 1827 mat het volgens het kadaster, dat deze plek ook nog steeds De Plaat noemde, ruim 40 hectare. De Mark, die hier in 1560 nog tot 450 meter breed was, had nu genoeg aan 22 meter.

Toen stichtten de Belgen hun eigen koninkrijk en lag het Nederlandse leger in Noord-Brabant te niksen. Lees verder >>